decoratieve illustratie

UITSLAG VAN WEDSTRIJDEN,
die in het eerste hoofdstuk zijn besproken.

decoratieve illustratie
Oxford and Cambridge Eight-Oared Race.
De baan was in 1829 te Henley, in 1836 tot en met 1842 van Westminster naar Putney, daarna van Putney naar Mortlake.
Jaar. Overwinnaar. Tijd. Gewonnen met
1829 Oxford 14′ 30″ gemakkelijk.
1836 Cambridge 36′ 1′
1839 Cambridge 31′ 1′ 45″
1840 Cambridge 26′ 30″ ⅔ L.
1841 Cambridge 32′ 30″ 1′ 4″
1842 Oxford 30′ 45″ 13″
1845 Cambridge 23′ 30″ 30″
18461) Cambridge 21′ 5″ 2 L.
1848 Cambridge 22′ 3 L.
1849 Oxford aanvaring.
1852 Oxford 21′ 36″ 27″
1854 Oxford 25′ 29″ 11″
1856 Cambridge 25′ 50″ ½ L.
1857 Oxford 22′ 50″ 35″
1858 Cambridge 21′ 23″ 22″
1859 Oxford 24′ 30″ C. gezonken.
1860 Cambridge 26′ 1 L.
1861 Oxford 23′ 27″ 48″
1862 Oxford 24′ 40″ 30″
1863 Oxford 23′ 5″ 42″
1864 Oxford 21′ 48″ 23″
1865 Oxford 21′ 23″ 13″
1866 Oxford 25′ 48″ 15″
1867 Oxford 22′ 40″ ½ L.
1868 Oxford 21′ 6 L.
1869 Oxford 20′ 20″ 5 L.
1870 Cambridge 22′ 33″ 1 L.
1871 Cambridge 23′ 5″ 1 L.
1872 Cambridge 21′ 16″ 2 L.
18732) Cambridge 19′ 35″ 3 L.
1874 Cambridge 22′ 39″ 3 L.
1875 Oxford 22′ 2″ 10 L.
1876 Cambridge 20′ 20″ 8 L.
1877 dead heat 24′ 8″
1878 Oxford 22′ 15″ 10 L.
1879 Cambridge 21′ 18″ 4 L.
1880 Oxford 21′ 23″ 4 L.
1881 Oxford 21′ 51″ 3 L.
1882 Oxford 20′ 12″ ¼ L.
1883 Oxford gemakkelijk 3 L.
1884 Cambridge 21′ 39″ 3 L.
1885 Oxford 21′ 36″ 3 L.
1886 Cambridge 22′ 39″ ½ L.
Henley-on-Thames Royal Regatta
Diamond Challenge Sculls, for Scullers.
Jaar. Winner. Tijd.
1844 Bumpsted, Seullers's Club, London 10′ 32″
1845 Wallace, Leander 10′ 30″
1846 Moon, Magdalen Coll., Oxford.
1847 Maule, First Trinity, Cambridge 10′ 45″
1848 Bagshawe, Third Trin. Cambridge.
1849 T. R. Bone, London.
1850 T. R. Bone, Meteor C., London.
1851 E. G. Peacock, Thames C., London.
1852 E. Macnaghten, First Trin., Cambridge.
1853 Rippingall, Peterhouse, Cambridge 10′ 2″
1854 H. H. Playford, Wandle C., London.
1855 A. A. Casamajor, Argonauts C., London.
1856 A. A. Casamajor, Argonauts C., London 9′ 27″
1857 A. A. Casamajor, London R. C.
1858 A. A. Casamajor, London R. C.
1859 E. D. Brickwood, Richmond 10′
1860 H. H. Playford, London R. C. 12′ 8″
1861 A. A. Casamajor, London R. C. 10′ 4″
1862 E. D. Brickwood, Richmond 10′ 40″
1863 C. B. Lawes, Third Trin., Cambridge 9′ 43″
1864 W. B. Woodgate, Brasenose Coll., Oxford 10′ 3″
1865 E. B. Michell, Magdalen Coll., Oxford 9′ 11″
1866 E. B. Michell, Magdalen Coll., Oxford 9′ 55″
1867 W. C. Crofts, Brasenose Coll., Oxford 10′ 2″
1868 W. Stout, London R. C. 9′ 6″
1869 W. C. Crofts, Brasenose Coll., Oxford 9′ 56″
1870 J. B. Close, First Trinity, Cambridge 9′ 43″
1871 W. Fawcus, Tynemouth R. C. 10′ 9″
1872 C. C. Knollys, Magdalen Coll., Oxford 10′ 48″
1873 A. C. Dicker, St. John's Coll., Cambridge 9′ 45″
1874 A. C. Dicker, St. John's Coll., Cambridge 10′ 50″
1875 A. C. Dicker, Lady Margaret Club 9′ 15″
1876 F. L. Playford, London R. C. 9′ 28″
1877 T. C. Edwards-Moss, Brasenose Coll., Oxford 10′ 20″
1878 T. C. Edwards-Moss, Brasenose Coll., Oxford 9′ 37″
1879 J. Lowndes, Hertford Coll., Oxford 12′ 13″
1880 J. Lowndes, Hertford Coll., Oxford 9′ 10″
1881 J. Lowndes, Hertford Coll., Oxford 9′ 28″
1882 J. Lowndes, Jesus Coll., Cambridge 11′ 43″
1883 J. Lowndes, Kingston R. C. 10′ 2″
1884 W. S. Unwin, Magdalen Coll., Oxford 9′ 40″
1885 W. S. Unwin.

Wingfield Sculls
and the Championship of the Thames.

Baan van 1830–1849 Westminster–Putney,
1849–1861 Putney–Kew,
1861 Putney–Mortlake.
1830 J. H. Bayford.
1831 C. Lewis.
1832 A. A. Julius.
1833 C. Lewis.
1834 en 35 A. A. Julius.
1836 H. Wood.
1837 P. Colquhoun.
1838 H. Wood.
1839 H. Chapman.
1840 en 41 T. L. Jenkins.
1842 en 43 H. Chapman.
1844 T. B. Bumpsted.
1845 H. Chapman.
1846 C. Russell.
1847 en 48 J. R. L. Walmisley.
1849 F. Playford.
1850 en 51 T. R. Bone.
1852 E. G. Peacock.
1853 J. Paine.
1854 H. H. Playford.
1855–60 A. A. Casamajor.
1861 E. D. Brikwood 29′
1862 W. B. Woodgate 27′
1863 J. E. Parker 25′
1864 W. B. Woodgate 25′ 35″
1865 E. B. Lawes 27′ 4″
1866 E. B. Michell 27′ 26″
1867 W. B. Woodgate.
1868 W. Stout 26′ 52″
1869 en 70 A. de L. Long.
1871 W. Fawcus 26′ 13″
1872 C. C. Knollys 28′ 30″
1873 en 74 A. C. Dicker 24′ 40″ en 25′ 45″
1875–79 F. L. Playford 24′ 41″
1880 A. Payne 24′ 2″
1881 J. Lowndes 25′ 13″
1882 A. Payne 27′ 40″
1883 J. Lowndes.
1884 en 85 W. S. Unwin 24′ 12″

Championnat de France.
1853 tot 1856 Frédéric Lowe.
1857 tot 1861 Louis Armet.
1862 Edmond Gamby.
1863 Louis Huot.
1864–1867 Eug. Frébault.
1868, 69, 71 tot 75 Rég. Gesling.
1876 tot 1883 Alex. Lein.
1884 A. d'Hautefeuille.
1885 Louis Bidauld.
Match annuel
entre le Rowing-Club et la Société Nautique de la Marne.
gewonnen met
1880 Rowing Club 41″
1881 Rowing Club 45″
1882 S. N. de la Marne 37″
1883 S. N. de la Marne 20″
1884 Rowing Club 44″
1885 Rowing Club 5 L.
Meisterschaft von Deutschland.
1882 Achilles Wild, Frankfurter R. G. „Germania“
1883 J. Bungert, Mannheimer R. C.
1884 Achilles Wild, Frankfurter R. G. „Germania“
1885 Achilles Wild, Frankfurter R. G. „Germania“
Championnat de Belgique.
1874 Alfr. Vidrequin, Bruxelles.
1875 Aug. Bartholomé,
1876 Hector Donies,
1877 Hector Donies,
1878 Hector Donies,
1879 Hector Donies,
1880 Josef Polak,
1881 H. Werlemann,
1882 Joseph Polak,
1883 M. Chaudoir, Liège.
1884 Trasenster,
1885 M. Chaudoir,

NEDERLAND.

Universiteitswedstrijd.
Jaar. Overwinnaar. Plaats. Gewonnen met:
1878 Delft, op den Rijn bij Leiden gew. m. ?
1880 Delft, op den Rijn bij Leiden   „   „ 10″
1881 Delft, op de Schie bij Delft   „   „ 12″
1882 Leiden, op den Rijn bij Leiden   „   „ 35″ vóór Delft,
         53″ vóór Utrecht.
1883 Leiden, Oudshoorn, aanvaring van Delft en Utrecht.
1884 Leiden, Oudshoorn gew. m. 4″ vóór Utrecht,
         36″ vóór Delft.
1885 Leiden, Haarlem   „   „ 18″ vóór Utrecht,
         30″ vóór Delft.
Kampioenschap van Nederland.
  

Matches of Professionals for the Championship.
P. M. = Putney–Mortlake.
De tusschen haakjes geplaatste naam is die van den overwonnene.
1831 (9 Sept.) C. Campbell (C. Williams).
1846 (19 Aug.) R. Coombes (C. Campbell) P. M. 26′ 15″
1852 (24 Mei) T. Cole (R. Coombes) P. M. 26′ 15″
1854 (20 Nov.) J. Messenger (T. Cole) P. M. 24′ 25″
1857 (12 Mei) H. Kelley (J. Messenger) P. M. 24′ 30
1859 (25 Sept.) R. Chambers (H. Kelley) P. M. 25′ 25″
1865 (8 Aug.) H. Kelley (R. Chambers) P. M. 23′ 26″
1866 (22 Nov.) R. Chambers (J. Sadler) P. M. 25′ 4″
1867 (6 Mei) H. Kelley (R. Chambers) op de Tyne 31′ 47″
1868 (17 Nov.) J. Renforth (H. Kelley) P. M. 23′ 15″
1874 (17 April) J. H. Sadler (E. Bagnall) P. M. 24′ 15″
1875 (15 Nov.) J. H. Sadler (R. W. Boyd) P. M. 28′ 5″
1876 (27 Juni) E. Trickett (J. H. Sadler) P. M. 24′ 45″
1877 (19 Maart) R. W. Boyd (W. Nicholsen) op de Tyne 25′ 40″
1877 (28 Mei) R. W. Boyd (J. Higgins) P. M. 28′ 24″
1877 (8 Oct.) J. Higgins (R. W. Boyd) P. M. 24′ 10″
1878 (14 Jan.) J. Higgins (R. W. Boyd) op de Tyne foul.
1878 (3 Juni) J. Higgins (W. Elliott) P. M. 24′ 38″
1878 (17 Sept.) W. Elliot (R. W. Boyd) P. M. foul.
1879 (17 Febr.) W. Elliot (J. Higgins) op de Tyne 22′ 1″
1879 (16 Juni) E. Hanlan (W. Elliot) op de Tyne 21′ 21″
1880 (15 Nov.) E. Hanlan (E. Trickett) P. M. 26′ 12″
1881 (14 Febr.) E. Hanlan (E. C. Laycock) P. M. 25′ 41″
1882 (3 April) E. Hanlan (R. W. Boyd) op de Tyne 21′ 25″
1882 (1 Mei) E. Hanlan (E. Trickett) P. M. 28′
1883 (31 Mei) E. Hanlan (J. L. Kennedy) Point of Pines Canada m. 15 L.
1883 (18 Juli) E. Hanlan (W. Ross) Lawrence River U. S. m. 20 L.
1884 (22 Mei) E. Hanlan (E. C. Laycock) Melbourne Nep. m. ½ L. in 22′ 45″
1884 (16 Aug.) W. Beach (E. Hanlan) Paramatta m. 6 L. in 20′ 29″
1885 (7 Febr.) E. Hanlan (Clifford) Paramatta m. 7 L.
1885 (28 Maart) W. Beach (E. Hanlan) Paramatta m. 10 L. in 22′ 51″
1885 (24 Oct.) J. Teemer (E. Hanlan) Hudson Riv. 22′ 11″

1) Voor den eersten keer in outriggers.

2) Voor den eersten keer met sliding-seats.

decoratieve illustratie

decoratieve illustratie

TWEEDE HOOFDSTUK.


DE BOOT EN HARE ONDERDEELEN.

§ 1. De Boot.

De booten worden in twee hoofdgroepen verdeeld: outrigged- en inriggedbooten.

Bij ons te lande wordt bijna uitsluitend de laatste soort gebezigd, om welke reden wij daaraan het meest onze aandacht zullen wijden.

Daar echter de veranderingen en verbeteringen aan de outriggedbooten ook op die der tweede soort grooten invloed hebben uitgeoefend, zullen wij vooraf eene korte beschrijving van outriggedbooten geven. De snelheid eener boot is afhankelijk van twee hoofdfactoren, n.l. hare breedte en de lengte van den hefboom des riems. De uitvinding van den outrigger nu is de eenvoudige oplossing van het probleem: de lengte van den hefboom onafhankelijk te maken van de breedte der boot, m. a. w. de boot smaller te kunnen maken, zonder dat het daarbij noodig is den hefboom te verkorten. H. Clasper van New-Castle on Tyne heeft in 1841 deze vraag opgelost door de dollen, in plaats van op het boord, buiten de boot op een uitstekend ijzeren toestel aan te brengen.

Naar dit toestel nu, dat den naam outrigger draagt, worden ook de booten, die er mede voorzien zijn, outriggers genoemd.

Zij hebben in Amerika en Engeland de oudere bootsoorten op wedstrijden geheel verdrongen, zijn in Duitschland reeds overal ingevoerd en beginnen ook in Frankrijk en België het burgerrecht te verkrijgen. In Nederland is tot nog toe de single-sculling de eenige vertegenwoordiger van de outriggers op wedstrijden.

Daar outriggers, die voor wedstrijden gebruikt worden, gewoonlijk niet meer dan een paar centimeter boven het water uitsteken, zijn zij met taf overdekt, uitgezonderd het gedeelte waarin de roeiers zitten. Dit wordt door eene kleine verhooging der boorden, het waschboord genaamd, tegen het binnenslaan der golven beveiligd.

Bij inrigged- of rowlockboats (yole-gigs, Dollenboote), bij ons kortweg gieken geheeten, zijn de dollen niet op outriggers, maar op de boorden aangebracht.

De giek is breeder en hooger dan de outriggers; breeder, omdat geen outrigger hierin de lengte van den hefboom onafhankelijk maakt van de breedte der boot; hooger, omdat zij niet overdekt zijn. Doordat echter de roeiers niet in het midden der boot, maar tegen de boorden zitten, kan hierdoor de hefboom weer langer zijn.

Hoewel, zooals reeds gezegd is, in vele landen op wedstrijden door den outrigger verdrongen, zal toch ook daar de giek steeds moeten blijven bestaan voor het oefenen van beginners; want om in een outrigger te kunnen gaan roeien moet men het tot zekere hoogte in de kunst gebracht hebben. Bij ons wordt de giek nog altijd op wedstrijden gebruikt, doch voorzien van allerlei veranderingen en verbeteringen, die in Engeland in verloop van tijd aan de outriggers werden aangebracht. Zoo ziet een racegiek (yole-gig de course, Dollenrennboot), die men tegenwoordig van fransche of duitsche bootbouwers ontvangt, er geheel anders uit dan eene echte, oude engelsche inriggedracingboat; de sliding-seat is er in aangebracht, de oude houten dollen zijn door swiveling-rowlocks vervangen, en deze staan niet meer op het boord, doch op een naar buiten stekend, op het boord aangebracht stuk hout, zoodat het eigenlijk geen inriggers meer zijn. En nog worden er jaarlijks nieuwe veranderingen in aangebracht en worden onze vereenigingen daardoor jaar op jaar gedwongen zich nieuwe booten aan te schaffen, zoo zij ten minste op wedstrijden niet door haar materiaal aan de tegenpartij een voordeel willen verschaffen; en de bootbouwers wrijven zich de handen van plezier en worden steeds scherpzinniger in het uitvinden van „innovations“; want elke nieuwigheid heeft nieuwe bestellingen tengevolge.

Hiertegenover staat, dat wij, de outriggers op onze wedstrijden invoerende, onze vereenigingen vele kosten zouden besparen, daar het model van een outrigger niet telkens verandert.

Maar het grootste voordeel zou zijn, dat wij ook met de Engelschen, tot dusver de eersten onder de amateurs, onze krachten zouden kunnen meten, terwijl wij nu met onze gieken op het vasteland kunnen blijven.

Waarom niet flink en doortastend terstond de outriggers ingevoerd in plaats van krampachtig aan onze inriggers vast te houden, die toch eigenlijk geen inriggers meer zijn?

Wij stellen met onze hybridische gieken nog ééns de uitvinding van den outrigger voor.

Immers men verhaalt, dat ook de eerste outrigger slechts een houten toestel was om de dollen naar buiten te brengen, en dat Clasper hierop het denkbeeld heeft opgevat om dit toestel te verlengen en uit ijzeren stangen te vervaardigen. En dat was in 1841!

Ook bij onze naburen, de Belgen, is de outrigger zeer koel ontvangen en slechts op enkele „courses pour embarcations de construction libre“ verschenen. Toch vindt hij daar ijverige verdedigers, getuige het jaarverslag over 1885 van de Cercle des Régates te Brussel, waarin men leest: „Depuis longtemps les sociétés des pays voisins nous ont devancés dans cette voie, et il est réellement fâcheux qu'en Belgique certains cercles persistent dans leurs anciens errements.

Zoowel outriggers als inriggers ontvangen naar het aantal roeiers, waarvoor zij bestemd zijn, hun naam. Zoo heet eene boot voor 8, 6, 4 of 2 roeiers een achtriems (eight-oar, gig à huit rameurs, Achtriemer), zesriems, vierriems of tweeriems (pair-oar).

Wanneer de roeier slechts één riem hanteert, zoo heet deze oar (aviron de pointe); roeit hij echter met twee riemen, dan worden deze sculls (avirons de couple) genoemd, de roeier is dan een sculler en de boot een scullingboat.

Een boot, die slechts voor één roeier bestemd is, heet daarom single-scullingboat.

Ook komen wel booten voor, die voor meerdere scullers zijn ingericht.

Booten, die door meerdere roeiers worden voortbewogen, hebben gewoonlijk een stuurman.

In Amerika en Engeland worden echter vierriemsoutriggers meestal—en tweeriemsoutriggers (pairoars) altijd door een der roeiers gestuurd.

De tegenwoordige single sculling outrigger, waarin alom om het „championship“ geroeid wordt, draagt in België en Frankrijk algemeen den naam van skiff, waaronder vroeger een geheel ander vaartuig werd verstaan. Toen was het een korte, zware en wijde boot, die eenigszins het model van eene wherry had.

De wherry was vóór twintig jaren de meest voorkomende boot op de Thames. Zij gelijkt op een giek, maar is zwaarder en korter, terwijl de boorden, in plaats van over de geheele lengte dezelfde hoogte te hebben, op de plaatsen, waar de dollen zijn aangebracht, oploopen. Zij is meestal overnaadsch en dient voor het maken van tochten, zoodat zij dikwijls ook voor zeilen is ingericht.

§ 2. Onderdeelen der Boot.

Wanneer men zich in eene boot gezeten denkt met het gelaat naar den voorsteven, evenals de stuurman, dan heet de linkerzijde bakboord (port of larboard, babord, Backbord)—de rechterzijde stuurboord (starboard, tribord, Steuerbord).

Het voorste gedeelte tot aan den eersten roeier wordt de boeg (bow, Bug)—het achterste tot aan den stuurman de achtersteven (stern) genoemd; het overige heet midships.

Tot de onderdeelen overgaande hebben wij vooreerst: de kiel (the keel), die bij zware booten aan den binnen- en buitenkant—doch bij racebooten alleen aan den binnenkant zichtbaar is. Zij vormt geen rechte lijn, maar is aan de beide uiteinden eenigszins opwaarts gebogen en is dus als 't ware de ruggegraat der boot.

Aan beide zijden van de kiel zijn de ribben (the ribs, timbers of lands, die Rippen) bevestigd. Het is van groot belang, dat de ribben stevig met de kiel verbonden zijn, daar zij het beloop der zijwanden aangeven.

De waterlijn is de streep, die het water op de zijden der boot afteekent, wanneer deze bemand op het water ligt. Daar elke boot ééne bepaalde ligging op het water heeft, waarbij zij het snelst loopen kan, is het groot geheim der kunst juist in het vaststellen dier lijn gelegen.

Het lichaam zelf der boot bestaat uit lange, smalle, over elkander sluitende planken, die tegen de ribben genageld zijn. Zulke booten heeten overnaadsche- of klinkerbooten.

Bij lichte of gladde booten, die op wedstrijden gebruikt worden, is het lichaam uit lange, breede en zeer dunne bladen hout samengesteld. Deze zijn door stoom gebogen en sluiten zóó dicht tegen elkander, dat het geheele uitwendige eene gladde oppervlakte vertoont.

Deze laatste soort wordt gewoonlijk van amerikaansch cederhout vervaardigd, terwijl de overnaadsche booten meestal van eiken- of mahoniehout zijn gemaakt en voor oefen- of pleiziervaartuigen dienen.

Racebooten worden tegenwoordig zóó gemaakt, dat zij in twee of drie stukken kunnen worden uit elkander genomen, hetgeen vooral voor het vervoer zeer gemakkelijk is en vele kosten bespaart. De Franschen noemen zulk eene boot démontable, de Duitschers zusammenlegbar.

In Amerika worden racebooten in de laatste jaren ook van papier vervaardigd; zij moeten ten opzichte van lichtheid, gemakkelijke reparatie, groote hechtheid, enz. vele voordeelen aanbieden. Door lang in het water te liggen zal de papieren substantie, al is deze ook nog zoo hard gemaakt, naar onze meening, echter noodzakelijk water inzuigen. In Europa zijn zij nog slechts weinig in gebruik om de eenvoudige reden, dat de Amerikanen de bewerking geheim houden. Al heeft men er dus de hooge transportkosten voor over om hier zulk eene boot te bezitten, zoo moet men haar toch bij elke averij in Amerika laten herstellen.

Boeg (stem, Bug) heet het voorste gedeelte der boot, dat het water doorsnijdt, terwijl het achterstuk, waaraan het roer bevestigd wordt, achtersteven (stern of afterpart, Hintersteven)—en bij booten, waarbij dit deel niet scherp uitloopt, maar een klein plat vlak vormt, hek (transom, Heck) wordt genoemd.

De loopplanken liggen altijd los op den bodem der boot om er bij het schoonmaken te kunnen worden uitgenomen.

De spoorplank of het voetbord (stretcher, la barre de pied, Stemmbrett), waartegen men bij het roeien de voeten plaatst, kan naar gelang van de lengte der beenen verplaatst worden. Hierop is de voetriem bevestigd, die de voeten van den roeier omsloten houdt en deze daardoor in de voor- en achterwaartsche bewegingen ondersteunt. Het is noodzakelijk voor de regelmatigheid dezer bewegingen, dat beide voeten in voetriemen steken, daar de roeier, zoo slechts één der voeten door een riem is omvat, na het einde van den slag alle kracht bij het naar voren komen op die zijde van het lichaam overbrengt.

Dollen (rowlocks, dames, Dullen) zijn de houten of metalen pennen, waartusschen de riem bij het roeien ligt. Zij zijn bij inriggers op de boorden—bij outriggers op de outriggers aangebracht. De een, waartegen de riem bij het trekken drukt, heet de trekdol (thowl, dame d'arrêt, Ruderpflock), de ander, die bij het strijken dienst doet, de strijkdol (stopper of after-thowl, dame de retour, Streichpflock).

Het houtje, dat tusschen de beide dollen ligt en waarop de riem rust, heet het scheerhout of vulhout (filling, Dullenlager of Fütterung).

Sedert eenige jaren is men in Amerika op de gedachte gekomen om beweegbare dollen op scullingbooten te plaatsen.

Fig. 1.

Het is eene uitvinding, die op het invoeren der sliding-seat noodzakelijk volgen moest. Terwijl immers hierdoor de roeier werd in staat gesteld om de sculls veel verder naar voren en achteren te brengen dan op vaste banken, moesten ook de dollen verder van elkander worden geplaatst. Dit nu was nadeelig, 1e door de grootere speelruimte, welke de scull daardoor tusschen de dollen kreeg, en door de daaruit voortvloeiende onvastheid, en 2e door de grootere wrijving.

Deze beide bezwaren nu worden door de draaidollen (swivel rowlocks) opgeheven, daar de roeier hierbij zóóver met zijne sculls reiken kan, als hij zelf maar wil.

Van deze draaidollen bestaan tegenwoordig alweer tallooze soorten. Ook de fransche bootbouwers brengen ze op inriggers aan. Voor een der beste soorten geldt de „Davis swivel rowlock“, waarvan ook Hanlan zich steeds bediend heeft. (zie fig. 1).

De riem (oar of scull, aviron of rame, Ruder of Riem) bestaat uit vier deelen: het handvat (handle, le manche, la poignée, Griffe), het binneneind (loom, Innenhebel), het buiteneind (shank of small, Aussenhebel) en het blad (blade, pelle, Blatt).

Op de plaats, waar de riem in de dollen rust, is hij over eene lengte van 15 cM. met leder bekleed om de wrijving te verminderen; en hierop is het stootleêr (stop, Pflock of Knopf) aangebracht, dat het uitglijden uit de dollen verhindert.

Dit stootleer werd gewoonlijk met drie lange draadnagels aan den riem vastgemaakt, waardoor deze op die plaats zeer verzwakt werd. In de meeste gevallen, dat riemen werden stukgetrokken, geschiedde dat op die plaats. Nu heeft een Engelschman Young in 1885 een middel uitgevonden om het stootleer zonder spijkers aan den riem te bevestigen, en op zijne uitvinding patent aangevraagd. De door roeiers uit Londen, Oxford en Cambridge genomene proeven hebben uitstekend voldaan.

Ook in de riemen heeft de Amerikaan Davis in den laatsten tijd eene verbetering aangebracht. De as der bladen van de door hem vervaardigde riemen valt niet in het verlengde van den steel, maar vormt hiermede een hoek, zoodat bij het roeien de bovenkant van het blad evenwijdig is aan de wateroppervlakte, hoewel de steel van den riem met het watervlak natuurlijk een stompen hoek maakt.

Onderstaande figuur geeft een scull te zien, zooals die onder den trek in het water staat.