Hoofdstuk VI.

Het geld.

Wij zagen, dat de waardegrootte eener Waar wordt bepaald door de tot hare voortbrenging benoodigde hoeveelheid, maatschappelijk-noodzakelijken arbeidstijd. Maar daarin drukt zich de waardegrootte evenwel niet uit. Men zegt niet: deze jas is veertig arbeidsuren waard, maar hij is zoo en zooveel waard, bijv. zooveel als 20 el linnen of als 10 gram goud. De waardegrootte wordt dus wel bepaald, door de hoeveelheid van de maatschappelijk-noodzakelijken arbeid, die er aan moet worden besteed, maar zij wordt uitgedrukt in en door hare ruilverhouding. Er moet dus ook een zekere maat zijn, een zeker medium, waardoor de ruil der waren kan geschieden en die de uitdrukking der verhouding, van de waren onderling, in zich belichaamt. Marx noemt dit het aequivalent, en den vorm waarin de verhouding van de gebruikswaarden, als ruilprodukten zich wederzijds uitdrukken, de aequivalentvorm der waren.

Dit aequivalent treedt het minst naar den voorgrond in de perioden der eenvoudigen warenruil; maar hoe ingewikkelder de produktieverhoudingen worden, zooveel te minder kunnen waren als zulke aequivalentvormen voldoen, zooals dat in primitieve maatschappijen, met primitieve produktiewijzen: eenvoudige vorm van landbouw en bedrijf, eenvoudige warenhandel enz., het geval is geweest.

Hoe langer hoe meer dus de warenruil zich ontwikkelde, hoe meer arbeidsprodukten tot waren werden, des te noodzakelijker werd een algemeen aequivalent. In den aanvang van den ruil, ruilt een elk datgene wat hij niet noodig heeft, onmiddellijk tegen datgene in wat hij wèl noodig heeft. Dat wordt natuurlijk steeds moeilijker, naarmate de warenproduktie steeds meer de algemeene vorm werd van de maatschappelijke produktie. Er moest door deze ontwikkeling dus een Waar komen, die een ieder gebruiken kon, een algemeene aequivalent dus, eene onmiddellijke belichaming tevens van de waarde, die tevens a priori gebruikswaarde voor elkeen bezit. En die ontstond in den geldvorm.

In den loop der tijden zijn verschillende dingen in dezen rol opgetreden, bijv. vee, slaven, wapens enz., het laatst: edele metalen. Dat de geldvorm van goud en zilver, ten slotte de meest bruikbare werd voor eene, reeds op eene zekere hoogte van beschaving staande samenleving, met een reeds ontwikkelde warenproduktie en een vrij omvangrijk warenverkeer, vindt hare oorzaak in verschillende omstandigheden. Voor een deel mag dit hieraan te wijten zijn geweest, dat pronk en pronkvoorwerpen reeds van oudsher als gewichtige ruilvoorwerpen dienst hebben gedaan; maar hoofdzakelijk besliste hier de omstandigheid, dat goud en zilver, door de maatschappelijke funkties, die zij als algemeen waren-aequivalent bezitten, het best aan dat doel beantwoordden, door hunne natuurlijke eigenschappen. Ten eerste zijn de edele metalen steeds van gelijke kwaliteit en lossen zij zich, noch in lucht, noch in water op; zij zijn dus praktisch niet veranderlijk. Ten tweede kunnen zij naar willekeur gedeeld en samengesteld worden.

Goud en zilver, konden het monopolie van als algemeen aequivalent te dienen, slechts daardoor verkrijgen, doordien zij als waren, tegenover de andere waren, konden komen te staan. Zij konden dus alleen geld worden, omdat zij waren vertegenwoordigden. Het geld is dus, noch uitgevonden door zekere soorten van menschen, noch is het geld een bloot waardeteeken. De waarde van het geld en zijn bepaalde maatschappelijke funkties, zijn niet willekeurig in het leven geroepen. De edele metalen werden tot geldwaren, door de rol, die zij als waren in het ruilproces speelden en nog spelen.


De eerste funktie van het geld, bestaat dus hierin, als waardemaatstaf te dienen. De waren worden niet door middel van het geld aan elkander gelijk en met elkander te vergelijken; maar, doordien zij waarde-belichamingen zijn van menschelijken arbeid, kunnen zij als zoodanig, gemeenschappelijk door dezelfde bepaalde waarde worden gemeten. Het geld als waardemeter, is dus de noodzakelijke verschijningsvorm, van den in alle waren zich bevindende waardemaat, de arbeidstijd namelijk.

De uitdrukking eener waar in geldwaar, is de geldvorm der waar of haren prijs. Dit laatste, is dus de tweede funktie van het geld, n.l. de maatstaf van de prijzen te zijn. Als waardemeter zet het geld de waarde der waren om, in bepaalde, aanschouwelijke hoeveelheden gelds. Als maatstaf van de prijzen, meet het de verschillende hoeveelheden gelds aan ééne bepaalde hoeveelheid goud, die als munteenheid aangenomen wordt, bijv.: een pond goud.

Het verschil is dus, dat de prijs de geldnaam voor de waarde-grootte der waren is, maar tegelijkertijd óók de uitdrukking is van de ruilverhouding der waar met de geldwaar, het goud of het zilver. De waarde evenwel, kan nooit op zich zelf, voor zich alleen te voorschijn komen en niet van de waar geabstraheerd worden, maar zit steeds, aan de ruilverhouding met andere waren vast. Hierdoor is dus eene afwijking mogelijk geworden, tusschen den prijs van de waren en hunne waarde-grootte, gelijk die dan ook in de werkelijkheid steeds voorkomt. De balans van het verschil tusschen beiden schept de kapitalistische concurrentie. Met de volgende woorden van Engels is dit duidelijk te maken: „In de huidige kapitalistische maatschappij, produceert elke industrieele kapitalist op eigen hand, wat, hoe- en zooveel, hij wil. De maatschappelijke behoefte evenwel, blijft voor hem eene onbekende grootte, zoowel wat de kwaliteit en de soort van de benoodigde voorwerpen, als de kwantiteit daarvan aangaat. Wat heden niet snel genoeg geleverd kan worden, wordt in den tegenwoordigen tijd, wordt morgen, verre boven de vraag aangeboden. In weerwil daarvan, wordt ten slotte toch in de behoefte, hetzij slecht of goed, hoe ’t ook zij voorzien, en de produktie richt zich in het algemeen genomen, ten slotte toch op de benoodigde voorwerpen. Hoe komt nu hier de verevening van die tegenspraken tot stand? Door de concurrentie. En hoe speelt de concurrentie deze oplossing klaar? Eenvoudig, doordien zij de naar soort of hoeveelheid, voor het oogenblikkelijk maatschappelijk verbruik niet benoodigde waren, ontwaardigt, d. w. z. beneden hunne arbeidswaarde doet dalen, en langs dezen omweg den producenten het voelbaar maakt, dat zij òf onbruikbare, òf op-zich-zelf bruikbare artikelen in eene onbruikbare, overtollige hoeveelheid voortgebracht hebben. Hieruit spruit dus tweeërlei voort:

Ten eerste, dat de voortdurende afwijkingen der warenprijzen van de warenwaarde, de noodzakelijke voorwaarden zijn, waaronder en waardoor alleen, de warenwaarde haar bestaan kan erlangen. Alleen door de schommelingen van de concurrentie en hiermede die van de warenprijzen, zet zich de waardewet onder de warenproduktie door; wordt de bepaling van de waarde der waren door den maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd, tot werkelijkheid. Dat daarbij de vereffeningsvorm van de waar, haren prijs, in den regel iets of wat anders er uitziet, dan de waarde die zij te voorschijn brengt, is een noodlot, dat de waarde deelt met de meeste maatschappelijke verhoudingen. De koning ziet er meestendeels gansch anders uit, dan de monarchie die hij voorstelt.

„Ten tweede. Terwijl de concurrentie, in eene samenleving van met elkander ruilende warenproducenten, de waardewet der warenproduktie tot hare geldigheid doet komen, zet zij juist dáármede, de onder die omstandigheden eenig mogelijke organisatie en orde, der maatschappelijke produktie door. Alleen door middel van de waardevermindering en de opvoering ervan boven hunne waarde, worden de individueele warenproducenten er als het ware met hunnen neus voorgezet, wat en hoeveel de samenleving van hunne waren noodig heeft, of niet noodig heeft.”


De waren die aan de markt komen, veranderen daar in geld, daarna weder in waren. Deze beweging is de eenvoudige warencirculatie, W–G–W. Maar de waar, aan het einde van dit gansche proces, is eene andere, dan die van aan het begin daarvan. De eerste was niet-gebruikswaarde voor haren bezitter, de laatste is gebruikswaarde voor hem geworden. De nuttigheid van de eerste Waar, bestond voor hem in hare eigenschap als waarde, als produkt van algemeen-menschelijken arbeid; in hare uitruilbaarheid met een ander produkt van algemeen menschelijken arbeid, met geld. De nuttigheid van de andere Waar, bestaat voor hem in hare lichamelijke eigenschappen, niet als produkt van algemeen menschelijken arbeid, maar van een bepaalden vorm van arbeid. De bovengenoemde formule is dus die van Waren,–Geld,–Waren: verkoopen om te koopen. Elke verkoop is een koop en omgekeerd. Marx schildert wat er nu vervolgens gebeurt aldus, onder wat hij noemt: „De methamorphose der Waren”: „W–G.” Eerste methamorphose der Waar of verkoop. Het overspringen van de warenwaarde uit het lijf van de waar in het lijf van het goud is,.... de salto mortale van de waar. Mislukt zij, dan is wel-is-waar de Waar niet in benauwdheid, wel echter is dat de warenbezitter. De maatschappelijke verdeeling van den arbeid, maakt zijnen arbeid evenzoo éénzijdig, als zij zijne behoeften véélzijdig maakt. Maar juist daarom, doet het produkt voor hem slechts als ruilwaarde dienst. Algemeen maatschappelijk geldige aequivalentvorm, bezit het alleen slechts in het geld en dat geld bevindt zich in eens andermans zak. Om het eruit te krijgen, moet de Waar voor alles dus gebruikswaarde voor den geldbezitter hebben, de aan haar ten koste gelegden arbeid dus in maatschappelijk-nuttigen vorm er aan besteed zijn of zich in het verband van de maatschappelijke verdeeling van den arbeid kunnen handhaven. Maar die verdeeling van den arbeid, is een uit de natuur voortkomend produktie-organisme, welker draden gesponnen worden, achter den rug van den warenproducent om, en die zich aldaar voortweven. Wellicht is de Waar, produkt van eene nieuwe arbeidsmethode, die aan eene nieuw opgekomen behoefte bevrediging zoekt te geven, of op eigen gelegenheid, deze behoefte eerst te voorschijn roepen wil. Gisteren nog een funktie, onder de vele funkties van een en dezelfde warenproducent, rukt zich eene bijzondere arbeidsverrichting heden wellicht los van deze samenhang, verzelfstandigt zich en zendt juist deswegens, haar deelprodukt als zelfstandige Waar ter markt..... „Onze warenbezitters bespeuren daaruit, dat dezelfde verdeeling van den arbeid, welke hen tot onafhankelijke particuliere voortbrengers, het maatschappelijke produktieproces en zijne verhoudingen in dit proces van hen-zelf afhankelijk maakt; dat de onafhankelijkheid der personen van elkander, zich vervolkoment, in een systeem van alzijdige zakelijke afhankelijkheid van elkander.

De verdeeling van den arbeid verandert het arbeidsprodukt in een Waar en maakt dáármede zijne verandering in Geld tot eene noodzakelijkheid.”

„Wij kennen tot dusver geenerlei economische verhouding der menschen,” gaat Marx voort, „buiten dat van warenbezitters, een verhouding, waarin zij vreemde arbeidsprodukten zich toeëigenen, doordien zij eigene van zich vervreemden. De eene warenbezitter kan derhalve, den andere dan ook slechts als geldbezitter tegemoet treden, hetzij omdat zijn arbeidsprodukt van nature den geldvorm bezit, dus geldmateriaal is, goud enz., hetzij omdat zijn eigene waar reeds van huid veranderd is en haar oorspronkelijken gebruiksvorm afgestroopt heeft. Ten einde als geld te kunnen funktioneeren, moet het goud natuurlijk een zeker punt hebben, van waaruit het op de warenmarkt op kan treden. Dit punt ligt in zijne produktiebron, waar het zich, als onmiddellijk arbeidsprodukt, met een ander arbeidsprodukt van dezelfde waarde kan doen ruilen. Maar van af dit oogenblik, stelt het gedurig gerealiseerde warenprijzen voor. Afgezien van den ruil van het goud met waren, aan zijne produktiebron, is het goud in de handen van elk warenbezitter, de blootgelegde gestalte van de van hem vervreemde Waar, het produkt van den verkoop of van de eerste waren-metamorphose: W–G. Ideaal geld of waardemeter werd het goud, omdat alle waren hunne waarde in hem maten en het, aldus tot het handtastelijke tegendeel van hunne gebruiksgestalte, tot hunne waardegestalte maakten. Reëel geld werd het, doordien de waren, door hunne alzijdige vervreemding, het tot aan hem werkelijk vreemde of veranderde gebruiksgestalte en daardoor tot hunne werkelijke waardegestalte maakten. In hare waardegestalte stroopt de Waar, elk spoor van haar oorspronkelijke gebruikswaarde en van de in ’t bijzonder nuttigen arbeid, waaraan zij haren oorsprong te danken heeft, af, om zich in de gelijkvormige maatschappelijke stoffelijkheid van niet te onderscheiden menschelijken arbeid, weder te ontpoppen.

Men kan het ’t Geld daarom niet aanzien, van welk slag de in hem veranderde Waar is. De eene Waar ziet in haren geldvorm precies zoo uit als de andere. Geld mag slijk zijn, hoewel slijk nog geen geld is. Wij nemen aan, dat de twee geldwolven waaraan de linnenwever bijv., zijne waar vervreemdt, de veranderde gestalten zijn van een mud tarwe. De verkoop van het linnen: W–G, is tegelijk haren koop: G–W.

Maar als verkoop van linnen, vangt dit proces met eene beweging aan, welke in haar tegendeel eindigt, met den koop van een bijbel bijv.; als koop van het linnen, eindigt het met eene beweging die met haar tegendeel aanving, met den verkoop van de tarwe bijv. W–G (linnen-geld) deze eerste phaze van W–G–W (linnen-geld-bijbel), is tegelijk G–W (geld-linnen), de laatste phaze van eene andere beweging: W–G–W (tarwe-geld-linnen). De eerste metamorphose eener Waar, hare verandering uit den warenvorm in geld, is steeds tegelijk de tweede, haar tegenovergestelde metamorphose der andere waar; hare terugontwikkeling van uit den geldvorm in den warenvorm.

G–W. Tweede of slot-metamorphose der waar: koop.—Dewijl het de vervreemde gestalte is, van alle andere waren of het produkt hunner algemeene ontvreemding, is geld, de absoluut vervreemde Waar. Het leest alle prijzen achterwaarts en spiegelt zich aldus, in alle warenlichamen terug, als de opofferende materie zijner eigene warenwording. Tegelijk toonen de prijzen, de lonkjesoogen waarmede hem de waren wenken, hem ook de grenzen zijner veranderingsgeschiktheid, namelijk die van zijn eigen kwantiteit. Daar de Waar in hare geldwording ondergaat, ziet men het ’t geld niet aan, hoe het in de handen van zijn bezitter gekomen is, of wat er zich in omgezet heeft. Non olet, hoe ook deszelfs oorsprong moge wezen. Wanneer het aan den eenen kant, verkochte Waren vertegenwoordigt, aan den anderen kant vertegenwoordigt het, verkoopbare Waren.

G–W, de koop is tegelijktijd verkoop: W–G; de laatste metamorphose eener Waar, is dus tegelijk de eerste metamorphose eener andere Waar. Voor onzen linnenwever sluit de levensloop van zijnen waar af met de gekochte bijbel, waarin hij de 2 pond St. terug omgezet heeft. Maar de bijbelverkooper, zet de van den linnenwever gebeurde 2 pond St., in brandewijn om.

G–W, de slotphaze van W–G–W (linnen–geld–bijbel) is tegelijk W–G, de eerste phaze van W–G–W (bijbel–geld–brandewijn). Daar de warenproducent slechts een eenzijdig produkt levert, verkoopt hij het dikwijls in grootere hoeveelheden, terwijl zijn veelzijdige behoeften hem ertoe dwingen, den gerealiseerden prijs of de gebeurde geldsom, gestadig in talrijke koopen te versplinteren. Een verkoop mondt daarom, in vele koopen van verschillende waren, uit. De slotmetamorphose eener Waar, wordt dus door de som van eerste metamorphosen van andere waren, gevormd.

Beschouwen wij nu de totaal-metamorphose eener Waar, bijv. van linnen, dan zien wij in de eerste plaats, dat zij uit twee elkander tegenovergestelde en elkander aanvullende bewegingen bestaat. W–G en G–W. Deze twee, tegenoverelkander staande veranderingen der Waar, voltrekken zich, in twee aan elkander tegenovergestelde maatschappelijke processen der warenbezitters, en reflekteeren zich, in twee elkander tegenovergestelde economische karakters derzelven. Als agent van den verkoop, wordt hij verkooper, als agent van den koop, kooper. Zooals echter in elke verandering der Waar, hare beide vormen, warenvorm en geldvorm gelijktijdig bestaan, alleen op elkander tegenovergestelde polen, zoo staat dezelfde warenbezitter als verkooper, tegenover een andere kooper en als kooper, tegenover een andere verkooper. Het zijn derhalve dus geen vaste, maar binnen het raam der warencirculatie, gestadig van persoonlijkheid verwisselende karakters.

„De warencirculatie is niet alleen formeel, maar ook wezenlijk verschillend van de onmiddellijke produktenruil. Men werpe slechts een terugblik op hetgeen voorgevallen is. De linnenwever heeft, zonder voorbehoud, linnen geruild tegen bijbels, eigen waren tegen eene vreemde Waar. Maar dat verschijnsel bestaat slechts voor hem. De bijbelagent, die heet aan koud de voorkeur geeft, dacht er niet aan linnen te ruilen voor bijbels, gelijk de linnenwever er niets van wist, dat er tarwe was ingeruild tegen zijn linnen enz. De Waar van B. komt in plaats van de Waar van A; maar A en B, ruilen niet wederzijdsch hunne waren tegen elkander. Het kan werkelijk voorkomen, dat A en B wisselsgewijs van elkander koopen, maar zulke bijzondere betrekkingen, zijn geenszins de voorwaarden tot de algemeene verhoudingen der warencirculatie. Aan den eenen kant ziet men hieruit, hoe de warenruil de individueele en lokale grenzen van den onmiddellijken produktenruil doorbreekt en de stofwisseling der menschelijken arbeid doet ontwikkelen. Aan den anderen kant, ontwikkelt zich hierdoor een geheele kring van door de handelende personen, niet te controleeren, maatschappelijke natuursamenhangsels. De wever kan slechts linnen verkoopen, omdat de boer tarwe verkocht; de heethoofd den bijbel, omdat de wever het linnen, de distillateur slechts gebrand water, omdat de andere, het water des eeuwigen levens verkocht had, enz. enz.

Het circulatieproces lost zich deswegens ook niet, gelijk de onmiddellijke produktenruil, op, in de plaats- of de handsverwisseling van de gebruikswaarden. Het geld verdwijnt niet, omdat het ten slotte uit de metamorphosenreeks eener Waar uitvalt. Het slaat voortdurend weder neer, op een door de waren zelf voor hem ingeruimde circulatie-plek. Bijv. van de totaal-metamorphoze van het linnen—linnen–geld–bijbel—valt eerst het linnen buiten de circulatie, het geld komt in zijn plaats; daarna valt de bijbel buiten de circulatie en het geld treedt in zijn plaats. De vervanging van waren door waren, doet tegelijkertijd in de derde hand, de geldwaren hangen blijven. De circulatie zweet gestadig geld uit.

Verandering van geld in kapitaal.

Wij hebben de ontwikkeling van de warencirculatie uit de produktenruil nagegaan en eveneens hebben wij den kringloop dier beweging gadegeslagen. Welke is evenwel hare drijfkracht? De beweegreden der kringloop: Waar–Geld–Waar, is duidelijk; is daarentegen die van Geld–Waar–Geld niet zinneloos? Neen, zij zou zinneloos zijn, wanneer de geldsom aan het einde van de transaktie, niet eene andere was, dan die aan het begin daarvan. De kringloop G–W–G, heeft dus maar één doel: de geldsom waarmede hij eindigt grooter te doen worden, dan die, waarmede hij aanving. Deze vermeerdering is inderdaad het drijvende motief in dien kringloop.

Wij komen dus, nadat het proces zijn bekenden gang is gegaan, voor de formule:

G–W - (G + g) te staan.

Dit „g”, de toegevoegde waarde die boven en uit de oorspronkelijk voorgeschoten waarde, aan het einde van den kringloop voor den dag komt, noemt Marx: de Meerwaarde. Die laatste moet met hare verschijningsvorm en winst, rente etc. evenmin verward worden, als de waarde eener waar, met haren prijs. Want evenals daar, gaat het hier om de grondslagen en niet om de uiterlijke vormen, de verschijningsvormen, waaronder de economische verhouding aan het daglicht treedt.

„De waarde wordt aldus tot processeerende waarde, processeerend geld en als zoodanig tot kapitaal. Dit komt uit de circulatie vandaan, gaat weder in haar onder en verveelvoudigt zich in haar; keert vergroot uit haar terug en begint denzelfden kringloop weder van voren af aan. G–G, geldbarend geld—„money which begets money”,—zoo luidde de beschrijving van het kapitaal, in den mond van zijn eerste wegwijzers, de merkantilisten reeds, zegt Marx.

Koopen om te verkoopen, of vollediger, koopen om duurder te verkoopen, G–W–G, schijnt wel-is-waar slechts eene vorm aan het koopmanskapitaal eigen, maar ook het industrieele kapitaal is geld, dat zich verandert in waren en door den verkoop de waren, in meer geld terug-verandert.”

Wij zien hieruit en ook uit hetgeen voorafging, dat dus niet alle geld, niet elke Waar kapitaal is; dat deze dingen alleen dan tot kapitaal worden, wanneer zij een bepaalde beweging doormaken; wanneer zij dienen om een méér-produkt in het leven te roepen: méér-waarde geboren te doen worden. Deze beweging heeft ook op haren beurt, weder bepaalde historische voorwaarden.

Wat Marx ons hier ook heeft doen zien, dat is, dat het niet waar is, gelijk het in den gewonen akademisch-staathuishoudkundigen vorm luidt, dat opgehoopte arbeid en produktiemiddelen, kapitaal zijn tout court, maar dat dezen dan eerst tot kapitaal worden, als zij voldoen aan zekere voorwaarden van historische en van maatschappelijken aard, waaronder de voornaamste deze is: dat zij in beweging worden gezet, om méérwaarde voort te brengen.

Uit welken bron ontspringt nu deze méérwaarde? Men zou zoo oppervlakkig zeggen, doordien de een van zijn macht (slimheid, ervaring enz.), gebruik maakt om zijn tegenpartij te misleiden; overmacht van welken aard ook. Zulk eene verklaring, die op zich-zelf al zeer weinig bewijst, is bovendien economisch van niet de minste beteekenis, daar een ieder, gelijk wij gezien hebben, bij afwisseling kooper en verkooper is. Bovendien kan toepassing van overmacht enz. wel de een voor een oogenblik zich-zelve doen verrijken, maar zij is absoluut niet in staat de door beiden bezeten totaal-som, alzoo de som van de circuleerende waarden, te doen vermeerderen. Wij verklaren er dus niet anders mede, dan eene verplaatsing van de te deelen som aan waarden, zonder meer. „De verandering van geld in kapitaal,” concludeert Marx, „moet worden verklaard, op den grondslag van de in den warenruil zich bevindende immanente wetten, zóó, dat de ruil van aequivalenten, ons daarbij steeds als uitgangspunt dient. Onze, nog slechts als kapitalistenrups aanwezig zijnde geldbezitter, moet de waren tegen hunne waarde koopen, tegen hunne waarde verkoopen en desniettegenstaande moet hij aan het einde van dit proces, méér waarde eruit halen, dan dat hij erin wierp.”......

De oplossing dier vraag, is nevens die der waardetheorie, de spil van het systeem van analyse, dat Marx toegepast heeft bij het onderzoek van de kapitalistische produktiewijze. Zij bevat de ontdekking van een faktor, die de waarde voortdurend vergroot; bron van waarde is, terwijl zij zelve tegen hare waarde wordt gekocht door den kapitalistischen ondernemer, die op de warenmarkt komt, om deze eigenaardige Waar op te doen, alwaar hij den verkooper van die Waar te ontmoeten weet, die dezen aan niemand anders, dan aan hem slijten kan. Deze Waar is die der arbeidskracht namelijk, die wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

De bron der meerwaarde nu is te vinden, in den arbeidstijd, welke de ondernemer, de kapitalist, den arbeider voor zich laat arbeiden, boven den tijd welke noodig is om de waarde voort te brengen, die hij zelf kostte.

„Het kapitaal”, zegt Marx „heeft de meerarbeid niet uitgevonden. Overal, waar een deel der samenleving het monopolie der produktiemiddelen bezit, moet de arbeider, vrij of onvrij, aan de tot zijn onderhoud noodzakelijke arbeidstijd een overschot van arbeidstijd toevoegen, ten einde de levensmiddelen voor de eigenaars der produktiemiddelen voort te brengen.”

„Méérarbeid, arbeid boven den tot zelfbehoud van den arbeider noodzakelijken tijd, en toeëigening van het produkt dezer méérarbeid door anderen, uitbuiting van den arbeid dus, is aan alle tot nu bestaan hebbende maatschappelijke vormen, voor zoover zij zich in klassetegenstellingen bewogen hebben, gemeenzaam geweest. Maar eerst wanneer het produkt dezer meerarbeid, de vorm van meerwaarde aanneemt, wanneer de eigenaar der produktiemiddelen, den vrijen arbeider—vrij van sociale banden en vrij van eigen bezit!—als voorwerp van uitbuiting tegenover zich vindt en hem uitbuit, tot het doel van de produktie van waren, eerst dàn neemt dit produktiemiddel, het specifieke karakter van kapitaal aan. En dit is op groote schaal eerst geschied, aan het einde van de 15e, en aan het begin van de 16e eeuw.”

De voortbrenging der meerwaarde.

Nemen wij, om de produktie van de meerwaarde met een voorbeeld aanschouwelijk te maken, eens het volgende geval. De heer Jansen, industrieel, richt zich in. Zijn vader stelt een groot kapitaal ter zijner beschikking. Hij richt een katoenspinnerij op, neemt een technisch- en een handelsdirekteur aan, die het gansche bedrijf inrichten en leiden en de inkoop van katoen, de aanschaffing van machines, de aanstelling van arbeiders enz. bezorgen. De katoen wordt in de fabriek versponnen tot garen en deze wordt, door middel van reizigers etc., van de hand gezet.

De heer Jansen nu, men lette er wel op, heeft daarmede niet waren tegen waren geruild, door middel van de waar geld, maar hij had oorspronkelijk geld, hij heeft dit uitgegeven om waren te koopen (fabriek, inrichting, ruwprodukten, arbeidskrachten), en dan verkoopt hij weder zijn waren, om ze wederom tot geld te doen worden. De ruilformule is hier niet: W–G–W, maar is hier:

Geld–Waar–Geld.
(G–W–G.)

Hij heeft zijn geld in waren omgezet en hij zet zijn waren weder in geld om. Waarom doet hij dat? Dat doet hij om winst te maken; het geld dat in des heeren Jansen’s brandkast terugkomt, moet méér zijn dan dat wat er uit ging. Anders zou de heer Jansen een gek geweest zijn, om zijn geld in de circulatie te zenden. Maar het was des heeren Jansen’s doel niet, om het als een schat enkel te laten liggen, maar om het als kapitaal te laten fungeeren, het te laten broeden dus.

Alle waren die hij evenwel koopt (ruwprodukten, machines enz.), moet hij naar hunne waarde betalen, bijgevolg zijn winst zal daardoor niet vermeerderen. Maar de arbeidskracht der arbeiders die in zijnen dienst zijn, betaalt hij niet naar hare waarde. Nemen wij daartoe, nog eens het voorbeeld op en werken wij het verder uit. Een arbeider verspint in 6 uren, 10 pond ruw-katoen tot garen. In deze 10 pond garen steekt, nevens den zesurigen arbeid, ook een deel van de arbeidsmiddelen, welke daarbij worden afgebruikt, vervat in de spindels. Het pond katoen komt hem te staan op f 0.60, het pond garen brengt f 0.90 op. Aan spinsel wordt 10 pond katoen ingewerkt, dus voor f 1.20. Het arbeidsloon bedraagt f 1.80. Dus:

Uitgaven:
10 pond ruwkatoen f 6.
Spinsel - 1.20.
Arbeidsloon - 1.80.
te zamen f 9.00.
Inkomsten:
10 pond katoengaren à f 0.90 = f 9.00

Inkomsten en uitgaven zijn gelijk. Maar het doel van den fabrikant is anders. Zijn toch zes uren arbeidsloon voldoende, om de waarde der waar arbeidskracht te voldoen, dan zou de arbeider daarna moeten ophouden met arbeiden. Maar zóó zijn fabrikant en arbeider niet samen getrouwd! De arbeider is gehuurd voor een zekeren tijd, die de fabrikant goedvindt te bepalen, subsidiair zooals zij dien tezamen overeengekomen zijn. Bijvoorbeeld: een arbeidsdag van 12 uren. Wij nemen nu ons voorbeeld weêr op:

Uitgaven:
voor de eerste zes uren van den dag:
gelijk boven: 10 pond ruwkatoen f 6.
Spinsel - 1.20.
Arbeidsloon - 1.80.
totaal f 9.00.
voor de verdere arbeidsuren:
10 pond ruwkatoen f 6.
Spinsel - 1.20.
Arbeidsloon—
f 7.20 + f 9 = f 16.20.
Inkomsten:
20 pond garen à f 0.90 = f 18.00.

Hij wint dus dagelijks aan een arbeider: f 1.80, juist zooveel als het arbeidsloon van de zes uren bedraagt, die hij hem meer laat arbeiden. In die méér-arbeid, ligt de meer-waarde. Der waardewet is hier geen haartje gekrenkt en de kapitalist heeft tòch winst gemaakt. Van andere waren, is de ruilwaarde namelijk vervlogen, zoodra hun verbruik is afgeloopen; de waar arbeidskracht daarentegen, is, nadat het proces afgeloopen is, nog bruikbaar, ook wanneer zooveel van haar is verbruikt, als hare ruilwaarde bedraagt. Daar de waarde van de waar arbeidskracht elastisch of variabel is, d. w. z. met de voortschrijdende beschavingstoestanden steeds geringer wordt, terwijl de voortbrengingsgeschiktheid van de arbeidskracht niet inkrimpt,—d. w. z. de arbeider zou 12 en meer uren kunnen arbeiden, ook wanneer tot reproduktie van zijne dagelijksche arbeidskracht slechts 6 uren arbeids en minder noodig zouden zijn,—zoo kan de kooper der arbeidskracht, in ons voorbeeld de heer Jansen dus, de warenwaarde derzelve ten volle betalen en desniettemin méér-waarde overhouden. In enkele woorden dus: het verschil tusschen de gebruikswaarde en de ruilwaarde van de waar arbeidskracht, vormt de meerwaarde.

Het historisch toeëigenen van de meerwaarde, geschiedde zonder twijfel door het zich toeëigenen van vreemde waarde; hetzij door middel der waren-cirkulatie van het koopmanskapitaal, of, geheel onverbloemd, door het woekerkapitaal. Maar deze beide soorten van kapitaal-formaties, konden alleen in de samenleving ontstaan, door schennis van de wetten der warencirkulatie, door grove schennis van haar grondwet, dat waarden, alleen tegen gelijke waarden geruild kunnen worden. Het kapitaal stond daarvandaan, zoolang het handels- en woekerkapitaal was, in eene tegenstelling tot de economische organisatie van zijn tijd, en daarmede ook in tegenstelling, tot de moreele inzichten van zijn tijd. In de Oudheid, evenals in de Middeleeuwen stonden handel en woeker in een slechten reuk; zij werden op gelijke wijze gebrandmerkt, zoowel door de antieke Philosophen, door de heilige Kerkvaders, als door de Pausen. Met uitzondering van Calvijn, hebben ook de Hervormers—Luther niet voor ’t minst—handel en woeker scherp veroordeeld.

Wij moeten dan ook, om het kapitaal te onderkennen, tot deze zijne voorwereldsche vormen teruggaan. Eerst nadat hoogere vormen van kapitaal zich hadden ontwikkeld, konden zich ook tusschenvormen ontwikkelen, die de funkties van het handelskapitaal en het rentegevend kapitaal, in overeenstemming konden brengen, met de wetten van de thans heerschende warenproduktie. Maar eerst ook van dat oogenblik af, hebben zij opgehouden het karakter van eenvoudige afzetterij of van direkten roof te dragen, zegt Marx.

Marx heeft deze soorten van kapitaal, in de beide eerste deelen van „Das Kapital”, dan ook niet behandeld, omdat zij bij de navorsching van het kapitalisme, als vorm van eene produktiewijze, als maatschappelijk verschijnsel, rechtstreeks niet betrokken zijn.

Men begrijpt evenwel nu, in het gansche proces van de voortbrenging der meerwaarde, ook het groote gewicht, dat daarin

De Arbeidsdag

bekleedt, waaraan bij Marx een zevental beschrijvende hoofdstukken zijn gewijd, die historisch en economisch zeker behooren, tot het grootste wat op dit gebied is verricht. Zijne onderzoekingen daaromtrent, benevens die omtrent de verdeeling van den arbeid, haar ontstaan en hare ontwikkeling in de periode der Manufaktuur, de machinerie en de groot-industrie, vormen de klassieke gedeelten uit het eerste deel van „Das Kapital”. Hunne economische en historische waarde, wordt door geen staathuishoudkundige van eenig gezag meer ontkend. In dat opzicht, is zijn groote werk dan ook eene voortzetting geweest, van Adam Smith’s beroemde „Wealth of the Nations” (Rijkdom der volkeren).

„De kapitalist,”—zegt Marx, aan den aanvang van de behandeling der „Arbeidsdag”,—„heeft de arbeidskracht tot hare dagwaarde gekocht. Hem behoort dus hare gebruikswaarde toe, gedurende een arbeidsdag. Hij heeft dus óók het recht verkregen den arbeider, gedurende dien dag, voor zich te laten arbeiden. Maar wat is een arbeidsdag? In elk geval minder dan een natuurlijken levensdag. En hoeveel minder? De kapitalist (natuurlijk is hier sprake van den ondernemer in het algemeen), heeft zijn eigen inzichten omtrent dit ultima thule, de noodzakelijke grenzen van den arbeidsdag. Als kapitalist is hij slechts gepersonifieerd kapitaal. Zijn ziel is de kapitalistenziel. Het kapitaal kent slechts één levensaandrift, de aandrift zich in waarden om te zetten; méérwaarde voort te brengen, en met zijn konstant gedeelte, de produktiemiddelen, de grootst mogelijke massa meerarbeid in zich op te zuigen. Kapitaal is gestorven arbeid, die op vampyr-achtige wijze opleeft, door opzuiging van levenden arbeid en er zoo veel te meer van leeft, naarmate het meer daarvan in zich opzuigt. De tijd waarin de arbeider werkt, is de tijd waarin, door den kapitalist de van hem gekochte arbeidskracht, wordt verbruikt”....

...Van zeer elastische grenzen hier afgezien, worden er door den aard der warenruil zelf, geen grenzen van den arbeidsdag, dus ook geen grenzen van de meerwaarde getrokken. De kapitalist staat op zijn recht als kooper, wanneer hij den arbeidsdag zoo lang als mogelijk is maakt, en, zoo mogelijk uit eenen arbeidsdag, er twee tracht te maken. Aan den anderen kant, houdt de specifieken aard van de verkochte waar (arbeidskracht) een grens van haar verbruik door den kooper in, terwijl de arbeider op zijn recht staat als verkooper, wanneer hij den arbeidsdag tot op eene bepaalde minimum-grootte tracht te beperken. Hier is dus een antimonie voorhanden; recht tegenover recht, beiden gelijkmatig bezegeld door de wet van den warenruil. En zoo is dan ook in de geschiedenis der kapitalistische produktiewijze, de normeering van den arbeidsdag, tot een strijd om de grenzen van den arbeidsdag geworden; een strijd tusschen de gezamenlijke kapitalisten, d. w. z. tusschen de klasse der kapitalisten en de gezamenlijke arbeiders of de arbeidersklasse.”

Voor het eerst is men in Engeland, en wel in 1843, begonnen den arbeidsdag wettelijk vast te stellen, nadat bijna een halve eeuw lang de arbeiders in dat land daarvoor gestreden hadden en het bitterst daarin door de economen zijn tegengewerkt geworden.

„Desniettemin,” zegt Marx, „heeft het principe gezegevierd en in de groot-industrietakken, die zelve de schepping zijn der moderne produktiewijze, was zijne wondervolle ontwikkeling, die hand aan hand is gegaan, met de moreele wedergeboorte der fabrieksarbeiders, zelfs voor blinden te zien.”

De economische beteekenis van den arbeidsdag voert ons tot eene beschouwing van

De relatieve meerwaarde.

Tot nu toe, hebben wij gezien hoe de kapitalist zijn meerwaarde vormt: uit onbetaalden arbeidstijd. Deze nu noemt Marx de: absolute méérwaarde. Maar het spreekt van zelf, dat er nog een andere soort moet bestaan; dit bleek ons reeds uit het exposé van de gansche warencirculatie. Wij hebben gezien, dat de meerwaarde voortkomt uit den onbetaalden arbeidstijd. Hare bron zit in den arbeidsdag. De arbeidsdag kan echter niet tot in het oneindige verlengd worden. Aan het streven der kapitalisten, hem te verlengen, worden grenzen gelegd, zoowel van moreelen, als van politieken aard. „De door verlenging van den arbeidsdag voortgebrachte meerwaarde noem ik,” zegt Marx, „absolute meerwaarde; de meerwaarde daarentegen, die uit de verkorting van den noodwendigen arbeidstijd en de daarmede overeenstemmende verandering, in de hoegrootheidsverhouding der beide bestanddeelen van den arbeidsdag voortkomt: relatieve meerwaarde.

Om de waarde van de arbeidskracht te doen dalen, moet de stijging der produktiekrachten die industrietakken aangrijpen, welker produkten de waarde der arbeidskracht bepalen; die dus noch tot den kring van de door de gewoonte vastgestelde levensmiddelen behooren, noch daarvoor in de plaats kunnen treden. De waarde eener waar, wordt echter niet alléén bepaald door het kwantum arbeid, hetwelk haar den laatsten vorm doet verkrijgen, maar evenzoogoed, door de massa der produktiemiddelen, die zij in zich bevat. Bijv. de waarde van een paar schoenen, wordt niet alleen door den arbeid des schoenmakers, maar ook door de waarde van het leder, het pek, draad enz. bepaald. Stijging van de produktiekracht en de daarmede gepaard gaande goedkoopermaking der waren, in de industrieën welke de stoffelijke elementen van het constant-kapitaal, de arbeidsmiddelen en het arbeidsmateriaal, tot voortbrenging der noodzakelijke levensmiddelen leveren, doen dus eveneens de waarde van de arbeidskracht dalen.”....

„De goedkooper geworden waar, doet natuurlijk de waarde der arbeidskracht, slechts pro tanto, d. w. z. alleen maar in die verhouding, waarin zij in de reproduktie van de arbeidskracht overgaat, dalen. Hemden bijv., zijn een noodzakelijk levensmiddel, maar een van de velen. Hunne goedkoopermaking, vermindert alleen de uitgaven der arbeiders voor hemden. De totaalsom van de noodzakelijke levensmiddelen bestaat echter uit verschillende waren, louter produkten van de bijzondere industrieën, en de waarde van ieder dier waren, vormt steeds een zich gelijkverdeelend deel, van de waarde der arbeidskracht. Deze waarde neemt af, met de tot hare reproduktie noodzakelijken arbeidstijd, welker totaalverkorting gelijk is aan de som van hare verkortingen, in alle bijzondere takken van voortbrenging.”....

De waarde der waren, staat in omgekeerde verhouding tot de produktiekracht van den arbeid. Evenzoo,—omdat zij door de waarde der waren bepaald wordt,—de waarde der arbeidskracht. Daarentegen staat de relatieve meerwaarde, in direkte verhouding tot de produktiekracht van den arbeid. Zij stijgt met stijgende- en daalt, met dalende produktiekracht. Een maatschappelijke doorsneê-arbeidsdag van 12 uren, geldswaarde als gelijkblijvend verondersteld, produceert steeds hetzelfde waardeprodukt van 6 Shilling, hoe deze som van waarden zich ook immer moge verdeelen, tusschen het aequivalent voor de waarde der arbeidskracht en de meerwaarde. Dalen evenwel, ten gevolge van de gestegen produktiekracht der waarden, de dagelijksche levensmiddelen en dientengevolge, de dagelijksche waarde der arbeidskracht van 5 shilling op 3 sh., dan rijst de meerwaarde van 1 sh. op 3 sh. Ten einde de waarde der arbeidskracht te reproduceeren, waren er 10 en zijn er thans nog slechts 6 arbeidsuren vrij gekomen en kunnen deze bij de domeinen van den meerarbeid worden ingelijfd. Het is daarom de immanente drijfveer en de gestadige tendens van het kapitaal, de produktiekracht der arbeid te doen stijgen, en te dien einde de waar, en door de goedkoopermaking van de waar, den arbeider-zelve goedkooper te maken.”

Een verhooging van de produktiekracht van den arbeid, die van verkorting van den arbeidsdag het noodwendige gevolg moet zijn, is echter alleen mogelijk, door eene verandering van de produktiewijze, door verbetering van de arbeidsmiddelen en van de arbeidsmethoden. Produktie van relatieve meerwaarde, heeft dus tot voorwaarde, eene revolutie van het arbeidsproces.

„De produktie van de absolute meerwaarde,” zegt Marx verder, „draait zich slechts om de lengte van den arbeidsdag; de produktie van de relatieve meerwaarde, revolutioneert door en door de technische processen van den arbeid en de maatschappelijke groepeeringen.

„Zij veronderstelt dus eene specifiek-kapitalistische produktiewijze, die, met hare methoden, middelen en voorwaarden zelven eerst op den grondslag van de formeele subsumtie van den arbeid onder het kapitaal, op natuurlijke wijze ontstaat en verder ontwikkeld wordt”....

Wij zien dan ook bij stijgende produktiekracht van den arbeid, het percentage van de meerwaarde aanhoudend stijgen, terwijl de waarde van het produkt daalt. Zoo zien wij in de kapitalistische produktiewijze, in hare specifiek groot-industrieele uiting, den oogenschijnlijken tegenspraak zich ontwikkelen, dat de kapitalisten onophoudelijk zich moeite geven, steeds goedkooper te produceeren, d. w. z. de waarde der waren steeds te doen dalen, terwijl zij daarbij steeds meer waarde, zich toe-eigenen kunnen. Wij zien ook dat, hoe grooter de produktiekracht van den arbeid, des te grooter wordt de meerwaarde, de overschietende arbeidstijd van den arbeider. De kapitalistische produktiewijze streeft er naar, de produktiekracht van den arbeider reusachtig te doen stijgen, den noodwendigen arbeidstijd tot op een minimum te reduceeren, maar gelijktijdig evenwel, den arbeidsdag zoo veel als mogelijk is te verlengen.”