Wij deelen nu de „Vierentwintig stellingen” mede, die Owen den 5en Maart 1889 verdedigde in een openbaar debat, tegenover den Reverend Mr. Legg, een „dissenter.”
1. Van af de vroegste tijden der bekende geschiedenis, hebben alle menschelijke aangelegenheden berust, op fundamenteele fouten.
2. Die fouten waren: ten eerste, het geloof dat den mensch geschapen is met een vrijen wil, te gelooven, dat hij gevoelde en handelde, zooals het hem beliefde en dat hij daarom voor zijne gedachten, gevoelens en handelingen aan zijne medemenschen verantwoordelijk moet zijn. Ten tweede, het geloof dat de mensch zijn eigen karakter vormt, en dat hij daarom de maatschappij voor dezelve verantwoordelijk moet zijn, naar de mate van de begrippen van degenen met wien hij tezamen leeft, hoe onverstandig en onzinnig deze begrippen ook mogen zijn.
3. Deze beschouwingen staan in tegenspraak met de feiten. En het is daarvandaan gemakkelijk te bewijzen, dat zij onverstandig en onzinnig zijn—schadelijk in den hoogsten graad, voor de eenheid, de vrede, de deugd en het geluk van het menschelijk geslacht—werkelijk van nut voor geen énkel individu, welken rang of welke positie hij ook, het zij in welk land ook mag toebehooren of bekleeden.
4. Deze dwalingen loopen door alle menschelijke verrichtingen, van af de vroegste tijden. Zij zijn van hetzelfde soort als deze dwaling, die duizende jaren geduurd heeft, dat de aarde vlak is en onbewegelijk, en dat de zon om haar heen draait.
5. Deze, in het oogvallende feiten, zijn met de ingebeelde voorstellingen, dat ieder mensch zijn eigen karakter, zijn eigen gevoelens en handelingen bepaalt, zoo handtastelijk in tegenstelling, dat deze dwalingen niet zoo lang den menschelijken geest hadden kunnen beheerschen, waren zij haar niet voortdurend opgedwongen geworden, door eene algemeene organisatie der maatschappij, bestaande uit eene drie-eenheid van machten, waartegen tot op heden geen individu, met het geringste uitzicht op succes, vermocht te strijden.
6. Deze drie-éénheid van macht bestaat primo uit: de geopenbaarde godsdiensten, door menschen uitgevonden; secundo: uit menschelijke wetten, en tertio: uit regeeringen, gesteund door de onwetendheid en door de zelfzucht der menschen. En deze maatschappelijke organisatie, heeft de heerschappij gekregen, over alle volkeren der aarde.
7. Deze organisatie kon bij die volken, welke de kunst hadden verkregen, om feiten en wetten van de natuur af te zien, en de wetenschappen uit haar af te leiden, niet in stand worden gehouden, zonder dat de maatschappij werd ingedeeld in klassen, waardoor de invloedrijksten en machtigste klassen, een open en schijnbaar recht verkregen, om deze organisatie in het leven te houden.
8. Geen lid der menschelijke familie, heeft eenig werkelijk belang bij de instandhouding van deze grondfouten, waarop de tegenwoordige samenleving berust, of bij de klassen-verdeeling, waardoor deze dwalingen, der menschheid worden opgedwongen.
9. Deze dwalingen, deze organisatie en deze klassen-indeeling, zijn de eenige oorzaken der onwetendheid en van de armoede; van den tweespalt tusschen geest en belang, van de hartstochten, de ondeugden, de misdaden; kortom, van het totaal van ellende, waarvan tot nog toe, de geheele menschelijke samenleving doordrongen is geweest.
10. Zoolang deze grondfouten, deze organisatie en deze klassenverdeeling door de autoriteiten en door de publieke opinie worden ondersteund, is eene genezing van het kwaad niet te verwachten.
11. Wanneer de wil van het volk ten opzichte van deze, de welvaart en het geluk van elk individu in zich bevattende kwesties, verheldering wenschte en tot eene oplossing wilde komen, zijn er tegenwoordig genoeg middelen voorhanden, om allen die tot het menschelijk geslacht behooren, beter, wijzer, deugdzamer, rijper en gezonder te maken dan ooit te voren—zelfs met de individuen der bevoorrechte klassen—het geval is geweest.
12. Het is thans, buiten allen twijfel van het hoogste belang voor de menschheid, voor elk menschelijk wezen, onverschillig van welken rang of positie, dat deze grondfouten der samenleving, die der organisatie en die verdeeling in klassen, publiek en zonder eenig voorbehoud worden veroordeeld en worden opgegeven.
13. De verwerving dezer kennis door een deel van de samenleving, is een genoegzaam bewijs, dat de tijd gekomen is, waarin deze groote omwenteling in den geest der menschen, zich begint te voltrekken.
14. De ontdekking van deze zeer gewichtige waarheden en de mededeeling derzelven aan het publiek van de beschaafde wereld, zal noodzakelijk tengevolge hebben, dat eene groote verandering bewerkstelligd en algemeen zal worden doorgevoerd; in weerwil van de nog heerschende onkunde en het aangekweekte vooroordeel.
15. Die omwenteling zal vrede, zal liefde en welstand, deugd en geluk in het menschelijk leven brengen, en er kunnen de grootste en de heerlijkste resultaten door worden bereikt.
16. Die grondfouten, die desorganisatie en die klassenverdeeling, zij hebben zekere verbindingen van uitwendige omstandigheden noodig gemaakt, om bij de klagelijke omstandigheid en de verwarring waarmede de zaken van de menschheid tot-nog-toe werden bestuurd en geleid, zoovele dwalingen te kunnen doen samenwerken.
17. De mensch was, is, en zal steeds zijn, het gewrocht zijner omgeving; van de omstandigheden om hem heen. De werking dezer omstandigheden wordt in geringe, niet nauwkeurig te bepalen mate gemodificeerd, door de eigenlijke gesteldheid en de verbinding van de organen en de geschiktheden van de individueele organisatie der menschen.
18. De hoogere of lagere ontwikkeling, de ellende, of het geluk van de menschen, hangen in zeer hoogen graad af, van den aard en den toestand der uiterlijke omstandigheden, welke den mensch omgeven.
19. De bevrijding van die hoofddwalingen, van de desorganisatie en de klassenverdeeling, welke in het verleden en het heden, den chaotischen, foutieven en onzinnigen toestand van de samenleving geschapen hebben, wordt in het leven geroepen door eene volkomene verandering van de, tegen het gezond verstand indruischende uitwendige omstandigheden, welke deze grondfouten, deze desorganisatie en deze klassenverdeeling ter hunne voortduring noodzakelijk gemaakt hebben, in tegenstelling met de nieuwe feiten, welke door den tijd en door de ervaring gestadig in een of ander deel van de wereld, tot ontwikkeling gekomen zijn.
20. Eene gansch nieuwe orde van de uitwendige omstandigheden, kan thans in het leven geroepen worden, met behulp der middelen, die onder de gemakkelijkste contrôle van de maatschappij kunnen staan. Eene orde van zaken scheppen, die onfeilbaar voor het menschelijk geslacht een hooger karakter als tot dusver bereikt is—en een verreweg hoogeren welstand voor allen, als tot dusverre geheerscht heeft zullen in het leven roepen, van omstandigheden, welke aan alle oorlogen en aan alle tweedracht tusschen personen, zoowel als tusschen volkeren, een einde kan maken. En eene welke vrede, vriendschap en liefde tot hun recht zullen doen komen en die een verreweg hoogeren graad, van bestendig toenemend weten en welzijn,—als tot dusverre gekend was,—voor alle menschen grondvesten zal.
21. Deze uitwendige omstandigheden zullen bestaan: uit zichzelf instandhoudende en op wetenschappelijke grondslag berustende instellingen voor de voortbrenging en de verdeeling van den rijkdom; voor de huiselijke gemakkelijkheid van allen; voor de ontwikkeling van het karakter van allen, van af de geboorte tot aan den ouderdom en van de lokale en algemeene regeering van allen, zonder ter hulpe te nemen, het tot dusver gevolgde onrechtvaardige en barbaarsche systeem, van persoonlijke straffen en persoonlijke belooningen.
22. Deze nieuwe instellingen zullen zijn, inrichtingen waarvan elk, voor de opname en de instandhouding eener gemeente van 500 tot 2000 personen (in de gewone verhouding van mannen, vrouwen en kinderen); welke gemeenten zich rijkelijk zelven onderhouden kunnen, met behulp van den hoogeren trap van hun weten en hun goed geleide nijverheidsvlijt, en ondersteund worden door de onbegrensde hulpmiddelen van de mechaniek en de chemie, welke tot bevrijding van alle ongezonde en weerzinwekkende verrichtingen van het leven, in praktijk kunnen worden gebracht.
23. Deze doeltreffende veranderingen van de uitwendige toestanden, welke er toe bestemd zijn, de gestadige vooruitgang en het steeds groeiende geluk van het menschelijk geslacht te verzekeren, kunnen met veel geringer offers van kapitaal, van tijd en van arbeid, toegepast en in stand gehouden worden, als thans noodig is, om den tegenwoordigen chaotischen en op tegenstrijdigheden berustenden toestand van de maatschappij, in stand te houden
24. De volkomen verandering van den tegenwoordigen, in den nieuwen toestand, kan plaats vinden, zonder eenige wanorde of verwarring teweeg te brengen, en kan door eene, op voor elk individu weldadige wijze, worden in ’t leven geroepen.
In den loop dier discussie had Owen nog verder de gelegenheid, om zijne meeningen nader uiteen te zetten. Hij zeide toen ook nog dit:
„Wanneer het nu toch zoo gemakkelijk is de dwalingen van de samenleving te bewijzen, hoe is het dan mogelijk, dat zij zich duizende jaren achtereen, hebben kunnen staande houden? Ik moet hierop antwoorden: door een drieëenigheid van machten—door geheimzinnige,—tegen het gezond verstand indruischende godsdiensten; door menschelijke wetten, die met de wetten der natuur in strijd zijn en door regeeringen, die op onrecht en geweld steunen. De gansche wereld wordt volgens deze principes geregeerd; ons geheele maatschappelijke systeem is er op gebaseerd. En onze belachelijke en domme verdeeling van de menschen in klassen, een toestand, wier weêrzinwekkendheid ik nu wil daar laten, is tegenwoordig de hoofdsteunpilaar van deze avontuurlijke en weêrzinwekkende verhoudingen.”
Owen nam nu een aantal houten wervels van verschillende grootte, waarmede hij de positie en de verhouding der verschillende klassen tot elkander, wilde aantoonen en verklaren.
„De grootste dezer wervels,” zeide hij, „stelt de totaal-bevolking van Groot-Brittanje voor. Die welke er in grootte op volgt en ongeveer het drie-vijfde van de grootte der grootste heeft, stelt de talrijkste klasse voor: die der arbeiders, welke de voortbrengers zijn van alle rijkdom en desniettegenstaande, in de diepste onwetendheid en armoede leven. Dat deze belangrijkste, de eenig onontbeerlijke klasse van de bevolking tot zulk een ellendig bestaan gedoemd is, kan geen enkel lid van de menschelijke samenleving tot waar voordeel strekken. De volgende wervel stelt voor: de dieven, de vagebonden en de paupers. De vierde, die welke de kleine-kramers voorstelt, heeft tot levensregel: goedkoop inkoopen en duur verkoopen. Dan volgen de kooplieden, bankiers, de groothandelaren, fabrikanten en de zoogenaamd geleerde standen. Dan het leger en de vloot, waarbij een mensch als een ruw en ongevormd wezen toetreedt, na weinig weken is gevormd tot een volkomen, niet-weder-te-herkennen individu, omgedrild en ingewijd wordt in de verbazend verhevene wetenschap om zijne medemenschen, op het gemakkelijkst naar een anderen wereld te helpen.
„Dan komen de grondeigenaren en de adel. Dan de clerus en de Huizen der Lords en de leden van het Lagerhuis. De kleinste wervel stelt de koninklijke familie, de bisschoppen en de aartsbisschoppen voor. En de groote massa nu wordt door dit allerkleinste werveltje geregeerd! Dit is toch wel een kinderachtige orde van zaken, waarbij niemand voordeel heeft!”
„Men heeft mij tegengeworpen,” zeide Owen vervolgens bij de discussie: „ik troost de menschen met de toekomst, ik spijzig hen met een wissel op de eeuwigheid! Wie kan echter van mij verlangen, dat ik de wereld verander met één handomdraaien? Ik wil geen wonderen verrichten; ik wil alleen de fouten en gebreken van den tegenwoordigen toestand en hare ontwikkeling aantoonen en de mogelijkheid aangeven, om tot verbetering dier toestanden te geraken. Heeft het Christendom soms het welzijn van de menschheid bevorderd, op de een of andere manier? Ik vraag U: wat hebben wij in de 1800 jaren, waarin de christelijke religie bestaan heeft, door dat christendom gewonnen? Welk nut heeft het ons gebracht? Wat waren zijne daden? Wat waren zijne werkingen? Ik heb alleen ontdekt, dat sedert het Christendom bestaat, de christenen van elken aard, van elke sekte, confessie en partij, gestadig elkander hebben bevochten; wegens hunne geloofstellingen, elkander in de haren zijn gevlogen en elkander uitgeroeid hebben!
„En wanneer ik bedenk, hoe de christenen overal en sedert alle tijden, door alle menschelijke ondeugden en fouten bevangen waren; hoe liefdeloos, hatelijk, egoïstisch en gruwzaam zij overal en ten allen tijde, onder elkander, en tegen andersdenkenden waren, dan, moet ik zeggen houd ik het voor een zeer groote dwaasheid, te spreken van de „zegeningen des christendoms.”....
„Ik weet niet wanneer de menschelijke samenleving verstandig zal zijn ingericht, maar dat weet ik er wel van, dat, wanneer dit eenmaal zal zijn geschiedt—en ik hoop dat dit niet zoo lang meer zal duren,—dat dan niet 1800 jaren behoefden te verloopen, alvorens de menschheid geleerd zal hebben, in vrede en vriendschap gelukkig onder elkander en met elkander te leven.”
....„Tegen de stelling, dat het karakter der menschen het produkt van uitwendige inwerkingen is, heeft men voorts aangevoerd, elk mensch heeft een hem aangeboren, hem ingeplant geweten. Niets kan meer in strijd zijn met alle waarheid en elke ervaring. De waarheid is deze: het geweten wordt juist zoo en net zoo gefabriceerd, als een katoenenstof of een of andere waar. Voor een Hindoe kunnen wij een Hindoe-geweten vervaardigen, voor een Kannibaal een kannibalen-geweten enz.....
„Men werpt mij tegen: ik wil den menschen tot machines maken. Laat dit zoo zijn; dan wil ik toch in elk geval goede machines van hen maken en dit is ongetwijfeld mogelijk. En zonderling, die menschen, die het in mij laken, dat ik den mensch voor het produkt der omstandigheden verklaar, loochenen het in weerwil daarvan, dat de menschen de omstandigheden contrôleeren kunnen en drijven hunne inkonsekwentie nog verder, waar zij aannemen, dat dezen mensch, die de omstandigheden niet vermag te contrôleeren, tòch voor zijne handelingen verantwoordelijk gesteld kan worden.”
Robert Owen had zijn gansche leven lang de illusie gekoesterd, en dit had hij gemeen met zijne tijdgenooten, de Utopisten in Frankrijk, dat de Vorsten en Grooten der aarde in hun eigen belang, gelijk hij meende, zijne sterkste medewerkers zouden worden bij zijn hervormingsplannen. Zijn geloof was ijdel; maar tot aan het laatst van zijn leven, dat hij zonderling genoeg, als spiritist eindigde, is hij, desondanks blijven gelooven aan de waarheid van zijn stelsels en aan de toekomst van zijne plannen.
In het jaar 1818, toen te Aken het congres der „Heilige Alliantie” tezamen kwam, wendde Owen zich tot deze bijeenkomst, om te trachten haar te winnen voor zijne wereld-hervorming. Hij richtte toen zijn „Adres aan de hoofden der Regeeringen en der Kerken en aan de Mannen van den leidenden invloed in de beschaafde Wereld”, waarin hij o. a. zeide:
„Opdat de groote en glorierijke hervorming van den toestand der menschen, zonder wanorde en verwarring, en zonder nadeel voor welk individu ook, zich kan voltrekken, behoorden de bestaande regeeringen, elk een of meer, van de ervarenste en voor dezen arbeid meest geëigende persoonlijkheden in de respektieve Staten te benoemen, welke een Congres zouden moeten bijeenroepen op een plaats, die zich daartoe het best leende, ten einde zich daarop te verstaan, omtrent de meest praktische maatregelen, waardoor eene hervorming op de voor beide deelen, regeeringen als volken, heilzaamste manier is tot stand te brengen.”
Natuurlijk had de „Heilige Alliantie” geen ooren naar Owen’s voorstellen, evenmin als zij dit had, naar die van de Saint-Simon of Charles Fourier, die zich tot haar wendden.
Wat de arbeidersbeweging in Engeland betreft, is Owen wel de eenige econoom van zijnen tijd geweest, die de beteekenis van de Trade Unions voor de positie van den arbeid tegenover die van het kapitaal, heeft begrepen. In den tijd van Owen, was er niet één staathuishoudkundige van naam, die niet in de individueele vrijheid het hoogste heil van de menschheid en voor de nijverheid, van het allervoornaamste gewicht achtte.
Owen trachtte de Trade Unions dienstbaar te maken aan zijne algemeene plannen, tot hervorming van den arbeid. Door middel van de algemeene Vakbond der Engelsche arbeiders trachtte hij dat te doen. Hij streefde hiermede, in den grond der zaak een denkbeeld na, dat aan de besten onder de Engelsche Trade Union-mannen steeds heeft voor den geest gestaan, maar tot op den huidigen dag, nog niet verwezenlijkt is.
In September 1833 hield Owen een toespraak op het Congres der „Builders-Union”, waarin hij de stelling ontwikkelde, dat de arbeid de bron is van alle rijkdom en dat die rijkdom voor de voortbrengers kon behouden blijven door een wereldverbond van de voortbrengende klassen. De stichting van een „Algemeenen Bond van de voortbrengende klassen” in 1834, was het gevolg van de Owensche agitatie. Hij werd gevolgd door die der „Grand National Consolidated Trade Unions”, die meerdere invloed had dan de eerstgenoemde, en welker agitatie en propaganda, zelfs, nadat hij zelve niet meer bestond, van grooten invloed is geweest op de denkbeelden van de vakvereenigingsmannen in Engeland. Het Owensche socialisme heeft in Engeland lange jaren eene krachtige school gevormd, onder arbeiders, zoowel als onder intellektueelen.
Tot Owen’s beste scholieren kan William Thompson worden gerekend, die, grondiger econoom, dan hij, vooral de theorieën uitwerkte en ze propageerde.
Den 17en November 1858 blies Owen, als een zwakke en op het laatst geheel hulpelooze grijsaard, den laatsten adem uit. Zijn laatste woorden waren, schrijft zijn zoon: „De verlossing is gekomen!” Zij was dit inderdaad voor den man, die zoo oud werd en in zijn leven van een groot vertrouwen in de menschheid, zooveel teleurstelling ondervond en zooveel smaad oogstte.
Wat Owen gemeen had met zijn groote tijdgenooten, Saint-Simon en Fourier, dat was zijne utopistische wereldhervormingzucht; wat hem van hen onderscheidde, dat was zijne praktische blik op de industrieele vooruitgang, waarvan door hem zoo dikwerf de blijken gegeven zijn.
Owen zag dan ook in de toename van de groot-industrie op nijverheidsgebied niets, dat aan-zich slecht is en verderfelijk, gelijk de conservatieve socialisten van zijn tijd bijv., maar iets dat alleen in staat is, de wereld beter te maken. Door de geweldige toename van den rijkdom, die alleen kon worden in het leven geroepen door de produktie op den grootst mogelijken schaal, alleen daardoor kon ook, volgens Owen, de menschheid datgene bereiken wat zij bereiken moest, n.l. een algemeen-maken van de opbrengsten van den arbeid: een communisatie van de nationale goederen. Owen wilde nooit terug, maar steeds vooruit.
En het is vooral hier, bij dat punt in Owen’s beschouwingen, dat de latere sociaal-demokraten, dat Marx heeft kunnen aanknoopen. Omdat, gelijk men later zal zien, Marx het kapitalistisch produktiestelsel als een historisch proces in de ontwikkeling der maatschappelijke produktie beschouwt, dat zich, hoofdzakelijk door zijn eigene voortontwikkeling, zelve oplossen moet.
De ontwikkelings- en bewegingswetten van het kapitalistische stelsel, waardoor dit zal moeten geschieden, heeft Marx later ontdekt. Maar dat de moderne groot-produktie op den grootstmogelijken voet en met de meest volmaakte produktiewerktuigen en krachten, de hefboom is, voor de vooruitgang van de menschheid naar de communistische samenleving, is een ontdekking door Robert Owen gedaan, in een tijd, toen de kapitalistische groot-industrie, in verhouding tot de middelen waarover zij later beschikte, nog in hare kinderschoenen stond.
De eene groote Utopist, de graaf de Saint-Simon, profeteerde dat de toekomst aan den arbeid was, en verklaarde de politiek voor de wetenschap der produktie. De andere, Charles Fourier, uit burgerlijker kringen voortgesproten, critiseerde op geweldige wijze de burgerlijke samenleving en toonde aan, „dat de armoede in onze maatschappij uit overvloed voortkomt.” En de derde, Robert Owen eindelijk, ontdekte den arbeid als den bron van allen rijkdom in de kapitalistische maatschappij, d. w. z. als de eenige voortbrenger der ruilwaarden; en ontdekte voorts, dat in de nijverheid, de menschheid niet terug moet naar de klein-produktie, maar integendeel, vérder voort moet op den weg van de groot-produktie. Bovendien heeft de laatste, praktisch aangetoond, den grooten invloed die er uitgaat van het stoffelijk milieu op den mensch en van de veranderingen, die deze als sociaal wezen, daardoor kan ondergaan. Al heeft dit Owen ook hier en daar overschat, het blijft een feit, dat hij der wereld met de bewijzen in den hand heeft aangetoond, van hoeveel gewicht, de verandering van het sociaal milieu op de samenleving is en kan worden.