Title: De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3)
Author: Jules Verne
Release date: February 2, 2012 [eBook #38669]
Language: Dutch
Credits: E-text prepared by Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe (http://www.freeliterature.org) from page images generously made available by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)
| Note: |
Images of the original text pages are available through
the the Google Books Library Project. See
http://books.google.com/books?id=0LorAAAAMAAJ&printsec=titlepage The illustrations used in this e-book are taken from the 1868 French edition, Les Enfants du Capitaine Grant, published by J. Hetzel (Paris). The original images are available througn Bibliothèque nationale de France, See http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b8600254s.r=.langEN Project Gutenberg has the other two volumes of this work. Volume I: see http://www.gutenberg.org/files/38667/38667-h/38667-h.htm Volume II: see http://www.gutenberg.org/files/38668/38668-h/38668-h.htm |
| I. | De Macquarie. |
| II. | Het verledene van het land waar men heengaat. |
| III. | Moordtooneelen op Nieuw-Zeeland. |
| IV. | De branding. |
| V. | De nieuwbakken matrozen. |
| VI. | Verdediging van het menscheneten. |
| VII. | Eindelijk bereiken zij het land, dat zij moesten ontvlieden. |
| VIII. | Tegenwoordige toestand van dat land. |
| IX. | Dertig mijlen noordelijker. |
| X. | De nationale stroom. |
| XI. | Het meer Taupo. |
| XII. | De lijkplegtigheden van een opperhoofd der Maori's. |
| XIII. | De laatste uren. |
| XIV. | De taboe berg. |
| XV. | De groote middelen ven Paganel. |
| XVI. | Tusschen twee vuren. |
| XVII. | Waarom de Duncan op de oostkust van Nieuw-Zeeland kruiste. |
| XVIII. | Ayrton of Ben Joyce. |
| XIX. | Eene schikking. |
| XX. | Een kreet in den nacht. |
| XXI. | Het eiland Tabor. |
| XXII. | De laatste verstrooidheid van Jacques Paganel. |
| Lijst van illustraties. |
Zoo ooit, dan moesten thans, nu alles hun te gelijk ontviel, de zoekers naar kapitein Grant wel wanhopen hem weder te zien. In welk deel der wereld moesten zij nu hun togt weder beginnen? Hoe konden zij nieuwe landen onderzoeken? De Duncanbestond niet meer; zelfs was het hun onmogelijk om onmiddellijk naar hun vaderland terug te keeren. De onderneming dier edelmoedige Schotten was dus mislukt! Niet geslaagd! Treurig woord, dat geen weerklank vindt in een moedig hart, en toch dwongen de slagen van het noodlot Glenarvan tot de erkentenis, dat hij onmagtig was zijn werk van zelfopoffering voort te zetten.
In dien stand van zaken had Mary Grant den moed om den naam haars vaders niet meer uit te spreken. Zij bedwong haar angst door de gedachte aan de ongelukkige matrozen, die omgebragt waren. De dochter ging op in de vriendin, en zij troostte Glenarvan, die haar zoo menigmaal had getroost! Zij was de eerste, die er van sprak, om naar Schotland terug te keeren. Toen hij haar moed, haar onderwerping zag, bewonderde John Mangles haar. Hij wilde nog iets ten voordeele van den kapitein zeggen; maar Mary legde hem door een blik het stilzwijgen op, en later zeide zij tot hem: "Neen, mijnheer John! wij moeten denken aan degenen, die zich opgeofferd hebben. Lord Glenarvan moet naar Europa terugkeeren!"
"Gij hebt gelijk, miss Mary!" antwoordde John Mangles, "het moet. Ook moeten de engelsche autoriteiten onderrigt worden van het lot der Duncan. Maar geef alle hoop nog niet op. Liever dan de aangevangen nasporingen op te geven, zou ik ze alleen voortzetten! Ik zal kapitein Grant terugvinden of bij de volvoering dier taak omkomen!"
Het was eene ernstige verbindtenis, die John Mangles op zich nam. Mary nam ze aan, en legde haar hand in die van den jongen kapitein, als om dit verdrag te bekrachtigen. Van de zijde van John Mangles was het een toewijding van zijn geheele leven, van de zijde van Mary een onwankelbare erkentelijkheid.
Dien dag werd er stellig tot het vertrek besloten. Men had plan om Melbourne ten spoedigste te bereiken. 's Anderen daags ging John onderzoeken, of er scheepsgelegenheid was. Hij rekende er op, dat er een belangrijk verkeer tusschen Eden en de hoofdstad van Victoria werd onderhouden.
Zijn verwachting werd teleurgesteld. Er lagen maar weinig schepen. De geheele koopvaardijvloot van het stadje bestond uit drie of vier schepen, die in de Twofoldbaai ten anker lagen. Geen enkel was met bestemming naar Melbourne, Sidney of Pointe-de-Galle. En alleen in deze havens van Australië kon Glenarvan schepen vinden in lading naar Engeland. Want de Stoombootmaatschappij voor het Schier-eiland en het Oosten heeft een geregelde stoomvaart tusschen deze punten en het moederland.
Wat nu te doen? Een schip afwachten? Dat kon lang duren; want de Twofold-baai wordt weinig bezocht. Wel varen er vele schepen voorbij; maar zelden doen ze de baai aan.
Na lang wikken en wegen kwam Glenarvan bijna tot het besluit om langs de kust naar Sidney te gaan, toen Paganel met een voorstel voor den dag kwam, dat niemand had verwacht.
De aardrijkskundige had ook de Twofoldbaai eens bezocht. Hij wist, dat er geen reisgelegenheid bestond naar Sidney en Melbourne. Maar een van de drie schepen, welke op de reede lagen, moest naar Auckland, de hoofdstad van Ika-Na-Maoeï, het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland. Nu stelde Paganel voor het bedoelde schip af te huren en naar Auckland te gaan, vanwaar men gemakkelijk met de booten der maatschappij naar Europa kon terugkeeren.
Dit voorstel werd in ernstige overweging genomen. Paganel wachtte zich thans wel al die bewijzen aan te voeren, waarmede hij anders zoo mild was. Hij vergenoegde zich met de opgave van het feit en voegde er bij, dat de overtogt maar vijf of zes dagen zou duren. De afstand, die Australië van Nieuw-Zeeland scheidt, bedraagt werkelijk niet meer dan een duizend mijlen.[1]
Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden lag Auckland juist op dien zeven en dertigsten breedtegraad, dien de zoekers van Araucanië af hardnekkig volgden. De aardrijkskundige had dus, zonder dat men hem van partijdigheid kon beschuldigen, gerust zijn voordeel kunnen doen met deze waarheid om er een bewijs ter gunste van zijn voorstel aan te ontleenen. Zoo kreeg men immers ongezocht aanleiding om de steile kusten van Nieuw Zeeland te bezoeken.
Evenwel maakte Paganel van dat voordeel geen gebruik. Na de dubbele teleurstelling wilde hij zich ongetwijfeld niet wagen aan een derde uitlegging van het document. Maar wat zou hij er ook uit kunnen afleiden? Er stond immers uitdrukkelijk, dat een "vastland" tot schuilplaats had gestrekt aan kapitein Grant, en niet een eiland. Nu was Nieuw-Zeeland maar een eiland. Dat scheen beslissend. Hoe het ook zij, om deze of om een andere reden verbond Paganel met dit voorstel om naar Auckland te gaan volstrekt niet de gedachte om een nieuwen onderzoekingstogt op touw te zetten. Hij wees er alleen op, dat er een geregelde gemeenschap bestond tusschen dit punt en Groot-Brittanje, en dat men gemakkelijk daarvan gebruik kon maken.
John Mangles ondersteunde het voorstel van Paganel. Hij raadde tot de aanneming, omdat men toch de twijfelachtige komst van een vaartuig in de Twofoldbaai niet kon afwachten. Maar alvorens daartoe over te gaan achtte hij het geraden om het door den aardrijkskundige bedoelde schip eens in oogenschouw te nemen. Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert en hij namen dus een sloep, en na eenige riemslagen legden zij bij het schip aan, dat twee kabelslengten van de kaai ten anker lag.
Het was een brik van twee honderd vijftig ton, de Macquarie geheeten. Zij diende tot de kustvaart tusschen de verschillende havens van Australië en van Nieuw-Zeeland. De kapitein, of beter gezegd de "schipper" ontving zijn bezoekers tamelijk lomp. Zij zagen wel, dat zij te doen hadden met iemand zonder opvoeding, wiens manieren volstrekt niet verschilden van die der vijf matrozen, waaruit de bemanning bestond. Een dik rood gezigt, grove handen, een platte neus, één oog en vuile lippen van het rooken, gevoegd bij zijn onbeschofte houding maakten van Will Halley een terugstootend wezen. Maar men had geen keus, en voor een reisje van weinige dagen moest men zoo naauw niet kijken.
"Wat wilt gij?" vroeg Halley aan die onbekenden, die op het dek van zijn schip kwamen.
"De kapitein?" vroeg John Mangles.
"Ben ik," antwoordde Halley. "En?"
"Ligt de Macquarie in lading naar Auckland?"
"Ja. En?"
"Wat heeft ze in?"
"Alles wat verkocht wordt en alles wat gekocht wordt. En?"
"Wanneer vertrekt ze?"
"Morgen, tegen den middag. En?"
"Kan ze passagiers meenemen?"
"Dat hangt er van af wie het zijn en of ze zich met den scheepskost willen vergenoegen."
"Zij zouden hun voorraad meebrengen."
"En?"
"En?"
"Ja. Hoeveel zijn er?"
"Negen, waaronder twee dames."
"Ik heb geen hutten."
"Zij zullen zich met het vooronder behelpen, dat hun moet afgestaan worden."
"En?"
"Neemt gij het aan?" vroeg John Mangles, die volstrekt niet verlegen werd gemaakt door de manieren van den kapitein.
"Moet zien," antwoordde de schipper van de Macquarie. Will Halley liep wat rond, stampte met zijn zware laarzen met groote spijkers op het dek, en kwam toen plotseling op John Mangles af.
"Wat betaalt men?" vroeg hij.
"Wat vraagt men?" antwoordde John.
"Vijftig pond."
Glenarvan gaf een toestemmend teeken.
"Goed! vijftig pond," antwoordde John Mangles.
"Maar enkel de overtogt," voegde Will Halley erbij.
"Enkel de overtogt."
"Buiten den kost."
"Daarbuiten."
"Toegestemd. En?" zeide Will de hand ophoudende.
"Wat blieft?"
"Het handgeld?"
"Hier is de helft van de vracht, vijf en twintig pond," zeide John Mangles, aan den schipper het geld uitbetalende, die het zonder dankje te zeggen in den zak stak.
"Morgen aan boord," zeide hij. "Voor twaalven. Of ge er zijt of niet, ik ligt het anker."
"Wij zullen er zijn."
Toen dit afgehandeld was, gingen Glenarvan, de majoor, Robert, Paganel en John Mangles van boord, zonder dat Will Halley ook maar met den vinger den zuidwester had aangeraakt, die op zijn roode pruik vastgelijmd zat.
"Wat een lompe vlegel!" zeide John.
"Die staat mij juist goed aan," antwoordde Paganel. "Hij is een echte zeewolf."
"Een echte beer!" verbeterde de majoor.
"En ik houd het er voor," voegde John Mangles er bij, "dat die beer in der tijd wel handel gedreven heeft in menschenvleesch."
"Wat raakt ons dat!" antwoordde Glenarvan, "nu hij de Macquarie kommandeert en de Macquarie naar Nieuw-Zeeland gaat. Tusschen de Twofoldbaai en Auckland zullen we hem weinig zien, na Auckland zullen we hem in het geheel niet meer zien."
Lady Helena en Mary Grant vernamen met genoegen, dat het vertrek op den volgenden dag was bepaald. Glenarvan bragt haar onder het oog, dat de Macquarie niet zoo gemakkelijk was ingerigt als de Duncan. Maar na zooveel leed uitgestaan te hebben, waren zij er de vrouwen niet naar, om zich door zoo'n kleinigheid te laten afschrikken. Olbinett kreeg last om voor levensmiddelen te zorgen. Sedert het verlies van de Duncan had de arme man heete tranen geschreid over zijn ongelukkige vrouw, die aan boord gebleven en natuurlijk evenals de geheele bemanning het offer was geworden van de wreedheid der roovers. Niettemin volbragt hij met zijn gewonen ijver zijn werkzaamheden als hofmeester, en "de schafting" bestond uit kostelijke spijzen, die nooit op de schaftlijst van de brik voorkwamen. In weinige uren waren de aankoopen afgeloopen.
Intusschen maakte de majoor bij een wisselaar de wissels te gelde, die Glenarvan had op de Union-bank te Melbourne. Hij wilde niet ontbloot zijn van goud. Evenmin van wapens en kruid. Daarom schafte hij zich weder andere aan. Paganel kocht voor zich een uitmuntende kaart van Nieuw-Zeeland, door Johnston te Edinmburg uitgegeven.
Met Mulrady ging het goed. Hij voelde naauwelijks de wond meer, die zijn leven in gevaar had gebragt. De zeelucht zou spoedig zijn genezing voltooijen. Hij had plan te genieten van de koelten op de Stille Zuidzee.
Aan Wilson werd opgedragen het verblijf der passagiers aan boord van de Macquarie in orde te brengen. Met borstel en bezem gaf hij het vooronder een heel ander aanzien. Will Halley liet den matroos schouderophalende begaan. Hij bekommerde zich niet het minst om Glenarvan, diens dames en reisgenooten. Hij wist niet eens hun naam en vroeg er niet naar. Die vermeerdering van lading bragt hem vijftig pond op, dat was alles, en dat schatte hij minder dan de twee honderd ton gelooide huiden, waarmee het ruim was opgevuld. Eerst de huiden, dan de menschen. Hij was een koopman. Wat zijn zeevaartkundige bekwaamheden aangaat, hij werd voor een vrij goed praktikus gehouden op die zeeën, welke door de koraalriffen zeer gevaarlijk zijn.
Dien morgen wilde Glenarvan terugkeeren naar dat punt van den oever, waarover de zeven en dertigste parallel loopt. Twee redenen had hij daarvoor.
Hij wilde nog eens de vermoedelijke plaats van de schipbreuk bezoeken. Ayrton was ongetwijfeld bootsman op de Britannia. Waarom zou de Britannia niet wezenlijk vergaan zijn op dit gedeelte der australische kust? Zoo niet op de west- dan toch op de oostkust? Men moest niet onbedachtzaam een plek verlaten, die men nooit zou terug zien.
En was de Britannia daar niet geweest, de Duncan was er toch in de handen der roovers gevallen. Misschien had er een gevecht plaats gehad. Waarom zou men op den oever geen spoor van een worsteling, van een hardnekkigen tegenstand vinden? Zouden de golven, wanneer de bemanning in de baren verdronken was, de lijken niet op de kust hebben aangespoeld?
In gezelschap van den trouwen John ging Glenarvan op verkenning uit. De eigenaar van het Victoria-hotel gaf hun twee paarden, en zij sloegen den weg naar het noorden in, die om de Twofold-baai loopt.
Het was een treurig onderzoek. Glenarvan en kapitein John reden zwijgend voort. Maar zij verstonden elkander. Dezelfde gedachten en bij gevolg dezelfde angst kwelden hen. Zij beschouwden de rotsen, waaraan de zee knaagde. Zij behoefden elkander niets te vragen noch te antwoorden.
Gerust mag men op den ijver en de schranderheid van John zich verlaten om te verzekeren, dat elk punt van de kust naauwkeurig werd bezocht, dat de kleinste kreeken zoowel als het langzaam afloopende strand en de zandige hoogten zorgvuldig werden onderzocht, waar de middelmatige getijden van de Stille Zuidzee eenig strandgoed hadden kunnen opwerpen. Maar niets werd er gevonden, dat aanleiding geven kon om in deze streken nieuwe onderzoekingen aan te vangen. Geen spoor van de schipbreuk was hier aanwezig.
Evenmin iets, dat van de Duncan afkomstig was. Deze geheele kuststreek van den Oceaan was onbewoond. Men zag levenden noch dooden.
Toch ontdekte John Mangles aan den rand van het strand versche sporen van een legerplaats, overblijfselen van vuren, onder alleenstaande myalls ontstoken. Was daar soms voor eenige dagen een zwervende inlandsche volksstam geweest? Neen; Glenarvans blik werd getrokken door een kenteeken, dat hun onwederlegbaar bewees, dat de roovers dit gedeelte der kust hadden bezocht.
Dat kenteeken was een graauwe en gele, versletene en gelapte boezeroen, een lor, die aan den voet van een boom was blijven liggen. Het stamnummer van de strafgevangenis te Perth stond er op. De boef was er niet meer, maar zijn plunje verried hem. Die liverei van de misdaad had eerst den een of anderen schurk gekleed, en lag nu te verrotten op die onbewoonde kust.
"Gij ziet het, John!" zeide Glenarvan. "De roovers zijn hier geweest! en onze arme makkers van de Duncan?..."
"Ja!" antwoordde John op doffen toon, "het is zeker, dat zij niet aan wal zijn gezet, dat zij gesneuveld zijn...."
"Die ellendelingen!" riep Glenarvan. "Als zij ooit in mijn handen vallen, zal ik mijn matrozen wreken!"
De smart had aan Glenarvans trekken een hard voorkomen gegeven. Eenige minuten lang staarde de lord op de onmetelijke watervlakte; misschien zocht hij voor het laatst in het verre verschiet nog naar een vaartuig. Vervolgens werden zijn oogen dof, hij werd weer de oude, en zonder een woord te spreken of een gebaar te maken, galoppeerde hij den weg op naar Eden.
Nog ééne formaliteit moest er vervuld worden, de kennisgeving van het gebeurde aan het geregt. Zij werd dienzelfden avond aan Thomas Banks gedaan. Die overheidspersoon kon naauwelijks zijn blijdschap ontveinzen, dat hij dit proces-verbaal mogt opmaken. Hij was regt in zijn schik over het vertrek van Ben Joyce en diens bende. De geheele stad verheugde zich met hem. De roovers hadden Australië verlaten, wel na het begaan van een nieuwe misdaad, maar toch zij waren weg. Dit belangrijke nieuws werd terstond getelegrafeerd aan de autoriteiten te Melbourne en Sidney.
Na het afleggen zijner verklaring keerde Glenarvan naar het Victoria-hotel terug. De reizigers bragten dien laatsten avond treurig door. Hun gedachten verwijlden bij dien aan ongelukken zoo vruchtbaren bodem. Zij herinnerden zich, hoeveel gegronde hoop zij aan kaap Bernouilli hadden opgevat, waaraan in de Twofold-baai zoo wreed de bodem was ingeslagen!
Paganel was ter prooi aan een koortsige onrust. John Mangles, die hem sedert het voorval aan de Sneeuw-rivier in het oog hield, gevoelde, dat de aardrijkskundige dobberde tusschen spreken en zwijgen. Verscheidene malen had hij hem met vragen bestormd, die onbeantwoord bleven.
Dien avond echter vroeg John, toen hij hem naar zijn kamer bragt, waarom hij toch zoo zenuwachtig was?
"Vriend John!" antwoordde Paganel ontwijkend, "ik ben niet zenuwachtiger dan anders."
"Mijnheer Paganel! er is een geheim, dat u benaauwt!" hernam John.
"Wat zal ik er aan doen?" riep de aardrijkskundige met driftige gebaren. "Het is sterker dan ik!"
"Wat is sterker dan gij?"
"Mijn vreugde aan den eenen kant, mijn wanhoop aan den anderen."
"Zijt gij blijde en wanhopend te gelijk?"
"Ja! blijde en wanhopend, nu ik Nieuw-Zeeland ga bezoeken."
"Zijt gij iets op het spoor?" vroeg John Mangles driftig. "Hebt gij het verloren spoor teruggevonden?"
"Neen, vriend John! Uit Nieuw-Zeeland komt men niet terug! Maar toch..., kortom, gij kent de menschelijke natuur! Zoolang er leven is, is er hoop! En mijn leus is "spiro, spero" dat de mooiste leus van de wereld is!"
[1] Omtrent 400 uren gaans.
Den volgenden dag, den 27sten Januarij, waren de passagiers van de Macquarie bijeen in het bekrompen vooronder van de brik. Will Halley had niet eens zijn kajuit aan de dames aangeboden. Zij behoefden daarover trouwens geen spijt te gevoelen; want het hol was den beer waardig.
Ten half een met de ebbe maakte men zich zeilree. Het anker kwam loodregt en werd met moeite opgehaald. Een tamelijke koelte woei uit het zuidwesten. De zeilen werden langzaam geheschen. De vijf matrozen deden het werk op hun uiterste gemak. Wilson wilde hen helpen. Maar Halley verzocht hem zich rustig te houden en zich niet te bemoeijen met hetgeen hem niet aanging. Hij was gewoon alles alleen te doen en vroeg niet om hulp of raad.
Dit was op John Mangles gemunt, dien de linkschheid van eenige bewegingen deed glimlagchen. Hij hield zich voor gewaarschuwd, maar behield zich voor om zooal niet regtens dan toch feitelijk tusschen beide te komen, wanneer de onhandigheid der bemanning de veiligheid van het schip soms in gevaar mogt brengen.
Met wat geduld en met de armen der vijf matrozen, aangevuurd door de vloeken van den schipper, werden de zeilen toch eindelijk aangeslagen. De Macquarie liep met bakboordshalzen voor den wind onder haar onderste zeilen, haar marszeilen, bramzeilen, haar groote bezaan en haar kluivers. Later werden de lijzeilen en bovenbramstengen ook geheschen. Maar in weerwil van die vermeerdering van doek vorderde de brik naauwelijks. De breede voorsteven, de wijdte van het ruim, de lompheid van het achterschip maakten haar tot een slechten zeiler, en gaven haar geheel en al het voorkomen van een "klomp."
Men moest er zich echter in schikken. Gelukkig, hoe slecht de Macquarie ook zeilde, moest zij toch in vijf, hoogstens zes dagen, op de reede van Auckland ankeren.
's Avonds ten zeven ure verloor men de kust van Australië en het staande licht der haven van Eden uit het oog. De nog al holle zee deed het schip erg stampen; het plompte neer in de golfdalen. De passagiers kregen duchtige schokken, die hun verblijf in het vooronder juist niet aangenamer maakten. Ook op het dek konden ze niet blijven; want het regende juist hard. Zij zagen zich dus tot een strenge gevangenis veroordeeld.
Elk liet nu zijn gedachten den vrijen loop. Er werd weinig gepraat. Ter naauwernood wisselden lady Helena en Mary Grant eenige woorden. Glenarvan kon het niet uithouden. Hij liep heen en weer, terwijl de majoor zich niet verroerde. Door Robert vergezeld klom John Mangles van tijd tot tijd op het dek om naar de zee te zien. En Paganel mompelde in zijn hoek losse onzamenhangende woorden.
Waaraan dacht de waardige aardrijkskundige? Aan dat Nieuw-Zeeland, waarheen het noodlot hem dreef. Deszelfs geheele geschiedenis ontrolde zich voor zijn geest, en het verledene van dat akelige land doemde op voor zijn oog.
Maar was er iets in die geschiedenis, een feit of een toeval, dat den ontdekkers dier eilanden ooit het regt gegeven had om ze als een vastland te beschouwen? Kon een nieuwere aardrijkskundige, een zeeman hun dien naam geven? Zooals men ziet, kwam Paganel altijd weer terug op de uitlegging van het document. Het was een bezetenheid, een vaststaande gedachte. Na Patagonië, na Australië, klampte zijn verbeelding, die een enkel woord bezig hield, zich vast aan Nieuw-Zeeland. Maar één enkel punt stuitte hem op dien weg.
"Contin ... contin ..." herhaalde hij, "dat wil toch zeggen continent! (vastland)"
En in gedachten volgde hij weder de zeevaarders, die deze twee groote eilanden der zuidelijke zeeën vonden.
Den 13den December 1642 bereikte de Hollander Tasman, na Van Diemensland ontdekt te hebben, de onbekende oevers van Nieuw-Zeeland. Hij zeilde er verscheidene dagen langs en den 17den drongen zijn schepen in een breede baai, aan wier uiteinde een naauwe straat lag, die twee eilanden scheidde.
Het noordelijke eiland, was Ika-Na-Maoeï, zeelandsche woorden, die beteekenen "de visch van Mauwi". Het zuidelijke eiland was Tawaï-Poena-Moe, dat wil zeggen "de walvisch, die den groenen niersteen voortbrengt[1]."
Abel Tasman zond zijn sloepen aan land, die met twee praauwen, bemand met luidruchtige inwoners terugkwamen. Die wilden waren middelmatig van gestalte, met een bruine en gele huid, met uitstekende beenderen, een ruwe stem, en zwarte haren, evenals bij de Japanneezen op het hoofd zaamgebonden, waarop een groote witte veer prijkte.
Die eerste ontmoeting tusschen de Europeanen en inlanders scheen langdurige vrienschapsbetrekkingen te beloven. Maar den volgenden dag werd een der sloepen van Tasman, die een ankerplaats digter bij het land ging opzoeken, hevig bestookt door zeven praauwen met een groot aantal inlanders bemand. De boot sloeg om en raakte vol water. De bootsman, die het bevel voerde, werd terstond in de keel getroffen met een piek met een grove punt. Hij viel in zee. Van zijn zes makkers werden er vier gedood; de twee anderen en de bootsman zwommen naar de schepen en werden opgevischt en gered.
Na dit noodlottig voorval zeilde Tasman weg. Hij vergenoegde zich met den inlanders eenige musketkogels toe te zenden, die hen waarschijnlijk niet raakten. Hij verliet de baai, nog de Moordbaai genoemd, stevende langs de westkust en wierp den 5den Januarij het anker bij de noordpunt. Te dezer plaatse verhinderde hem niet alleen de hevige branding maar ook de slechte gezindheid der wilden om water in te nemen, en hij verliet voor goed dit land, waaraan hij ter eere van de Staten Generaal den naam gaf van Statenland.
De hollandsche zeeman meende inderdaad, dat het samenhing met de eilanden van dienzelfden naam, ten oosten van Vuurland aan de zuidpunt van Amerika ontdekt. Hij meende "het groot zuidelijk vastland" gevonden te hebben.
"Maar," sprak Paganel bij zich zelven, "wat een zeeman der zeventiende eeuw "vastland" noemen kon, kon dien naam niet dragen bij een zeeman der negentiende; zulk een dwaling is niet te vooronderstellen! Neen! Er is iets, dat mij ontgaat!"
Meer dan een eeuw lang bleef de ontdekking van Tasman onopgemerkt, en Nieuw-Zeeland scheen niet meer te bestaan, tot eindelijk een fransch zeevaarder, Surville, het op 35° 37' breedte in het gezigt kreeg. Eerst had hij geen reden van klagen over de inboorlingen; maar de wind stak geweldig op en een storm beliep hem, gedurende welken de sloep met de zieken in de Toevlugtsbaai op het strand werd geworpen. Daar ontving een opperhoofd, Nagui-Noeï genoemd, de Franschen zeer goed en huisvestte ze in zijn eigene hut. Alles ging goed, tot het oogenblik, dat een sloep van Surville werd gestolen. Surville eischte ze vergeefs op, en meende voor dien diefstal een dorp te moeten straffen, dat hij geheel verbrandde. Een verschrikkelijke en onregtvaardige wraak, die aanleiding gaf tot de bloedige vergelding, waarvan Nieuw-Zeeland binnen kort het tooneel zou worden.
Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook op deze kusten. Hij ankerde in de Taoeë-Roa-baai met zijn schip de Endeavour en trachtte door goede behandeling de vriendschap der inboorlingen te winnen. Maar om de menschen goed te behandelen, moet men beginnen met hen te krijgen. Cook aarzelde niet om twee of drie gevangenen te maken en hun zijn weldaden met geweld op te dringen. Met geschenken en liefkozingen overladen werden zij weer aan land gezonden. Door hun verhalen uitgelokt kwamen vervolgens een aantal inboorlingen vrijwillig aan boord en gingen een ruilhandel met de Europeanen aan. Eenige dagen later stevende Cook naar de Hawkes-baai, een diepe inham in de kust van het noordelijk eiland. Daar trof hij oorlogzuchtige, schreeuwende en twistgierige inboorlingen aan. Hun vijandelijke bedoelingen gingen zoover, dat het noodig was hen met schrootvuur in toom te houden.
Den 20sten October ankerde de Endeavour in de Toko-Maloe-baai, waar een vreedzame bevolking van twee honderd zielen leefde. De plantenkenners, die de reis medemaakten, zagen hun onderzoekingen in die streek met een gewenschten uitslag bekroond, en de inboorlingen bragten hen met hun praauwen aan wal. Cook bezocht twee dorpen met palen, borstweringen en dubbele grachten versterkt, die bewezen, dat zij reeds aanzienlijke vorderingen in den vestingbouw hadden gemaakt. Het belangrijkste dier forten lag op een rots, die bij hoog water geheel een eiland werd. En meer nog, want niet alleen werd ze door het water omringd, maar dit stroomde ook door een natuurlijken boog van zestig voet hoog, waarop die ongenaakbare "pâh" zich verhief.
Den 31sten Maart gaf Cook, die in vijf maanden een rijken oogst van vreemde voorwerpen, inlandsche planten, en bijdragen tot de land- en volkenkunde had bijeengebragt, zijn naam aan de straat, die de twee eilanden scheidt, en verliet Nieuw-Zeeland. Hij bezocht het nog eens op zijn latere reizen.
In 1773 toen verscheen de groote zeeman weder in de Hawkesbaai en was daar getuige van tooneelen van kannibalisme. Het moet echter gezegd worden, dat zijn reisgenooten er aanleiding toe gaven. Eenige officieren, die aan land de verminkte ledematen van een jongen wilde gevonden hadden, namen ze mee aan boord, "lieten ze braden," en zetten ze den inboorlingen voor, die er met gretigheid op aanvielen. Treurige liefhebberij, zich zoo tot koks te maken voor een maaltijd van menscheneters!
Op zijn derde reis bezocht Cook andermaal dit land, waarvoor hij groote voorliefde koesterde, en dat hij gaarne in kaart wilde brengen. Den 25sten Februarij 1777 verliet hij het voor goed.
In 1791 vertoefde Vancouver twintig dagen in de Sombere baai, zonder eenig voordeel voor de natuur- of aardrijkskundige wetenschappen. D'Entrecasteaux bragt in 1793 een kustlijn van vijf en twintig mijlen in kaart op het noordelijke eiland Ika-Na-Maoeï. De koopvaardijkapiteins Hausen en Dalrympe, later Baden, Richardson en Moody kwamen er even, en dokter Savage verzamelde gedurende een verblijf van vijf weken belangrijke bijzonderheden betreffende de zeden der Nieuw-Zeelanders.
In datzelfde jaar 1805 scheepte de neef van het opperhoofd van Rangwi-Hoe, de schrandere Doea-Tara zich in op de Argo, kapitein Baden, die in de Eilandenbaai lag.
Welligt zullen de lotgevallen van Doea-Tara eenmaal aan een Maori Homerus het onderwerp voor een heldendicht verschaffen. Zij zijn een aaneenschakeling van rampen, onregtvaardigheden en mishandelingen. Trouwbreuk, verbeurdverklaring, slagen en wonden, waren het loon, dat de arme wilde voor zijn goede diensten ontving. Welk denkbeeld moest hij zich wel maken van menschen, die zich beschaafd noemen! Hij werd naar Londen gebragt. Men maakte hem matroos van de laagste klasse, de wrijfpaal der bemanning. Dat hij het leven er afbragt, had hij te danken aan de tusschenkomst van den eerwaarden Marsden. Die zendeling trok zich den jongen wilde aan, bij wien hij een scherp oordeel, een moedig hart, en bewonderenswaardige hoedanigheden van zachtzinnigheid, innemendheid en beleefdheid opmerkte. Marsden bezorgde zijn beschermeling eenige zakken graan en landbouwwerktuigen, voor zijn land bestemd. Die kleine bagaadje werd hem ontstolen. Ongelukken en lijden waren opnieuw het deel van den armen Doea-Tara, tot in 1814, wanneer men hem eindelijk in het land zijner vaderen terugvindt. Nu zou hij de vrucht van zooveel lotswisselingen plukken; maar de dood rukte hem weg op achtentwintigjarigen leeftijd, toen hij zich gereed maakte om het bloeddorstige Zeeland te hervormen. Dit onherstelbare ongeluk zette de beschaving ongetwijfeld vele jaren achteruit. Niets kan een verstandig en goed man vervangen, die in zijn borst liefde tot het goede vereenigt met liefde voor zijn land!
Tot in 1816 bleef Nieuw-Zeeland verlaten. Te dien tijde doorkruiste Thompson, in 1817 Lidiard Nicholas, in 1819 Marsden, verscheidene deelen der beide eilanden, en in 1820 bragt Richard Cruise, kapitein bij het acht en tachtigste regiment infanterie, er tien maanden door met grondige studiën over de zeden der inlanders.
In 1824 vertoefde Duperrey, bevelhebber dat Coquille, veertien dagen in de Eilanden-baai, en ondervond hij veel vriendschap van de inboorlingen.
Na hem, in 1827, moest de engelsche walvischvaarder Mercury zich tegen plundering en moord verdedigen. In hetzelfde jaar werd kapitein Dillon tot tweemaal toe zeer gastvrij ontvangen.
In Maart 1827 kon de bevelhebber der Astrolabe, de beroemde Dumont-d'Urville, ongedeerd en ongewapend eenige nachten onder de inboorlingen doorbrengen, met hen zingen, geschenken geven en ontvangen, in de hutten slapen, en zonder stoornis zijn belangrijke opmerkingen voortzetten, waaraan de zoo schoone kaarten van het bureau van marine het aanzijn te danken hebben.
De engelsche brik Hawes, kapitein John James, daarentegen, deed in het volgende jaar de Eilanden-baai aan, stevende naar de Oostkaap, en had veel te lijden van een trouweloos opperhoofd, Enararo geheeten. Verscheidene zijner makkers ondergingen een verschrikkelijken dood.
Uit die tegenstrijdige voorvallen, uit die afwisseling van zachtaardigheid en barbaarschheid moet men afleiden, dat de wreedheden der Nieuw-Zeelanders maar al te dikwijls weerwraak waren. Goede of slechte behandelingen hingen af van slechte of goede kapiteins. Zeker hadden er wel eenige onregtvaardige aanvallen van de zijde der inlanders plaats; maar meestal waren het wraakoefeningen, door de Europeanen uitgelokt, en ongelukkig kwam de straf neer op het hoofd van onschuldigen.
Na d'Urville werd de kennis van Nieuw-Zeeland aangevuld door een moedig onderzoeker, die twintigmaal de geheele aarde doorkruiste, een zwerver, een zigeuner van de wetenschap, een engelschman, Earle. Hij bezocht de onbekende deelen der beide eilanden, zonder dat hem persoonlijk eenig leed wedervoer, maar hij was dikwijls getuige van tooneelen, waarbij menschenvleesch genuttigd werd. De Nieuw-Zeelanders verslonden elkander met walgelijke gretigheid.
Dit ondervond ook kapitein Laplace, toen hij in 1881 in 4e Eilanden-baai vertoefde. De gevechten waren ook reeds veel vreeselijker geworden; want de wilden waren zeer bedreven in de behandeling der vuurwapenen. De vroeger bloeijende en volkrijke gewesten van Ika-Na-Maoeï werden in doodsche woestijnen veranderd. Geheele stammen waren verdwenen, evenals kudden schapen verdwijnen, die men braadt en opeet.
De zendelingen hebben te vergeefs hun best gedaan om die bloeddorstige neigingen te overwinnen. Van 1808 af had het Anglikaansche Zendeling-Genootschap zijn bekwaamste agenten,—die naam komt hun toe,—naar de voornaamste plaatsen op het noordelijke eiland gezonden. Maar de barbaarschheid der Nieuw-Zeelanders dwong het de vestiging van zendelingsposten te staken. Eerst in 1814 landden de heeren Marsden, de beschermer van Doea-Tara, Hall en King, in de Eilanden-baai en kochten van de opperhoofden voor twaalf ijzeren bijlen een strook grond van honderd bunders. Daar werd de zetel der anglikaansche zending gesticht.
Het begin was moeijelijk. Maar eindelijk ontzagen de inlanders het leven der zendelingen. Zij namen hun diensten en hun leer aan. Eenige woeste inboorlingen werden zachter gestemd. In die harde harten ontwaakte het gevoel van dankbaarheid. In 1824 gebeurde het zelfs, dat de Nieuw-Zeelanders hun "ariki's," dat wil zeggen de leeraars, tegen woeste matrozen beschermden, die hen beleedigden en met mishandeling bedreigden.
Langzamerhand geraakten dus de zendelingsposten tot bloei, ondanks de tegenwoordigheid van uit Port Jackson ontvlugte misdadigers, die de inlandsche bevolking bedierven. In 1831 vermeldden de Zendelingeberigten twee aanzienlijke posten, de een te Kidi-Kidi, aan de oevers van het kanaal, dat in de Eilanden-baai in zee valt, de andere te Paï-Hia, aan den oever der Kawa-Kawa. Onder opzigt hunner leeraars hadden de bekeerde inlanders wegen aangelegd, paden door de ontzaggelijke bosschen gebaand, bruggen over de stroomen geslagen. Elke zendeling ging op zijn beurt de beschavende godsdienst prediken onder de verderaf wonende stammen, rigtte kapellen van riet of boomschors op en scholen voor de inlandsche jeugd, en op het dak dier nederige gebouwen wapperde de vlag der zending, voerende het kruis van Christus en deze woorden: "Rongo-Pai," dat wil zeggen "het Evangelie."
Het is jammer, dat de invloed der zendelingen beperkt blijft tot hun nederzettingen. De geheele zwervende bevolking onttrekt zich aan hun werkzaamheid. Het menscheneten is alleen bij de christenen uitgeroeid, en nog zou men die pas bekeerden niet aan te groote verleiding moeten blootstellen. De trek naar bloed leeft nog in hen.
Ook duurt de oorlog nog altijd voort in die woeste streken. De Zeelanders zijn geen stompe Australiërs, die voor den europeeschen inval wijken; zij verzetten zich, zij verdedigen zich, zij haten hun onderdrukkers, en thans bezielt hen een gloeijende haat tegen de engelsche landverhuizers. De toekomst dier groote eilanden staat op het spel. Een onmiddellijke beschaving wacht hen of een eeuwenlange diepe barbaarschheid, al naar het lot der wapenen.
Zoo had Paganel, wiens hersenen van ongeduld gloeiden, de geheele geschiedenis van Nieuw-Zeeland zich voor den geest gehaald. Maar in deze geschiedenis kwam niets voor, dat regt gaf om dit gewest, uit twee eilanden bestaande, een vastland te noemen, en hadden eenige woorden van het document zijn verbeelding geprikkeld, deze beide lettergrepen contin hielden hem hardnekkig tegen op den weg eener nieuwe uitlegging.
[1] Later is gebleken, dat geheel Nieuw-Zeeland bij de inlanders Tawai-Maoeï heet. Tawaï-Poena-Moe is alleen de naam van een gedeelte van het middelste eiland.
Den 31sten Januarij, vier dagen na haar vertrek, had de Macquarie nog geen twee derden van den oceaan afgelegd, die tusschen Australië en Nieuw-Zeeland is ingeklemd. Will Halley hield zich weinig bezig met het bestuur van zijn vaartuig; hij liet alles maar begaan. Men zag hem zelden, waarover trouwens niemand zich beklaagde. Niemand zou er iets van gezegd hebben, dat hij altijd in zijn kajuit bleef, als de lompe schipper maar niet dagelijks dronken was geweest van jenever of brandewijn. Zijn matrozen volgden zijn voorbeeld, en zoo ooit een schip op Gods genade dreef, dan was het wel de Macquarie van de Twofold-baai.
Die onvergefelijke achteloosheid verpligtte John Mangles steeds een oog in het zeil te houden. Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer om, op het oogenblik dat een stortzee de brik op zijde zou geworpen hebben. Dikwijls kwam Will Halley tusschen beide en raasde en tierde tegen de twee zeelieden. Dezen, die vrij kitteloorig waren, wenschten den dronkaard te mogen knevelen en hem, zoolang de reis nog mogt duren, in het ruim te stoppen. Maar John Mangles hield hen tegen en bedwong, niet zonder moeite, hun billijke verontwaardiging.