The Project Gutenberg eBook of De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)

Author: Jules Verne

Release date: February 2, 2012 [eBook #38668]

Language: Dutch

Credits: E-text prepared by Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe (http://www.freeliterature.org) from page images generously made available by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT, TWEEDE DEEL (VAN 3) ***

 

E-text prepared by
Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe
(http://www.freeliterature.org)
from page images generously made available by the
Google Books Library Project
(http://books.google.com)
and
Bibliothèque nationale de France
(http://www.bnf.fr)

 

Note: Images of the original text pages are available through the the Google Books Library Project. See http://books.google.com/books?id=0LorAAAAMAAJ&printsec=titlepage

The illustrations used in this e-book are taken from the 1868 French edition, Les Enfants du Capitaine Grant, published by J. Hetzel (Paris). The original images are available througn Bibliothèque nationale de France, See http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b8600254s.r=.langEN

Project Gutenberg has the other two volumes of this work.
Volume I: see http://www.gutenberg.org/files/38667/38667-h/38667-h.htm
Volume III: see http://www.gutenberg.org/files/38669/38669-h/38669-h.htm

 


 

 

 

DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT

Naar het fransch van

JULES VERNE.

TWEEDE DEEL.

AUSTRALIË

 

 

 

LEYDEN,
DE BREUK & SMITS.
1868.

INHOUD

I.Terug aan boord.
II.Tristan d'Acunha.
III.Het eiland Amsterdam.
IV.De weddenschappen van Jacques Paganel
en majoor Mac Nabbs.
V.Onstuimig weer op den Indischen Oceaan.
VI.Kaap Bernoulli..
VII.Ayrton.
VIII.Het vertrek.
IX.De provincie Victoria.
X.De Wimerra.
XI.Burke en Stuart.
XII.De spoorweg van Melbourne naar Sandhurst.
XIII.Een eerste prijs in aardrijkskunde.
XIV.De mijnen van den Alexander-berg.
XV.De australische en nieuw-zeelandsche courant.
XVI.Een hoofdstuk, waarin de majoor beweert,
dat het apen zijn.
XVII.De schatrijke veefokkers.
XVIII.De australische Alpen.
XIX.Een onverwachte ontdekking.
XX.Zeeland—Aland.
XXI.Vier benauwde dagen.
XXII.Eden.
Lijst van de illustraties

I.

Terug aan boord.

Lady Helena en Mary Grant op de kampanje staande... Lady Helena en Mary Grant op de kampanje staande...

De eerste oogenblikken waren aan de vreugde van het wederzien gewijd. Lord Glenarvan wilde niet, dat de vruchtelooze afloop hunner nasporingen de vreugde in het hart zijner vrienden zou verkoelen. Daarom waren zijn eerste woorden: "Houdt moed, vrienden! houdt moed! Kapitein Grant is niet bij ons; maar wij zijn zeker, dat wij hem redden zullen."

Niet minder dan zulk een stellige verzekering was er noodig om de dames aan boord der Duncan met nieuwe hoop te bezielen.

Lady Helena en Mary Grant toch hadden, terwijl het bootje het jagt naderde, al de pijnlijke kwellingen der onzekerheid uitgestaan. Op de kampanje staande trachtten zij te tellen, hoeveel personen aan boord terugkwamen. Nu eens wanhoopte het meisje, dan verbeeldde zij zich weer Harry Grant te zien. Haar hart klopte, zij kon niet spreken, ter naauwernood kon zij op de beenen blijven. Lady Helena sloot haar in haar armen. John Mangles stond zwijgende naast haar uit te zien; hoewel als zeeman aan verzien gewoon, kon hij toch den kapitein niet ontdekken.

"Daar is hij! mijn vader komt!" sprak het meisje zachtjes.

Maar naarmate de sloep naderde, werd alle hoop de bodem ingeslagen. Toen de reizigers nog een honderd vaâm van het schip af waren, hadden niet alleen lady Helena en John Mangles, maar ook Mary zelve, die in tranen zwom, alle hoop opgegeven. Het was hoog tijd, dat lord Glenarvan kwam en zijn vertroostende woorden sprak.

Na de eerste omhelzingen werden lady Helena, Mary Grant en John Mangles van de voornaamste voorvallen op den togt onderrigt; vooraf echter maakte Glenarvan hen bekend met de nieuwe uitlegging, die de schrandere Paganel aan het document had gegeven. Ook prees hij Robert, op wien Mary met regt trotsch mogt zijn. Zijn moed, zijn zelfopoffering, de gevaren, die hij getrotseerd had, alles werd door Glenarvan in het helderste licht gesteld, zoodat de knaap niet zou geweten hebben, waar hij zich moest verbergen, als hij niet een schuilplaats had gevonden in de armen zijner zuster.

"Gij behoeft niet verlegen te zijn, Robert!" zeide John Mangles, "gij hebt u als een waardig zoon van kapitein Grant gedragen!"

Hij omarmde den broeder van Mary, en drukte een kus op diens wangen, die nog vochtig waren van de tranen van het meisje.

Slechts ter loops maken wij hier melding van het onthaal, dat den majoor en den aardrijkskundige ten deel viel, en van de eervolle vermelding, die van den edelmoedigen Thalcave werd gemaakt. Het speet lady Helena, dat zij de hand van den wakkeren Indiaan niet kon drukken. Toen de eerste vreugde wat voorbij was, zocht Mac Nabbs zijne hut op, waar hij zich met vaste en bedaarde hand schoor. Paganel fladderde van den een naar den ander als een bij, om het sap van loftuitingen en glimlachjes te puren. Hij wilde de geheele bemanning der Duncan omhelzen, en bewerende, dat lady Helena er evengoed toe behoorde als Mary Grant, begon hij bij dezen om bij Olbinett te eindigen.

De hofmeester meende zooveel beleefdheid niet beter te kunnen vergelden, dan door aan te kondigen, dat het ontbijt gereed stond.

"Het ontbijt!" riep Paganel.

"Ja, mijnheer Paganel!" antwoordde Olbinett.

"Een echt ontbijt, op een echte tafel, met vork en mes en servet?"

"Wel zeker, mijnheer Paganel!"

"En zullen wij geen charqui, geen harde eijeren, geen sneden struisvogelvleesch eten?"

"Wel, mijnheer!" antwoordde de hofmeester, eenigzins in zijn eer gekrenkt.

"Ik heb u niet willen beleedigen, mijn vriend!" zeide de geleerde glimlagchend; "maar, ziet ge, in geen maand hebben wij iets anders gehad, en wij nuttigden het, niet op een tafel zittende, maar op den grond liggende of op boomen huizende. Daarom kwam het ontbijt, dat gij aankondigt, mij voor als een droom, een bedrog, een hersenschim!"

"Laten wij dan het bewijs leveren, dat het wezenlijk bestaat, mijnheer Paganel!" sprak lady Helena, die haar lagchen niet kon bedwingen.

"Mag ik u mijn arm aanbieden?" vroeg de galante aardrijkskundige.

"Heeft Uw Edelheid geen orders te geven aangaande den koers van de Duncan?" vroeg John Mangles.

"Na het ontbijt, waarde John! zullen wij gezamenlijk het programma voor onzen nieuwen togt opmaken," antwoordde Glenarvan.

De passagiers van het jagt en de jeugdige kapitein gingen naar de longroom. De machinist kreeg last om stoom op te houden, ten einde op het eerste teeken te vertrekken. De majoor, die zich geschoren had, en de reizigers namen, na zich wat opgeknapt te hebben, aan tafel plaats.

Men deed eer aan het ontbijt van Olbinett. Eenstemmig werd het uitmuntend genoemd, zelfs beter dan de kostelijke maaltijden in de Pampa. Paganel liet zich iederen schotel tweemaal geven, "uit verstrooidheid" zooals hij zeide.

Dit ongelukkige woord deed lady Glenarvan vragen, of de beminnelijke Franschman soms tot zijn gewone zonde vervallen was. De majoor en lord Glenarvan zagen elkander glimlagchende aan. Paganel zelf barstte in een schaterend gelach uit, en verpandde "zijn eer" dat hij, hoe lang de reis ook nog duren mogt, niet meer verstrooid zou zijn; daarop gaf hij een zeer aardig verslag van zijn wederwaardigheden en van zijn grondige studiën over het werk van Camoëns.

"En toch," voegde hij er ten slotte bij, "is het ongeluk ergens goed voor, en gevoel ik geen spijt over mijn dwaling."

"Hoe zoo, mijn vriend?" vroeg de majoor.

"Omdat ik nu niet alleen spaansch, maar ook portugeesch spreek. Ik ken nu twee talen in plaats van ééne!"

"Daar had ik zoo waar niet aan gedacht," antwoordde Mac Nabbs. "Ik maak u wel mijn compliment, Paganel!"

Allen juichten Paganel toe, die daarom het eten niet vergat, hij at en praatte tegelijk. Vandaar, dat hij een bijzonderheid, die Glenarvan niet ontgaan kon, niet opmerkte: de oplettendheid namelijk van John Mangles voor zijn jeugdige tafelburin Mary Grant. Een bijna onmerkbare wenk van lady Helena aan haar man deed dezen inzien, dat "er iets gaande" was! Glenarvan zag de beide jongelieden met vriendelijk welgevallen aan en rigtte het woord tot John Mangles, maar over een heel andere zaak.

"Vertel mij eens, John! hoe is het op uw reis gegaan?"

"Het kon niet beter," antwoordde de kapitein. "Alleen moet ik Uw Edelheid zeggen, dat wij niet door de straat van Magellaan teruggekeerd zijn.

"Wat!" riep Paganel, "zijt gij kaap Hoorn omgevaren, en dat zonder mij?"

"Hang u op!" zeide de majoor.

"Eigenbelangzoeker! wilt gij van mij erven, dat gij mij dien raad geeft?" antwoordde de aardrijkskundige.

"Maar, waarde Paganel!" sprak Glenarvan, "wie de gaaf niet bezit van overal te gelijk te zijn, kan niet de Pampa's doortrekken en te gelijk kaap Hoorn omzeilen."

"Dat neemt niet weg, dat het mij spijt," antwoordde de geleerde.

Maar er werd niet verder over gesproken en men liet het bij dit antwoord. John Mangles nam nu het woord weer op en verhaalde zijn reis. Langs de amerikaansche kust varende, had hij op nieuw al de westelijke eilandgroepen onderzocht, maar nergens een spoor van de Britannia gevonden. Aan kaap Pilares, aan den ingang der straat gekomen, had hij zich om den tegenwind zuidwaarts gewend; de Duncan stevende voorbij de Desolation-eilanden tot zeven en zestig graden zuiderbreedte, zeilde om kaap Hoorn, digt onder Vuurland, en hield het, na de straat van Le Maire doorgevaren te zijn, langs de kust van Patagonië. Daar werd hij op de hoogte van kaap Corrientes door een vreeselijken storm beloopen, denzelfden, die de reizigers zoo geteisterd had. Maar het jagt hield zich goed, en sedert drie dagen voer John Mangles wat heen en weer, toen de losbrandingen der karabijnen hem verwittigden, dat de met zooveel ongeduld verwachte reizigers er waren. Zonder omtrent lady Glenarvan en miss Grant onbillijk te zijn, mogt de kapitein der Duncan haar den lof voor haar zeldzame onverschrokkenheid niet onthouden. De storm joeg haar geen schrik aan, en betoonden zij eenige vrees, dan was het alleen voor haar vrienden, die toen op de vlakten der argentijnsche republiek ronddoolden.

Hiermede besloot John Mangles zijn verhaal, waarna lord Glenarvan zijn tevredenheid over zijn gedrag betuigde; zich vervolgens tot Mary Grant rigtende, zeide hij:

"Lieve miss! ik hoor, dat kapitein John uw uitstekende hoedanigheden prijst, en het doet mij groot genoegen, dat ik daaruit mag opmaken, dat het u niet tegenstaat aan boord van zijn vaartuig!"

"Hoe zou dat anders kunnen wezen!" antwoordde Mary, lady Helena en misschien ook den jongen kapitein aanziende.

"O, mijnheer John! mijn zuster houdt veel van u, en ik ook!" riep Robert.

"Ik mag u ook heel graag lijden, beste jongen!" antwoordde John Mangles, die een beetje van streek geraakte door het gezegde van Robert, dat Mary Grant ook ligt had doen blozen.

Vervolgens het gesprek op een minder gevaarlijk punt brengende, voegde hij er bij:

"Nu heb ik u de reis van de Duncan verteld. Uwe Edelheid zal ons thans zeker wel het een en ander van zijn togt door Amerika en van de daden van onzen jeugdigen held willen mededeelen?"

Niets kon lady Helena en miss Grant aangenamer zijn. Lord Glenarvan haastte zich dan ook om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Hij sloeg geen enkel voorval op de geheele reis van den eenen oceaan naar den anderen over. De Andesketen, de aardbeving, de verdwijning van Robert, diens wegvoering door den condor, het geweerschot van Thalcave, het voorval met de roode wolven, de zelfopoffering van den knaap, sergeant Manuel, de overstrooming, de vlugt op den boom, de bliksem, de brand, de kaaimans, de hoos, de nacht aan de kust van den Atlantischen oceaan, al die vrolijke of ontzettende omstandigheden wekten beurtelings de lachlust en den angst zijner hoorders op. Voor menig voorval dat hij mededeelde, ontving Robert de liefkozingen zijner zuster en van lady Helena. Nooit werd een knaap zoo innig of door opgewondener vriendinnen omhelsd.

Toen lord Glenarvan zijn verhaal had geëindigd, voegde hij er nog bij:

"En nu willen wij aan het tegenwoordige denken, mijne vrienden! wat voorbij is is voorbij, maar de toekomst behoort ons; laten wij tot kapitein Harry Grant terugkeeren."

Het ontbijt was afgeloopen; al de gasten gingen in de hut van lady Glenarvan, schaarden zich om een tafel vol kaarten en teekeningen, en terstond begon het gesprek.

"Lieve Helena," zeide lord Glenarvan, "toen ik aan boord kwam, heb ik u medegedeeld, dat, al kwamen de schipbreukelingen der Britannia niet met ons, wij toch meer dan ooit hopen mogten hen terug te vinden. Uit onzen togt door Amerika is het ons stellig gebleken, dat het onheil noch op de kusten der Stille Zuidzee, noch op die van den Atlantischen oceaan heeft plaats gehad. Daaruit volgt natuurlijk, dat de uitlegging aan het document gegeven, alsof Patagonië bedoeld werd, een dwaling is. Gelukkig heeft onze vriend Paganel, door eene plotselinge ingeving bezield, de dwaling ontdekt. Hij heeft aangetoond, dat wij een verkeerden weg volgden, en het document zoo uitgelegd, dat er voor ons geen twijfel meer overblijft. Ik bedoel het fransche document, en ik wil Paganel verzoeken het hier uit te leggen, opdat niemand meer den geringsten twijfel moge koesteren."

De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed; hij hield een overtuigende rede over de woorden gonie en indi; het woord Australië leidde hij door een strenge redeneering af van het woord austral; hij bewees, dat kapitein Grant, de kust van Peru verlaten hebbende om naar Europa terug te keeren, met een ontredderd schip zeer gemakkelijk door de zuidelijke stroomen van de Stille Zuidzee tot de australiscbe kust kon medegesleept zijn; kortom zijn vernuftige vooronderstellingen, zijn schrandere gissingen verwierven de algemeene goedkeuring, ook van John Mangles, die anders in dit opzigt moeijelijk te overreden was en zich geenszins door zijn verbeeldingskracht liet wegslepen.

De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed... De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed...

Zoodra Paganel met zijn betoog klaar was, beval Glenarvan, dat de Duncan onmiddellijk koers zetten zou naar Australië.

Alvorens de steven naar het oosten gewend werd, verzocht de majoor echter verlof om een enkele opmerking te maken.

"Spreek, Mac Nabbs!" antwoordde Glenarvan.

"Mijn doel," sprak de majoor, "is geenszins om de bewijzen van mijn vriend Paganel te verzwakken, nog minder ze te wederleggen; ik vind ze gegrond, schrander, al onze aandacht waardig, en met het volste regt moeten zij den grondslag onzer aanstaande nasporingen uitmaken. Maar ik verlang, dat zij nog eens rijpelijk onderzocht worden, opdat hun waarde onbetwistbaar en onbetwist zij."

Niemand begreep, waar de voorzigtige Mac Nabbs heen wilde, en allen hoorden hem met zekeren angst aan.

"Ga voort, majoor!" zeide Paganel. "Ik ben bereid om al uw vragen te beantwoorden."

"Niets gemakkelijker dan dat," antwoordde de majoor. "Toen wij, nu vijf maanden geleden, de drie documenten in de golf van Clyde onderzochten, kwam hun verklaring ons duidelijk voor. Geen andere dan de westkust van Patagonië kon het tooneel der schipbreuk zijn. Geen schijn van twijfel zelfs kwam dienaangaande bij ons op!"

"Die opmerking is zeer juist," meende Glenarvan.

"Later," vervolgde de majoor, "toen Paganel in een vlaag van door God beschikte verstrooidheid bij ons aan boord kwam, werden hem de documenten voorgelegd, en keurde hij zonder voorbehoud onze nasporingen op de amerikaansche kust goed."

"Dat is zoo," antwoordde de aardrijkskundige.

"En toch hebben wij ons vergist," zeide de majoor.

"Wij hebben ons vergist," herhaalde Paganel. "Maar om zich te vergissen, Mac Nabbs! behoeft men slechts mensch te zijn, terwijl hij, die in zijn dwaling volhardt, een gek is."

"Wacht een beetje, Paganel!" antwoordde de majoor, "word niet boos. Ik wil niet zeggen, dat wij onze nasporingen in Amerika moeten voortzetten."

"Wat verlangt gij dan?" vroeg Glenarvan.

"Alleen de bekentenis, en anders niet, dat Australië thans even zeker het tooneel van de schipbreuk der Brittannia schijnt te zijn, als Amerika het eerst scheen."

"Dat bekennen wij gaarne," antwoordde Paganel.

"Dat zal ik in mijn oor knoopen," hernam de majoor, "en u tevens aansporen om uw verbeeldingskracht een beetje te wantrouwen ten aanzien van die opeenvolgende en met elkander strijdige gevolgtrekkingen. Wie weet of na Australië niet een ander land ons dezelfde zekerheid zal aanbrengen, en of het, als die nieuwe nasporingen weder vergeefsch zijn geweest, niet "zeker" zal schijnen, dat zij ergens elders hervat moeten worden."

Glenarvan en Paganel zagen elkander aan. De opmerkingen van den majoor troffen hen door haar juistheid.

"Ik verlang dus," hervatte Mac Nabbs, "dat er nog een onderzoek zal plaats hebben, voor wij op weg gaan naar Australië. Hier zijn de documenten, daar liggen kaarten. Laten wij achtereenvolgens al de punten onderzoeken, die de zeven en dertigste breedtegraad snijdt, en zien of wij niet eenig ander land aantreffen, dat het document juist zou aanwijzen."

"Niets is gemakkelijker en spoediger gedaan," antwoordde Paganel, "want gelukkig is er juist geen overvloed van land op deze breedte."

"Laat eens zien," zeide de majoor, een engelsche wereldkaart naar de projectie van Mercator uitspreidende.

De kaart werd voor lady Helena gelegd, en allen plaatsten zich zoo, dat zij het betoog van Paganel konden volgen.

"Zooals ik u reeds vroeger zeide," begon de aardrijkskundige, "gaat de zeven en dertigste breedtegraad over Zuid-Amerika en raakt dan de eilanden van Tristan d'Acunha. Nu houd ik staande, dat geen enkel woord van het document op deze eilanden betrekking kan hebben."

De documenten werden naauwkeurig onderzocht, en men moest toegeven, dat Paganel gelijk had. Tristan d'Acunha werd dus met algemeene stemmen verworpen.

"Verder," ging de aardrijkskundige voort. "Den Atlantischen oceaan verlatende, gaan wij twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop en komen in den Indischen oceaan. Slechts ééne eilandengroep ontmoeten wij, Amsterdam. Passen wij hierop hetzelfde onderzoek toe als op Tristan d'Acunha."

Na een naauwlettend onderzoek werden de eilanden Amsterdam op hun beurt ter zijde gesteld. Geen enkel volledig of afgebroken fransch, engelsch of duitsch woord kon op deze eilandengroep in den Indischen oceaan betrekking hebben.

"Nu komen wij aan Australië," hernam Paganel. "De zeven en dertigste breedtegraad loopt over dit vastland van kaap Bernouilli tot de Twofold-baai. Gij zult met mij toestemmen, dat het engelsche woord stra en het fransche austral zonder den tekst geweld aan te doen op Australië slaan kunnen. De zaak is zoo duidelijk, dat ik er niet verder over wil spreken."

Allen stemden in met het gevoelen van Paganel. Alle gronden van waarschijnlijkheid waren voor die meening.

"Gaan wij verder," zeide de majoor.

"Met genoegen," antwoordde de aardrijkskundige, "de reis is gemakkelijk genoeg. De Twofold-baai verlatende, steken wij den zeearm over, die zich ten oosten van Australië bevindt en treffen Nieuw-Zeeland aan. Vooraf echter herinner ik u, dat het woord contin van het fransche document onmogelijk iets anders kan beteekenen dan een "continent" (vast land). Derhalve kan kapitein Grant geen schuilplaats op Nieuw-Zeeland gevonden hebben, dat maar een eiland is. Hoe het ook zij, onderzoekt, vergelijkt, zet de woorden om, en ziet of zij ook maar in de verte op dit laatste gewest betrekking kunnen hebben."

"Volstrekt niet," antwoordde John Mangles, die de documenten en de kaart aan een naauwkeurig onderzoek onderwierp.

"Neen," zeiden al de toehoorders van Paganel en de majoor zelf ook, "neen, Nieuw-Zeeland kan niet bedoeld zijn."

"Op de ontzaggelijke ruimte, die dit groote eiland van de amerikaansche kust scheidt," hervatte de aardrijkskundige, "snijdt de zeven en dertigste breedtegraad slechts een woest en onbewoond eilandje."

"Dat heet?..." vroeg de majoor.

"Zie maar op de kaart. Het is Maria-Theresa, een naam, waarvan ik niet het geringste spoor in de drie documenten vind."

"Geen enkel," bevestigde Glenarvan.

"Nu laat ik het aan u over, mijne vrienden! om te beslissen of niet alle waarschijnlijkheden, om niet te zeggen de zekerheid voor het australisch vastland pleit?"

"Ja! ja!" riepen al de passagiers en de kapitein der Duncan tegelijk.

"Hebt gij genoeg levensmiddelen en kolen, John?" vroeg nu Glenarvan.

"Ja, Uwe Edelheid! ik heb mij te Talcahuano goed voorzien, en aan de Kaapstad zullen wij gemakkelijk genoeg kolen kunnen innemen."

"Geef dan den koers...."

"Nog ééne opmerking," zeide de majoor zijn vriend in de rede vallende.

"En die is, Mac Nabbs?"

"Hoeveel kans van welslagen Australië ons ook aanbiedt, zou het toch mijns bedunkens goed zijn een dag of twee bij de eilanden Tristan d' Acunha en Amsterdam aan te leggen. Zij liggen op onzen weg en zullen ons niet van den koers afbrengen. Dan zullen wij weten, of de Britannia er niet eenig spoor van haar schipbreuk heeft achtergelaten."

"Wat is die ongeloovige majoor toch vasthoudend!" riep Paganel.

"Ik ben er volstrekt niet op gesteld om terug te keeren, wanneer Australië soms de verwachting, die wij er van koesteren, niet vervullen mogt."

"Die voorzorg is dunkt mij niet kwaad," sprak Glenarvan.

"En ik zal u niet afraden om ze te nemen," antwoordde Paganel. "Integendeel."

"Wend dan den steven naar Tristan d'Acunha, John!" zeide Glenarvan.

"Terstond, Uwe Edelheid!" gaf de kapitein ten antwoord, en hij ging naar het dek, terwijl Robert en Mary Grant lord Glenarvan hun levendigen dank betuigden.

Weldra verliet de Duncan de amerikaansche kust en zich oostwaarts rigtende kliefde haar steven snel de baren van den Atlantischen oceaan.


II.

Tristan d'Acunha.

Indien het jagt de evennachtslijn had gevolgd, zouden de honderd zes en negentig graden, die Australië van Amerika of liever kaap Bernouilli van kaap Corrientes scheiden, gelijk geweest zijn aan elf duizend zeven honderd zestig geographische mijlen[1]. Maar op den zeven en dertigsten breedtegraad komen die honderd zes en negentig graden, ten gevolge van de gedaante des aardbols, overeen met slechts negen duizend vier honderd tachtig zulke mijlen[2]. Van de amerikaansche kust tot Tristan d'Acunha rekent men twee duizend één honderd mijlen[3], een afstand, dien John Mangles in tien dagen hoopte af te leggen, indien de oostewinden de vaart van het jagt niet belemmerden. Hij had alle reden tot tevredenheid, want tegen den avond bedaarde de wind merkbaar, en nu kon de Duncan op een stille zee al haar uitmuntende hoedanigheden aan den dag leggen.

Dienzelfden dag hadden de passagiers hunne scheepsgewoonten weder aangenomen. Men zou niet gezegd hebben, dat zij in geen maand aan boord waren geweest. Na het water van de Stille Zuidzee strekte zich dat van den Atlantischen oceaan voor hun gezigt uit, en met slechts geringe wijzigingen gelijken alle golven elkaar. Na hen zoo vreeselijk op de proef te hebben gesteld, vereenigden zich thans de elementen om hen te begunstigen. De oceaan was rustig, de wind in den goeden hoek, en al de kracht der zeilen, die de westewinden deden zwellen, kwam de onvermoeibare stoomkracht te hulp, die in den stoomketel was besloten.

Die snelle overtogt had dan ook zonder buitengewone voorvallen of onheilen plaats. Vol vertrouwen stevende men naar de australische kust. De waarschijnlijkheid werd tot zekerheid. Er werd over kapitein Grant gesproken, alsof het jagt hem in een bepaalde haven aan boord ging nemen. Zijn hut en de kooijen zijner beide reisgenooten werden reeds in gereedheid gebragt. Mary Grant vond er behagen in ze eigenhandig in orde te brengen en op te schikken. Olbinett had de zijne afgestaan en deelde nu de hut van zijn vrouw. Deze hut grensde aan het beruchte N° 6, dat aan boord van de Scotia door Jacques Paganel was besproken.

De geleerde aardrijkskundige kwam er bijna niet uit. Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond aan een boek, getiteld: Verhevene indrukken van een aardrijkskundige in de argentijnsche Pampa. Met ontroerde stem hoorde men hem zijn sierlijke volzinnen opzeggen, voor hij ze aan de witte bladzijden van zijn aanteekenboekje toevertrouwde, en meer dan eens riep hij, ontrouw aan Clio, de muze der geschiedenis, vol verrukking de goddelijke Calliope aan, die de heldendichters bezielt.

Paganel maakte er ook volstrekt geen geheim van. Om zijnentwil verlieten Apollo's kuische dochteren gaarne de toppen van den Parnassus of den Helikon. Lady Helena maakte hem er haar opregt gemeend compliment over. Ook de majoor wenschte hem geluk met die bezoeken der zanggodinnen.

"Maar wacht u vooral voor verstrooidheid, waarde Paganel!" voegde hij er bij, "en mogt gij bij toeval lust krijgen om australisch te leeren, ga het dan niet bestudeeren in een chineesche spraakkunst!"

Alles ging dus bij uitstek goed aan boord. Met belangstelling sloegen lord en lady Glenarvan, John Mangles en Mary Grant gade. Zij vonden geen reden om aanmerkingen te maken, en daar John zelf zweeg, was het ook maar het best om zich onkundig te houden.

"Hoe zal kapitein Grant er over denken?" vroeg Glenarvan eens aan zijn vrouw.

"Hij zal denken, dat John Mary waardig is, lieve Edward! en hij zal niet bedrogen uitkomen."

Intusschen naderde het jagt snel de plaats zijner bestemming. Vijf dagen, nadat zij kaap Corrientes uit het oog hadden verloren, den 16den November, stak er een fiksche westewind op, hetgeen aan de schepen, die Afrika's zuidspits omvaren, zeer goed te stade komt tegen de regelmatige zuidoostewinden. De Duncan zette alle zeilen bij, en voor haar fokkezeil, haar groote bezaan, haar mars- en bramzeil, haar lij-, steng- en stagzeilen, liep zij verbazend snel met bakboordshalzen. Naauwelijks drong haar schroef in het water, dat haar steven doorkliefde, en men zou gezegd hebben, dat zij met de snelvarende jagten van de Royal-Thames-Club om den prijs dong.

's Anderendaags was de zee bedekt met een ontzaggelijke menigte zeegras, als ware zij een digt met gras begroeide onmetelijke vijver. Zij geleek op een krooszee, bedekt met al de overblijfselen van boomen en planten, die uit de omliggende landen komen aandrijven. Luitenant Maury heeft voornamelijk de aandacht der zeevarenden er op gevestigd. De Duncan scheen over een onmetelijke weide te drijven, die Paganel teregt met de Pampa's vergeleek, zoodat haar vaart min of meer werd vertraagd.

Vier en twintig uren later liet de uitkijk, bij het krieken van den dag, de kreet: "land!" hooren.

"In welke rigting?" vroeg Tom Austin, die de wacht had.

"Onder den wind van ons," antwoordde de matroos.

Op dit geroep, dat altijd eenige aandoening veroorzaakt, stroomden allen naar het dek van het jagt. Weldra kwam er een verrekijker uit de kampanje, onmiddellijk gevolgd door Jacques Paganel.

De geleerde bragt zijn instrument in de aangewezen rigting, maar zag niets, dat op land geleek.

"Kijk in de wolken," voegde John Mangles hem toe.

"Zoo waar," antwoordde Paganel, "dat heeft veel van een nog bijna onzigtbare soort van piek."

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles. "Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dan moeten wij, als ik mij wel herinner, er tachtig mijlen van af zijn," gaf de geleerde ten antwoord, "want de zeven duizend voet hooge piek van Tristan is op dien afstand zigtbaar."

"Dat is ook zoo," antwoordde kapitein John.

Eenige uren later was de groep zeer hooge en zeer steile bergen duidelijk aan den gezigteinder waar te nemen. De kegelvormige top van Tristan stak zwart af bij den schitterenden grond des hemels, dien de stralen der opgaande zon met allerlei kleuren tooiden. Weldra maakte het voornaamste eiland zich los van de rotsmassa, als de top van een naar het noordoosten hellenden driehoek.

Tristan d'Acunha ligt op 37°8' zuiderbreedte en 10°44' westerlengte van Greenwich[4]. Achttien mijlen ten zuidwesten ligt het Ontoegankelijke, en tien mijlen ten zuidoosten het Nachtegaals-eiland, die deze kleine eenzame groep in dit gedeelte van den Atlantischen oceaan vormen. Tegen den middag peilde men de twee voornaamste landteekens, die den zeelieden tot herkenningspunten dienen, namelijk op een hoek van het Ontoegankelijke eiland een rots, die zeer juist op een schip onder zeil gelijkt en aan de noordpunt van het Nachtgaals-eiland twee eilandjes, die wel iets hebben van een vervallen fortje.

Tegen drie ure liep de Duncan de Falmouth-baai op Tristan d'Acunha binnen, welke door de Bijstandspunt tegen de westewinden beschut wordt.

Daar lagen eenige walvischvaarders voor anker, die zich bezig hielden met de vangst van robben en andere zeedieren, waarvan deze kusten tallooze soorten opleveren.

John Mangles zocht een goeden ankergrond; want die opene reeden zijn zeer gevaarlijk wegens de noordweste- en noordewinden, en op deze zelfde plaats was in 1829 de engelsche brik Julia met man en muis vergaan. De Duncan naderde de kust tot op een halve mijl en ging op een steengrond op twintig vaâm water ten anker. Dadelijk begaven al de passagiers zich in de groote boot en zetten voet aan land op een fijn en zwart zand, het overschot der verweerde rotsen van het eiland.

De hoofdplaats der geheele groep van Tristan d'Acunha is niets meer dan een dorpje, achterin de baai aan een zeer onstuimige beek gelegen. Het bestond uit een vijftigtal vrij zindelijke en hoogst regelmatig gebouwde huizen, dat het kenmerk der engelsche bouwkunst schijnt te zijn. Achter dit onbeduidende plaatsje strekte zich een vlakte van vijftienhonderd bunders uit, begrensd door een ontzaggelijke opeenhooping van lava; de kegelvormige piek verhief zich nog zeven duizend voet hoog boven dit vlak.

Lord Glenarvan werd door een gouverneur ontvangen, die onder de Kaapkolonie staat. Onmiddellijk deed hij onderzoek naar Harry Grant en de Britannia. Die namen waren geheel onbekend. De eilanden Tristan d'Acunha liggen niet op den weg der schepen, en worden bijgevolg zelden bezocht. Sedert de bekende schipbreuk der Blendon-Hall, die in 1821 op de rotsen van het Ontoegankelijke eiland stootte, waren er slechts twee schepen bij het voornaamste eiland gestrand, de Primauguet in 1845 en de amerikaansche driemaster Philadelphia in 1857. De lijst der zeerampen te Acunha bevatte slechts deze drie gevallen.

Glenarvan rekende volstrekt niet op naauwkeuriger inlichtingen en had den gouverneur des eilands alleen ondervraagd om zijn geweten gerust te stellen. Zelfs liet bij door de sloepen een togt om het eiland doen, dat hoogstens zeventien mijlen omtrek heeft, Londen of Parijs zouden er niet op kunnen staan, al was het nog driemaal grooter.

Gedurende dezen verkenningstogt deden de passagiers der Duncan een wandeling door het dorp en langs de kust. Tristan d'Acunha telt niet meer dan honderd vijftig inwoners. Het zijn Engelschen en Amerikanen, gehuwd met negerinnen en hottentotsche vrouwen van de Kaap, echte monsters van leelijkheid. De kinderen uit die vreemdsoortige huwelijken waren een zeer onaangenaam mengsel van de stugheid der Saxers en de zwarte kleur der Afrikanen.

De reizigers, welke zich gelukkig achtten vasten grond onder hun voeten te hebben, strekten hun wandeling langs den oever uit, waaraan de eenige groote bebouwde vlakte des eilands grenst. Verderop bestaat de geheele kust uit dorre en steile lavarotsen. Bij honderden kan men de groote albatrossen en de domme vetganzen daar tellen.

Nadat zij die rotsen, welke haar ontstaan aan het vuur danken, onderzocht hadden, keerden de bezoekers naar de vlakte terug; hier en daar murmelden talrijke stroomende bronnen, door de eeuwige sneeuw van den kegel gevoed; de bodem had een vrolijk voorkomen door de groene struiken, waarop het oog bijna evenveel musschen als bloemen telde; slechts een enkele boom, een soort van kaapschen kruisdoornstruik, wel twintig voet hoog, en de "tusseh", een reusachtig rietgewas met houtachtigen stengel staken boven het groene landschap uit; een veel loten makende doornbeziestruik met stekelig zaad, stevige lomariën met ineengegroeide vezels, eenige zeer langlevende struikvormige planten, ancerinen, wier welriekende uitwasemingen de lucht met heerlijke geuren doortrokken, mosplanten, wilde selderij en varens vormden een wel niet talrijke maar weelderige flora. Het bleek terstond, dat een eeuwige lente haar weldadigen invloed op dit bevoorregte eiland deed gevoelen. Paganel beweerde met zijn gewone overdrijving, dat hier het vermaarde Ogygia was, dat Fénélon had bezongen. Hij stelde lady Glenarvan voor een grot te zoeken en de lieve Calypso na te volgen, en vroeg voor zichzelven geen ander voorregt, dan "een der nimfen te zijn, die haar bedienden."

Zoo keerden de wandelaars, al pratende en bewonderende, tegen het vallen van den avond naar het jagt terug; kudden runderen en schapen weidden in den omtrek van het dorp; de koren- en maïs-akkers en de tuinen met moesgroenten, welke eerst voor veertig jaar ingevoerd waren, spreidden hun natuurschatten tot op de straten der hoofdplaats ten toon.

Juist toen lord Glenarvan aan boord kwam, legden ook de sloepen der Duncan bij het jagt aan. In weinige uren waren zij het eiland omgevaren. Geen spoor van de Britannia hadden zij op haar togt aangetroffen. Het eenige nut van die rondreis was dus, dat het eiland Tristan geheel van de lijst der nasporingen geschrapt werd.

Bij gevolg kon de Duncan thans die afrikaansche eilandengroep verlaten en haar reis oostwaarts voortzetten. Zij vertrok echter niet dienzelfden avond, want Glenarvan gaf zijn manschappen verlof om op de tallooze robben jagt te maken, die onder den naam van zeekalven, zeeleeuwen, zeebeeren en zeeolifanten de oevers der Falmouth-baai bezoeken. Voorheen hielden de walvisschen zich gaarne in den omtrek der eilanden op; maar zooveel walvischvaarders hadden ze vervolgd en geharpoeneerd, dat er maar weinige overgebleven waren. De vinpootige zoogdieren daarentegen waren er bij heele scharen bijeen. De matrozen van het jagt besloten dus er 's nachts jagt op te maken en den volgenden dag te besteden met het inzamelen van een goeden voorraad traan. Daarom werd het vertrek der Duncan twee dagen, tot den 20sten November uitgesteld.

Onder het avondeten deelde Paganel tot groot genoegen zijne hoorders het een en ander betreffende de eilanden Tristan mede. Zoo vernamen zij, dat die groep in 1506 door den Portugees Tristan d'Acunha, een der reisgenooten van Albuquerque, ontdekt, meer dan een eeuw lang veronachtzaamd bleef. Niet ten onregte werden zij voor broeinesten van stormen gehouden, en stonden zij in geen beter reuk dan de Bermuda's. Zij werden dus steeds vermeden, en tenzij de orkanen van den Atlantischen oceaan er een schip heendreven, wierp geen enkel vaartuig er uit eigen beweging het anker.

In 1697 liepen er drie hollandsche Oost-Indie-vaarders binnen, die er de coördinaten van berekenden, terwijl de groote sterrekundige Halley hun berekeningen in 1700 herzag. Van 1712 tot 1767 maakten eenige fransche zeelieden er kennis mede, vooral La Pérouse, die ze ingevolge zijn lastbrief op zijn beroemde reis van 1785 bezocht.

Die tot nog toe zoo schaars bezochte landen waren nog onbewoond, toen een Amerikaan, Jonathan Lambert, in 1811 het waagde zich er neer te zetten. Hij landde er met twee makkers in de maand Januarij en begon moedig het werk van kolonist. De engelsche gouverneur van de kaap de Goede Hoop vernomen hebbende, dat het hun goed ging, bood hun de bescherming van Engeland aan. Jonathan Lambert nam dit aan, en heesch op zijn hut de britsche vlag. Het scheen, alsof hij zijn volk, bestaande uit een ouden Italiaan en een portugeeschen mulat, rustig zou regeeren, toen hij eens bij een verkenning van de kusten van zijn rijk verdronk of verdronken werd; dat weet men niet regt. Het jaar 1814 kwam. Napoleon werd op St. Helena gevangen gezet, en om hem des te beter te bewaken, legde Engeland bezetting op het eiland Ascension en ook op Tristan d'Acunha. Het garnizoen van Tristan bestond uit een compagnie artillerie van de Kaap en een afdeeling Hottentotten. Het bleef er tot in 1821, toen het na den dood van den gevangene van St. Helena weder naar de Kaap verlegd werd.

"Slechts één Europeaan," voegde Paganel erbij, "een korporaal, een Schot...."

"Wat! een Schot!" zeide de majoor, die altijd bijzonder veel belang in zijn landgenooten stelde.

"William Glass genoemd," ging Paganel voort, "bleef op het eiland met zijn vrouw en twee Hottentotten. Weldra voegden zich twee Engelschen, een matroos en een visscher op de Theems, gewezen dragonder in het argentijnsche leger, bij den Schot, en eindelijk vond in 1821 ook een der schipbreukelingen van de Blendon-Hall met zijn jonge vrouw een schuilplaats op het eiland Tristan. Zoo telde dus het eiland in 1821 zes mannen en twee vrouwen. In 1829 bestond de bevolking uit zeven mannen, zes vrouwen en veertien kinderen. In 1835 bereikte zij het cijfer van veertig en nu is het verdriedubbeld."

"Zoo ontstaan de natiën," zeide Glenarvan.

"Ik voeg er nog bij," hervatte Paganel, "om de geschiedenis van Tristan d'Acunha volledig te verhalen, dat dit eiland in mijn oog met evenveel regt den naam van Robinsons-eiland verdient, als Juan Fernandez. Want werden er op dit laatste achtereenvolgens twee matrozen achtergelaten, weinig scheelde het of twee geleerden had ditzelfde lot op Tristan d'Acunha getroffen. In 1793 verdwaalde een mijner landgenooten, de natuurkundige Aubert Dupetit-Thouars, door zijn ijver om planten te verzamelen vervoerd, en vond zijn schip eerst terug, toen de kapitein het anker ligtte. In 1824 werd een uwer landgenooten, waarde Glenarvan! de bekwame teekenaar August Earle, acht maanden lang op het eiland achtergelaten. Zijn kapitein, vergetende dat hij aan land was, was onder zeil gegaan naar de Kaap."

"Die mag met regt een verstrooid kapitein heeten," zeide de majoor. "Hij was zeker van uw famielje, Paganel?"

"Als hij het niet was, majoor! verdiende hij het te zijn!"

Het antwoord van den aardrijkskundige maakte een einde aan dit gesprek.

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagt: een vijftigtal groote robben werden gedood. Eenmaal de jagt toegelaten hebbende, kon Glenarvan hun nu het voordeel, dat zij opleverde, niet onthouden. De volgende dag werd dus besteed om de traan te verzamelen en de huiden dezer winstgevende dieren te bereiden. Het spreekt van zelf, dat de passagiers van dit oponthoud gebruik maakten tot een nieuw togtje over het eiland. Glenarvan en de majoor namen hun geweer mede om op het wild van Acunha te jagen. Op deze wandeling kwam men tot aan den voet van den berg over een grond bezaaid met verweerde overblijfselen van slakken, poreuse en zware lava en andere vulkanische uitwerpselen. De voet van den berg was omringd door een verwarde menigte waggelende rotsblokken. Men kon zich onmogelijk vergissen in den aard van den ontzaggelijken kegel, en de engelsche kapitein Carnichaël had goed gezien, toen hij hem voor een uitgebranden vulkaan hield.