Fig. 2.

De proeven, die de berlijnsche bootbouwer Rettig in 1885 met holle riemen heeft genomen, zijn niet bevredigend uitgevallen.

Het roer (the rudder, la barre, das Steuer), dat met de roerpen aan den achtersteven wordt verbonden, bestaat uit het blad, en het juk, aan welks uiteinden de stuurlijnen (yokelines, fils, Steuerleinen) verbonden zijn.

De vanglijn (painter of soms headfast) is het touw, waarmede de boot wordt vastgelegd.

De zitplaatsen blijven ons nog ter bespreking over.

De zitplaats van den stuurman, stuurbank genoemd, wordt tegenwoordig aldus in de boot aangebracht, dat men dien naar gelang van het gewicht van den stuurman kan verplaatsen.

De roeibanken (thwarts, bancs de nage, Ruderbänke) staan dwars op de boot en zijn door middel van kniehoutjes aan de boorden bevestigd.

Gewoonlijk zit de roeier op een aan den bank vastgebonden matje of kussen om het afglijden en dóórroeien tegen te gaan. Op wedstrijden echter lieten de roeiers die kussens weg en gleden op hunne banken heen en weder om den slag langer te kunnen maken; om deze beweging te vergemakkelijken werd de zitplaats wel met zeep of vet bestreken, waarover de roeier dan met eene met leder bekleede broek heen en weer schoof.

Bij het scullen was deze methode ongetwijfeld voordeelig; doch bij het roeien, waarbij 6 à 10 slagen per minuut méér worden gemaakt, woog het voordeel van den langeren slag niet op tegen de buitengewone inspanning der beenen.

Zoo was de beroemde ploeg van Renforth gewoon op vaste banken te glijden, wanneer zij op een korten afstand alle krachten aanwendden (to make a spurt, faire un enlevage), doch op lange afstanden konden zij zulks niet volhouden. Ook de vierriemsploeg „John-o' Gaunt“ van Lancaster, die in 1870 aan de Henley deelnam, gleed over vaste banken, en verkreeg op eene korte baan eene groote snelheid; maar de beenen werden te zeer ingespannen, dan dat zij het lang vermochten vol te houden.

Zonderling, dat roeiers, die toch inzagen, dat het gebrekkige in dit glijden voortkwam uit de wrijving van het lichaam op den bank, niet op de gedachte kwamen de beweging te vereenvoudigen door den bank tegelijk met het lichaam te laten glijden. Aan een Amerikaan is de theoretische toepassing van dit principe te danken. Maar de amerikaansche roeiers, hoewel schrander genoeg om in te zien dat, zoo het lichaam over den bank moest glijden, deze beweging gemakkelijker werd door op een afzonderlijk bankje over den eigenlijken bank heen en weer te gaan, stelden deze uitvinding niet genoeg op prijs; hetgeen wel hieraan wordt toegeschreven, dat de Amerikanen in dien tijd bij het roeien bijna allen hunne armen en schouders gebruiken, zonder aan het gebruik der been- en lendespieren gewicht te hechten.

Een ploeg uit het noorden van Engeland, die destijds in Amerika vertoefde en daar de oplossing van het probleem zag, bracht het bij haar terugkomst in praktijk; en het groote nut der glijbanken (sliding-seats, bancs à coulisse, Gleitsitze) bleek op den wedstrijd voor vierriemsgieken in Nov. 1871 op de Tyne. J. Taylor namelijk had zijne ploeg overgehaald tot het beproeven der nieuwe methode en dit tot den dag van den wedstrijd zorgvuldig geheim gehouden. Het resultaat was verrassend, want de tegenpartij, de ploeg van Chambers, werd met gemak verslagen.

Twee wedstrijden in sculling, in de daaropvolgende lente op de Thames gehouden, deden het voordeel der glijbanken nog meer uitkomen.

Zonderling is het verder, dat de Amerikanen, de eigenlijke uitvinders der glijbanken, nalieten er zich van te bedienen, en, terwijl zij zelven in hunne methode van roeien de beenen niet gebruikten, aan hunne mededingers, de Engelschen, door hunne uitvinding de beste wijze aan de hand gaven om het meeste voordeel van de beenspieren te trekken.

Bekend is de overwinning van de London Rowing-club op de Club Atalanta van New-York, waarbij eerstgenoemde de glijbanken gebruikte. Hoewel toen de Engelschen, zoowel door meerdere physieke kracht als door hun beteren stijl, ook zonder dat voordeel de overwinning zouden hebben behaald, zoo was toch de sliding-seat in de engelsche boot voor een groot gedeelte de oorzaak van de smadelijke nederlaag der Amerikanen. Maar juist de overtuiging, dat de Engelschen toch verreweg de baas waren, hield de oppositie tegen de nieuwigheid bij de roeiers van het oude stelsel nog levendig. Want de schoone stijl (zoo redeneerden zij) gaat er door verloren, al moge men dan ook iets in snelheid winnen.

Mettertijd echter ging men inzien, dat de schoone stijl zeer goed te vereenigen was met het roeien op sliding-seats, en dat, al valt het niet te ontkennen dat voorbeelden van goeden stijl minder talrijk zijn dan in den tijd van de vaste banken, deze toch langzamerhand terugkeert.

En naarmate men het juiste gebruik der sliding-seat beter zal leeren kennen, zullen alle roeiliefhebbers zich niet over het bederf van den stijl hebben te beklagen, doch zich verheugen over eene uitvinding, die alle lichaamsdeelen tot hun recht laat komen en het roeien tot een der volledigste lichaamsoefeningen maakt.

In den laatsten tijd tracht men ook in de sliding-seat weer verbeteringen te brengen door de banken over wieltjes te laten rollen. Daar men het over de zaak nog niet eens is, verwijzen wij belangstellenden naar de no. 24 en 25 van de Wassersport van 1885, waarin de kwestie door Dr. Schiller in met teekeningen opgeluisterde opstellen wetenschappelijk behandeld wordt; en naar no. 42, waar zij door R. Rochow meer uit een praktisch oogpunt wordt besproken.

Nog van eene andere uitvinding der Amerikanen moeten wij melding maken, n.l. het windzeil voor scullers. Ieder sculler weet bij ondervinding, hoe lastig het is om bij zijwind koers te houden, daar de boot steeds neiging heeft met den boeg tegen den wind in te loopen; hierdoor is men dan genoodzaakt met den arm aan de windzijde bijna alléén te roeien, zoodat deze daardoor bovenmatig ingespannen en vroegtijdig vermoeid wordt.

Verschillende middelen werden daartegen reeds beproefd, o. a. heeft men een gewicht van een kilo aan het achtereind der boot gehangen, onder aan de kiel een zwaard aangebracht: alles tevergeefs.

Door het eerste middel namelijk lag de boot van achteren te diep en stak met den boeg in de lucht, door het tweede werd het draaien zoo goed als onmogelijk.

Eerst het windzeil heeft de kwaal geheel verholpen. Het bestaat uit een dun blad hout, dat loodrecht op den boeg wordt geplaatst en aan elken zijwind is blootgesteld. De wind draait dan, door den druk op het zeil, den boeg zoover van zich af als de neiging der boot is om in den wind op te loopen, zoodat de boot haren rechten koers behoudt en de roeier beide armen gelijkelijk kan gebruiken, hetzij hij bij windstilte of bij sterken zijwind vaart.

De beide volgende afbeeldingen van verschillend gevormde windzeilen, ontleend aan de „Spirit of the Times,“ zijn geplaatst op booten van de New-York Athletic-Club.

Fig. 3.
Fig. 4.

Na alzoo de boot en hare onderdeelen te hebben besproken, rest ons nog het een en ander over de vervaardigers ervan te zeggen.

Om dan met ons land te beginnen, kunnen wij de Gebr. van Heemstede Obelt te Amsterdam noemen, die vooral in de laatste jaren in het bouwen van racegieken zijn vooruitgegaan, getuige de overwinningen der R. V. Fortuna in gieken van die firma behaald.

Hunne booten zijn gewoonlijk zwaarder dan de fransche en engelsche, en dit is zeker de reden, waarom de nederlandsche roeivereenigingen hunne gieken meestal uit den vreemde laten komen.

In het vorige jaar hebben zich ook te Rotterdam Deichmann en Ritchie, die vroeger bij Rettig te Berlijn werkzaam waren, nedergezet en zich reeds een goeden naam verworven met booten voor berlijnsche clubs en voor de Deutsche Turn- und Ruder-Verein te Rotterdam.

De duitsche fabriekanten zijn ons onbekend, hoewel er in de laatste jaren aldaar velen zijn verrezen.

Wij laten onze inriggers voor verreweg het grootste gedeelte uit Frankrijk komen, hetzij van Louis Dossunet te Joinville-le-Pont (à l'Ecluse) Seine of van Tellier, Quai de la Rapée, Paris.

Bij Dossunet schijnt men zich wel het best te bevinden, daar alle nederlandsche ploegen, die de laatste jaren in België, waar men algemeen aan booten van Tellier de voorkeur geeft, overwinningen hebben behaald, deze lauweren in booten uit Dossunet's werkplaats hebben weggedragen. Ook zijn zijne booten veel billijker in prijs. De Stud. R. V. Njord toch ontving in 1883 van hem een tweeriemsracegiek van 700 francs en in het volgend jaar een dito van Tellier voor 900 francs.

Inriggers uit Engeland te laten komen is niet aan te raden, daar men zich daar niet meer bedient van de bootsoort, die bij ons op wedstrijden gebruikt wordt. Zoo hebben wij van Clasper te Oxford in 1881 een vierriems- en in 1882 een zesriemsracegiek (beide inrigged) gezien, die zóó slap waren, dat men bij het uit- en indragen bang was, dat ze inéén zouden zakken.

Voor losse riemen zijn E. Ayling, oar and scullmaker, Vauxhall, London S. E., alsmede Norris, York, Wandsworth aan te bevelen, die zonder prijsverhooging bij Deichmann en Ritchie te verkrijgen zijn.

Voor outriggers, die door de genoemde fransche firmas trouwens ook vervaardigd worden, worden gewoonlijk genomen J. H. Clasper in Oxford; Searle & Sons, London, S. E. Stangate, Lambeth; en R. Simmons & Sons in Putney. Bij Messum & Sons te Richmond bevonden wij ons vroeger zeer goed wat betreft booten met vaste banken.


De duurzaamheid eener boot hangt grootendeels af van de wijze van behandeling, vooral lichte racebooten kunnen door vele geforceerde wendingen in korten tijd worden tegronde gericht.

Allereerst is het noodig, dat zij in een goed gesloten giekenloods (boathouse, garage, Boothaus) tegen weer en wind beschut zijn. Verder moeten zij aldus gelegd worden, dat zij door slechte ligging niet haren vorm kunnen verliezen. Zoo moet men eene boot nooit op de beide uiteinden laten rusten, daar zij dan in 't midden zal uitzakken, doch liefst op 3 of 4 dwarsbalken of bokken leggen, zóódat zij op alle gelijkelijk steunt.

Gedekte booten worden liefst in zeilen opgehangen.

Een boot moet steeds goed gevernist zijn om het hout tegen slechte invloeden van weer en temperatuur te beschutten. Ook is het goed lichte booten van tijd tot tijd met vet in te wrijven, daar dit zoowel het vernis spaart als het hout tegen scheuren beschut, die door invloeden van water en hitte kunnen ontstaan.

decoratieve illustratie

decoratieve illustratie

DERDE HOOFDSTUK.


HET ROEIEN.

§ 1. Algemeene opmerkingen.

Geen lichaamsbeweging is er bijna, die zoozeer aanspraak kan maken op de goede eigenschap van 't aangename aan 't nuttige te verbinden, als 't roeien. Wat is heerlijker dan op een schoonen zomeravond over den gladden waterspiegel heen te glijden, en na een snikheeten Julidag te luisteren naar het geplas der riemen in het frissche water? Wat is gezelliger dan een roeitochtje, waarbij men onder eene frissche, gezonde beweging nieuwe streken doortrekt, vreemde dorpen en steden bezoekt?

Groot is daarom 't aantal van hen, die in eene boot hebben plaats genomen om dat genoegen te smaken, en die op dien grond beweren te kunnen roeien. Hoe weinigen zijn er echter onder hen, die beseffen hoe ingewikkeld en moeilijk deze lichaamsbeweging is, wanneer men er zich op toelegt om haar correct uit te voeren, wanneer men haar als een sport beschouwt!

Het is waar, 't is het lot van de meeste lichaamsbewegingen om aldus behandeld te worden. De overgroote meerderheid stelt zich al heel spoedig tevreden, en getroost zich de moeite niet om haar in den grond te leeren. Maar het sterkst doet zich dit voor bij 't roeien.

Wil men leeren paardrijden, men neemt dan ten minste toch eenige lessen; gaat men leeren schaatsenrijden, de moeielijkheden doen zich dan vaak in 't begin pijnlijk gevoelen; zoo is 't ook met 't schermen, 't zwemmen en zoo vele andere lichaamsoefeningen.

Maar met 't roeien? Wel, men gaat met een vriend, die evenmin ooit een riem in zijne handen heeft gehad, in eene tweeriemsboot zitten; de eerste slagen gaan dan wel minder goed, maar spoedig toch begint het er wat meer naar te gelijken, de riemen komen wat meer gelijk in 't water, en heeft men bovendien leeren scheren, dan kan men roeien. Zoo is men in twee middagen een roeier.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, hoe dwaas het is dit te meenen; maar toch met hoeveel menschen gaat het niet op deze wijze!

Het roeien is schijnbaar een zeer gemakkelijke beweging, omdat het zoo weinig moeite kost een vaartuig over 't water te doen glijden; maar tracht men met een minimum inspanning de grootst mogelijke snelheid te verkrijgen, dan eerst wordt het een sport, en wel een edele sport, omdat het een zeer groot aantal spieren in beweging brengt, en het lichaam harmonisch ontwikkelt. Het aanleeren van dezen sport, aldus beschouwd, kost veel moeite en eenigen tijd; en het is vooral zaak al dadelijk onder leiding te komen en niet te trachten het zich zelf te leeren, want allicht neemt men fouten aan, die later moeilijk afgeleerd worden.

Een goede stijl wordt genoemd die methode van roeien, die de grootste resultaten voortbrengt, d. w. z. die met de minst mogelijke inspanning de grootst mogelijke snelheid doet verkrijgen. Bij het opsporen naar deze beste methode heeft men geput uit de kennis der spieren, en uit de natuurkunde; maar de ervaring, de praktijk is hier de voornaamste leermeesteres. Het spreekt van zelf, dat deze opsporing niet overal dezelfde resultaten heeft gegeven. Ook bij 't roeien heeft men verschillende meeningen, verschillende theoriën. Maar omtrent een groot aantal punten, omtrent de hoofdzaken is men het ééns.

Bij 't onderzoek naar de vereischten voor een goeden stijl, heeft men zich laten leiden door dit beginsel, dat de krachtsinspanning zooveel mogelijk over het geheele lichaam moet verdeeld worden.

Gemakkelijk is 't te begrijpen waarom. Werken slechts weinige spieren, dan drukt 't geheele gewicht van den arbeid op deze, en zij zullen niet alleen het niet zoo lang volhouden, maar er zal ook lang niet zooveel kracht ontwikkeld kunnen worden, als wanneer 't werk door een groot aantal spieren verricht wordt. Verdeeling van den arbeid dus, en wel naar de juiste maat; elke spier drage bij naar zijne krachten!

Wij zullen trachten naar ons vermogen uiteen te zetten hoe men een eerstbeginnende de hoofdbeginselen van 't roeien leert, voor welke fouten hij zich vooral moet hoeden, en welke eischen men aan een goeden stijl mag stellen.

Maar vooraf nog een raad. Laat hij, die wil leeren roeien, eerst leeren zwemmen, zoo hij deze kunst nog niet verstaat. Want hoewel niet dikwijls, zoo gebeurt 't toch soms, dat de boot omslaat, en dit gevaar bestaat vooral in ons land, waar men veel ruw water vindt. Aan hem, die op 't IJ of op de groote rivieren in ons land roeit, is deze raad in de eerste plaats gegeven, maar ook aan hem, die door de ligging van de plaats, waar zijne roeivereeniging gevestigd is, minder in de gelegenheid verkeert om zich op ruw water te begeven. Er zijn voorbeelden van 't verdrinken van een groot deel der bemanning door 't omslaan van de boot.

§ 2. De eerste beginselen van de roeikunst.

Om iemand het roeien te leeren, is het raadzaam hem te plaatsen in eene zware tweeriemsgiek met vaste banken. De onderwijzer gaat op den stuurbank zitten, als slag neemt een geoefenden roeier plaats in de boot, terwijl de leerling den boegriem in handen krijgt. Deze methode heeft het voordeel, dat de leerling tegelijk dat hem de lessen worden gegeven, de toepassing ervan kan zien; de noodige wenken worden hem gegeven, de fouten worden hem aangewezen door den stuurman, terwijl hij een voorbeeld vóór zich heeft in den slag, die hem de verschillende bewegingen vóórdoet, en dien hij tracht na te volgen.

Het eerste wat de leerling moet leeren is de houding in de boot. Hij plaatst zich midden op het aan den bank bevestigd matje. Dit matje moet op zoodanige wijze om den bank worden gebonden, dat men vlak bij het boord zit zonder het nochtans met zijn dijen aan te raken.

De voeten worden stevig tegen het spoorplankje aangedrukt, na ze onder de voetriemen te hebben geschoven. Daarvoor is het noodig, dat het spoorplankje niet te ver verwijderd is, maar juist zóóver, dat de beenen niet geheel gestrekt kunnen worden, en de knieën nog iets gebogen zijn. Vooral op dit laatste moet de onderwijzer letten, daar ieder eerstbeginnende de neiging heeft, om het spoorplankje zoover mogelijk van zich af te zetten, ten einde bij het scheren minder last van zijne knieën te hebben. Toch is 't noodzakelijk voor een stevigen zit en voor een veerkrachtigen slag, dat de voeten stevig tegen den spoorplank aangedrukt worden, hetgeen alleen mogelijk is wanneer de beenen niet geheel gestrekt zijn.

De hielen worden tegen elkander gedrukt en de voeten waaiervormig uitgespreid. De beenen worden evenwijdig met de bootskiel gestrekt.

Het bovenlijf wordt volkomen rechtop gehouden, beide schouders op gelijke hoogte, en vooral niet naar één kant overhellend; 't gezicht en de borst gekeerd naar den achtersteven, met geen der zijden vooruit.

De borst wordt naar boven gewelfd, en de schouders iets naar beneden achterwaarts gedrukt, maar zonder overdrijving, zonder zoogenaamden knip of deuk in den rug. Het doel moet zijn om de longen en het hart zooveel mogelijk ruim en onbekneld te laten werken, zonder toch eene gewrongen houding aan te nemen. Hoe meer ongedwongen, hoe vrijer en gemakkelijker men zit, hoe beter; want daardoor wordt de werking der spieren zuiverder, en kan er meer kracht ontwikkeld worden.

Verkeerde greep. Fig. 5.
Juiste greep. Fig. 6.

Na de houding moet de leerling leeren zijn riem vast te houden. Onwillekeurig zal hij bij 't roeien wanneer hij eenige kracht wil zetten, zijn riem stevig omknellen, zelfs knijpen. (Zie fig. 5.) Dit nu is niets anders dan verspilling van krachten, want daardoor worden de spieren, nl. die van den benedenarm, gespannen en vermoeid, zonder er eenig grooter resultaat mede te verkrijgen. De handen moeten slechts dienen als middel om den riem te verbinden aan het lichaam; hoe losser dus de riem vastgehouden wordt, hoe beter, en daartoe buige men slechts de twee uiterste leden der vingers, waardoor er als 't ware een haak gevormd wordt, die zich om den riem slaat; (zie fig. 6) de duim wordt onder den riem gehouden en ook slechts met 't uiterste lid er tegen aangedrukt. De polsgewrichten mogen volstrekt niet naar beneden gebogen worden, want daardoor worden juist de spieren van den benedenarm ingespannen, hetgeen van geen nut is, en daarom streng verboden moet worden. Het doel moet immers zijn geen spier in te spannen, zonder daaruit eenig aan de krachtsinspanning evenredig resultaat te verkrijgen. De hand moet dus zóó gehouden worden, dat zij met den arm één rechte lijn vormt.

De buitenhand houdt men geheel aan 't einde van den riem, de binnenhand ongeveer 1 d.M. er van af. Daar men met de buitenhand verder moet reiken, zoo moet deze nog losser om den riem geslagen zijn dan de binnenhand.

Nu gaat de leerling slagklaar liggen, d. i. hij strekt 't lichaam flink vooruit, zonder nochtans den rug te krommen, of de schouders te veel naar voren te brengen, waardoor zijn hoofd zich als 't ware daartusschen verbergt; maar toch moet dit ongedwongen geschieden. Deze houding is voor den eerstbeginnende zeer lastig te leeren, want hij zal allicht in één van twee uitersten vervallen, òf zijn rug krommen en de schouders te veel naar voren brengen, òf stijf blijven zitten en zelfs een deuk, een holte in zijn rug maken.

Maar na eenige oefening zal het hem gelukken de middelmaat te vinden, waarbij hij zijn borst vrij laat zonder zijn spieren geweld aan te doen.

De armen worden volkomen gestrekt, 't lichaam evenwijdig met de kiel naar den achtersteven gericht, niet naar binnen gebogen, en zonder dat de buitenzijde méér naar voren komt.

Nu wordt het tijd den leerling de verschillende bewegingen, die gezamenlijk 't roeien vormen, te leeren. Is hij slagklaar, dan wordt eerst 't blad van den riem juist verticaal in 't water gelaten, door de handen even op te lichten. Een punt van groot belang is dat de stand van 't blad juist verticaal is; noch de holle, noch de bolle zijde mag eenigszins naar boven gekeerd zijn; in 't eerste geval zou 't blad, bij 't maken van den slag, dadelijk in de diepte verdwijnen, zonder veel tegenstand van 't water te ondervinden, en dus in een gedeelte van den slag niet de voortstuwende kracht op de boot uitgeoefend worden, terwijl het bovendien moeite kost om den riem van uit de diepte weer uit 't water te brengen; in het tweede geval zou 't blad niet dadelijk geheel in 't water gaan, maar gedeeltelijk er boven blijven rusten, ja, soms zal het eerste gedeelte van den slag daardoor in de lucht gemaakt worden. Opdat het blad zuiver verticaal in 't water gehouden wordt, is het noodig dat de riem goed gevormd en niet gedraaid, het stootleer juist aangebracht is, en de trekdol niet scheef achterover staat. Het is zelfs wenschelijk, dat de afstand tusschen de dollen van boven kleiner is dan onderaan.

Ook noodzakelijk is het, dat niets meer maar ook niets minder dan het blad onder water wordt gestoken. Komt een gedeelte van den steel ook onder water, dan zal grooter moeite ontstaan om den riem uit 't water te lichten, zonder dat de voortstuwende kracht grooter wordt, want de dunne steel ondervindt bijna geen weerstand van 't water; laat men echter een gedeelte van het blad boven water, dan zal de weerstand van 't water aanmerkelijk kleiner worden en daarmede ook de voortstuwende kracht.

Nu wordt 't blad van den riem in rechte lijn in horizontale richting gelijkmatig door 't water getrokken, door met 't lichaam kalm achterover te zwaaien. De armen worden daarbij volkomen gestrekt gehouden, zoodat de kracht wordt uitgeoefend door de spieren van den rug. Eerst op 't einde van den slag, wanneer 't lichaam zijn zwaai volbracht heeft, worden de armen gebogen, en de riem tot aan den buik of de borst doorgetrokken. Men zorge hierbij steeds den rug niet te krommen, en op 't einde van den slag zelfs de schouders achterwaarts neder te drukken. Het blad van den riem wordt, zooals wij reeds zeiden, gedurende den geheelen slag op gelijke hoogte onder het water gehouden tot op het einde toe.

Is de slag gemaakt, dan is 't noodig, ten einde een nieuwen slag te beginnen, dat 't lichaam opnieuw naar voren gebogen en de armen gestrekt worden.

Om de verschillende bewegingen van 't roeien zuiver te leeren maken, is het noodig, dat ze in het begin langzaam en kalm uitgevoerd worden. Door ze dadelijk snel en vlug te willen maken, leert men fouten aan.

Dus men ligt met 't lichaam iets achterover en 't handvat van den riem tegen den buik of den borst gedrukt. Nu wordt 't blad uit 't water gelicht door eene kleine drukking van de handen op den riem ('t scheren moet niet dadelijk geleerd worden, maar eerst nadat de leerling de bewegingen van 't roeien reeds eenigszins begint te begrijpen, en zich wat thuis begint te gevoelen in de boot), daarna worden de armen in ééns gestrekt, en 't lichaam vooruit gebracht.

Deze tweeledige beweging wordt in de volgende volgorde uitgevoerd: men begint de armen te strekken, vóórdat de voorwaartsche beweging van 't lichaam wordt gemaakt, en wel omdat: 1º. men veel meer moeite heeft de beweging te maken met gebogen armen, dan met gestrekte; ten bewijze hiervan beproeve men een zwaar voorwerp of een persoon weg te duwen met gebogen armen, en daarna met gestrekte; dan zal men bemerken dat 't laatste veel minder inspanning kost; 2º. omdat, wanneer de armen niet dadelijk gestrekt worden, de knieën in den weg zitten, vooral op sliding-seats; maar ook op vaste banken, omdat ook hier de knieën zich bij de voorover strekkende beweging van 't lichaam iets opheffen; 3º. omdat, wanneer de voorwaartsche beweging wordt gemaakt met gebogen armen, 't lichaam zich noodzakelijk over den riem moet heenbuigen, en de borst wordt ingetrokken; 4º. omdat anders de voorwaartsche beweging op 't einde niet langzaam uitloopt, zooals behoort, maar juist op 't laatst de grootste snelheid verkrijgt, zoodat zij met een schok moet eindigen.

Wanneer deze beweging is volbracht, laat men het blad van den riem weer dadelijk in 't water, zooals hierboven is aangeduid, en begint op 't zelfde oogenblik te trekken, niet met een ruk, maar toch met kracht, en met evenveel kracht trekt men den geheelen slag door.

Zoo maakt 't lichaam een slingerende beweging, evenwijdig met de kiel van de boot, zonder bij 't einde van den voorwaartschen of achterwaartschen zwaai te rusten. Zoodra de slag geëindigd is, wordt de riem in één beweging uit 't water gelicht en naar achteren gebracht, en ook zoodra hij zijn vlucht boven 't water volbracht heeft, weer dadelijk in één beweging ondergedompeld en door het water heengehaald. Er mag geen stilstand in de beweging van den riem zichtbaar zijn, ja, schijnbaar moet alles in één onafgebroken loop doorgaan.

Eerst na de eerste lessen komt 't scheren aan de beurt. Dit is het naar achteren zwaaien van den riem met 't blad in horizontale houding. De moeilijkheid bestaat in 't platdraaien van 't blad. Dit moet op de volgende wijze geschieden: Nadat de slag geheel volbracht is, brengt men eerst eene drukking met de vingers op 't handvat van den riem teweeg, en vlak daarna drukt men er den palm van de hand tegen, waardoor de riem van zelf omgedraaid wordt en tegelijk het blad zijn vlucht over het water begint. Dit moet noodzakelijk in de aangegeven volgorde geschieden. Drukt men eerst den palm van de hand tegen den riem, dan zal 't blad zich noodwendig onder water omkeeren, en men „vangt een snoek.“ Worden beide bewegingen tegelijk uitgevoerd, dan zal de onderkant van het blad nog even de gelegenheid hebben wat water mede te nemen en door de omdraaiende beweging een straaltje in de hoogte te werpen. Dit laatste is niet zoo gemakkelijk te vermijden, en zelfs oudere en meer geoefende roeiers ziet men het dikwijls doen.

Men moet deze fout echter wel onderscheiden van eene andere veel grootere fout, n.l. het naar achter weg werpen van water. Terwijl het eerste een gevolg is van incorrect platdraaien van 't blad van den riem, is het laatste 't gevolg van een geheel verkeerde houding van den riem gedurende 't laatste gedeelte van den slag. Het blad van den riem wordt dan gedurende den slag reeds een weinig omgedraaid, zoo dat het niet geheel verticaal meer is, daarbij worden de handen niet in één rechten lijn naar den borst getrokken, maar in een boog naar beneden gedrukt. Zoo wordt met 't blad van den riem een kolom water mede opgelicht, en door 't laatste gedeelte van den slag weggeworpen. Dat dit tot de grootste fouten in 't roeien behoort, is duidelijk, want door 't naar beneden drukken van den riem worden krachten aangewend niet in horizontale richting, maar om de boot in 't water neer te drukken; bovendien gaat 't laatste gedeelte (hoe klein ook) van den slag in de lucht verloren. Nadat de leerling eenigen tijd op vaste banken heeft geroeid, en hij zich aangewend heeft bij het begin van den slag zijn lichaam flink vooruit te strekken, en bij het einde goed achterover te vallen, en de slingerende beweging van het bovenlijf zonder schokken of stooten uit te voeren, dan wordt het eerst tijd hem op sliding-seats te doen plaats nemen. Hier wordt de beweging meer gecompliceerd, daar nu de werking der beenen grooter is dan op vaste banken. Telkens wanneer de slag geëindigd is en 't lichaam vooruitgestrekt wordt, moet ook 't bankje naar voren gebracht worden. Dit laatste mag echter volstrekt niet met geweld gedaan worden. Door de voorwaartsche strekking van armen en lichaam wordt de stoot gegeven, waardoor 't bankje als 't ware van zelf naar voren glijdt. Daarmee willen wij niet zeggen, dat 't vooruitbrengen van 't lichaam met een schok moet geschieden, maar eerst armen en bovenlijf, en dan volgt de sliding-seat gemakkelijk en als van zelf. Doet men dit niet op deze wijze, dan zullen de spieren, die langs het scheenbeen loopen, spoedig vermoeid worden, en de boot zal eene stootende beweging verkrijgen.

Op 't oogenblik dat 't bankje naar voren is gebracht, moet ook 't lichaam voorover gestrekt zijn, en op datzelfde oogenblik wordt het blad weer in 't water gestoken en een nieuwe slag begonnen. Op de wijze, waarop men met de beenen de sliding-seat naar achteren afzet, in verband met de achteroverstrekkende beweging van 't lichaam, komen wij later terug. Eerstbeginnenden is het vooral zaak op het hart te drukken, ook hierbij geen rukken of stooten te geven, maar gelijkmatig en veerkrachtig alle bewegingen van 't roeien uit te voeren.

Wij gelooven dat het, om 't juist gebruik van de sliding te leeren, den beginner aan te raden is om in 't eerst niet de geheele lengte ervan af te loopen, maar langzamerhand telkens een grooter stuk ervan te gebruiken.


Wij behoeven bijna niet te zeggen, dat het van 't grootste gewicht is, dat de leden van een ploeg goed maat houden, dat zij allen op 't zelfde oogenblik hun riem in 't water steken en kracht zetten, en ook op 't zelfde tijdstip hem er weer uit lichten en beginnen te scheren. Wordt dit niet gedaan, dan zal 't totaal van de uitgeoefende kracht versnipperd worden, en de boot nu eens naar bakboord- dan weer naar stuurboordzijde overgetrokken worden, terwijl bovendien eene schommelende beweging van de boot, 't gevolg van ongelijk roeien, niet alleen lastig is voor de roeiers, maar ook eene wrijving veroorzaakt met 't water, die den gang van de boot tegenhoudt.


In dit hoofdstuk hebben wij gesproken van het „snoek vangen.“ Dit gebeurt òf wanneer men den riem na 't eindigen van den slag niet tijdig uit 't water kan lichten, òf wanneer men bij 't scheren, in plaats van 't blad over de oppervlakte van 't water te laten gaan, het ontijdig in zijne platgedraaide houding weer in 't water doet vliegen. Het eerste geval komt voor, wanneer de riem niet verticaal, maar scheef in 't water wordt gestoken, zoodat hij in de diepte verdwijnt; of wanneer men 't blad platdraait, vóórdat het uit 't water is gelicht. In beide gevallen zal de boot een schok krijgen, en zoo de riem niet dadelijk uit de dollen wordt gelicht, zullen deze noodwendig moeten breken. Daarom, roeier, wanneer 't ongeluk van een snoek te vangen u overkomt, hef dan dadelijk 't handvat van den riem met beide handen op, zoodat hij uit de dollen gelicht wordt, en door den vaart over 't water langs den achtersteven van de boot komt te glijden. Dadelijk daarna wordt 't blad van den riem op 't water rustende met eenige kracht naar achteren geslingerd, en op deze wijze wordt het met leer bedekte gedeelte weer in de dollen gebracht.

Na de beginselen van 't roeien leert men met de boot te manoevreeren. Plotseling kan zich iets voor den boeg opdoen, dat de stuurman eerst laat ontdekt; dan is 't zaak de boot dadelijk tot stilstand te brengen, ten einde eene botsing te voorkomen. Of men heeft zich in een nauw vaarwater begeven, waarin 't wenden onmogelijk is, en de weg wordt versperd. In het eerste geval moet men kunnen stoppen, in het tweede strijken.

Het stoppen geschiedt aldus: met gestrekte armen en 't lichaam iets voorover gestrekt brenge men 't blad van den riem bijna horizontaal, maar met de holle zijde iets naar den boeg gericht, in 't water, en draaie dan langzamerhand den riem om, totdat de holle zijde geheel naar den voorsteven gekeerd is. Daarbij zorge men echter niet op het handvat van den riem te drukken, want daardoor wordt het boord naar beneden gedrukt.

De bewegingen van het strijken zijn juist de tegenovergestelde van die van het ophalen of trekken. Achterover zittende brenge men den riem, met de holle zijde van 't blad naar den boeg gekeerd, in 't water, strekke de armen en bewege 't lichaam voorwaarts, zoodat het blad door 't water geduwd wordt; na 't einde van den slag drukke men den riem iets neer en draaie hem plat, schere het blad over 't water door 't lichaam achteruit te brengen en de handen tegen de borst te trekken, en beginne een nieuwen slag. Ook deze beweging geschiedt gelijkmatig, terwijl slechts 't blad van den riem onder water mag gehouden worden. Bij 't wenden, wanneer het ééne boord ophaalt en het andere strijkt, moeten ook de riemen gelijktijdig in 't water komen, en daarbij richten zich de strijkende roeiers naar de trekkende.

§ 3. Nadere behandeling van sommige punten.

Wij stellen ons voor eenige momenten in de beweging van 't roeien uitvoeriger te bespreken, enkele, omdat daaraan veel gewicht moet gehecht worden, andere, omdat daarin de meeste fouten voorkomen, weer andere, omdat daaromtrent de meeningen zeer uiteenloopen.

De correcte uitvoering van de bewegingen is dáárom niet alleen wenschelijk, omdat 't begaan van een fout ten gevolge heeft verspilling van krachten of verkeerde krachtsaanwending, maar ook omdat één fout gewoonlijk andere na zich sleept. Het scheef inzetten b.v. van het blad van den riem maakt niet alleen dat het eerste deel van den slag verloren gaat, maar bovendien wordt het lastiger den riem van uit de diepte weer uit 't water te lichten, en dit belemmert de snelle voortwaartsche beweging van 't lichaam; de roeier komt daardoor uit de maat, en om gelijk te blijven is hij genoodzaakt zijn lichaam minder voorover te strekken en dus zijn slag korter te maken.

Indien het blad van den riem niet gedurende den geheelen slag onder water gehouden wordt, maar bij het einde half uit 't water gelicht, dan zal niet alleen de op de boot werkende voortstuwende kracht verminderd worden, maar bovendien door den minderen weerstand van 't water tegen het blad, de slag spoediger geëindigd zijn dan bij de andere roeiers 't geval is, wanneer door allen dezelfde kracht wordt aangewend; zoo zal dus ook hier de maat verbroken zijn, en de voorwaartsche beweging langzamer moeten zijn om zich als 't ware te laten inhalen, en bij 't begin van den slag weer gelijk te zijn.

Vooral zullen eene massa fouten voortkomen uit het verkeerd gebruik maken van de armen op het einde van den slag. Zooals men weet, moet op het einde van den slag, wanneer het lichaam zijne achterwaartsche beweging gemaakt heeft, de riem tot de borst worden doorgetrokken. Dit geschiedt natuurlijk door de buiging der armen, maar daarom volstrekt nog niet door de samentrekking van den biceps. Integendeel, de biceps blijft nagenoeg werkeloos, en de beweging wordt uitgevoerd door de spieren, die de schouderbladen verbinden met den bovenarm, en de spieren, die aan de achterzijde van den bovenarm liggen. Om zich een denkbeeld te vormen van de werking dier spieren, stelle men zich voor dat men met den elleboog een voorwerp achterwaarts duwt door den bovenarm iets voorbij 't lichaam naar achteren te brengen, of dat men een achter zich staanden persoon met den elleboog een stomp geeft. Dezelfde spieren, die dan in werking komen, gebruikt men ook bij het roeien, de bovenarmen worden aangehaald, totdat zij langs en evenwijdig met 't lichaam komen te hangen, de benedenarmen dienen hierbij slechts als eene verbinding van den riem met de bovenarmen; anders uitgedrukt, de hoek bij den elleboog wordt eenvoudig gemaakt door den bovenarm achterwaarts te trekken, niet door den benedenarm naar zich toe te halen, hetgeen door den biceps geschiedt. (Zie fig. 7).

Fig. 7.

Buigt men de armen door de samentrekking van den biceps, dan moeten noodzakelijk de ellebogen zijwaarts opgeheven worden, want anders zou de riem naar den hals en dus veel te hoog opgetrokken worden. Brengt men daarentegen den riem naar 't lichaam door de werking van de spieren over de schouderbladen en aan den achterkant van den bovenarm, dan komen de armen langs het lichaam, met de ellebogen naar beneden gericht.

Men behoeft dus niets anders te doen dan de armen langs het lichaam aan te trekken, om de aangewezen spieren te laten werken, en een krachtig einde van den slag te maken.

Fig. 8.

Doet men dit niet, trekt men door de kracht van den biceps den riem tot de borst, en houdt men bijgevolg de ellebogen zijwaarts opgeheven, zooals in fig. 8 is afgebeeld, dan zal 't einde van den slag niet alleen veel zwakker zijn, maar, en hiervan zijn wij uitgegaan, deze fout zal talrijke andere fouten na zich slepen.

In de eerste plaats zal de borst ingedrukt en de rug gekromd worden op 't einde van den slag, juist op 't oogenblik dat de borst 't meest moet gewelfd worden. Men kan zich hiervan gemakkelijk overtuigen door een niet al te zwakken armstrong te nemen, dien met het ééne einde ergens aan te bevestigen, en met beide handen aan het andere einde den armstrong uit te rekken door de armen, met de ellebogen zijwaarts opgeheven, te buigen. Men zal dan duidelijk kunnen bemerken dat de borst eene sterke neiging heeft zich in te trekken. Voert men echter dezelfde beweging uit met omlaag gehouden ellebogen, dan zal de borst zich gemakkelijk en als van zelf opheffen.

Een tweede gevolg van de aangewezen fout is eene langzame en aarzelende strekking van de armen na 't uit 't water halen van den riem. Wanneer de armen zijwaarts worden gebogen, dan vormen zij bij den elleboog een scherper hoek, dan wanneer ze langs het lijf worden aangetrokken; en hoe meer de armen zijn gebogen, hoe scherper hoek zij dus maken, des te moeilijker wordt ook de strekkende beweging. Deze zal dus langzamer zijn, en om den verloren tijd in te halen moet de voorwaartsche beweging in 't volgend oogenblik en op 't einde sneller zijn, waardoor schokken gegeven worden en de beweging de vereischte gelijkmatigheid en veerkracht verliest; of, en dit is even verkeerd, de armen worden niet in ééns gestrekt, en daarna eerst 't lichaam voorover gebracht, maar beide bewegingen beginnen gelijktijdig, zoodat het lichaam zich over den riem heenbuigt; wij hebben boven aangeduid, waarom dit verkeerd is.


Eene andere fout die op 't einde van den slag bedreven wordt en zeer veel voorkomt, is dat de roeier het lichaam tegen den riem optrekt, in plaats van den riem tot de borst door te halen. Dat hierdoor de slag aanmerkelijk korter wordt, springt in het oog, maar toch zal degene, die die fout begaat, dit zelf niet zoo spoedig inzien. Hij vormt zich de illusie een even langen slag te maken als de anderen, daar hij toch even ver zijn lichaam vooruitstrekt en achteroverzwaait als dezen, en verwondert zich dan, dat hij eerder „klaar“ is, maar bedenkt niet, dat hij wel zijn lichaam evenver achterover zwaait, maar vóórdat de slag nog geëindigd is, reeds weer aan den riem optrekt.

Deze fout is gewoonlijk een gevolg van overhaasting, of, om 't zoo uit te drukken, van de begeerte om zoo spoedig mogelijk weer een nieuwen slag te beginnen.

Een ander gevolg van die overhaasting is te groote inspanning van de beenspieren, voornamelijk die naast het scheenbeen loopen, bij 't naar voren komen. Hierboven is aangewezen in welke volgorde de bewegingen van armen, bovenlijf en beenen moeten uitgevoerd worden. Natuurlijk worden ze niet elk afzonderlijk uitgevoerd, ze vloeien in elkaar, maar de ééne moet vóór de andere begonnen worden. Hij die 't eerst of gelijktijdig met de voorwaartsche beweging van 't bovenlijf zijne beenen aantrekt, loopt kans deze laatste te overspannen.


Wij gaan nu over tot 't belangrijkste moment in de beweging van 't roeien, tot 't begin van den slag. Het is best mogelijk dat iemand al de opgenoemde vereischten voor een goeden stijl in zich vereenigt, dat hij eene goede houding heeft, zijn riem op de juiste hoogte in 't water houdt, de voorwaartsche beweging van 't lichaam correct uitvoert, en dat hij toch als roeier weinig beteekent, omdat hij in 't begin van den slag geen kracht zet, en, om zoo te zeggen, den riem een eind door 't water laat drijven, vóórdat hij er aan begint te trekken. Hij heeft de hoedanigheid verkregen om zijne krachten op de meest spaarzame wijze te gebruiken, en zoo weinig mogelijk te verspillen, maar hij wendt ze niet op het juiste oogenblik aan.

Het is daarom van het hoogste gewicht dat men al dadelijk leert op hetzelfde oogenblik, dat 't blad in het water komt, zijne volle kracht aan den riem te brengen. Men moet doen, alsof, zoodra 't blad in 't water komt, 't bankje van onder zich verdwijnt, en de eenige steunpunten voor 't lichaam zijn 't spoorplankje en 't handvat van den riem, aan welk laatste men blijft hangen. Die juiste en bliksemsnelle krachtsaanwending wordt door de Engelschen van zóóveel gewicht geacht, dat zij legio termen hebben om het denkbeeld uit te drukken: „Catch the water, do all the work at the beginning, lift at the beginning“, en nog verscheidene andere. Dus tegelijk dat de voorwaartsche beweging is geëindigd, worden de handen iets opgelicht, zoodat de riem den vereischten steun in 't water heeft, en men hangt dan aan den riem en drukt de voeten stevig tegen den spoorplank.

De reden waarom juist in 't begin van den slag de volle kracht gebruikt moet worden, is deze: na afloop van elken slag vermindert telkens de vaart van de boot, omdat elk licht vaartuig weinig vaart houdt zoodra de voortstuwende kracht opgehouden heeft te werken, en bovendien omdat door de voorwaartsche beweging van de lichamen of liever door de drukking van den riem op den strijkdol de gang gestremd wordt. Dus telkens wanneer men een slag begint, heeft de boot zijne minste vaart; op dat oogenblik heeft men den meesten „vat“ op 't water. Brengt men eerst later zijne volle kracht in werking, dan is een sneller achterwaartsche beweging van 't lichaam noodig om een even krachtigen druk op 't water uit te oefenen.

Daarom, maak gebruik van 't oogenblik waarop gij den meesten steun in 't water hebt, waarop gij door een betrekkelijk langzame beweging groote kracht kunt uitoefenen.

Het vereischt eene ernstige oefening om op 't juiste oogenblik op ééns zijne volle kracht aan te wenden, zonder toch een ruk te geven.

Velerlei zijn daarom de fouten, die omtrent dit punt worden aangetroffen. Er zijn er, die, zooals wij reeds aanmerkten, eerst nadat de riem eenigen tijd in 't water is, hunne volle kracht gebruiken.

Anderen beginnen den slag goed, verslappen echter spoedig en eindigen zwak.

Weer anderen pakken 't water goed, rusten in 't midden van den slag wat uit, en geven aan 't eind nog een flinken ruk.

Al deze manieren hebben 't groote gebrek dat zij geen volledig gebruik maken van den kostbaren tijd, dat de riem in 't water is, en de laatste methode nog bovendien dit, dat er rukken gegeven worden. Laat de roeier toch begrijpen dat door rukken geen resultaat verkregen wordt evenredig aan de krachtsinspanning. Bovenal zij hem op het hart gedrukt, om gelijkmatig den riem door 't water te halen, in 't begin van den slag reeds met volle kracht, maar zooveel mogelijk tot 't laatste toe die krachtsuitoefening voort te zetten.


De wijze waarop de roeier van zijn sliding-seat moet gebruik maken.

Wij hebben reeds in de vorige § aangewezen op welke wijze men na volbrachten slag 't handvat van den riem weer vooruit brengt om een nieuwen slag te beginnen, en daarbij als eene zaak van veel gewicht er op aangedrongen, dat de handen dadelijk en met vlugheid voor zich uitgeworpen worden, en eerst daarna de zwaai van 't lichaam en de voorwaartsche beweging van 't glijbankje moeten volgen, en wel in de volgorde waarin wij ze opnoemen om deze reden, dat het lichaam zoodra het den steun van den riem moet missen, zoo spoedig mogelijk van zijne achteroverliggende houding opgeheven moet worden, daar deze houding eene vrij groote inspanning van de buikspieren vordert.

Maar nu de trek, de eigenlijke slag: hoe moeten daarbij de bewegingen van 't lichaam en van de sliding-seat ten opzichte van elkander zijn? De armen kunnen wij hier buiten rekening laten, daar, zooals wij gezien hebben, deze eerst gebogen worden op 't einde van den slag, wanneer de overige deelen van 't lichaam hunne functiën verricht hebben.

We hebben dus alleen te maken met den zwaai van 't lichaam en met het strekken der beenen.

Daar de spieren der beenen de sterkste zijn van 't lichaam, zal de roeier er allicht toe komen, om bij 't begin van den slag de beenen in ééns en met kracht te strekken, terwijl 't bovenlijf voorover gebogen blijft, totdat 't bankje geheel naar achteren is gebracht, op welk oogenblik eerst de zwaai begint.