Ten tijde dat Marx in Parijs leefde, verkeerde hij ook aldaar, met den reeds hier genoemden franschen socialist Pierre Joseph Proudhon. Proudhon was letterzetter geweest en had het, na een jeugd van armoede en ontbering, tot een bekend schrijver gebracht. Marx vertelt zelve, dat hij met Proudhon lange nachten achtereen gediscussieerd had over economische vraagstukken. Marx leidde hem de Hegeliaansche philosophie binnen, wat hij later evenwel betreuren moest, daar Proudhon, doordien hij geen duitsch verstond, nooit in staat is geweest Hegel zelve te bestudeeren in diens eigen taal. Hem is daardoor van de denkbeelden van dien wijsgeer, altijd een valsch denkbeeld bijgebleven. Nadat Marx Parijs verlaten had, kwam Proudhon onder den invloed van den duitschen socialist Karl Grün.
In Juni van 1847 deed Marx in het fransch een geschrift het licht zien, bij wijze van antwoord op Proudhon’s geschrift „La philosophie de la Misère” („De philosophie der ellende”) dat getiteld was: „La misère de la philosophie” („De ellende der philosophie”) van de grootste beteekenis, niet alleen om de polemiek, maar vooral daardoor, omdat het de wetenschappelijke inleiding van Marx’ lateren en wetenschappelijken arbeid kan genoemd worden; zoowel in philosophisch als in staathuishoudkundig opzicht.
In de „Voorrede” tot dit geschrift, die gedagteekend is uit Brussel, den 15e Juni 1847 zegt Marx: „De heer Proudhon heeft het ongeluk op eene eigenaardige wijze te worden miskend. In Frankrijk heeft hij het recht, een slecht econoom te zijn, omdat men hem aldaar voor een geducht duitsch philosoof houdt; in Duitschland daarentegen, mag hij een slecht philosoof zijn, omdat hij daar doorgaat voor een sterk fransch staathuishoudkundige. In onze dubbele hoedanigheid van duitscher èn van econoom, zien wij ons genoodzaakt, tegen deze dubbele dwaling op te komen.
„De lezer zal begrijpen, dat wij bij dezen ondankbaren arbeid, meermalen de critiek van den heer Proudhon over de duitsche philosophie, op den achtergrond zullen moeten laten treden en daarnevens ons eenige bemerkingen over de politieke-economie in het algemeen zullen moeten veroorloven.”
Van de twee gedeelten, waaruit het geschrift bestaat, houdt het eerste zich bezig met Proudhon’s „geconstitueerde waarde.”
Marx toont aan, dat de ruil der waren, naar de mate van de in hen belichaamde arbeidstijd „de revolutionaire toekomsttheorie” van Proudhon, niets anders is, dan wat de econoom Ricardo heeft geconstateerd als te zijn de theorie van de burgerlijke maatschappij. De waarde van den arbeid wordt bepaald door den arbeidstijd die er benoodigd is, voor de voortbrenging van al datgene, wat den arbeider voor zijn onderhoud en voor zijne voortplanting noodig heeft. Ricardo heeft het dus al uiteengezet: „verminder de onderhoudskosten der menschen door matiging van den natuurlijke prijzen, der voor het leven noodzakelijke voeding en kleeding en gij zult zien, hoe de loonen zullen dalen, zelfs wanneer de vraag naar arbeiders ook sterk stijgt.” De natuurlijke prijs van den arbeid, is niets anders dan een minimum van het loon. Zoo is de door den arbeidstijd gemeten waarde, noodzakelijkerwijs de formule voor de moderne slavernij van den arbeider, inplaats van gelijk Proudhon dit aannam, de „revolutionaire theorie” voor de emancipatie van het proletariaat te wezen.
Teneinde zijne utopie te steunen, verklaarde Proudhon, dat zich aanbod en vraag ontwijfelbaar dekken zullen, wanneer de waarde van een produkt bepaald wordt door de in hem belichaamde arbeidstijd. Voor deze meening heeft hij het schijnbaar historische bewijs aangevoerd, dat de nuttigste dingen, den geringsten produktietijd vorderen; dat de samenleving steeds met de gemakkelijkste industrieën aanvangt, en dan, geleidelijk tot de produktie van dingen voortgaat die grooter arbeidstijd vorderen en aan hare behoeften beantwoorden.
Marx voerde hiertegen aan, dat die dingen zich op gansch andere manier hebben voltrokken dan Proudhon wel denkt. Op het moment waarop de civilisatie een aanvang neemt, begint ook de produktie zich op te bouwen op de tegenstelling der beroepen, der standen, der klassen en ten slotte, op de tegenstelling tusschen den opgehoopten en den onmiddellijken arbeid. Zonder tegenstelling geen vooruitgang; dat is de wet welke de beschaving tot op heden gevolgd heeft. Tot nu toe, hebben zich de produktiekrachten op grond van deze heerschappij der klassentegenstellingen ontwikkeld. De geschiedenis evenwel toont ook aan, dat de manier waarop de produkten zich tegen elkander ruilen, in het algemeen zich richt, naar de manier waarop zij voortgebracht worden. De individueele ruil beantwoordt aan een bepaalde produktiewijze, die op klasse-tegenstellingen berust. Het verbruik van de produkten wordt bepaald door de sociale verhoudingen, waarin de consumenten zich tot elkander bevinden en deze verhoudingen, berusten op de tegenstellingen der klassen. Weshalve zijn katoen, aardappelen en brandewijn, de steunpunten van de burgerlijke maatschappij, de voorwerpen van algemeen verbruik? Omdat zij de maatschappelijk-nuttigste produkten zijn, of omdat zij als de ellendigste produkten, in eene op ellende gegrondveste samenleving, het natuurnoodzakelijke voorrecht genieten, tot gebruik van de groote massa te dienen?
Eerst in eene komende samenleving, waarin de klassetegenstellingen zullen zijn verdwenen, waarin geene klassen meer zullen bestaan, zal het gebruik niet meer van het minimum van den produktietijd afhankelijk zijn, die men aan de verschillende voorwerpen besteedt, maar de produktietijd zal dan afhankelijk zijn van hunne maatschappelijke nuttigheid.
In de burgerlijke maatschappij, worden aanbod en vraag niet door de, in de arbeidswaarde opgesloten waarde der producten geregeld, maar de oszillatorische (schommelende) beweging van vraag en aanbod, vormt uit den arbeidstijd, hunne waardemeter. Elke nieuwe uitvinding, welke het mogelijk maakt in één uur te produceeren, wat tot nog toe in twee uren geproduceerd is kunnen worden, òntwaardigt alle gelijksoortige produkten welke zich op de markt bevinden. De concurrentie dwingt den producenten het produkt van twee uren, evenzoo goedkoop te verkoopen, als het produkt van één uur arbeids. De concurrentie zet de wet door, waarnaar de waarde van een produkt door de, tot zijn voortbrenging noodwendige hoeveelheid arbeidstijd wordt bepaald. Niet den tijd waarin een zaak wordt geproduceerd, maar den tijd waarin zij kan worden geproduceerd, bepaalt hare waarde en dit minimum kan alleen door de concurrentie worden bepaald. Het feit dat de arbeidstijd, als de maat van de ruilwaarde dient, wordt op deze wijze tot de wet van eene bestendige waarde-vermindering van den arbeid, die met overproduktie en industrieele anarchie hand aan hand gaat.
Marx stelt de utopie van Proudhon gelijk, met den wensch van iemand die gaarne zoû zien, dat de waren in zulke proporties zouden worden voortgebracht, dat men ze tot de gewone, hem believende prijs van de hand zou kunnen zetten. Hij wijst erop, dat het van-huis-uit eene burgerlijke illusie geweest is, zich den individueelen ruil zonder klasse-tegenstellingen voor te spiegelen; om zich de burgerlijke maatschappij, als een toestand van harmonie voor te stellen en als eene van eeuwige gerechtigheid, die niemand veroorlooft zich te verrijken, op kosten van anderen. Maar de „juiste proportie tusschen aanbod en vraag” was slechts mogelijk in die tijden, waarin de produktie-middelen beperkt waren, waarin den ruil zich binnen buitengewoon enge grenzen voltrok; waarin de vraag het aanbod, de consumptie, de produktie beheerschte. Zij is onmogelijk geworden met het ontstaan van de groot-industrie, die al reeds door de instrumenten waarmede zij werkt gedwongen is, gedurig in steeds grootere mate te produceeren; die niet op de vraag kan wachten; die met natuur-noodzakelijkheid de gestadige, aan elkander opvolgende wisselingen van prosperiteit en depressie, krisis, stilstand, nieuwe prosperiteit en zoo vervolgens, door moet maken. „In de huidige maatschappij,” gaat Marx voort, „in de op individueelen ruil gebaseerde industrie, is de anarchie die er in de productie heerscht, de bron van zóóveel ellende, maar gelijktijdig óók de oorzaak der vooruitgang. Nochtans, van tweeën een: of men wil de juiste proporties van vroegere eeuwen, mèt de produktiemiddelen van onzen tijd,—en dan is men reaktionair en utopist tegelijk,—of men wil de vooruitgang zonder de anarchie, en dan moet men afstand doen van het behoud der produktiekrachten op de basis van den individueelen ruil.”
Marx toont vervolgens aan, hoe het met de bijzondere nuttigheidstoepassingen, die Proudhon gemaakt had omtrent het goud en het zilver, eigenlijk precies is gesteld.
Goud en zilver, zouden volgens Proudhon de eerste waren zijn, welker waarde tot constitueering zijn gekomen en uit de souvereine wijding zegt Proudhon: „die erop werd gedrukt door de zegels van de vorsten, is er het geld uit voortgekomen.” „Het geld,” antwoordt Marx hierop, „is niet een zaak maar eene maatschappelijke verhouding; een schakel in den ganschen keten van de economischen verhoudingen en als zoodanig op het innigst met hen verbonden. Gelijk de individueele ruil, beantwoordt het aan eene bepaalde produktiewijze. Het believen der souvereinen heeft het geld niet geschapen. Inderdaad, men moet wel èlke historische kennis missen, om niet te weten, dat de souvereinen zich ten allen tijden hebben moeten schikken naar de maatschappelijke verhoudingen, maar dat zij dezen nooit de wet hebben kunnen voorschrijven! Zoowel de politieke, als de burgerlijke wetgeving proclameeren en protocoliseeren, slechts het willen van de economische voorzienigheid; het recht is slechts de officieele erkenning van dat feit. Het zegel der souvereinen drukte op het goud niet zijne waarde, maar het gewicht; maar juist in hunne eigenschap als munt, als waardeteeken, zijn goud en zilver onder alle waren de eenige, die niet door hare produktiekosten worden bepaald, wat dan ook door D. Ricardo reeds lang en helder in het licht gesteld is geworden. Het geld, als praktische proef op de geconstitueerde waarde van Proudhon, past daarop, zooals een tang op een varken past.”
Om het problema te verklaren, dat de samenleving voortdurend rijker wordt en de arbeider voortdurend armer, vatte Proudhon de samenleving op, als de Prometheus in persoon, wier levenswerkzaamheid aan andere wetten gehoorzaamt, dan de levenswerkzaamheid van de individuen. De „geconstitueerde waarde” evenwel, zal elken arbeider een steeds grooter produkt verzekeren dan dat hij op elken arbeidsdag, door de vooruitgang van den gemeenschappelijken arbeid behaalt. Marx merkt daartegen op: „In de engelsche maatschappij heeft de arbeidsdag in zeventig jaren, een overschot van 2700 procent aan produktiviteit gewonnen; d. w. z. in het jaar 1840 produceerde hij zeven-en-twintig maal méér dan in 1770.” Volgens Proudhon nu, zou men de vraag volgenderwijs moeten stellen: „Waarom was de engelsche arbeider van 1840 niet zeven-en-twintigmaal rijker, dan die van 1770?” Om nu zulk een vraag te poseeren, moet men natuurlijk van te voren aangenomen hebben, dat de engelschen dien rijkdom zonder de historische voorwaarden hadden kunnen produceeren, waaronder hij is voortgebracht; gelijk daar zijn: opeenhoping van privaat-kapitalen, moderne arbeidsverdeeling, machinaal bedrijf, anarchische concurrentiewijze, loonsysteem, in één woord, louter die dingen, welke op klassetegenstellingen berusten. Dit waren n.l., juist de bestaansvoorwaarden voor de ontwikkeling der produktiekrachten en van het arbeidsoverschot. Het was zoomede, en ten einde deze ontwikkeling van de produktiekrachten en dit arbeidsoverschot te kunnen erlangen, noodzakelijk, dat er klassen bestonden die profiteerden en anderen die ontbeerden. Wat is dus den door Proudhon opgewekte Prometheus in laatste instantie? Het is de samenleving, het zijn de maatschappelijke verhoudingen gebaseerd op de klassetegenstellingen.
Deze verhoudingen zijn niet die van individu tegenover individu, maar van arbeider tegenover kapitalist, van pachter tegenover grondbezitter enz. Hef deze verhoudingen op en gij hebt de gansche samenleving opgeheven; uw Promotheus is niets meer dan een phantoom zonder armen of beenen geworden, d. w. z. zonder machinebedrijf, zonder arbeidsverdeeling; dien het in één woord aan alles ontbreekt, wat gij hem oorspronkelijk gegeven hebt, om uit hem, het arbeidsoverschot te kunnen erlangen. En Marx voegt hieraan toe: „dat het volgens Proudhon’s theorie praktisch voldoende zou wezen, onder den arbeiders eene gelijke verdeeling van alle de verworven rijkdommen te ondernemen, zonder aan de produktievoorwaarden, op een of andere manier iets noodig te hebben te veranderen.” En dan voegt Marx hier reeds bij voorbaat aan toe: „dat eene zoodanige verdeeling zekerlijk aan den individueelen deelhebbers, geen bijzonder groote mate van welstand zal kunnen verzekeren.”
Proudhon heeft zich ook onledig gehouden met een critiek op de burgerlijke economie en het is hierover, dat Marx in het tweede gedeelte van de „Misère de la philosophie” het zijne te zeggen heeft.
Proudhon schreef: „Wij geven geen geschiedenis naar de orde des tijds, maar naar de opvolging van de ideën. De economische phazen of categorieën, treden in hunne manifestaties dan gelijktijdig, dan in omgekeerde reeksen op... Die economische theorieën hebben niet voor het minst hunne logische opeenvolging en hunne geleding in de rede; deze orde vleien wij ons te hebben ontdekt.”
„De economen,” zegt Marx hierop, „stellen de burgerlijke produktieverhoudingen, arbeidsverdeeling, crediet, geld etc. als vaste, onveranderlijke en eeuwige categorieën voor. De heer Proudhon nu, wil ons met een gebaar van de onderlegdheid in deze, die categorieën, principes, wetten en ideën verklaren! De economen toch verklaren ons hoe men onder de hier boven gegeven verhoudingen produceert, wat zij ons niet verklaren,” zegt Marx, „hoe deze verhoudingen zelven voortgebracht worden, d. w. z. de historische bewegingen, waardoor ze in het leven geroepen worden. De materialen der economen zijn het voortbewogen en het bewegende leven van de menschen; de materialen van den heer Proudhon zijn de dogma’s van de economen. Zoodra men evenwel de historische ontwikkeling van de produktieverhoudingen niet voortzet,—en deze categorieën zijn niets dan de theoretische uitdrukkingen derzelven,—zoodra men in deze categorieën slechts van-zelf ontstane denkbeelden, van de werkelijke verhoudingen onafhankelijke gedachten ziet, is men,—of men wil of niet—gedwongen, de oorsprong dezer gedachten naar de beweging van de zuivere rede te verleggen.”
Hoe nu brengt deze zuivere, eeuwige en onpersoonlijke rede deze gedachten voort? Hoe doet zij, om ze voort te brengen?
Marx maakt zich daarbij vervolgens lustig, over Proudhon’s manier om à la Hegel te abstraheeren van de werkelijkheid, van de menschen en van de maatschappelijke beweging. Zoo hebben de metaphysici, die zich verbeeldden door middel van zulke abstrakties te kunnen analyseeren en die, hoe meer zij zich verwijderden van de voorwerpen des te meer waanden daarin door te dringen, hunnerzijds het recht te zeggen, dat de dingen dezer wereld slechts stiksels zijn op het stramien dat gemaakt wordt door de logische categorieën. Hier hebben wij het verschil tusschen den philosoof en den christen. De christen kent slechts één vleeschwording van den Logos, in weerwil van de logiek, de philosoof is met die vleeschwording in het geheel nog niet aan het einde. Dat alles wat bestaat, dat alles wat op de aarde en in het water is, door abstraktie tot eene logische categorie kan worden teruggebracht, dat men op deze manier, de totale werkelijke wereld kan doen verdrinken in de wereld van de abstrakties, de wereld der logische categorieën, is geen wonder. Alles wat bestaat, alles wat op de aarde en in het water is, bestaat alléén door middel van beweging van den een of anderen aard. Zoo brengt de beweging der geschiedenis, de sociale betrekkingen; de industrieele beweging, de industrieele produkten voort, enz.
Wat is de absolute methode? De abstraktie der beweging. Wat is de abstraktie der beweging? De beweging in abstrakten toestand. Wat is de beweging der abstrakte toestanden? De zuiver-logische formule der beweging of de beweging der zuivere rede. Waarin bestaat die beweging der zuivere rede? In het in zich-zelf vast te stellen, in zich-zelf tegen te stellen, ten slotte zich weder tezamen-zetten. In het zich als thesis, antithesis en synthesis formuleeren; of: zich te stellen, zich te negeeren en hare negatie dan weder opnieuw te negeeren.
Eenmaal daartoe gekomen, zich als thesis te stellen, splitst zich deze thesis, terwijl zij aan zich-zelf tegenover komt te staan, in twee elkander tegensprekende ideën: in positief en negatief; in Ja en Neen. De strijd dezer beiden, elkander tegengestelde elementen, vormt de dialektische beweging. Het Ja wordt Neen, het Neen wordt Ja, het Ja wordt gelijktijdig Ja en Neen; op deze manier houden de tegenstellingen elkander in evenwicht, neutraliseeren zij zich, heffen zij elkander op. Deze nieuwe gedachte nu, splitst zich wederom in twee elkander weêrsprekende ideën, die hunnerzijds wederom eene nieuwe synthesis vormen. Uit deze voortbrengingsarbeid komt de groep der gedachten voort. Die gedachtengroep gaat in dialektische richting voort, als eene eenvoudige categorie, en verkrijgt daardoor tot antithesis, een tegenovergestelde groep. Uit deze twee gedachtengroepen, ontstaat dan eene nieuwe gedachtengroep, de synthesis van beiden.
Zooals uit de dialektische beweging der enkelvoudige categorie, de groep ontstaat, zoo ontstaat uit de dialektische beweging der groepen, de rij, en uit de dialektische beweging der rijen, het gansche systeem.
Men passe deze rijen op de categorieën der Staathuishoudkunde toe, en men bekomt de logiek, benevens de methaphysiek der Staathuishoudkunde, of met andere woorden, men heeft de aan de gansche wereld bekende economische categorieën, in een minder bekende spraak vertaald. „Proudhon,” zegt Marx, „is nog maar nauwelijks tot de twee eerste schreden van deze dialektische methode gekomen, die welke van Hegel stammen en die door Proudhon, in plaats van voortontwikkeld, op klagelijke wijze plat zijn gedrukt. Hij geloofde de wereld, door middel van de beweging der ideën te kunnen verklaren, terwijl hij slechts de gedachten die in ieders hoofd wonen, systematisch gereconstrueerd en volgens eene absolute methode geklassificeerd heeft.” Marx gaat dan verder:
„De sociale verhoudingen zijn nauw verbonden met de produktiekrachten. Met het verwerven van nieuwe produktiekrachten veranderen de menschen hunne produktiewijzen; met de manier om hun levensonderhoud te winnen, veranderen zij tevens al hunne maatschappelijke verhoudingen. De handweefmolen, bracht eene samenleving voort met feodale heeren, de stoomweefmolen eene samenleving van industrieele kapitalisten. Maar dezelfde menschen, welke aan de sociale verhoudingen, naar de mate hunner materieele produktiewijze hunne gestalte geven, geven ook aan de principes, aan de ideën, aan de categorieën eene gestalte, en deze eveneens naar de mate hunner maatschappelijke verhoudingen.
„Hierdoor zijn deze ideën, deze categorieën evenzoomin eeuwige, als de verhoudingen welke zij opgedrukt zijn. Zij zijn historische, vergankelijke en voorbijgaande producten.
„Wij leven te midden van eene voortdurende aangroeiing der produktiekrachten, eene verstoring der sociale verhoudingen, eene vervorming van ideën. Onbewegelijk is slechts de abstraktie der beweging,—mors immortalis.”
„De economen,” zegt Marx, „gaan op zonderlinge wijze te werk. Volgens hen bestaan er slechts twee soorten van instellingen: kunstmatige en natuurlijke. De instellingen van het feodalisme waren kunstmatige, die der bourgeoisie, zijn natuurlijke voor hen. Zij gelijken daarin op de theologen, die ook twee soorten van religie onderscheiden, n. l. die welke zij te verdedigen hebben en die welke zij te bestrijden hebben. De eerste berust, op eene „openbaring Gods”, de ander is „een uitvinding van menschen”. Wanneer de economen zeggen, dat de tegenwoordige verhoudingen—de verhoudingen der burgerlijke produktie—natuurlijke zijn, dan geven zij daarmede te kennen, dat het verhoudingen zijn, waarin de voortbrenging van den rijkdom en de ontwikkeling der produktiekrachten, zich volgens natuurwetten ontwikkelen. Daarmede zijn deze verhoudingen-zelf, van den invloed van den tijd onafhankelijke natuurwetten geworden. Het zijn eeuwige wetten, welke de samenleving steeds te regeeren hebben. Aldus wás er eens geschiedenis, maar bestaat zij van nu af aan niet meer. Er was eenmaal geschiedenis, omdat er feodale inrichtingen hebben bestaan en omdat men in deze feodale inrichtingen produktieverhoudingen vond, volkomen verschillend van die der burgerlijke samenleving, welke de economen als natuurlijke, en dus als eeuwige willen aangezien hebben.
„Ook het feodalisme had zijn proletariaat: dat van de lijfeigenschap, hetwelk in zijnen kiem, het burgerdom bevatte. Ook de feodale produktie had twee antagonistische elementen, dewelken men eveneens zou kunnen noemen: de goede en de slechte zijde van het feodalisme”....
„Toen de bourgeoisie er bovenóp was gekomen, vroeg zij noch naar de goede, noch naar de slechte zijde van het feodalisme. De produktiekrachten, welke zich onder het feodalisme hadden ontwikkeld, vielen haar in den schoot. Alle oude economische vormen, de privaat-rechtelijke betrekkingen welke met hen in overeenstemming waren; de politieke toestand, welke de erkende uitdrukking der oude samenleving was, werden verbroken.
„Wil men nu de feodale produktiewijze juist beoordeelen, dan moet men haar opvatten, als een op de tegenstelling gebaseerde produktiewijze. Men moet aantoonen, hoe den rijkdom binnen het raam van deze tegenstelling voortgebracht werd; hoe de produktiekrachten zich—gelijktijdig met de tegenstrijdigheid der klassen—ontwikkeld hebben; hoe eene dezer klassen, de slechte zijde, het maatschappelijk euvel steeds aangroeide, totdat de materieele voorwaarden harer emancipatie tot rijpheid gekomen waren. Verklaart dit niet duidelijk genoeg dat de produktiewijze, de verhoudingen waarin de produktiekrachten zich ontwikkelen niets minder als eenige wetten zijn, maar eene bepaalde ontwikkelingstoestand der menschen en hunne produktiekrachten vertegenwoordigen, en dat een in de produktiekrachten der menschen opgetreden verandering, noodzakelijkerwijs eene verandering in hunne produktieverhoudingen teweeg brengen moet? Daar het vóór alle dingen hierop aankomt, niet van de vruchten der civilisatie, de verworven produktiekrachten uitgesloten te zijn, wordt het noodzakelijk de overgebleven vormen waarin zij geschapen werden, te verbreken. Van dat oogenblik af, wordt eene revolutionaire klasse conservatief.
„De bourgeoisie vangt met een proletariaat aan, dat zelve op zijne beurt, een overblijfsel is van het proletariaat uit de feodalistische periode. In het verloop harer historische ontwikkeling, ontwikkelde de bourgeoisie noodzakelijkerwijs haar antagonistisch karakter, dat zich bij haar eerste optreden slechts omsluierd, nog in latenten toestand deed kennen. In die mate waarin de bourgeoisie zich ontwikkelt, ontwikkelt zich in haren schoot een nieuw proletariaat: het moderne proletariaat. Het ontwikkelt zich in eenen strijd tusschen de proletariërsklasse en de bourgeoisklasse; een strijd die, alvorens zij aan beide zijde wordt gevoeld, bespeurd, op hare waarde geschat, begrepen, toegestemd en eindelijk luide wordt geproclameerd, zich voorloopig maar bij gedeelten en in voorbijgaande conflikten, in verstoringswerken openbaart. Aan den anderen kant, wanneer allen die tot de moderne bourgeoisie behooren hetzelfde belang hebben, in zooverre zij ééne klasse, tegenover de andere klasse vormen, dan hebben zij aan elkander tegenovergestelde belangen, zoodra zij-zelf tegenover elkander staan. Deze tegenstelling van belangen, komt voort uit de economische voorwaarden van het burgerlijke leven. Van dag tot dag wordt het hierom duidelijker, dat de produktieverhoudingen waaronder de bourgeoisie zich bevindt, niet een éénvormig, éénzijdig karakter hebben, maar een tweeslachtig. Dat onder dezelfde verhoudingen, waaronder den rijkdom wordt geproduceerd, ook de ellende wordt voortgebracht; dat onder dezelfde verhoudingen waarin de ontwikkeling van de produktiekrachten haren weg gaat, zich eene repressiekracht ontwikkelt; dat deze verhoudingen den burgerlijken rijkdom, d. w. z. den rijkdom der bourgeoisie slechts kunnen voortbrengen, onder voortgezette vernietiging van den rijkdom der leden dezer klasse individueel en onder de voortbrenging van een steeds aangroeiend proletariaat.”
„Hoe meer den toestand dezer tegenstellingen naar den voorgrond treedt, des te meer geraken de economen, de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de burgerlijke produktiewijze, met hunne eigene theorieën in tegenspraak en vandaar de verschillende scholen die er onder hen bestaan.
„Wij hebben de Fatalistische economen, die in hunne theorie evenzoo onverschillig zijn tegenover datgene, wat zij de euvelen van de burgerlijke produktiewijze noemen, als de bourgeois-zelf in de praktijk dat is tegenover het lijden van den proletariër, die hem aan het verzamelen van zijn rijkdommen geholpen heeft. Zij onderscheiden zich in klassieken en romantieken. De Klassieken, zooals Adam Smith en Ricardo, vertegenwoordigen eene bourgeoisie, die nog in strijd is met de resten van de feodale maatschappij en die slechts hieraan arbeidt, de economische verhoudingen van de feodale smetten te zuiveren; de produktiekrachten te vermeerderen en der industrie en den handel nieuwe drijfkrachten te verschaffen. Het aan deze kampen deelnemende proletariaat kent, door dezen koortsachtigen arbeid in beslag genomen, slechts voorbijgaand en toevallig lijden, beschouwt hetzelve ook als zoodanig. De economen gelijk Adam Smith en Ricardo, welke de geschiedkundigen dezer periode zijn, hebben bloot de missie te bewijzen hoe de rijkdom onder de verhoudingen der burgerlijke produktie verworven werd; deze verhoudingen in categorieën, in wetten te formuleeren en aan te toonen, in hoeverre deze wetten, deze categorieën voor de produktie van den rijkdommen voortreffelijker zijn, dan de categorieën der feodale samenleving. De ellende is in hunne oogen slechts de smart, die met elke geboorte gepaard gaat, zoowel in de natuur als in de industrie.
„De Romantieken behooren tot onze periode, die waarin de bourgeoisie zich in eene direkte tegenstelling bevindt met het proletariaat; die waarin de ellende in een even zoo groote mate aangroeit als de rijkdom. De economen doen zich daarin voor als geblaseerde fatalisten, en werpen, van uit de hoogte van hun standpunt een trotschen blik van verachting op de menschelijke machines, die dien rijkdom voortbrengen. Zij herhalen alle de door hunne voorgangers gegeven uiteenzettingen, maar de onverschilligheid, die bij dezen naïviteit was, is bij hen tot koketterie geworden.
„Komt alsnu de Humanitaire school aan de beurt, welke zich de slechte eigenschappen van de bestaande produktie-verhoudingen zoozéér aantrekt. Deze zoekt, ten einde haar geweten gerust te stellen, de werkelijke contrasten zoo goed het gaat te bemantelen; zij beklaagt oprechtelijk den nood van het proletariaat, de teugellooze concurrentie der bourgeois onder elkander; zij raadt het proletariaat aan matig te zijn, vlijtig te werken en weinig kinderen voort te brengen; der bourgeoisie beveelt zij eenig overleg aan bij haren produktieijver. De geheele theorie van deze school bestaat in eindelooze onderscheidingen tusschen theorie en praktijk, tusschen de principes en de resultaten; tusschen de idee en de toepassing; tusschen inhoud en vorm; tusschen het wezen en de werkelijkheid; tusschen het recht en de feiten; tusschen den goeden en den slechten kant.
„De Philantropische school is de volkomener gemaakte Humanitaire school. Zij loochent de noodzakelijkheid der tegenstellingen. Zij wil alle menschen tot bourgeois maken. Zij wil de theorie verwerkelijken, in zooverre dezelve zich onderscheidt van de praktijk en het antagonisme niet in zich sluit. Vanzelfsprekend is het in de theorie gemakkelijk van de tegenspraken te abstraheeren, waaraan men bij elken schrede in de werkelijkheid zich stoot. Deze theorie zou daarom die der geïdealiseerde werkelijkheid moeten heeten. Deze philantropen willen dus de categorieën behouden, welke de uitdrukking der burgerlijke verhoudingen zijn, zonder de tegenspraak die in haar wezen opgesloten ligt, en die van haar niet is te scheiden. Zij verbeelden zich nog ernstig de burgerlijke praktijk te bestrijden en zij zijn toch nog meer bourgeois, dan alle anderen!
„Gelijk de economen de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de bourgeoisklasse zijn, zoo zijn de Socialisten en Communisten de theoretici van de klasse van het proletariaat. Zoolang het proletariaat nog niet genoegzaam ontwikkeld is om zich als klasse te constitueeren en daarvandaan, den strijd van het proletariaat met de bourgeoisie nog geen politiek karakter draagt; zoolang de produktiekrachten nog in den schoot van de bourgeoisie zelve, niet genoeg zijn ontwikkeld om de materieele voorwaarden te laten doorschijnen, die noodzakelijk zijn tot bevrijding van het proletariaat en tot vorming van eene nieuwe samenleving, zoo lang zijn deze theoretici slechts Utopisten, die, om de behoeften der onderdrukte klassen te verhelpen, systemen uitdenken en naar eene regenereerende samenleving zoeken. Maar naar de mate waarin de geschiedenis voortschrijdt en daarmede den strijd van het proletariaat zich duidelijker afteekent, hebben zij niet meer noodig de wetenschap te zoeken in hunne hoofden; zij hebben zich slechts rekenschap te geven van datgene wat zich voor hunne oogen afspeelt en zich tot het orgaan daarvan te maken. Zoolang zij de wetenschap zoeken en niets dan systemen maken, zoolang zij aan den aanvang van den strijd staan, zien zij in de ellende slechts ellende, zonder de revolutionaire gedachte die er zich in verbergt en die in staat is de oude samenleving te doen verdwijnen. Van af dat oogenblik wordt de wetenschap, een bewust voortbrengsel van de historische beweging en heeft zij opgehouden doctrinair te zijn; zij is revolutionair geworden.”
Marx onderzocht vervolgens van historische en economische gezichtspunten uit, of de fabriek en de machine, later dan de arbeidsverdeeling „het autoriteitsbeginsel in de samenleving hadden ingevoerd”, zooals Proudhon had beweerd. Of aan den eenen kant de arbeider gerehabiliteerd is geworden, in weerwil dat hij aan de anderen kant aan de autoriteit werd onderworpen; of de machine de recompositie der gedeelden arbeid, de aan de analyse tegenovergestelde synthese van den arbeid is, naar Proudhon’s bewering.
„De samenleving als geheel,” zegt Marx, „heeft met het inwendige van een fabriek dit gemeen, dat ook zij hare arbeidsverdeeling heeft. Neemt men de arbeidsverdeeling als voorbeeld om haar op eene gansche samenleving toe te passen, dan zou ongetwijfeld die samenleving het best voor de produktie van haren rijkdom georganiseerd zijn, welke slechts één enkelen ondernemer als leider heeft, die nog in een vooropgezette, vastgestelde orde, de funkties onder de verschillende leden der maatschappij verdeelt. Maar dit is geenszins het geval. Terwijl in de moderne fabriek de arbeidsverdeeling, door de autoriteit van den ondernemer tot in de onderdeelen geregeld is, kent de moderne samenleving geen anderen regel, geen andere autoriteit voor de verdeeling van den arbeid, dan de vrije concurrentie.
„Onder het patriarchale régime, onder het régime van de kasten, van het feodale- en het gildesysteem, bestond er arbeidsverdeeling in de gansche maatschappij, volgens bepaalde regelen. Zijn deze regelen door een wetgever gegeven geworden? Neen, oorspronkelijk uit de voorwaarden der materieele produktie geboren, werden zij eerst later tot wetten verheven. Aldus werden deze verschillende vormen der arbeidsverdeeling tot even-zoovele grondslagen van sociale organisatie. Wat de arbeidsverdeeling in de werkplaats aangaat, zoo was deze in alle samenlevingsvormen, zeer laag ontwikkeld.
„Men kan als algemeene regel stellen: hoe minder de autoriteit van de deeling van den arbeid, binnen het raam der samenleving ingrijpend werkt, des te meer ontwikkelt zich de arbeidsverdeeling binnen de werkplaats en des te meer is zij aan de autoriteit van een enkele onderworpen. Daarom dus, staan de autoriteiten in de werkplaats en de autoriteit in de samenleving, met betrekking tot de arbeidsverdeeling, tot elkander in eene omgekeerde verhouding.” ....
„Hoe is die werkplaats, die fabriek ontstaan?” „Ten dien einde,” antwoordt Marx: „hebben wij te onderzoeken hoe de eigenlijke Manufaktuurindustrie zich ontwikkeld heeft.” „Ik bedoel hier,” zegt Marx, „die industrie, welke nog niet de moderne groot-industrie met hare machines is, die echter niet meer de industrie uit de middeneeuwen, noch zelfs huisindustrie meer is....
„Eene der eerste behoeften voor de vorming der Manufaktuurindustrie, was de akkumulatie van kapitalen, die vergemakkelijkt werd door de ontdekking van Amerika en door de invoer van edele metalen.
„Het is genoegzaam bewezen, dat de vermeerdering van ruilmiddelen ten gevolge had, eenerzijds: de waardevermindering der loonen en grondrenten, anderzijds: de vermeerdering der industrieele winsten. Met andere woorden, met even zooveel als waarmede de klasse der grondbezitters en de klasse der arbeiders, de feodale heeren en het volk zonken, met even zooveel verhief zich de klasse van de kapitalisten, de bourgeoisie.
„Er waren nog andere omstandigheden, die gelijktijdig tot ontwikkeling van de Manufaktuurindustrie bijdroegen. De vermeerdering van de op de markt gebrachte waren, zoodra toen eenmaal de verbinding met Oost-Indië, langs den zeeweg om de Kaap de Goede Hoop was ontdekt, verder het koloniale stelsel en de ontwikkeling van den zeehandel.
„Een anderen kant welke in de geschiedenis van de Manufaktuurindustrie nog niet genoegzaam naar waarde is beoordeeld, is de afdanking van de talrijke gevolgschappen door de feodale Heeren, welker onderhoorigen landloopers werden, alvorens zij in de werkplaats kwamen. De schepping van de in de fabriek overgaande werkplaats, werd in de 15e en 16e eeuw, door een bijna universeel landloopersdom voorafgegaan. De werkplaats vond verder, een machtigen ruggesteun in de talrijke landlieden, die tengevolge van de verandering van akkers in weiden en tengevolge der vooruitgang in de landbouw, die minder arbeiders voor de bewerking van akkers noodig maakten, voortdurend uit den dienst ontslagen werden en gansche eeuwen achtereen, naar de steden stroomden.
„Het groeien van de markt, de akkumulatie van kapitalen, de in de sociale positie der klassen ingetreden veranderingen en het groote getal van personen, die zich van hunne bronnen van inkomsten zagen beroofd, dat zijn even zoovele historische voorwaarden voor het ontstaan van de Manufaktuur geweest.”.....
„De akkumulatie, benevens de concentratie van werktuigen en arbeiders, werden voorafgegaan door de ontwikkeling van de arbeidsverdeeling in het inwendige van het atelier. Een Manufaktuur bestond meer in de vereeniging van vele arbeiders en vele handwerkers in een en hetzelfde lokaal, in eene zaal, onder het commando van een kapitaal, dan in de oplossing van de werkzaamheden en in de aanpassing van een specialen arbeider aan een zeer eenvoudigen taak.
„Het nut van een fabriekswerkplaats bestond veel minder in de eigenlijke arbeidsverdeeling, dan wel in de omstandigheid, dat men op uitgebreider voet kon arbeiden, vele nuttelooze onkosten besparen kon, enz. Aan het einde der 16e en aan het begin van de 17e eeuw, kende de hollandsche Manufaktuur nog maar nauwelijks de verdeeling van den arbeid.
„De ontwikkeling van de arbeidsverdeeling, heeft ook tot voorwaarde de vereeniging van de véle arbeiders in ééne werkplaats. Er is zelfs niet een enkel voorbeeld aan te halen, noch in de 16e noch in de 17e eeuw, dat de verschillende takken van een en hetzelfde handwerk, in die mate gescheiden werden beoefend, dat het noodig zou geweest zijn ze op eene plaats te vereenigen en daarmede de fabriekswerkplaats kant en klaar in het leven te roepen. Maar toen eenmaal èn menschen èn werktuigen vereenigd waren, reproduceerde zich de arbeidsverdeeling zooals zij ten tijde van de Gilden heeft bestaan en spiegelde zij zich noodwendig terug in het inwendige van de fabriekswerkplaats.”.....
„De eigenlijke machines dateeren van het einde der 18e eeuw. Niets is dommer dan in de machine de anti-thesis der arbeidsverdeeling te willen zien; de synthesis die de eenheid in den verbrokkelden arbeid weder terugbrengt. De machine is eene vereeniging van arbeidswerktuigen en geensdeels eene verbinding van den arbeid voor den arbeider zelve”..... „Eenvoudige werktuigen; akkumulatie van werktuigen; samengestelde werktuigen; in beweging brengen van een samengesteld werktuig, door een enkelen handmotor, den mensch; in beweging brengen dezer instrumenten door natuurkrachten; machines; systeem van machines, die slechts één motor hebben; systeem van machines, die een automatische motor hebben, aldus is de ontwikkelingsgang van de machine geweest.”.....
„Toen in Engeland de markt een zoodanige ontwikkeling had verkregen, dat de handenarbeid voor haar niet meer toereikend was, gevoelde men de behoefte aan machines. Men zon toen op de toepassing van de mechanische wetenschap, die reeds in de 18e eeuw klaar was. Het eerste optreden van de fabriek met krachtbedrijf, wordt gekenmerkt door handelingen, die alles-behalve philantropisch waren. Kinderen werden met de zweep tot den arbeid aangezet; zij werden een voorwerp van schagger, men sloot contrakten met de Weeshuizen om hen. Men schafte alle wetten omtrent den leertijd van den arbeiders af.... Ten slotte, waren sedert 1825 bijna alle nieuwe uitvindingen, het gevolg van wrijvingen tusschen arbeiders en ondernemers, die tot elken prijs de vakontwikkeling van den arbeid van hare waarde wilden berooven. Na elke, eenigszins beduidende werkstaking, werd er eene nieuwe machine ingevoerd. Zoo weinig zag de arbeider, in de toepassing van machines een soort rehabilitatie, een soort wederherstelling, dat hij in de 18e eeuw, zéér lang weêrstand heeft geboden aan de ontstane heerschappij van deze krachtautomaten.”
„Alles tezamen genomen, heeft de invoering van machines de verdeeling van den arbeid in de samenleving doorgevoerd, het werk van den arbeider in de werkplaats vereenvoudigd, het kapitaal geconcentreerd en de menschen verbrokkeld.... Wat de verdeeling van den arbeid in de mechanische fabrieken kenteekent, dat is, dat zij elk speciaal karakter verloren heeft. Maar van het oogenblik af, waarin elke bijzondere ontwikkeling ophoudt, wordt de behoefte aan universaliteit, het streven naar eene alzijdige ontwikkeling van de individu, meer voelbaar. De automatische fabriek doet de specialisten en het vak-idiotisme verdwijnen.
„De heer Proudhon, die niet eens deze revolutionaire zijde begrepen heeft, doet eene schrede terug en slaat den arbeider voor, niet alleen het twaalfde gedeelte van een speld, maar voor en na, alle twaalf deelen van den speld te vervaardigen. De arbeider zou dan aldus tot de wetenschap en tot het bewustzijn van den speld kunnen komen.... Alles bij elkander genomen, komt den heer Proudhon niet verder dan tot het ideaal van den kleinen burger. Teneinde dit ideaal te verwezenlijken, valt hem niets beters in, dan ons terug te voeren naar de periode van de handwerksgezellen, hoogstens naar die van de handwerksmeesters uit de Middeneeuwen. „Het is genoeg,” zoo zegt hij ergens in zijn boek, „een enkele maal in zijn leven een meesterstuk vervaardigd te hebben, om zich een enkele maal als een mensch te hebben gevoeld.”..... Is dit niet, zoowel naar den vorm als naar den inhoud, het door de Gilden uit de Middeneeuwen steeds verlangde „meesterstuk?””
Marx toont dan, met eene beschouwing over „concurrentie” en „monopolie” aan, dat deze niet zooals Proudhon had te kennen gegeven, natuurlijke, maar maatschappelijke categorieën zijn. Hij zegt: „de geheele geschiedenis, is eene voortdurende verandering der menschelijke natuur.”.....
„De concurrentie is geene noodzakelijkheid van de menschelijke natuur, zooals Proudhon meende, maar gelijk zij in de 18e eeuw, uit historische oorzaken geboren is geworden, zoo zoû zij in de 19e, uit historische oorzaken eveneens weder kunnen verdwijnen. Zij is niet de industrieele, maar de commercieele wedijver, zij kampt niet om het produkt maar om de winst. Er zijn zelfs phazen in het economische leven der volken, waarin de geheele wereld aangegrepen was door een soort van dolle woede, om winsten te maken zonder te produceeren. Deze speculatiekoorts, die periodiek terugkomt, onthult ons dan het ware karakter van de concurrentie, die aan de noodzakelijke voorwaarden van den industrieelen wedijver zoekt te ontkomen. De slechte zijde van de concurrentie, door Proudhon zoo op den voorgrond gesteld en die hij daarom uitroeien wil, drijft juist de geschiedenis vooruit. Hoe koortsachtiger de concurrentie nieuwe produkten schiep, des te meer vertoonde zij de burgerlijke verhoudingen en schiep zij daarmede, de materieele voorwaarden voor eene nieuwe samenleving.”
Proudhon had geschreven: „De werkstaking der arbeiders is onwettig. En het is niet alleen het Wetboek van Strafrecht dat dit zegt, maar ook het economisch systeem, de noodzakelijkheid van de bestaande orde.... Dat elke individueele arbeider de vrije beschikking moet hebben over zijn persoon en over zijn handen kan geduld worden; maar dat de arbeiders door middel van samenspanning, zich vermeten het monopolie geweld aan te doen, kan de maatschappij niet toelaten.”
„De economen en de socialisten,” zegt Marx, „zijn het hier op één punt samen eens: in het veroordeelen van de coalities der arbeiders. Zij motiveeren deze hunne veroordeeling alleen maar verschillend. De economen zeggen tot den arbeiders: vereenigt u niet. Want doordat gij u vereenigt, houdt gij den regelmatigen gang van de industrie tegen, verhindert gij er de fabrikanten in hunne bestellingen na te komen; stoort gij den handel en bevordert gij de snellere invoering van machines, die uwen arbeid voor een deel overbodig maken en u daardoor dwingen zullen, een nog lager loon aan te nemen. Overigens is uw werken om niet; uw loon zal steeds, door de verhouding van het aantal gezochte handen tot die van het aantal aangeboden handen, worden bepaald. En het is even zoo belachelijk als het gevaarlijk is, u te verzetten tegen de eeuwige wetten van de Staathuishoudkunde.
„De socialisten (d. w. z. de toenmalige: die van de school van Fourier in Frankrijk en de volgelingen van Owen in Engeland) zeggen tot den arbeiders: vereenigt u niet, want wat zoudt ge er ten slotte bij kunnen winnen? Eene loonsverhooging? Welnu, de staathuishoudkunde zal u met evidente bewijzen overtuigen, dat op de loonsverhooging van een paar penningen, die gij in het gunstigste geval daarmede kunt bereiken, een terugslag volgt van een veel langduriger aard. Goede rekenaars zullen het u voorrekenen, dat gij jaren zult noodig hebben om door middel van die loonsverhooging, slechts de kosten goed te maken dien gij zult moeten uitgeven voor uwe organisatie en tot het behoud uwer loonsverhooging benoodigd. Wij als socialisten, wij zeggen tot u, dat nog afgezien van deze geldkwestie, gij met dat al nog steeds de arbeiders zult moeten blijven, zooals uwe meesters steeds uwe meesters zullen blijven, voor en na. Daarom: geen vakvereenigingen, geen politiek; want vakvereenigingen oprichten en in stand houden, is dit niet aan politiek meêdoen?
„De Economisten willen, dat de arbeiders de maatschappij zullen doen blijven zooals deze thans is en gelijk zij dit ons, in hunne handboeken hebben voorgeteekend en bezegeld.
„De Socialisten willen, dat de oude samenleving zal gelaten worden voor wat zij is, om des te beter in de nieuwe samenleving binnen te kunnen treden, die zij met zoo grooten voorzorg uitgewerkt hebben.
„In weerwil van beiden; in weerwil van Handboeken en Utopisten hebben de arbeidersvereenigingen geen oogenblik opgehouden te bestaan, met de ontwikkeling van de industrie zich te ontwikkelen en tot bloei te komen. Dit is heden ten dage zoozeer het geval, dat de ontwikkelingsgraad van die vereenigingen in een zeker land, juist den rang kenmerkt die dat land in de hiërarchie van de wereldmarkt inneemt. Engeland, alwaar de industrie op het hoogst is ontwikkeld, bezit de omvangrijkste en best-georganiseerde vakvereenigingen.”.....
„De eerste pogingen van de arbeiders om zich te vereenigen nemen steeds den vorm van coalities aan.
„De groot-industrie brengt een menigte, aan elkander onderling onbekende lieden op eene plaats tezamen. De concurrentie verdeelt ze naar hunne belangen, maar de instandhouding van het loon, het gemeenschappelijk belang tegenover hunnen meester, drijft hen tot de gemeenschappelijke gedachte van den weêrstand: tot de coalitie. Aldus heeft de coalitie steeds een dubbel doel: n.l. het opheffen van de concurrentie tusschen de arbeiders onderling en het vormen van eene algemeene concurrentie, tegenover den ondernemer. Wanneer het eerste doel van den weêrstand slechts geldt de instandhouding van het loon, dan formeeren zich de aanvankelijk geïsoleerde coalities, in de mate waarin, aan den anderen kant, de kapitalisten hunnerzijds zich vereenigen tot het bieden van weêrstand, tot groepen; en tegenover het steeds sterker vereenigde kapitaal, wordt de instandhouding der associatie voor hen een sterker noodzakelijkheid zelfs, dan de instandhouding van het loon. Dit is zóó waar, dat de engelsche economen ganschelijk verstomd ervan staan, hoe de arbeiders een groot deel van hun loon opofferen, ten gunste van hunne vakvereenigingen, een deel dat in de oogen van de economen slechts aan het loon ten goede had mogen komen. In deze kampen,—ware burgeroorlogen zijn het!—vereenigen en ontwikkelen zich alle elementen voor den komenden krijg. Eenmaal aangeland bij dat punt, neemt de coalitie een politiek karakter aan.
„De economische verhoudingen, hebben voor het eerst de massa der bevolking, in arbeiders omgezet. De heerschappij van het kapitaal heeft voor deze massa gemeenschappelijke belangen en eene gemeenschappelijke situatie geschapen. Zoo is deze massa bereids eene klasse tegenover die van het kapitaal, maar zij is dit nòg niet, voor-zich-zelf. In den strijd die wij slechts in eene enkele harer phasen gekenschetst hebben, sluit zich de massa te zamen; constitueert zij zich als klasse voor-zichzelf. De belangen welke zij verdedigt, worden daardoor klasse-belangen. De strijd van klasse tegenover klasse is een politieken strijd.”
....„Eene onderdrukte klasse is de levensvoorwaarde, voor elke, op klassetegenstellingen berustende samenleving. De bevrijding van de onderdrukte klasse, sluit aldus noodwendig in zich, de schepping van eene nieuwe samenleving. Wil de onderdrukte klasse zich kunnen bevrijden, dan moet er eene ontwikkelingshoogte bereikt wezen, waarop de reeds verworven produktiekrachten en de geldende maatschappelijke inrichtingen, niet meer naast elkander kunnen bestaan. Onder alle produktie-instrumenten is de grootste produktiekracht: de revolutionaire klasse zelf. De organisatie van de revolutionaire elementen als klasse, stelt als voorwaarde, het gereedzijnde bestaan van alle produktiekrachten, die zich over het algemeen in den schoot der oude samenleving ontvouwen kunnen.
„Wil dat zeggen, dat er nadat de oude samenleving zal zijn ingestort, eene nieuwe klasseheerschappij tot stand zal komen, die in eene nieuwe politieke heerschappij haar toppunt vinden zal? Neen!
„De voorwaarde tot bevrijding van de arbeidende klasse, is de afschaffing van èlke klasse; zooals de voorwaarde tot de bevrijding van den „derden stand”, de burgerlijke orde van zaken, de afschaffing der oude standen geweest is.
„De arbeidende klasse zal in den loop der ontwikkeling in de plaats van de oude burgerlijke samenleving, eene associatie plaatsen, welke de klassen en hunne tegenstelling uitsluit, en er zal geene eigenlijke politieke macht meer bestaan, omdat juist de politieke macht, de officieele uitdrukking is van de klassetegenstellingen in de burgerlijke samenleving.”