Hoofdstuk VIII.

Het arbeidsloon.

Het zesde gedeelte (zeventiende hoofdstuk) van „Das Kapital” behandelt het arbeidsloon. Marx werkt hierin breeder uit, zijn beschouwingen over het arbeidsloon, zooals die reeds door hem in groote trekken zijn weêrgegeven in het te voren vermelde geschrift „Lohnarbeit und Kapital” uit het jaar 1847.

Alleen is Marx hier het onderscheid tusschen hetgeen de officieele economie betitelde met de prijs van den arbeid en die van de arbeidskracht, dat beiden zeer verschillende dingen zijn, geheel op het spoor gekomen. Marx bewees dan ook, dat de arbeid geen waar kan zijn, in eene maatschappij als de kapitalistische, welker voortbrengingswijze juist tot voorwaarde heeft, de bezitloosheid aan arbeidsmiddelen (grondstoffen, machines, vervoermiddelen enz.) bij den arbeider.

„Wat de geldbezitter op de warenmarkt direkt tegenover zich vindt, is inderdaad niet den arbeid, maar het is den arbeider. Wat de laatste verkoopt, is zijn arbeidskracht. Zoodra zijn arbeid werkelijk begint, heeft hij reeds opgehouden hem toe te behooren, kan deze dus niet meer door hem verkocht worden. De arbeid is de substantie en de immanente maat van de waarde, maar hij zelf heeft geen waarde.”

Wij hebben vroeger gezien, dat de prijs eener waar, is, de in geld uitgedrukte waarde der waar. Wij wezen er evenwel reeds toen op, dat volgens Marx, deze beide vormen: waarde en prijs, door verschillende faktoren worden bepaald en niet met elkander verward mogen worden.

Hetgeen zich als de waarde van de arbeidskracht, in haren geldvorm uitdrukt, is het arbeidsloon. Marx onderscheidt dit in: tijd- en stukloon.

„De geldsom die de arbeider voor zijn dagarbeid, weekarbeid enz. bekomt, vormt het bedrag van zijn nominaal, of naar de waarde geschat arbeidsloon. Het is echter duidelijk, dat al naar de lengte van den arbeidsdag, alzoo naar mate der dagelijks door hem geleverde hoeveelheid arbeids, hetzelfde dagloon, weekloon enz. een zeer verschillende prijs van den arbeid, d. w. z., zeer verschillende geldsommen, voor hetzelfde kwantum arbeid, vertegenwoordigen kan. Men moet dus bij het tijdloon weder onderscheid maken, tusschen het totaal-bedrag van het arbeidsloon,—dagloon, weekloon enz.,—en den prijs van arbeid.”

De gemiddelde prijs van een arbeids-uur dient hier tot maatéénheid van den prijs der arbeidskracht.

„Daaruit volgt, zegt Marx vervolgens, „dat het dagloon of weekloon enz. hetzelfde kan blijven, hoewel de prijs van de arbeidskracht voortdurend dalen kan. Omgekeerd, kunnen dag- en weekloon stijgen, hoewel de prijs van den arbeid, constant blijft of zelfs daalt. Het rijzen van de nominale dag- of weekloonen, kan daarom begeleid zijn van een gelijkblijvenden, of een zinkenden prijs van de arbeidskracht.

Marx onderzoekt dit verschil nader en ook de juiste rol, die de lengte van den arbeidsdag hierbij speelt.

„Het is een algemeen bekend feit, dat hoe langer de arbeidsdag in een tak van industrie, zooveel te lager is het arbeidsloon.... In de eerste plaats volgt uit de wet: „bij eene bepaalden prijs van den arbeid, hangt het dag- of weekloon van de kwantiteit der geleverden arbeid af”, dat, hoe lager de prijs van den arbeid is, des te grooter het kwantum arbeids zijn moet of des te langer de arbeidsdag, opdat de arbeider van een, al is het dan ook maar kommervol doorsneêloon, verzekerd kan zijn. Het lage peil van den arbeidsprijs, werkt hier als een aansporing, tot verlenging van den arbeidstijd. Omgekeerd evenwel, produceert harerzijds de verlenging van den arbeidstijd, een daling van de arbeidsprijzen en daarmede ook eene in dag- en weekloonen.

„Het stukloon, is niets dan een veranderden vorm van het tijdloon, zooals het tijdloon de veranderde vorm is, van de waarde, of van den prijs der arbeidskracht.

Bij het stukloon, ziet het er op ’t eerste gezicht uit, alsof de door den arbeider verkochte gebruikswaarde, niet de funktie van zijn arbeidskracht is, de levende arbeid, maar de reeds in het produkt belichaamde arbeid, en alsof de prijs van dezen arbeid niet, gelijk bij het tijdloon, door de breuk:

Dagwaarde der arbeidskracht.
—————————————————————
Arbeidsdag van een bepaald getal uren,

maar door de voortbrengingsgeschiktheid van den producent wordt bepaald.

Reeds aanstonds moet het geloof, dat zich aan dezen schijn vastklampt, sterk aan het wankelen worden gebracht, door het feit, dat beide vormen van het arbeidsloon ter zelfder tijd, in denzelfden tak van het bedrijf, nevens elkander kunnen bestaan”....

Op zich-zelf is het echter reeds duidelijk, dat het verschil van vorm in de uitbetaling van het arbeidsloon, aan zijn wezen niets verandert, hoewel de eene vorm, voor de ontwikkeling van het kapitalisme ook gunstiger kan zijn, dan de andere”.

Marx beschouwt vervolgens, de karakteristieke eigenschappen van het stukloon nader.

„De kwaliteit van den arbeid, wordt hier door het werk-zelf gecontrôleerd, dat de gemiddelde deugdzaamheid moet bezitten, wil de stukprijs ervan ten volle worden behaald. Het stukloon wordt dus naar deze zijde, tot eene der verschrikkelijkste bronnen van loonaftrek en van kapitalistische knevelarij.

Het biedt den kapitalist, een geheel bepaalden maat aan, voor de intensiteit van den arbeid. Slechts arbeidstijd, die zich in een van-te-voren bepaalde en langs den weg der ervaring vastgestelde hoeveelheid waren belichaamt, geldt hier als maatschappelijk noodwendigen arbeidstijd en wordt als zoodanig betaald. In de grootere kleêrmakerswerkplaatsen van Londen, wordt daarvandaan een zeker stuk arbeid, bijv. een vest, herleid tot een uur, een half uur etc.; het uur op 6 d. geraamd. Uit de praktijk is het daar bekend, hoe groot het gemiddelde produkt van een uur is. Bij nieuwe modes, reparaties etc., ontstaat dan kwestie tusschen ondernemer en arbeider, of een bepaald stuk arbeids = een uur etc. is, totdat ook hier de ervaring weder heeft beslist” ... „Daar kwaliteit en intensiteit van den arbeid, hier dus door den vorm van het loon zelve worden gecontrôleerd, wordt een groot deel van het arbeidstoezicht hiermede overbodig. Het vormt daarvandaan, zoowel de grondslag van het, vroeger geschilderde systeem der moderne huisarbeid, als een hiërarchisch geledend systeem van exploitatie en onderdrukking.... „Het stukloon vergemakkelijkt eenerzijds het tusschenschuiven van parasieten, tusschen kapitalisten en loonarbeiders; anderzijds onder-verhuring van den arbeid (subletting of labour). De winst van de tusschenpersonen, vloeit uitsluitend voort uit het verschil tusschen den arbeidsprijs, die de kapitalist betaalt en dat deel van dien prijs, dat aan den arbeider werkelijk ten goede komt. Dit systeem heet in Engeland karakteristiek „Zweetsysteem” („Sweating system”). Aan den anderen kant, veroorlooft het stukloon den kapitalist om met den hoofdarbeider,—in de manufaktuur met den chef van de groep, in de mijnen met den uitbreker der kolen etc., in de fabriek met den eigenlijken machinearbeider,—een contrakt voor zoo en zooveel per stuk af te sluiten; tegen een prijs, waarvoor die hoofdarbeider-zelf de aanwerving en de betaling van zijn hulparbeiders voor zijne rekening moet nemen. De exploitatie van den arbeider door het kapitaal, verwerkelijkt zich hier, door middel van de exploitatie van den arbeider door den arbeider”.... „Bij het tijdloon, heerscht op enkele uitzonderingen na, gelijk arbeidsloon voor dezelfde funkties, terwijl bij het stukloon de prijs van den arbeidstijd, als het ware door een bepaald kwantum van produkten gemeten wordt; het dag- of weekloon daarentegen wisselt af, met de individueele verschillen der arbeiders, waarvan de een slechts het minimum van een produkt in een bepaalden tijd levert, de ander het gemiddelde, de derde weder meer dan het gemiddelde. Met betrekking tot de werkelijke inkomsten (der arbeiders), springen hier dus groote verschillen in het oog, al naar de verschillen van geschiktheid, kracht, energie, uithoudingsvermogen etc. van den individueelen arbeider. Dit verandert natuurlijk niets, aan de algemeene verhouding tusschen kapitaal en loonarbeid. Eerstens, houden zich die individueele verschillen, voor de werkplaats in haar geheel, tegenover elkander in evenwicht, zoodat zij in een bepaalde arbeidstijd het gemiddelde produkt oplevert en het betaalde totaalloon, het gemiddelde loon voor de tak van bedrijf wordt. Tweedens, blijft de proportie tusschen arbeidsloon en méérwaarde onveranderd, omdat het individueele loon van den individueelen arbeider, in overeenstemming is met de door hem individueel geleverde hoeveelheid méérwaarde. Maar de grootere speelruimte, die het stukloon der individualiteit aanbiedt, streeft eenerzijds dáárheen, die individualiteit en daarmede het vrijheidsgevoel, de zelfstandigheid en de zelfcontrôle van den arbeider te ontwikkelen, anderzijds hunne concurrentie onder en tegenover elkander, te bevorderen. Het heeft daarvandaan de tendens, om, met de verheffing van de individueele arbeidsloonen boven het gemiddelde niveau, dit niveau-zelf te doen dalen. Waar een beproefd stukloon, zich sedert lang en traditioneel ingeburgerd heeft, en zijne naar-beneden-drukking bijzondere moeielijkheden opleverde, namen de werkmeesters dan ook maar zelden hunnen toevlucht, tot zijne gewelddadige verandering in tijdloon.”

„In elk land geldt een zekere gemiddelde intensiteit van den arbeid, beneden waarvan de arbeid, die bij de produktie eener waar méér dan den maatschappelijk-noodwendigen tijd verbruikt, er daarvandaan, niet als arbeid van normale kwaliteit kan gelden. Slechts een, boven de nationale doorsnede zich verheffende graad van intensiteit, verandert in een bepaald land de maat van de waarde, door den enkelen duur van den arbeidstijd. De middengraad van intensiteit van den arbeid, wisselt af van land tot land; zij is hier grooter, daar kleiner. Deze nationale doorsneden, vormen daarvandaan eene ontwikkelingstrap, welker maat-éénheid, de doorsneê-éénheid van den universeelen arbeid is. Vergeleken met de minder intensieve, produceert alzoo de meer intensieve nationale arbeid, in denzelfden tijd méér waarde, die zich dus in méér geld uitdrukt.”.....

„In de mate waarin in een land de kapitalistische produktiewijze ontwikkeld is, in diezelfde mate, verheffen zich daar ook de nationale intensiteit en produktiviteit van den arbeid, boven het internationale niveau. De verschillende quanta waren van denzelfden soort, die in de verschillende landen, onder gelijken arbeidstijd voortgebracht worden, hebben aldus ongelijke internationale waarde, die zich in verschillende prijzen uitdrukt, d. w. z. elk naar de internationale waarde van de verschillende geldsommen. De relatieve waarde van het geld, zal dus kleiner zijn, bij de natie met een ontwikkelde kapitalistische produktiewijze, dan bij die met een minder ontwikkelde. Hieruit volgt dus, dat het nominale arbeidsloon, het aequivalent van de arbeidskracht uitgedrukt in geld, eveneens hooger zal zijn bij de eerste natie, dan bij de laatste; wat geensdeels nog zeggen wil, dat dit als werkelijk loon geldt, d. w. z. als de, voor den arbeider ter beschikking gestelde hoeveelheid levensmiddelen.