Bruno Bauer had in dat jaar twee artikelen geschreven over deze kwestie. Het eerste was getiteld: „De Jodenkwestie”; het andere „Over de geschiktheid der hedendaagsche Joden en Christenen zich te emancipeeren”, geschreven in Zwitserland en uitgegeven door George Herwegh.
De Jodenkwestie was in die dagen een der slippen waaraan het duitsche idealisme, de economische ontwikkeling gepakt had. De christelijk-germaansche Staat mishandelde, verdrukte en vervolgde den joden, terwijl hij ze aan den anderen kant, tegelijk duldde, begunstigde, ja zelfs liefkoosde.
De duitsche-Bondsakte had in artikel 16, een algemeene jodenwetgeving tot uitgangspunt genomen, maar aan die belofte was evenmin voldaan, als aan zoovele anderen. De duitsche joden leefden staatsrechtelijk nog in de ruïnes van de feodaal-middeneeuwsche Ghetto-toestanden. In den Pruissischen Staat alleen, bestonden achttien verschillende joden-wetgevingen, die naar gelang der verschillende lokale gesteldheid, liepen, van af de gelijkstelling van de joden met de christenen, tot aan de meest achterlijke en middeneeuwsch-barbaarsche verhoudingen toe.
Daarbij kwam dat de moorddadige rol die den joden opgedwongen was, doordien men hen alleen het geldwoekerdom vrijliet, tegen hen een verschrikkelijken haat had ontketend en dit niet alleen onder de boeren en kleine handwerkers, maar ook in de steden, doordien juist daar de joden aan economische macht en invloed wonnen voornamelijk door den geldhandel, waarop zij zich hadden toegelegd. De joden schudden daardoor zelf aan de ketenen hunner onmenschelijke positie in de beschaafde maatschappij en vandaar dat er in die dagen, onder de zich noemende „humanisten”, algemeen over hunne positie werd gesproken. Zoo ook door Bruno Bauer in genoemde opstellen.
„De duitsche Joden,” zegt Marx daarop, „begeeren emancipatie; welke emancipatie begeeren zij? De Staatsburgerlijke, de politieke emancipatie. Bauer zegt: Niemand in Duitschland is politiek geëmancipeerd. Wij-zelf zijn onvrij! Gij Joden zijt egoïsten, omdat gij een emancipatie voor U-zelf verlangt, gij behoort, als duitschers, als menschen, deel te nemen aan de menschelijke emancipatie........
„Of verlangen de Joden gelijkstelling met de christelijke onderdanen? Dan erkennen zij den christelijken Staat als gerechtigd, erkennen zij het regiment der algemeene onderdrukking. Waarom misvalt hun dit speciale juk, terwijl hun het algemeene juk niet tegenstaat? Waarom moeten de duitschers zich voor de bevrijding der joden warm maken, waar de jood zich niet warm maakt voor de bevrijding der Duitschers?” Hierbij, en bij nog meer dergelijke belangrijke vragen door Bauer gesteld, erkent Marx dat Bauer de kwestie wel nieuw gesteld heeft, maar haar niet geheel heeft kunnen oplossen. „Wanneer Bauer,” zegt Marx, „den Joden vraagt: hebt gij, van uw standpunt bekeken het recht, de politieke emancipatie te begeeren, dan vragen wij, omgekeerd: „heeft het standpunt der politieke emancipatie het recht, van de Joden de opheffing van het Jodendom, van de menschen in het algemeen, de opheffing der religie te verlangen?”
„De Jodenkwestie verkrijgt een ander gezicht, al naar den staat, waarin den Jood zich bevindt. In Duitschland, waarin geen politieken Staat, geen Staat als zoodanig bestaat, is de Jodenkwestie nog een zuiver theologische. De Jood bevindt zich daar nog in de religieuze tegenstelling tot den Staat, die het christendom als zijn grondslag erkent. Dezen Staat is de theoloog ex professo.
„In Frankrijk in den constitutioneelen Staat, is de Jodenkwestie een kwestie van constitutionalisme, een kwestie van halfheid der politieke emancipatie. Daar hier de schijn van een staatsreligie, hoewel ook in de nietszeggende en zich zelf tegensprekende formule,—in de formule van een religie der meerderheid—behouden is gebleven, zoo behoudt de verhouding van de Joden tot den Staat, den schijn van een religieuze, theologische tegenstelling.
„Eerst in de Amerikaansche Vrijstaten—minstens in een deel derzelven—verliest de Jodenkwestie hare theologische beteekenis en wordt zij een zuiver wereldlijke kwestie. Slechts daar, waar de politieke Staat het stadium van zijne volkomene ontwikkeling is genaderd, kan de verhouding van den Jood, van den religieuzen mensch in ’t algemeen tot den politieken Staat, dus de verhouding van de godsdienst tot den Staat, in hare eigenaardigheid en in hare zuiverheid te voorschijn treden.”
Marx werkt deze vraag geheel in hare algemeenheid uit, en komt daardoor ertoe, de verhouding van godsdienst en Staat meer diepgaand te behandelen.
„De politieke emancipatie van de Joden,” vervolgt Marx dan, „van de christenen, over het algemeen van den religieuze menschen, is de emancipatie van den Staat van het jodendom, van het christendom, van de religie in het algemeen. In zijnen vorm, in de aan zijn wezen eigenaardige wijze als Staat, emancipeert de Staat zich van de religie, d. w. z. „doordien den Staat als Staat, zich niet meer tot eene religie bekent en zich als Staat gaat voelen. De grens van de politieke emancipatie ligt schijnbaar juist daarin, dat de Staat zich van een beperking bevrijden kan, zonder dat den mensch werkelijk van haar vrijkomt; dat de Staat een vrijen Staat kan zijn, zonder dat de mensch een vrije mensch is” ....
„Maar de verhouding van den Staat tot de religie, namelijk van den vrijen Staat, is toch slechts de verhouding waarin de menschen, die den Staat vormen, zich tot de religie bevinden. Hier volgt dus uit, dat den mensch door het medium van den Staat, zich politiek bevrijdt, doordien hij zich in tegenspraak stelt met zich-zelf, doordien hij op een abstrakte en beperkte, op partieele wijze zich boven deze belemmeringen verheft, Er volgt verder uit, dat de mensch langs een omweg, door een medium,—zij het dan ook door een noodzakelijk medium—zich bevrijdt, wanneer hij zich politiek vrij maakt. Ten slotte volgt er ook uit, dat de mensch, zelfs wanneer hij door de bemiddeling van den Staat zich als atheïst proklameert, d. w. z. wanneer hij den Staat atheïstisch maakt, steeds nog religieus bevangen blijft, juist omdat hij langs een omweg, door middel van een medium tot erkenning van zich-zelf komt. De religie is juist de erkenning van den mensch langs een omweg, door eenen bemiddelaar. De Staat is de bemiddelaar tusschen den mensch en zijne vrijheid. Zooals Christus een bemiddelaar was, die den mensch zijne geheele goddelijkheid, zijne gansche religieuziteit op den schouders legde, zoo is den Staat de bemiddelaar, waarin hij zijne gansche ongoddelijkheid, zijne geheele menschelijke onbevangenheid gelegd heeft.
„De politieke verheffing der menschen boven de religie, deelt in alle gebreken, zoo ook in de voorkeur, van de politieke verheffing in het algemeen. De Staat als Staat, annuleert bijv. het privaat-eigendom, de mensch verklaart op politieke wijze, het privaat-eigendom voor opgeheven, zoodra hij den census opheft voor het aktieve en het passieve kiesrecht, gelijk dit geschiedt is in de Amerikaansche Staten. Hamilton interpreteert deze gebeurtenis, van uit een politiek standpunt zeer juist aldus: „De groote hoop heeft de zege over het eigendom en den geld-rijkdom behaald.” Is het privaat-eigendom niet ideëel opgeheven, wanneer de niet-bezittende, tot wetgever over de bezittende geworden is?.....
„De voltooide politieke Staat is naar zijn wezen, het paringsleven van de menschen, in tegenoverstelling tot hun materieel leven. Alle voorwaarden van dit egoïstisch leven, blijven buiten de staatsspheer in de burgerlijke samenleving bestaan, maar als eigenschappen van de burgerlijke samenleving. Waar de politieken Staat zijne voltooiing bereikt heeft, leidt de mensch, niet alleen in gedachten, in bewustzijn, maar in de werkelijkheid, in het leven, een dubbel leven, een hemelsch en een aardsch leven; het leven in het politiek gemeenschapswezen, waarin hij zich laat gelden als gemeenschapswezen en het leven in de burgerlijke samenleving, waarin hij als privaat-persoon werkzaam is, de andere menschen als middel beschouwt, zich-zelf tot middel vernedert en tot speelbal van aan hem vreemde machten wordt. De politieke Staat, staat in evenzoo spiritualistische verhouding tot de burgerlijke samenleving, als de hemel tot de aarde. Hij bevindt zich tot haar in dezelfde tegenstelling; hij moet die op dezelfde wijze overwinnen, als de religie de bekrompenheid der profane wereld; d. w. z. doordat hij haar eveneens weder erkennen, herstellen, zich-zelf door haar moet laten beheerschen. De mensch in zijne naaste werkelijkheid, in de burgerlijke maatschappij, is een profaan wezen. In den Staat daarentegen, waar de mensch als gemeenschapswezen geldt, is hij het ingebeelde lid, van een ingebeelde souvereiniteit; is hij van zijn werkelijk individueel leven beroofd en van eene onwerkelijke algemeenheid vervuld.
„Het conflikt, waarin den mensch zich als bekenner eener religie bevindt met zijn staatsburgerschap, met de andere menschen als leden van de gemeenschap, laat zich terugbrengen tot de wereldlijke splitsing, tusschen den politieken Staat en de burgerlijke samenleving. Zeer zeker blijft de mensch als bourgeois, evenals de jood, slechts sophistisch in het staatsleven, zooals de citoyen slechts sophistisch jood of bourgeois blijft; maar deze sophistiek is niet persoonlijk, zij is de sophistiek van den politieken Staat zelf. Het verschil tusschen den religieuzen mensch en den staatsburger, is het verschil tusschen den koopman en den staatsburger, tusschen den daglooner en den staatsburger, tusschen den grondbezitter en den staatsburger, tusschen het levende individu en den staatsburger........................
„Wij zeggen aldus niet, met Bauer, tot de Joden: gij kunt niet politiek geëmancipeerd worden, zonder u radikaal te emancipeeren van het Jodendom. Wij zeggen eerder tot hen: omdàt gij politiek geëmancipeerd kunt worden, zonder u volkomen en zonder tegenspraak los te kunnen maken van het Jodendom, daarom is de politieke emancipatie-zelve, niet de menschelijke emancipatie. Wanneer gij joden, politiek geëmancipeerd kunt worden, zonder U menschelijk te kunnen emancipeeren, dan ligt de halfheid en de tegenspraak daarvan in u-zelven niet alleen, maar in het wezen en de categorie van de politieke emancipatie.”
Marx onderzoekt vervolgens het wezen van de in 1789 verkondigde „Menschenrechten” en der „Burgerschapsrechten.” De „droits de l’homme”, de menschenrechten, zijn als zoodanig te onderscheiden van den „droits du citoyen”, de rechten des staatsburgers. „Wie is de van den citoyen verschillende homme? Niemand anders dan het lid van de burgerlijke samenleving! Voor alles moet het feit geconstateerd worden, dat de z. g. n. „Menschenrechten”, de „droits de l’homme” in onderscheiding van den „droits du citoyen” niets anders zijn, dan de rechten van het mede-lid der burgerlijke samenleving, d. w. z. van den egoïstischen mensch; de van de menschen en van de gemeenschap gescheiden individu.”
„Geen van de z. g. n. „Menschenrechten”,” zegt Marx, „gaat verder dan, en boven den egoïstischen mensch uit zooals hij is: medelid der burgerlijke maatschappij; de mensch op zichzelf, de op zijn privaat-belang en privaat-willekeur teruggetrokken en van de gemeenschap verwijderde mensch. Verre van dien, dat de mensch in haar als gemeenschapswezen opgevat wordt, schijnt veelmeer dat gemeenschapsleven zelf, haar de samenleving toe en de beperking harer oorspronkelijke zelfstandigheid. De eenige band die haar samenhoudt, is de natuurnoodwendigheid; is de behoefte en het privaat-belang, de conserveering van haren eigendom en van hare egoïstische persoonlijkheid.
„Het is reeds raadselachtig dat een volk, hetwelk zoo even aan zijne bevrijding begon, door alle barrières tusschen de verschillende volksdeelen neer te halen en een politieke samenleving te grondvesten, dat een zoodanig volk, de berechtiging van den egoïstischen, de van den medemensch en van het gemeenschapswezen afgezonderde menschen, plechtiglijk proklameert (Declaration de 1791). Ja, deze proklamatie op een oogenblik herhaalt, waarop de heldhaftige opoffering van allen, de natie kan redden en daarom gebiedend noodzakelijk is geworden; op een oogenblik, waarin de opoffering van alle belangen der burgerlijke samenleving, aan de orde van den dag was, en het egoïsme als een misdaad zou moeten worden zijn gestraft. (Declaration des droits de l’homme etc. 1793). Nog raadselachtiger wordt dit feit, als wij zien dat het staatsburgerschap, de politieke gemeenschap, door de politieke emancipators zelven tot een bloot middel voor de instandhouding dezer zoogenaamde menschenrechten verlaagd zijn geworden; dat aldus de „citoyen” tot den dienaar van den egoïstischen „homme” verklaard wordt; de spheer waarin de mensch als gemeenschapswezen leeft, beneden de spheer waarin hij als deelgenoot leeft gedegradeerd wordt, en ten slotte, dat niet den mensch als „citoyen” maar den mensch als „bourgeois”, voor den eigenlijken en den waarachtigen mensch wordt aangezien.
„Le but de toute association politique est la conservation des droits naturelles et imprescriptibles de l’homme. (Declar. des droits etc. de 1791 art. 2). Le gouvernement est institué pour garantir à l’homme la jouissance de ses droits naturels et imprescriptibles (Decl. etc. de 1793 art. 1).
„„Het doel van elke politieke associatie is, de instandhouding van de natuurlijke en de onafwijsbare rechten van den mensch”. „Het gouvernement is ingesteld om te waarborgen aan den mensch, de uitoefening van zijne natuurlijke en niet te vervreemden rechten.” („Verklaring van de Rechten van den mensch” van 1793, art. 1 en 2).
„Alzoo in de momenten zelfs, van zijne nog jeugdig frisch en zijn, door den drang der omstandigheden ten top gevoerd enthousiasme, verklaart het politiek leven zich voor een bloot middel, welker doel is, het leven der burgerlijke samenleving. Wel ’t sterkst staat hier de revolutionaire praktijk in flagranten tegenstrijd tot zijne theorie. Terwijl bijv. de zekerheid voor een menschenrecht verklaard wordt, wordt de schending van het briefgeheim openlijk op de dagorde gezet. Terwijl de „liberté indéfinie de la presse”, (Constitution de 1793 art. 122), als consekwentie van het menschelijk recht der individueele vrijheid gewaarborgd wordt, wordt de persvrijheid volkomen vernietigd, want: „la liberté de la presse ne doit pas être permise lorsqu’elle compromet la liberté publique.” (Robespierre jeune, histoire parlementaire de la Rev. française, par Buchez et Roux V. 28 p. 135.) (De vrijheid van den pers kan niet worden toegelaten, zoodra zij in botsing komt met de publieke vrijheid.) Dat wil dus zeggen: het menschenrecht der vrijheid houdt op een recht te zijn, zoodra het in conflikt komt met het politieke leven; terwijl volgens de theorie het politieke leven slechts de waarborg van de menschenrechten, der rechten van den individueelen mensch dus, moet worden prijsgegeven zoodra het met zijn doel, deze menschenrechten zelven in tegenstrijd komt. Maar de praktijk is slechts uitzondering en de theorie regel. Wil men echter zelfs de revolutionaire praktijk, als de juiste positie der verhouding beschouwen, dan blijft er steeds een raadsel ter oplossing over, waarom in het bewustzijn der politieke emancipators deze verhouding op haren kop gesteld is, en het doel, als middel en het middel, als het doel zich vertoont. Dit optisch bedrog van hun bewustzijn, zou dan altijd nog een raadsel blijven, hoewel dan een psychologisch, een theoretisch raadsel.
„Het raadsel is evenwel eenvoudiger op te lossen.
„De politieke emancipatie is tegelijkertijd de oplossing der oude maatschappij, waarop het den volke ontvreemde staatswezen, de heerschersmacht berust. De politieke Revolutie is de Revolutie van de burgerlijke maatschappij. Wat was het karakter der oude samenleving? De feodaliteit. De oude burgerlijke samenleving had een onmiddellijk politiek karakter; d. w. z. de elementen van het burgerlijke leven, zooals bijvoorbeeld het bezit of de familie of de manier van arbeiden waren in den vorm van grondheerlijkheid, van standen en corporatiën, verheven tot elementen van het staatsleven. Zij bepaalden in dezen vorm de verhouding van de individuen op zich-zelf, tot het staatsgeheel, d. w. z. zijn politieke verhouding, zijn verhouding van de scheiding en uitsluiting tot de andere bestanddeelen der maatschappij. Want deze organisatie van het volksleven verhief het bezit of den arbeid niet tot sociale elementen, maar voltooide veelmeer hunne scheiding van het staatsgeheel en constitueerde hen aldus, tot bijzondere maatschappijen, in de maatschappij. Zoo waren intusschen altijd nog de levensfunkties en levensvoorwaarden der burgerlijke maatschappij van politieken aard, zij het ook politiek, in den zin van feodaal, d. w. z. dat zij het individu van het staatsgeheel afsloten; dat zij de bijzondere verhouding zijner corporatiën tot het staatsgeheel omzetten in zijn eigen algemeene verhouding tot het volksleven, zooals tot zijne bepaalde burgerlijke werkzaamheid en situatie. Als eene consekwentie van deze organisatie, doet zich, als eene noodzakelijkheid de staatséénheid kennen, gelijk het bewustzijn, den wil en de werkzaamheid der staatséénheid; de algemeene staatsmacht, eveneens als eene bijzondere aangelegenheid van eene, van het volk afgezonderden heerscher en van zijne dienaren.
„De politieke Revolutie, welke aan deze heerschersmacht een einde maakte en de Staatsaangelegenheden tot volksaangelegenheden verhief, welke den politieken Staat als algemeene aangelegenheid, d. w. z. als werkelijken Staat constitueerde, sloeg noodwendig alle standen, corporatiën, gilden en privilegiën, welke evenzoovele uitdrukkingen van de scheiding van zijn gemeenschapswezen waren, uiteen. De politieke Revolutie hief daarmede het politiek karakter van de burgerlijke samenleving op. Zij sloeg de burgerlijke samenleving in hare eenvoudige bestanddeelen uiteen; eenerzijds in de individuen, anderzijds in de materiëele en geestelijke elementen welke den levensinhoud, de burgerlijke situatie van deze individuen vormden. Zij ontketende den politieken geest, die geleidelijk in de verschillende doodloopende stegen van de feodale maatschappij verdeeld, verbrokkeld en verloopen was; zij verzamelde hem uit deze verstrooiing; zij maakte hem vrij van zijne vermenging met het burgerlijk leven en constitueerde hem, als de spheer van de gemeenschap, van de algemeene volksaangelegenheid, in eene ideale onafhankelijkheid van de bijzondere elementen van het burgerlijk leven. De bepaalde levenswerkzaamheid en de bepaalde levenssituatie, zonken nu tot hunne individueele beteekenis terug. Zij vormden niet meer de algemeene verhouding van de individuen tot het Staatsgeheel. De publieke aangelegenheid als zoodanig, wordt veelmeer tot eene algemeene aangelegenheid van ieder individu, en de politieke funktie, tot zijne algemeene funktie.
„Alleen de voltooiing van het idealisme van den Staat, was tegelijkertijd de voltooiing van het materialisme der burgerlijke samenleving. Het afschudden van het politieke juk, was tegelijk het afschudden van de ketens, welke den egoïstischen geest der burgerlijke samenleving geketend hielden. De politieke emancipatie, was tegelijkertijd de emancipatie der burgerlijke maatschappij van de politiek, van den schijn zelfs van eenen algemeenen inhoud. De feodale maatschappij was opgelost in haren grond, in den mensch. Maar in den mensch, zooals die werkelijk in den grond was: in den egoïstischen mensch.
„Deze mensch, dat lid van de burgerlijke samenleving nu, is de basis, de voorwaarde tot den politieken Staat. Hij is door hem dan ook als zoodanig erkend in de „Menschenrechten”.
„De vrijheid van den egoïstischen mensch en de erkenning dezer vrijheid, is echter veelmeer de erkenning van de teugellooze beweging der geestelijke en moreele elementen, welke zijn levensinhoud vormen.
„De mensch wordt daarmede niet van de religie bevrijdt; hij verkrijgt de vrijheid der religie. Hij wordt niet van den eigendom bevrijdt, hij verkrijgt de vrijheid van den eigendom. Hij wordt niet bevrijd, van de zelfzucht van het bedrijfswezen; hij verkrijgt de vrijheid van het bedrijf.”
„Alle emancipatie is terugvoeren van de menschelijke wereld, van de menschelijke verhoudingen, tot den menschen zelf.
„De politieke emancipatie is de reduktie der menschen eenerzijds tot op het lid van de burgerlijke samenleving, tot op het egoïstische onafhankelijke individu; anderzijds, tot op den staatsburger, tot op den moreelen persoon.
„Eerst wanneer de werkelijke individueele mensch, den abstrakten staatsburger die in hem is, naar zich terugneemt, en als individueelen mensch in zijn empirisch leven, in zijnen individueelen arbeid, in zijne individueele verhoudingen, paringswezen geworden is; eerst wanneer de mensch zijne „forces propres” als maatschappelijke krachten erkent en georganiseerd heeft en aldus de maatschappelijke kracht niet meer in de gestalte der politieke kracht van zich afscheidt, eerst dan is de menschelijke emancipatie volbracht.”
Bruno Bauer zocht nog steeds de Jodenkwestie langs theologischen weg op te lossen.
„Laten wij beproeven,” zegt Marx, „om de theologische opvatting van de kwestie te doorbreken. De vraag naar de emancipatiegeschiktheid van de Joden, zet zich naar onze beschouwing om in de vraag, welk bijzonder maatschappelijk element er is te overwinnen om het jodendom op te heffen! Want de emancipatiegeschiktheid van de huidige Joden drukt de verhouding uit van het Jodendom, tot de emancipatie der huidige wereld. Deze verhouding spruit noodwendig voort uit de bijzondere positie van het Jodendom in de huidige, geknechte wereld.
„Beschouwen wij eens den werkelijken wereldlijken jood, niet den sabath-jood gelijk Bauer het doet, maar den alledaagschen jood, wat nader.
„Zoeken wij het geheimzinnige van de joden, niet in hunne religie, maar zoeken wij het geheimzinnige van de religie, in de werkelijke joden.
„Welke is de wereldlijke grond des Jodendoms? De praktische behoeften, het eigenbelang. Welke is de wereldlijke cultus der Joden? De schagger. Welke is zijn wereldlijken God? Het geld!
„Welnu. De emancipatie van den schagger en van het geld, dus van het praktische, reële jodendom, dat beteekent de zelf-emancipatie van onzen tijd.
„Eene organisatie der maatschappij, welke de voorwaarden van den schagger, dus de mogelijkheid om te schaggeren zou opheffen, zou den joden onmogelijk maken. Zijn religieus bewustzijn zou dan als een ijle mist zich oplossen, in den werkelijken levenslust der samenleving. Aan den anderen kant: wanneer de jood, dit zijn praktisch wezen als nietig beschouwt en aan zijne verheffing arbeidt, arbeidt hij boven zijne tegenwoordige ontwikkeling uit, aan de menschelijke emancipatie in het algemeen en keert hij zich tegen de hoogste, praktische uitdrukking der menschelijke zelfvervreemding.
„Wij erkennen dus in het Jodendom een algemeen aanwezig zijnd, anti-sociaal element, hetwelk door de historische ontwikkeling,—waaraan de Joden in deze slechte beteekenis ijverig medegewerkt hebben—op zijne tegenwoordige hoogte gedreven is geworden, op een hoogte, waarop het zich noodzakelijk oplossen moet.
„De emancipatie der Joden in hare laatste instantie, zal de emancipatie der menschheid van het Jodendom zijn.”
„Het geld is de naijverige God van Israël, waarnaast geen anderen God bestaan kan. Het geld vernedert alle goden der menschen—en zet ze om in waren. Het geld is de algemeene, voor-zich-zelf geconstitueerde waarde aller dingen. Het heeft daarvandaan de gansche wereld, de menschenwereld benevens de natuur, van hunne eigenaardige waarde beroofd. Het geld is het, den mensch ontvreemde wezen van zijnen arbeid en van zijn bestaan. En dit vreemde wezen beheerscht hem en hij aanbidt het.
„De god der Joden heeft zich verwereldlijkt; hij is tot een wereld-god geworden. De wissel is de wereldlijke god der Joden. Hun god slechts de illusoire wissel.
„Die beschouwing, welke onder de heerschappij van het privaat-eigendom en van het geld over de natuur, gewonnen werd, is de werkelijke verachting, de praktische ontwijding van de natuur, welke in den joodschen godsdienst wel-is-waar bestaat, maar slechts in de verbeelding bestaat.”
In dezen zin verklaart Thomas Münzer het voor onverdragelijk: „dat alle creaturen tot eigendom gemaakt worden, de visschen in ’t water, de vogels in de lucht, het gewas op de aarde—ook die schepselen moeten vrij worden.”
Wat in de joodsche religie abstrakt opgesloten ligt, de verachting der theorie, der kunst, der geschiedenis, die van den menschen als doel, dat is het werkelijke bewuste standpunt, de deugd van den geldmensch......
„Het jodendom bereikte zijn hoogste punt, met de voltooieng van de burgerlijke maatschappij, maar de burgerlijke maatschappij voltooit zich eerst in de christelijke wereld. Slechts onder de heerschappij van het christendom, hetwelk alle nationale, natuurlijke, zedelijke, theoretische verhoudingen der menschen tot uitwendige maakte, kon de burgerlijke samenleving zich volkomen van het Staatsleven afzonderen, alle samenlevingsbanden der menschen verscheuren; het egoïsme stellen in de plaats dezer banden; de menschenwereld in een wereld van atomistische, vijandig tegenover elkander staande individuen, doen oplossen.
„Het Christendom is uit het Jodendom ontsproten. Het heeft zich weder in het Jodendom opgelost.” .....
„Het Christendom is de sublieme gedachte van het Jodendom, het Jodendom de ordinaire nuttigheidsaanwending van het Christendom. Maar deze nuttigheidsaanwending kon eerst tot eene algemeene worden, nadat het Christendom, als de voltooide religie, de zelfvervreemding van den mensch, van zich-zelf en van de natuur, theoretisch voleindigd had.... Omdat het reële wezen der joden zich in de burgerlijke maatschappij algemeen verwezenlijkt, daarom kon de burgerlijke maatschappij den Joden niet van de onwezenlijkheid van hun religieus wezen, hetwelk juist slechts de ideale beschouwing van de praktische behoefte is, overtuigen. Alzoo, noch in den Pentateuch, noch in den Talmud, maar in de tegenwoordige samenleving vinden wij het wezen van de huidige Joden; niet als een abstract, maar als een hoogst empirisch wezen; niet slechts als de bekrompenheid der Joden, maar als de joodsche bekrompenheid der samenleving.
„Zoodra het der maatschappij gelukt, het empirische wezen van het Jodendom, den schagger en zijne voorwaarden op te heffen, is de Jood eene onmogelijkheid geworden, omdat dan zijn bewustzijn geen objekt meer zal hebben, dewijl de subjektieve basis van het Jodendom, de praktische behoefte, vermenschelijkt; dewijl dan het conflikt van het individueel-zinnelijke bestaan, met het samenlevingsbestaan der menschen, uit den weg geruimd zal zijn.
„De maatschappelijke emancipatie van de Joden, zal de emancipatie der samenleving van het Jodendom zijn.”