Hoofdstuk IX.

Het akkumulatieproces van het kapitaal.

Wij hebben gezien, hoe geld tot kapitaal wordt en de loonarbeider voor zijnen arbeid, niet alleen niet de waarde van het voor de noodige produktiemiddelen uitgelegde deel van het kapitaal bekomt, maar ook nieuwe waarde voortbrengt, die gelijk is aan de waarde zijner arbeidskracht, plus de méérwaarde daarvan.

Maar met de verschijning van de méérwaarde, is de beweging van het kapitaal nog niet afgesloten. Zooals de waarde zich moet omzetten in geld, zoo moet ook de méérwaarde, op hare beurt, weder gerealiseerd worden in geld. Dit proces nu, gaat steeds voort, telkens evenwel, met eene waardevermeerdering, van de in de spheer der circulatie geworpen hoeveelheid waren.

„De kapitalist die de méérwaarde produceert, d. w. z. onbetaalden arbeid onmiddellijk uit de arbeiders pompt en in waren fixeert, is wel-is-waar, de eerste toe-eigenaar, maar geenszins de laatste bezitter dezer méérwaarde. Hij heeft haar achteraf steeds te deelen gehad, met kapitalisten, die in ’t algemeen genomen, andere funkties van de maatschappelijke produktie te vervullen hebben, met de grondeigenaren, enz. De méérwaarde splitst zich daarvandaan in verschillende deelen. Zijne onderdeelen komen aan verschillende categorieën van personen ten goede en verkrijgen verschillende, tegenover elkander, zelfstandig opgroeiende vormen, zooals winst, rente, handelswinst, grondrente etc.” Deze veranderde vormen van de méérwaarde, worden door Marx in het derde boek van „Das Kapital”, elk op zich zelf behandeld en geanalyseerd; het eerste Boek behandelt enkel maar eene kant van het totaalproces, n.l. het „onmiddellijke produktieproces van de méérwaarde.”

Dit produktieproces is ook, evenals het maatschappelijk proces, tegelijk een reproduktieproces. De maatschappij moet, onder welke voortbrengingsvorm dan ook, niet alleen consumptiemiddelen, maar ook produktiemiddelen voortbrengen. Is dus de produktie kapitalistisch van vorm, de reproduktie moet dit natuurlijk óók wezen. Brengt de maatschappelijke produktie méérwaarde voort, zoo ook de reproduktie. Wij houden ons dus op dit oogenblik met deze „eenvoudige reproduktie” gelijk Marx haar noemt, bezig.

„Het produktieproces wordt ingeleid, met den koop van de arbeidskracht voor een bepaalden tijd, en deze inleiding vernieuwt zich bestendig, zoodra de verkoopstermijn van den arbeid komt te vervallen en daarmede eene bepaalde produktie-periode, week, maand enz. afgeloopen is. Betaald wordt den arbeider echter eerst, nadat zijn arbeidskracht gewerkt heeft en zoowel hare eigene waarde, als de méérwaarde, daardoor in waren gerealiseerd zijn. Hij heeft aldus evenals de méérwaarde,—die wij voorshands slechts zullen beschouwen als het consumptiefonds der kapitalisten,—ook het fonds voor zijn eigene betaling, het variabel kapitaal voortgebracht, alvorens het in den vorm van arbeidsloon terugvloeit, en hij wordt slechts zoolang aan den arbeid gehouden, als hij dit gestadig op nieuw voortbrengt” ... „Het is een deel, van het door den arbeider-zelf gestadig gereproduceerde product, hetwelk in den vorm van arbeidsloon, voortdurend tot hem terugvloeit. De kapitalist betaalt hem de warenwaarde, zeer zeker in geld uit. Dit geld is evenwel de veranderde vorm van het arbeidsprodukt. Terwijl de arbeider, een deel van de produktiemiddelen in produkten verandert, zet zich een deel van zijn vroeger produkt terug om, in geld. Het is een arbeid van de vorige week, misschien een van het laatste half jaar, waarmede zijnen arbeid van heden, of die van het volgende half jaar, wordt betaald. De illusie welke de geldvorm hier teweeg brengt, verdwijnt dan ook dadelijk, zoodra in plaats van den individueelen kapitalist en den individueelen arbeider, de beschouwing treedt van: kapitalistenklasse en van arbeidersklasse. De kapitalistenklasse geeft der arbeidersklasse gedurig, aanwijzingen in geldvorm, op een deel van het door de laatste voortgebrachte en het door de eerste zich toe-geëigende produkt. Deze aanwijzingen geeft de arbeidersklasse, der kapitalistenklasse evenzoo gestadig weder terug en zij onttrekt haar daarmede, het haarzelve toevallend gedeelte van haar eigen produkt. De warenvorm van het produkt en de geldvorm van de waar, omsluieren slechts deze transaktie.

Het variabel kapitaal, is aldus slechts eene bepaalde historische verschijningsvorm van het fonds voor levensmiddelen of het arbeidsfonds, dat de arbeider voor zijn zelfbehoud en reproduktie behoeft, en dat hij, onder alle systemen van maatschappelijke produktie, steeds zelf produceeren en zelf reproduceeren moet. Dit arbeidsfonds, vloeit hem gedurig daarom in den vorm van betalingsmiddelen van zijn eigen arbeid toe, omdat zijn eigen produkt gedurig, in den vorm van kapitaal, van hem vervreemd wordt.”...

Om geld te veranderen in kapitaal, was het aanwezig zijn van eene waardeproduktie en eene warencirculatie, niet voldoende. Er moesten daartoe eerst, hier bezitters van waarde en ginds bezitters van waardescheppende substantie; hier bezitters van productie- en levensmiddelen, daar bezitters van niets dan arbeidskracht, tegen over elkander komen te staan, als koopers en verkoopers. Scheiding tusschen het arbeidsproduct en den arbeid-zelf, tusschen de objectieve arbeidsvoorwaarden en de subjektieve arbeidskrachten, was dus de feitelijk gegeven grondslag, was het uitgangspunt van het kapitalistisch produktie-proces.

„Wat echter in den aanvang het uitgangspunt was, dat wordt door middel van de enkele continuïteit van het proces, de eenvoudige reproduktie, steeds op nieuw geproduceerd en vereeuwigd, als het eigen resultaat van de kapitalistische produktie. Eenerzijds verandert het produktie-proces voortdurend den stoffelijken rijkdom in kapitaal, in waarde- en genotmiddelen voor de kapitalisten. Anderzijds komt de arbeider gestadig uit het proces, zooals hij er intrad,—persoonlijke bron van rijkdom, maar ontbloot van alle middelen om dezen rijkdom voor zich te verwerkelijken. Daar vóór zijn intrede in het proces, zijn eigen arbeid hem zelf ontvreemd wordt, dezen, door de kapitalisten zich wordt toegeëigend en bij het kapitaal wordt ingelijfd, belichaamt hij zich gedurende het proces, gestadig, in het produkt van vreemden. Daar het produktieproces, tegelijk het consumptieproces van de arbeidskracht door de kapitalisten is, verandert het produkt des arbeiders, niet alleen voortdurend in waren, maar in kapitaal; waarde, die de waardescheppende kracht uitzuigt, en levensmiddelen die personen koopen; produktiemiddelen, die den producenten tewerk zetten. De arbeider zelf, produceert daarvandaan gestadig den objektieven rijkdom als kapitaal, de hem vreemde, hem beheerschende en hem uitbuitende macht; en de kapitalist produceert even zoo gestadig, de arbeidskracht als subjektieve, van haar eigen belichamings- en verwerkelijkingsmiddelen gescheiden, abstrakte, een in de bloote lichamelijkheid van den arbeider bestaanden, bron van rijkdom, kortom den arbeider als loonarbeider. Deze gestadige reproduktie, of de vereeuwiging van den arbeider, is het sine-qua-non der kapitalistische produktiewijze.”....

„Van maatschappelijk standpunt beschouwd, is dus de arbeidersklasse, ook buiten het onmiddellijk arbeidsproces, even zoozeer het eigendom van het kapitaal, als het doode arbeidsinstrument. Zelfs hare individueele consumptie, is binnen zekere grenzen, niets dan een moment in het reproduktieproces van het kapitaal. Dit proces zelf, zorgt er wel voor, dat die zelfbewuste produktieinstrumenten niet wegloopen; terwijl het hun produkt, gestadig van pool naar tegenpool van het kapitaal verwijdert. De individueele consumptie zorgt eenerzijds, voor hare eigen instandhouding en reproduktie, anderzijds,—door vernietiging van levensmiddelen,—voor hare gestadige wederverschijning op de arbeidsmarkt. De romeinsche slaven waren door ketens, de loonarbeiders zijn door onzichtbare draden, aan hunne eigenaren gebonden. De schijn van hunne onafhankelijkheid, wordt hier echter, door de gestadige verwisseling der individueele loonheeren en door de fictio juris van het contrakt, gehandhaafd.”....

„Het kapitalistisch produktie-proces reproduceert alzoo, door zijn eigene voltrekking, de scheiding tusschen arbeidskracht en arbeidsvoorwaarden. Het reproduceert en vereeuwigt daarmede, de exploitatievoorwaarden van den arbeider. Het dwingt den arbeider gestadig tot verkoop van zijn arbeidskracht, om daarvan te leven en maakt telkens de kapitalisten geschikter tot dien koop, om er zich door te verrijken. Het is nu niet meer het toeval, hetwelk kapitalist en arbeider, als kooper en verkooper, tegenover elkander op de arbeidsmarkt brengt. Het is het alternatief van het proces-zelf, dat den een steeds als verkooper zijner arbeidskracht op de waren-markt terugslingert en zijn eigen produkt steeds in het koopmiddel van den ander doet veranderen. Inderdaad behoort de arbeider aan het kapitaal toe alvorens hij zich aan den kapitalist verkoopt. Zijne economische onderhoorigheid, wordt tegelijk tot een middel, en tegelijk omhuld door de periodieke vernieuwing van zijn zelf-verkoop, door de verwisseling zijner individueele loonheeren en de oscillatie (slingering), in den marktprijs van den arbeid.

Het kapitalistisch produktieproces, in zijnen samenhang beschouwd of als reproduktieproces genomen, produceert dus niet alleen méérwaarde, het produceert en reproduceert de kapitaalsverhouding zelf; aan de eene zijde dus kapitalisten, aan de andere zijde loonarbeiders.”

Hoe méérwaarde kapitaal wordt.

Het geval dat de méérwaarde, in haar geheel, door den kapitalist individueel wordt geconsumeerd, is uitzondering. De meerwaarde verandert, minstens voor een deel, weder in kapitaal. „Aanwending van méérwaarde of terugverandering van méérwaarde in kapitaal, is: akkumulatie van kapitaal.

Beschouwen wij dit proces, in de eerste plaats van het standpunt van den individueelen kapitalist. Een spinner heeft bijv. een kapitaal van 10,000 pd. St. uitgelegd, waarvan ⅘ in katoen, machines etc., het laatste vijfde in arbeidsloon. Hij produceert jaarlijks 240,000 pond garen, ter waarde van 12,000 pd. St. Bij een percentage van méérwaarde van 100 proc., steekt de méérwaarde in het meerprodukt of nettoprodukt van 40,000 pond garen, een zesde gedeelte van het brutoprodukt, tot een waarde van 2000 pd. St., dat door den verkoop gerealiseerd moet worden. Een waardesom van 2000 pd. St., is gelijk een waardesom van 2000 pd. St. Men kan het echter, noch dat geld aanzien noch kan men het eraan ruiken, dat het méérwaarde is. Het karakter van een waarde als méérwaarde toont aan, hoe het tot zijn eigenaar kwam, maar het verandert daardoor niets, aan den aard van die waarde of van het geld.

Om nu de nieuw gewonnen som van 2000 pd. St., in kapitaal om te zetten, zal dus de spinner,—alle andere omstandigheden gelijkblijvend,—vier-vijfde daarvan uitleggen in den aankoop van katoen etc. en een vijfde in den aankoop van nieuwe spinners, die op de markt, de levensmiddelen vinden zullen, welker waarde hij hen voorgeschoten heeft. Dan fungeert dat nieuwe kapitaal van 2000 pd. St. in de spinnerij, en brengt zijnerzijds weder een méérwaarde van 400 pd. St. voort.”...

Het is dus de oude geschiedenis: Abraham gewan Izaäk, Izaäk gewan Jakob enz. Het oorspronkelijke kapitaal van 10,000 pd. St., brengt een méérwaarde van 400 pd. St. voort, deze, wederom gekapitaliseerd, aldus in een tweede toegevoegd kapitaal veranderd, brengt een nieuwe méérwaarde van 80 pd. St. voort, enz.”


„De oorspronkelijke verandering van geld in kapitaal, voltrekt zich alzoo in de nauwkeurigste overeenstemming, met de economische wetten van de warenproduktie en met het uit hen afgeleid eigendomsrecht. In weerwil daarvan, leidt zij tot het volgende resultaat:

1) Dat het produkt den kapitalist toebehoort en niet den arbeider;

2) Dat de waarde van dit produkt, buiten de waarde van het uitgelegde kapitaal, eene méérwaarde bevat die den arbeider arbeid, maar den kapitalist niets gekost heeft en die, desniettegenstaande het eigendom van den kapitalist wordt;

3) Dat de arbeider zijn arbeidskracht behouden heeft en ze opnieuw verkoopen kan, zoodra hij daarvoor een kooper vindt.”....

„Dit resultaat wordt onvermijdelijk, zoodra de arbeidskracht door den arbeider-zelf, als waar, dus vrij wordt verkocht. Maar ook van deze stonde af aan, wordt de warenproduktie de algemeene—en wordt zij de typische produktievorm; eerst van hier af aan, wordt elk produkt a priori voor den verkoop geproduceerd, en gaat alle geproduceerde rijkdom door de circulatie heen. Eerst van daar, waar de loonarbeid haren basis is, dwingt de warenproduktie zich aan de geheele samenleving op. Maar ook eerst daar is het, dat zij al hare verborgene krachten ontvouwt. Te zeggen, dat de tusschenkomst van den loonarbeid de warenproduktie vervalscht, wil zeggen, dat de warenproduktie wil zij onvervalscht blijven, zich niet ontwikkelen mag. In dezelfde mate, zooals zij zich volgens hare eigene, immanente wetten voortontwikkelt tot kapitalistische produktie, in diezelfde mate slaan de eigendomswetten der warenproduktie om in wetten der kapitalistische toe-eigening.”

Marx keert zich vervolgens tegen die economisten, welke de akkumulatie van het kapitaal verklaarden uit de „onthouding” of de „spaarzaamheid” der kapitalisten; de z.g.n.: abstinentie- of onthoudingstheorie van de officieele economie, door den Engelschen econoom W. Nassau Senior het eerst geformuleerd. Deze laatste verklaarde, zegt Marx, „ik vertaal het woord kapitaal, als produktie-instrument beschouwd, door het woord onthouding!”

„Een deel der meerwaarde,” zegt Marx, „wordt door de kapitalisten als revenue verteerd, een ander deel als kapitaal aangewend of geakkumuleerd.

Bij een bepaalde hoeveelheid méérwaarde, zal een dezer deelen zooveel te grooter zijn, naar mate het andere kleiner is. Alle andere omstandigheden, als gelijkblijvend vooropgesteld, bepaalt de verhouding waaronder deze verdeeling zich voltrekt, de grootte der akkumulatie. Wie evenwel deze verdeeling onderneemt, dat is de kapitalist. Zij is dus de handeling van zijnen wil. Van dat deel van de door hem geheven schatting, dat hij akkumuleert, zegt men, hij bespaart het, omdat hij het niet opeet, d. w. z. omdat hij zijne funktie als kapitalist ermede uitoefent, n.l. de funktie om zich te verrijken, die hem is opgelegd.

Slechts in zooverre, als de kapitalist gepersonifieerd kapitaal is, heeft hij eene historische waarde, en dat historische recht van bestaan, als waarvan de geestige Lichnowsky zegt: „er geen datum van bestaat”. Slechts in zooverre, steekt zijn eigene transitive noodzakelijkheid, in de transitive noodzakelijkheid der kapitalistische produktiewijze. Maar in zooverre zijn dan ook, niet de gebruikswaarde en het genot, maar de ruilwaarde en derzelver vermeerdering, de hem voortstuwende motieven. Als fanatikus van de tot-waarde-making der waarden, dwingt hij onbarmhartig de menschheid tot produktie, om der produktie wille; daarvandaan dus, tot eene ontwikkeling van de maatschappelijke produktiekrachten en tot de voortbrenging van materieele produktievoorwaarden, welke alleen de reale basis voor eene hoogere ontwikkelingsvorm kunnen vormen, wier grondslag de volle en de vrije ontwikkeling van elk individu is. Slechts als personifikatie van het kapitaal, is de kapitalist respectabel. Als zoodanig, deelt hij met den schattenverzamelaar, de absolute tendens naar verrijking. Wat evenwel bij dezen, eene individueele manie schijnt te zijn, is bij den kapitalist, de werking van het maatschappelijk mechanisme, waarin hij niets dan een drijfrad is. Buitendien maakt de ontwikkeling der kapitalistische produktie, eene voortdurende verhooging, van het in eene industrieele onderneming vastgelegd kapitaal, tot eene noodzakelijkheid, en de concurrentie legt aan elken individueelen kapitalist, de immanente wetten van de kapitalistische produktiewijze, als uitwendige dwangwetten op de schouders. Zij dwingt hem voortdurend, zijn kapitaal uit te breiden, ten einde het te behouden en uitbreiden kan hij dit alleen, door middel van eene progressieve akkumulatie.

In zooverre als zijn doen-en-laten, slechts funkties zijn van het in hem levend, met een wil en bewustzijn begaafd zijnd kapitaal, geldt voor hem, zijn eigen private consumptie als een roof aan de akkumulatie van zijn kapitaal, gelijk in de italiaansche boekhouding, privaat-uitgaven op de débetzijde van den kapitalist tegenover het kapitaal figureeren. De akkumulatie, beteekent de verovering van de wereld, door den maatschappelijken rijkdom. Zij breidt met de massa van het geëxploiteerde menschen-materiaal, tegelijk, de direkte en de indirekte heerschappij van het kapitaal uit.

Maar deze erfzonde werkt overal door. Met de ontwikkeling der kapitalistische produktiewijze, van de akkumulatie en van den maatschappelijken rijkdom, houdt de kapitalist op eene bloote incarnatie van het kapitaal te wezen.”

Hij voelt een „menschelijk roeren” voor zijn eigene Adam en wordt er zoodoende toe gestemd, de dweperij voor ascese, als een vooroordeel van den ouderwetschen schattenverzamelaar te belachen. Terwijl de klassieke kapitalist, de individueele consumptie als een zonde aan zijne funktie en tegen de „onthouding” van de akkumulatie brandmerkt, is de meer moderne kapitalist in staat, de akkumulatie als een „ontzeggen” van het drijven naar genot, op te vatten. „Twee zielen wonen er, ach! in zijn borst, de eene wil zich van de andere scheiden!”

„In het historische begin van de kapitalistische produktiewijze,—en ieder kapitalistisch parvenu maakt zulk een historisch stadium, individueel door,—zijn de drang naar verrijking en de gierigheid, als absolute hartstochten overheerschend. Maar de vooruitgang van de kapitalistische produktie, schept niet alleen een wereld van genot, zij opent met de speculatie, benevens het credietwezen, duizenderlei bronnen voor plotselinge verrijking. Op een bepaalde hoogte van ontwikkeling, wordt eene conventioneele graad van verkwisting, die tevens te-pronk-stelling van rijkdom en daarvandaan credietmiddel is, zelfs tot eene noodzakelijkheid voor de affaire van den „ongelukkigen” kapitalist. De weelde wordt een onderdeel, dat in de representatiekosten van het kapitaal opgaat. Buitendien verrijkt de kapitalist zich niet, gelijk de gierigaard, naar verhouding van zijnen persoonlijken arbeid en zijne persoonlijke niet-consumptie, maar in die mate, waarin hij vreemde arbeidskracht uitzuigt en den arbeider onthouding van levensgenot opdwingt. Alhoewel daarom de verkwisting van den kapitalist, niet het bona fide karakter van de verkwisting der feodale heeren bezit, maar in haren achtergrond, veel meer smerige gierigheid en angstiger berekening op den loer liggen, groeit desniettegenstaande zijne verkwisting met zijne akkumulatie aan, zonder dat de een den ander afbreuk behoeft te doen. Daardoor ontwikkelt zich gelijktijdig in den trotschen borst van het kapitalistisch individu, een faust-achtig conflikt, tusschen den drang naar akkumulatie en den drang naar genot.”

Marx stelt in het licht, hoe tal van omstandigheden de akkumulatie in de hand kunnen werken en doen toenemen, door de expansiekracht van het kapitaal te doen vergrooten, zooals de exploitatie van mijnwerken, die van den bodem etc.

Algemeen resultaat: Terwijl het kapitaal de beide oer-vormen van den rijkdom,—arbeidskracht en bodem—bij zich inlijft, verwijdt het zijne expansiekracht, die hem veroorlooft de elementen zijner akkumulatie uit te breiden ook naar de overzijde van de, schijnbaar door zijn eigen grootte getrokken grenzen, getrokken door de waarde en de massa der reeds geproduceerde produktiemiddelen, uit welke het zijn bestaan put.

Een andere gewichtige faktor in de akkumulatie van het kapitaal, is de produktiegraad van den maatschappelijken arbeid.

„Met de produktiekracht van den arbeid groeit de produktenmassa aan, waarin zich eene bepaalde waarde, alzoo ook de méérwaarde van eene gegeven grootte, vertoont. Bij gelijkblijvende en zelfs bij dalende voet van de méérwaarde,—in zooverre zij slechts langzamer daalt, als de produktiekracht van den arbeid stijgt,—groeit de massa van het meerprodukt aan. Bij gelijkblijvende verdeeling derzelve, in revenue en toeslagkapitaal, kan daarvandaan de consumptie aangroeien, zonder afname van het akkumulatiefonds. De proportioneele grootte van het akkumulatiefonds kan zelfs op kosten van het consumptiefonds aangroeien, terwijl de goedkoopermaking der waren, voor de kapitalisten even zoo vele of meer genotmiddelen als voorheen, ter beschikking stelt. Maar met de aangroeiende produktiviteit van den arbeid, gaat, zooals men gezien heeft, de goedkoopermaking van den arbeider, alzoo een aangroeiend percentage van de méérwaarde hand aan hand, zelfs wanneer het reële arbeidsloon ook stijgt. Dit stijgt niet in verhouding tot de produktiviteit van den arbeid. Hetzelfde variabel kapitaal, zet alzoo meer arbeidskracht en daardoor meer arbeid in beweging. Dezelfde constante kapitaalwaarde, belichaamt zich in méér produktiemiddelen, d. w. z. in meer arbeidsmiddelen, arbeidsmateriaal en hulpstoffen, levert dus zoowel meer produkten vormers, als meer waardevormers of arbeidsopslurpers. Bij gelijkblijvende en zelfs afnemende waarde van het toegezet kapitaal, vindt daarom bespoedigde akkumulatie plaats. Niet alleen breidt zich de ontwikkelingstrap van de reproduktie stoffelijk uit, maar de produktie van de méérwaarde groeit ook sneller aan dan de waarde van het toegezet kapitaal.”....

„Bij een bepaalde exploitatiegraad van de arbeidskracht”—zoo eindigt Marx deze beschouwing—„wordt de hoeveelheid van de méérwaarde bepaald door het getal van de gelijktijdig uitgebuite arbeiders en dit beantwoordt, hoewel in afwisselende verhouding, aan de hoegrootheid van het kapitaal. Hoe meer het kapitaal dus door middel van de successievelijke akkumulatie aangroeit, des te meer groeit ook de som van waarden aan, die zich in consumptiefonds en akkumulatiefonds splitst. De kapitalist kan daarom flinker leven en tegelijkertijd zich meer „ontzeggen”. En tenslotte werken alle springveeren van de produktie zooveel te energieker, naarmate hare ontwikkelingshoogte zich, met de hoeveelheid van het voorgeschoten kapitaal, meer en meer verwijdt.”

Men zal uit deze beschouwingen bemerkt hebben, dat bij Marx, het kapitaal geen vaste grootte heeft, maar integendeel zéér elastisch is. Dit, in tegenoverstelling met de klassieke staathuishoudkunde die van oudsher ervan hield om het maatschappelijk kapitaal op te vatten als zijnde van een vaste grootte en van eene vaste werkingsgraad.

Als de typische vertegenwoordigers van die opvatting, noemt Marx in de eerste plaats, de staathuishoudkundige Jeremias Bentham. Maar zoowel Robert Malthus als James Mill, (de vader van John Stuart Mill) en MacCulloch, hielden aan dit dogma van de staathuishoudkunde vast. Zoodoende kwam de officieele economie na Adam Smith, tot de theorie van het „arbeidsfonds”. „Tot welke tautologie het voeren moet”, zegt Marx, „om de kapitalistische grenzen van het arbeidsfonds, om te dichten in zijn maatschappelijke natuurgrenzen, leert ons Prof. Fawcett: „Het circuleerende kapitaal van een land is zijn arbeidsfonds. Om daarom het doorsneê-geldloon dat elke arbeider bekomt te berekenen, hebben wij slechts eenvoudig dit kapitaal te deelen door het getal dat de arbeidersbevolking groot is”, zoo zegt deze professor.

Van den grootsten invloed was deze theorie van het „arbeidsfonds” zeer zeker op de stelsels die men er op heeft gebouwd. Als het variabel kapitaal van een vaste grootte is, dan is het begrijpelijk, dat er maar een zekere hoeveelheid levensmiddelen enz. onder de twee klassen, onder kapitalisten en arbeiders te verdeelen valt. Theoretiseert men nu nog verder, dat van die hoeveelheid er een gedeelte afgaat, bestemd voor het loon van de arbeiders, dat eveneens zijn vaste grootte heeft, dan spreekt het van zelve, dat men tot conclusies kan komen gelijk Robert Malthus er als volgt trok:

„Het getal arbeiders, dat in een land aan den arbeid kan worden gesteld, en de hoogte van hun loon, hangen af van de hoeveelheid der voorradige levensmiddelen. Is het loon te laag of kunnen vele arbeiders werk vinden, dan zal dit alleenlijk daarheen leiden, dat het getal der arbeiders zich sneller vermeerdert, dan de voorraad levensmiddelen. Het is de natuur, niet de produktiewijze, waaraan de ellende der arbeidersklasse moet worden geweten.”

Uit deze theorie, is de z. g. n. „bevolkingswet van Malthus” geboren, die nagenoeg door de gansche economische wetenschap echter sedert jaren is opgegeven. In den tijd waarin Marx evenwel schreef, was zij een dogma van de officieele staathuishoudkunde, waaraan niet mocht worden getwijfeld. Marx is haar het eerst, en wel zoo grondig te lijf gegaan, dat men kan zeggen, dat al wat nà hem over die „wet van Malthus” in kritischen zin is geschreven, slechts min of meer bedekt plagiaat is geweest, van de wijze waarop Marx aantoonde, hoe élke produktiewijze haar eigen bevolkingsleer heeft en hoe élke phaze in de kapitalistische produktiewijze, hare bevolkingstoestand met zich mede brengt zoo dat aldus van „natuurlijke bevolkingswetten” geen sprake kan zijn.

In het drie-en-twintigste hoofdstuk van „Das Kapital” gaat Marx de invloed na, die de aangroeiende akkumulatie van het maatschappelijk kapitaal op de arbeidersklasse heeft.

„Wasdom van kapitaal,” zegt hij, „sluit wasdom van zijn variabel, of in arbeidskracht omgezet bestanddeel, in zich. Een deel van de in het toeslagkapitaal omgezette méérwaarde, moet steeds terug-veranderd worden, in variabel kapitaal of in het voorgeschoten arbeidsfonds. Veronderstellen wij dat, nevens overigens gelijk gebleven omstandigheden, de samenstelling van het kapitaal onveranderd blijft, d. w. z. eene bepaalde massa productiemiddelen of constant kapitaal, steeds dezelfde massa productiemiddelen vereischen om in beweging te worden gezet, dan groeit klaarblijkelijk de vraag naar arbeid en het substitutiefonds der arbeiders, in verhouding tot het kapitaal zooveel te sneller aan, als het kapitaal te sneller aangroeit. Dewijl het kapitaal jaarlijks eene méérwaarde produceert, waarvan een deel jaarlijks tot origineel kapitaal geslagen wordt; daar dit inkrement [aanwas] zelf jaarlijks aangroeit met den toenemenden omvang van het bereids in funktie gestelde kapitaal, en daar eindelijk, onder de bijzondere spoorslag van den drang naar verrijking, zooals bijv. het openen van nieuwe markten, nieuwe spheren van kapitaalbelegging—als gevolg van nieuw-ontwikkelde maatschappelijke behoeften enz.—de ontwikkelingshoogte van de akkumulatie plotseling uitzetbaar kan worden, door enkel veranderde verdeeling van de méérwaarde of het meerprodukt in kapitaal en revenue; kunnen de akkumulatie-behoeften van het kapitaal, de aangroeing van de arbeidskrachten of van het aantal arbeiders, de vraag naar arbeiders hunnen toevoer overvleugelen, en zullen daarvandaan de arbeidsloonen stijgen.... „De meer of minder gunstige omstandigheden, waarin de loonarbeiders zich in het leven houden en vermeerderen, veranderen niets, aan het grondkarakter van de kapitalistische produktiewijze. Zooals de eenvoudige reproductie, voortdurend de kapitaalsverhoudingen zelven reproduceert,—kapitalisten aan den eenen kant, loonarbeiders aan den anderen,—zoo reproduceert de reproductie op uitgebreider schaal of de akkumulatie, de kapitaalsverhoudingen op uitgebreider schaal, in meer kapitalisten, of grootere kapitalisten aan de ééne pool, meer loonarbeiders aan de andere. De reproduktie van de arbeidskracht, die zich bij het kapitaal onophoudelijk als een middel tot waardevorming moet doen inlijven, die niet van hem loskomen kan, en welker onderhoorigheid aan het kapitaal alleen verduisterd wordt, door de verwisseling van den individueelen kapitalist waaraan zij zich verkoopt,—vormt inderdaad maar een moment in de reproduktie van het kapitaal-zelf. Akkumulatie van kapitaal is dus tevens vermeerdering van het proletariaat”....

„De wet van de kapitalistische produktie, die klaarblijkelijk aan de „natuurlijke bevolkingswet” ten grondslag ligt, komt eenvoudig hierop neer. De verhouding tusschen kapitaal, akkumulatie en de percentage van het loon, is niets dan de verhouding tusschen den onbetaalden, in kapitaal omgezetten arbeid en de tot beweging van het toeslag-kapitaal benoodigde hoeveelheid toegevoegden arbeid. Zij is dus geenszins een verhouding van twee van elkander onafhankelijke grootheden: eenerzijds de grootte van het kapitaal, anderzijds het getal van de arbeidersbevolking; zij is veelmeer in laatste instantie, de verhouding tusschen den onbetaalden en den betaalden arbeid, van dezelfde arbeidersbevolking. Groeit de hoeveelheid der door de arbeidersklasse geleverden, en door de kapitalistenklasse geakkumuleerden onbetaalden arbeid, snel genoeg aan, om slechts door eene buitengewone toeslag van betaalden arbeid, zich om te kunnen zetten in kapitaal, dan stijgt het loon, en, al het andere gelijkgebleven, neemt de onbetaalde arbeid dan in verhouding af. Zoodra evenwel deze afname het punt beroert, waar de, het kapitaal voedende méérwaarde, niet meer in normale hoeveelheid aangeboden wordt, dan treedt er eene reaktie in: een geringer deel van de revenue wordt gekapitaliseerd, de akkumulatie verlamt en de stijgende loonbeweging verkrijgt een terugslag. De verhooging van den arbeidsprijs, blijft dus eng besloten binnen grenzen, welke de grondslagen van het kapitalistisch systeem niet alleen onaangetast laten, maar ook nog zijne reproduktie op aangroeiende schaal blijven verzekeren. Deze in een natuurwet gemystificeerde, wet van de kapitalistische akkumulatie, wil dus feitelijk slechts zeggen, dat hare aard, elke zoodanige afname in den exploitatiegraad van den arbeid of elke zoodanige verhooging van den arbeidsprijs uitsluit, welke de gestadige reproduktie van de kapitaalsverhoudingen en hunne reproduktie op steeds uitgebreider schaal, ernstig in gevaar kunnen doen brengen. Dit kan niet anders zijn, onder een produktiewijze, waarin de arbeiders voor de behoeften van de waarde-schepping der voorradige waarden bestaan, in plaats van omgekeerd, dat de belichaamde rijkdom er voor de ontwikkelingsbehoefte van de arbeiders is. Zooals de mensch, in den godsdienst door het maaksel van zijn eigen hoofd, zoo wordt hij onder de kapitalistische produktiewijze, door het maaksel zijner eigene handen beheerscht.”

Concentratie van het kapitaal.

De algemeene grondslagen van het kapitalistisch systeem eenmaal gegeven, treedt in het verloop van de akkumulatie telkens een punt te voorschijn, waarop de ontwikkeling der produktiviteit van den maatschappelijken arbeid, de machtigste hefboom wordt der akkumulatie. „Dezelfde oorzaak,” zeide reeds Adam Smith, „welke de loonen verhoogt, n.l. de toename van kapitaal, drijft tot verhooging der produktieve geschiktheden van den arbeid en stelt eene kleinere hoeveelheid arbeids, in staat, om eene grootere hoeveelheid van produkten voort te brengen.” Marx zegt:

„Afgezien van natuurlijke voorwaarden, als vruchtbaarheid van den bodem etc., en van de omstandigheden onafhankelijke, en geïsoleerd arbeidende producenten, dewelke zich echter meer kwalitatief, in de deugdelijkheid, dan kwantitatief in de massa van het gemaakte werk zal vertoonen, drukt zich de maatschappelijke produktiegraad van den arbeid uit, in de relatieve grootheidsomvang der produktiemiddelen, welke een arbeider gedurende een zekeren tijd, met dezelfde inspanning van arbeidskracht, in produkt kan omzetten. De massa der produktiemiddelen, waarmede hij funktioneert, groeit aan, met de produktiviteit van den arbeid.”.... „Bijv. met de manufaktuurmatige verdeeling van den arbeid en de toepassing der machinerie, wordt in denzelfden tijd meer grondstof verwerkt, treedt dus eene grootere massa van grondstof met hulpmaterieel, het arbeidsproces binnen. Dat is het gevolg van de aangroeiende produktiviteit van den arbeid. Aan den anderen kant, is de massa van in gebruik genomen machinerie, arbeidsvee, minerale mest, draineerings-inrichtingen enz. de voorwaarde voor groeiende produktiviteit van den arbeid. Evenzoo, de massa van de in bouwwerken, hoogovens, transportmiddelen etc. geconcentreerde hoeveelheid produktiemiddelen. Hetzij evenwel voorwaarde, hetzij gevolg, de groeiende grootte-omvang van de produktiemiddelen, in vergelijking tot de bij haar ingelijfde arbeidskracht, drukt de aangroeiende produktiviteit van den arbeid uit. De toename der laatste, verschijnt dus in de afname der arbeidsmassa, in verhouding tot de door haar voortbewogen massa van produktiemiddelen, of in de grootte-afname van den subjektieven faktor van het arbeidsproces, vergeleken met zijne objektieve faktoren.

Deze verandering in de technische samenstelling van het kapitaal, de groeiing der massa van produktiemiddelen, vergeleken met de massa van de haar doen-levende arbeidskracht, spiegelt zich terug in hunne waardesamenstelling, in de toename van het constante bestanddeel der kapitaalswaarde, op kosten van zijn variabel bestanddeel. Er worden bijv. van een kapitaal, procentsgewijs berekend, oorspronkelijk elke 50 proc. in produktiemiddelen en elke 50 proc. in arbeidskrachten vastgelegd; later, met de ontwikkeling van den produktiegraad van den arbeid, elke 80 proc. in produktiemiddelen en elke 20 proc. in arbeidskrachten etc. Deze wet van den stijgenden groei van het constante deel van het kapitaal, in verhouding tot zijn variabel deel, wordt bij elke schrede bevestigd, door eene vergelijkende analyse van de prijzen der waren, hetzij dat wij verschillende economische tijdperken van eene enkele natie bij elkaâr vergelijken, of die van verschillende naties, in hetzelfde tijdstip. De relatieve grootte van het prijselement, die slechts de waarde van de verteerde produktiemiddelen, of het constante deel van het kapitaal vertegenwoordigt, zal in direkte, de relatieve grootte van het andere, de arbeid betalende of het variabel deel van het kapitaal vertegenwoordigende prijselement, zal, over het algemeen, in omgekeerde verhouding staan, tot de vooruitgang der akkumulatie.”...

„Op de grondslag der waren-produktie, waarbij de produktiemiddelen het eigendom van private personen zijn, waarin de handarbeider, of geïsoleerd en zelfstandig waren voortbrengt of zijn arbeidskracht als waar verkoopt,—omdat hem de middelen tot eigenbedrijf ontbreken—realiseert zich deze voorwaarde slechts door den groei van de individueele kapitalen, of in die mate, waarin de maatschappelijke produktie- en levensmiddelen tot privaat eigendom der kapitalisten worden omgezet. De bodem der waren-produktie, kan de produktie op groote schaal slechts dragen, in haren kapitalistischen vorm. Een zekere akkumulatie van kapitaal in handen van individueele waren-producenten, vormen daarom de voorwaarde voor de specifiek kapitalistische voortbrengingswijze..... „Maar methodes tot vermeerdering van de maatschappelijke produktiekracht van den arbeid, die op dezen grondslag verrijzen, zijn tegelijkertijd, methodes tot vermeerderende produktie van de méérwaarde of van het meerprodukt, hetwelk zijnerzijds, wederom het scheppingselement van de akkumulatie is. Zij zijn dus tegelijkertijd, methodes ter voortbrenging van kapitaal door kapitaal, of methodes tot zijne bespoedigde akkumulatie. De onophoudelijke terugontwikkeling van méérwaarde in kapitaal, doet zich kennen, als de aangroeiende grootte, van het in ’t produktieproces opgaande kapitaal. Deze wordt harerzijds tot grondslag eener meer uitgebreide voet van produktie, van de haar begeleidende methodes tot verhooging van de produktiekracht van den arbeid en tevens tot bespoedigder produktie van méérwaarde. Wanneer dus telkens, een zekere graad van kapitaals-akkumulatie, als voorwaarde voor de specifiek kapitalistische produktiewijze te voorschijn komt, veroorzaakt deze laatste, op terugwerkende wijze, een bespoedigde akkumulatie van het kapitaal. Deze beide economische faktoren brengen, naar mate van de samengestelde verhouding, van de afstooting die zij wederzijds op elkander uitoefenen, de wisseling voort in de technische samenstelling van kapitaal, waardoor zijn variabel bestanddeel steeds kleiner en kleiner wordt, vergeleken met zijn constant deel.

Elk individueel kapitaal is een grootere of kleinere concentratie van productiemiddelen, met een zich daarmede in overeenstemming bevindend commando, over een grooter of kleiner leger van arbeiders. Het breidt, met de vermeerderde massa van den als kapitaal funktioneerenden rijkdom, ook zijne concentratie in de handen der individueele kapitalisten, daarvandaan de grondslag van de produktie op groote schaal, en de specifiek kapitalistische produktie-methoden uit. De groei van het maatschappelijk kapitaal, voltrekt zich in den groei van vele, individueele kapitalen. Alle andere omstandigheden als gelijkblijvend aangenomen, groeien de individueele kapitalen,—en met hen de concentraties van produktiemiddelen,—in die verhouding aan, waarin zij aliquote (gelijkdeelende) deelen van het maatschappelijk totaal-kapitaal vormen. Tegelijkertijd scheuren zich dan afstootsels van de oorsprong-kapitalen los en funktioneeren als nieuwe, zelfstandige kapitalen. Een groote rol speelt hierbij, onder anderen, de verdeeling van vermogens in kapitalisten-families. Met de akkumulatie van kapitaal groeit daarvandaan ook, meer of minder, het aantal kapitalisten aan. Twee punten karakteriseeren deze soort van concentratie, welke onmiddellijk op de akkumulatie berust, of veelmeer, met haar identiek is. Ten eerste: de aangroeiende concentratie der maatschappelijke produktiemiddelen in de handen van de individueele kapitalisten wordt, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, beperkt, door den graad van wasdom in den maatschappelijken rijkdom. Ten tweede: het in elke produktiespheer vastgelegde deel van het maatschappelijk kapitaal, wordt verdeeld onder vele kapitalisten, welke tegenover elkander staan als onafhankelijke, en met elkander concurreerende warenvoortbrengers. De akkumulatie en de haar begeleidende concentratie, worden dus niet alleen op vele punten gesplitst, maar ook de aangroeing van de funktioneerende kapitalen, wordt doorkruist door de vorming van nieuwe, en de splitsing van oude kapitalen. Doet zich daarvandaan de akkumulatie eenerzijds voor, als de aangroeiende concentratie der produktiemiddelen en van commando’s over arbeid, zoo doet zij zich anderzijds aan ons kennen, als repulsie (afstooting) van vele individueele kapitalen onder elkander.

Deze versplintering van het maatschappelijk totaal-kapitaal, in vele individueele kapitalen, of deze repulsie van zijn onderdeelen van elkander, werkt zijne attraktie tegen. Het is hier niet meer de eenvoudige, met de akkumulatie identieke, concentratie van produktiemiddelen en het commando over den arbeid, het is de concentratie van reeds gevormde kapitalen, de opheffing van hunne individueele zelfstandigheid, de onteigening van kapitalist door kapitalist, het omzetten van vele kleinere, in weinige grootere kapitalen. Dit proces onderscheidt zich van het eerste daardoor, dat het slechts veranderde verdeeling van reeds voorradige en funktioneerende kapitalen veronderstelt en zijn speelruimte, dus niet door de absolute wasdom van den maatschappelijken rijkdom of de absolute grenzen der akkumulatie wordt beperkt. Het kapitaal zwelt hier, in eene hand tot een groote massa aan, omdat het daar, in vele handen, verloren gaat. Dit is de eigenlijke centralisatie, in onderscheiding met akkumulatie en concentratie.”

Welke de wetten zijn, die deze centralisatie der kapitalen of de attrakties van kapitaal tot kapitaal beheerschen, wordt hier door Marx niet verder behandeld, dat geschiedt in het tweede deel van zijn werk. Eene aanduiding evenwel wordt hier in algemeene trekken gegeven: „De concurrentiestrijd wordt gevoerd door de goedkoopermaking der waren. Deze goedkoopermaking der waren hangt, caeteris paribus, (onder overigens gelijke omstandigheden) af van de produktiviteit van den arbeid, deze echter weder, van de ontwikkelingstrap welke de produktie heeft bereikt. De grootere kapitalen verslaan daarvandaan de kleinere. Verder herinnert men zich, dat met de ontwikkeling van de kapitalistische produktiewijze, de minimum-omvang van het individueele kapitaal, dat benoodigd is om een bedrijf onder zijn normale voorwaarden te drijven, aangroeit. De kleinere kapitalen dringen zich daarvandaan in produktiespheren, welke door de groote industrie nog maar sporadisch, of onvolkomen zijn aangetast. De concurrentie werkt hier onvermoeid voort, in direkte verhouding tot het aantal, en in omgekeerde verhouding, tot de grootte der rivaliseerende kapitalen. Zij eindigt steeds met den ondergang van vele kleine kapitalisten, welker kapitalen, deels overgaan in handen van den overwinnaar, deels ondergaan. Afgezien hiervan, vormt zich nog met de kapitalistische produktiewijze een gansch nieuwe macht, het credietwezen, dat in zijn begin op den achtergrond,—als de bescheidene helper van de akkumulatie,—nu naar binnen sluipt langs onzichtbare draden, de over de oppervlakte der samenleving, in grootere of kleinere massa’s verspreide geldmiddelen, in handen van individueele of met elkander geassocieerde kapitalisten trekt, maar dan schielijk een nieuw en vruchtbaar wapen wordt in den concurrentiestrijd, om zich ten slotte in een reusachtig sociaal mechanisme, dat tot centralisatie van kapitalen dient, te veranderen.”

„De centralisatie,” zegt Marx verder, „vervolkoment het werk der akkumulatie, doordien zij de industrieele kapitalisten in staat stelt, de voet hunner operaties uit te breiden. Hetzij dit laatste resultaat nu het gevolg is, van de akkumulatie of van de centralisatie; hetzij zich de centralisatie voltrekt langs den gewelddadigen weg van annexatie,—waar zekere kapitalen op zoo overwegende wijze gravitatie-middelpunten worden voor anderen, dat zij diens individueele cohesie breken en dan de op zichzelf-staande deelen tot zich trekken,—of dat de versmelting der reeds gevormde, respektievelijk in die vorming inbegrepen kapitalen, door middel van de geleidelijke aktie, door de vorming van naamlooze vennootschappen geschiedt—de economische uitwerking blijft dezelfde. De aangegroeide uitdijding van de industrieele établissementen, vormt overal het uitgangspunt voor een omvattender organisatie der totaal-arbeid van velen; voor een breeder ontwikkeling harer materieele drijfkrachten, d. w. z. voor de voortschrijdende revolutioneering van individueele, en volgens de traditie gedreven produktie-processen, in maatschappelijk-gecombineerde en wetenschappelijk-gedisponeerde produktieprocessen.”

Marx wijst er nog vervolgens op, dat de akkumulatie een veel langduriger proces is, dan de centralisatie. „De wereld,” zegt hij, „ware nog niet van spoorwegen voorzien, als zij had moeten wachten, totdat de akkumulatie enkele kapitalisten ertoe gebracht had, opgewassen te zijn, tegen het bouwen van een spoorweg. De centralisatie daarentegen, heeft dit met een handomdraaien klaar gespeeld, door middel van de maatschappijen op aandeelen. En terwijl de centralisatie, aldus de werkingen der akkumulatie verhoogt en bespoedigt, breidt zij uit,—en bespoedigt zij gelijktijdig,—de omwentelingen in de technische samenstelling van het kapitaal, die deszelfs constant deel, doen vermeerderen op kosten van zijn variabel deel en daarmede de relatieve vraag naar arbeid doen verminderen.

De door centralisatie, over nacht als het ware, tezaâm gesmede kapitaal-massa’s, reproduceeren en vermeerderen zich gelijk de anderen, slechts vlugger, en worden hiermede tot nieuwe, machtige hefboomen voor de maatschappelijke akkumulatie. Als er dus sprake is van vooruitgang der maatschappelijke akkumulatie, dan zijn daar—heden ten dage—de werkingen der centralisatie stilzwijgend onder begrepen.”

De industrieele reservearmée.

Het, door de voortgang der akkumulatie, opnieuw gevormde kapitaal, verschaft in verhouding tot zijne grootte, steeds aan minder arbeiders werk. Gelijktijdig met de akkumulatie, gaat ook de revolutioneering van het oude kapitaal haren gang. Marx toonde het aan, hoe de centralisatie daarvoor de machtigste hefboom is. Volgens de Malthusianen is de „overbevolking” het gevolg hiervan, dat de levensmiddelen, (men moest zeggen: het variabel kapitaal) aangroeien, in de arithmetische progressie-reeks van 1: 2: 3: 4: 5: enz. terwijl de bevolking de tendens heeft, zich in de geometrische reeks van 1: 2: 4: 8: 16: enz. te vermeerderen. Daarom leerden Malthus c. s., dat de bevolking de produktie der levensmiddelen vooruit ijlde ten gevolge waarvan de ondeugd en de ellende ontstonden.

Wat evenwel progressief voortgaat, is de afname van het variabel kapitaal, gelijktijdig met de wasdom van het totaal-kapitaal. Het variabel kapitaal, zoo het oorspronkelijk ½ was van het totaal-kapitaal, wordt progressief ⅓, ¼, ⅕, ⅙ enz. van het totaal-kapitaal. Marx zegt:

„Deze, door de wasdom van het totaal-kapitaal bespoedigde en sneller dan zijn eigen aanwas bespoedigde, relatieve afname van zijn variabel bestanddeel, schijnt aan de andere zijde, omgekeerd steeds sneller absolute aanwas der arbeidersbevolking te zijn, als aanwas van het variabel kapitaal of van de middelen ter hunner werkverschaffing. De kapitalistische akkumulatie produceert veeleer, en wel in verhouding tot hare energie en haren omvang, gestadig eene relatieve, d. w. z. eene voor de gemiddelde behoefte tot waardemaking van het kapitaal overtollige, dus eene overvloedige of bijgevoegde arbeidersbevolking.”....

„Met de grootte van het reeds funktioneerend, maatschappelijk kapitaal en de graad van zijn aanwas; met de uitbreiding van de produktie-trappen en de massa der in beweging gezette arbeiders; met de ontwikkeling der produktiekracht hunner arbeid, met den breederen en volleren stroom van alle fonteinen des rijkdoms, verwijdt zich ook de ontwikkelingshoogte, waarop grootere attraktie der arbeiders door het kapitaal, met grootere repulsie van hetzelve verbonden is, nemen de snelheid van de wisseling in de organische samenstelling van het kapitaal en zijn technische vorm toe en zwelt de cirkel der produktiespheren aan, welke er dan gelijktijdig, dan bij afwisseling, door worden aangegrepen. Met de door haar zelf geproduceerde akkumulatie van het kapitaal, produceert de arbeidersbevolking alzoo, in steeds groeiender mate, de middelen voor haar eigene relatieve overtolligmaking. Dit is eene, aan de kapitalistische produktiewijze eigenaardige bevolkingswet, gelijk feitelijk elke produktiewijze, hare bijzondere, historisch geldende bevolkingswet heeft. Eene abstrakte bevolkingswet, kan alleen maar onder planten en dieren heerschen, in zooverre daar althans de mensch niet historisch ingrijpt.

Waar evenwel een surplus-arbeidersbevolking, het noodwendig produkt is van de akkumulatie of van de ontwikkeling van den rijkdom op kapitalistischen grondslag, daar wordt deze arbeidersbevolking, omgekeerd, tot een hefboom der kapitalistische akkumulatie, ja, tot een bestaans-noodzakelijkheid voor de kapitalistische produktiewijze zelve. Zij vormt een disponibele, industrieele reserve-armée, die aan het kapitaal evenzoo absoluut toebehoort, alsof hij haar op zijn eigen kosten grootgebracht had. Zij schept het, voor zijne afwisselende waarde-scheppings-behoeften, steeds bereidvaardige, exploitabele menschen-materiaal, dat onafhankelijk is van de grenzen der feitelijke bevolkingstoename.”

Marx voert verder, historische en economische bewijzen uit de engelsche industrietoestanden aan, voor de absolute afname van het aantal aan den arbeid zijnde arbeiders, bij, naar verhouding gelijkblijvende, uitbreiding van de produktie. „De beweging van de wetten van vraag en aanbod van den arbeid, op deze basis, voltooit de despotie van het kapitaal,” zegt hij. „De ijzeren loonwet” eveneens een dogma der oudere officieele economie, wordt echter daardoor geen werkelijkheid.

„Zoodra, eindigt Marx hier, „de arbeiders achter het geheim komen, dat in dezelfde mate waarin zij meer arbeiden, meer vreemden rijkdom produceeren, en de produktiekracht hunner arbeid aangroeit, zelfs hunne funktie, als een middel tot waardeschepping voor het kapitaal, meer precair voor hen wordt; zoodra zij ontdekken, dat de intensiteitsgraad van de concurrentie onder hen, zelfs geheel en al van den druk der relatieve overbevolking afhankelijk geworden is; zoodra zij daarvandaan door Trade Unions enz. een planmatige samenwerking tusschen arbeidenden en arbeidsloozen pogen te organiseeren, om de ruïneerende gevolgen van deze natuurwet der kapitalistische produktiewijze op hunne klasse, te breken of te verzwakken, toornen het kapitalisme en zijn sykophanten, de staathuishoudkunde, terstond over aantasting der „eeuwige” en om zoo te zeggen „heilige” wetten van vraag en aanbod. Elke samenwerking tusschen arbeidenden en arbeidsloozen, stoort dan namelijk het „zuivere” spel van deze wet! Zoodra anderzijds echter, in de koloniën bijv., tegenwerkende omstandigheden, de schepping der industrieele reserve-armee en met haar, de absolute afhankelijkheid der arbeidersklasse van de kapitalistenklasse verhinderen, rebelleert het kapitaal tegen deze „heilige” wet van vraag en toevoer en zoekt haar door dwangmiddelen op te heffen.”