Fig 9.

Deze manier heeft deze twee fouten:

1º. Wordt gedurende een groot deel van den slag 't lichaam in voorovergestrekte houding gelaten, in welke de spieren van den rug met meer moeite den last zullen dragen dan wanneer 't lichaam wat achterover gestrekt was. Zelfs zal het dikwijls voorkomen, dat bij zulke plotselinge strekking der beenen, 't bovenlijf niet in staat is te volgen, maar als 't ware achterblijft, dat tengevolge daarvan de schouders naar voren komen en de rug gekromd wordt, dat dus de geheele houding van den roeier bedorven wordt.

2º. Ook dan, wanneer de goede houding bewaard blijft, werkt de langdurige vooroverliggende positie de vrije ademhaling tegen.

Victor Silberer in zijn „Handbuch des Rudersport“ is daarom eene andere methode toegedaan: „eerst het bovenlijf achterover zwaaien, en dan eerst de beenen strekken.“ Dus de beenen worden gedurende het eerste gedeelte van den slag in dezelfde stelling gehouden, de sliding-seat blijft op dezelfde plaats totdat het lichaam achterover gezwaaid is, waarna eerst de beenen gestrekt worden.

Fig. 10.

Ook deze methode heeft, naar onze meening hare gebreken, waardoor zij niet aanbevelenswaardig wordt.

1º. Zal de „catch,“ 't begin van den slag, bij deze methode, niet zóó flink, niet zóó krachtig zijn als 't behoort. Met opgetrokken, sterk gebogen beenen kunnen de spieren van den rug niet zoo krachtig werken als na eenige strekking. En in die onnatuurlijke houding met opgetrokken knieën wil men hebben, niet alleen dat 't lichaam gedurende eenigen tijd blijft, maar ook dat bovenlijf zijne geheele functie zal verrichten, totdat het zijne uiterste achteroverhangende stelling heeft ingenomen.

2º. Doet zich dit bezwaar voor, dat de beenspieren, de sterkste van het lichaam, gedurende een kort gedeelte van den slag, en nog wel op 't einde, wanneer de boot reeds weer vaart heeft, het bankje met snelheid achteruit stooten, hetgeen allicht de boot doet schokken.

Bij de eerste methode bestond dit bezwaar niet, daar in 't begin van den slag de riem den grootsten weerstand ondervindt, en dus, hoe energiek de beenen ook werken, het bankje niet met zóó groote snelheid achteruit geschoven kan worden.

Beide genoemde stelsels zijn uitersten; naar onze meening moet er eene transactie gesloten worden om de ware methode te verkrijgen.

Zoodra de slag wordt aangevangen, strekken zich de beenen niet in ééns, noch zwaait 't bovenlijf achterover terwijl de knieën opgetrokken blijven, maar beide bewegingen geschieden gelijktijdig: het bankje wordt langzamerhand achteruit geduwd, terwijl het lichaam zijn achterwaartschen zwaai maakt.

Fig. 11.

In dit stelsel wordt het lichaam niet gedwongen gedurende een groot deel van den slag in onnatuurlijke houding te blijven, daar door eene kleine strekking van de beenen de rugspieren al dadelijk gemakkelijker kunnen werken, de sterke beenspieren werken mede tot een krachtig begin van den slag, terwijl aan den anderen kant ook eene langdurige voorovergestrekte houding van het bovenlijf vermeden is. Ook wordt de gelijkmatigheid, waarmee de riem door 't water gehaald wordt, door deze methode zeer bevorderd.


Een andere kwestie van belang, waarover de meeningen nog al uiteenloopen, is de mate van snelheid waarmee de riem naar voren gebracht moet worden na 't eindigen van elken slag.

Het beginsel waarvan men uitgaat, is om zoo weinig mogelijk tijd te verliezen. Elk overtollig oogenblik dat de riem boven water doorbrengt na elken slag, heeft ten gevolge tijdverlies, en maakt dus den tijd waarin de baan afgelegd wordt langer. Vandaar dan ook, dat de riem geen oogenblik stil mag zijn, noch na 't einde van den slag, wanneer hij uit 't water gehaald is, noch vóór 't begin van den slag na zijne vlucht over 't water. Wanneer de riem slechts 1/10 seconde stil ligt b.v. na 't einde van elken slag, dan blijft hij in één minuut, wanneer 40 slagen in de minuut gemaakt worden, reeds 4 seconden werkeloos. Zoo krijgt men een denkbeeld van 't kolossale tijdverlies, dat op de geheele baan wordt geleden.

Dus in geen geval stilstand van den riem. Maar nu welke mate van snelheid? Wanneer men alleen rekening hield met het zooeven genoemd beginsel, dan zou het wenschelijk zijn om zoo snel mogelijk naar voren te komen, omdat men dan zoo weinig mogelijk tijd verliest.

Er zijn echter ook andere factoren van de snelheid van de boot, waarmee men rekening moet houden.

1º. Zooals wij reeds ter andere plaatse hebben gezegd, verliest de boot na 't einde van elken slag door de voorwaartsche beweging van 't lichaam telkens een deel van hare snelheid. Hoe sneller nu de voorwaartsche beweging van 't lichaam is, hoe grooter de kracht waarmee de gang van de boot gestremd wordt.

2º. Vordert 't naar voren brengen van 't lichaam eene groote inspanning vooral van de buikspieren. Wordt nu deze beweging zoo snel mogelijk gemaakt, dan worden genoemde spieren overmatig ingespannen, en daardoor de energie, de veerkracht van 't lichaam uitgeput, want men moet wel bedenken dat te groote inspanning van sommige spieren terugwerkt op alle deelen van 't lichaam.

Zoo moet dus ook alweer hier een middenweg hem trachten te vinden door de praktijk, waarbij men zich zal kunnen laten leiden door twee hoofdbeginselen van het roeien: 1º. Nooit mag de beweging met schokken geschieden, 2º. Geen deel van 't lichaam mag bovenmatig en buiten evenredigheid met de andere deelen ingespannen worden.


Wanneer iemand begint te leeren roeien, zal de gedurige aanmaning van zijn leermeester zijn: „flink naar voren komen en goed naar achteren vallen!“ Hoewel wij deze methode van leeren geenszins afkeuren, omdat de leerling steeds eene sterke neiging gevoelt om rechtop te blijven zitten, en slechts met de armen te werken, zoodat hij vroegtijdig moet gedwongen worden zijn bovenlijf te gebruiken, zoo zal men toch in de meeste gevallen zien dat hij na deze aanmaning in zijn ijver veel te ver achterover zwaait, en soms ook de voorover strekkende beweging overdrijft.

Tot hoever moet hij nu deze bewegingen uitstrekken?

In eene boot met vaste dollen zal de voorwaartsche strekking van het lichaam van zelf hare grens vinden in het gevaar dat de riem tusschen de dollen bekneld raakt. Men zorge dan steeds zoover naar voren te komen als maar mogelijk is, zonder in 't begin van den slag met den voorkant van den riem tegen den strijkdol aan te komen. Het is echter ook mogelijk, dat in eene boot de dollen te ver van elkaar verwijderd zijn; in dit geval en wanneer er draaiende gekozen worden, eene verzoening gezocht tusschen twee tegenstrijdige beginsels. In theorie is het moeilijk te zeggen, welke die middenweg is. Men moet zich wachten voor overdrijving van de voorwaartsche beweging. De strekking mag niet ontaarden in eene vooroverbuiging, zoodat de rug gekromd, de schouders vooruitgebracht, de borst bekneld wordt. Wij hebben het reeds meer gezegd, men moet zijn lichaam geen geweld aandoen. Het voordeel van een langeren slag weegt dan niet op tegen de groote inspanning om in die houding den riem met kracht door 't water te halen.

Ook het achterovervallen mag niet reiken over een zeker punt, van waar de roeier zich weer gemakkelijk kan oprichten. Gaat men verder, dan zal de lengte van den slag daardoor winnen, maar het hieruit verkregen voordeel ook alweer niet in evenredigheid zijn met de vermeerdering van inspanning der buik- en lendespieren, die het lichaam weer moeten opheffen.

Vaste regels zijn hier echter niet voor te geven; sommige roeiers zullen meer naar voren komen, anderen meer achterover vallen, weer anderen beide bewegingen in meerdere mate uitvoeren. Dit hangt dan grootendeels af van de gewoonte en van de oefening, waardoor zich sommige spieren meer ontwikkelen dan andere. Maar in elk geval wake men tegen overdrijving.

In nauw verband met het juist gezegde staat het aantal slagen door eene ploeg in de minuut gemaakt.

Dikwijls ziet men op wedstrijden of ook wel wanneer als oefening op tijd wordt geroeid, de toeschouwers angstvallig letten op het aantal slagen in de minuut, en dan hoort men ook veelal uit het grootere of kleinere aantal conclusies maken ten nadeele of ten gunste van de ploeg.

Meestal zijn die conclusies geheel ongemotiveerd; men kan in 't algemeen uit het aantal slagen geen gevolgtrekking maken over de kwaliteit van den roeier. Natuurlijk moet een zoogenaamde „ratelslag“ evenals een luie „zeurslag“ geen hoogen dunk geven van den roeier; dit ligt aan een gebrek in den stijl, hetzij aan overhaasting, hetzij aan langzaamheid, gemis aan veerkracht in de bewegingen. Maar het is zeer goed mogelijk dat eene bepaalde ploeg in eene zekere boot met 36 slagen in de minuut sneller roeit, dan met 38 slagen, als ook andersom.

Daarom is het zoo verkeerd, dat een trainer vooraf bepaalt met hoeveel slagen zijne ploeg moet roeien, en aanmerking maakt, wanneer ze een kalmer, langer slag aanneemt. Dit kan hij eerst beoordeelen, wanneer hij zijne ploeg goed kent, en zelfs door proeven eene zekere ondervinding omtrent haar heeft opgedaan.


Wij laten hier nog volgen eenige regels voorgeschreven door den schrijver van „The principles of Rowing and Steering“, en eenige door hem aangewezen meest voorkomende fouten.

„The requisites for a perfect stroke are:

1º. Taking the whole reach forward, and falling back gradually a little past the perpendicular, preserving the shoulders throughout square, and the chest developed at the end.

. Catching the water and beginning the stroke with a full tension on the arms at the instant of contact.

3º. A horizontal and dashing pull through the water immediately the blade is covered, without deepening in the space subsequently traversed.

4º. Rapid recovery after feathering by an elastic motion of the body from the hips, the arms being thrown forward perfectly straight, simultaneously with the body, and the forward motion of each ceasing at the same time.3)

5º. Lastly, equability in all the actions, preserving full strength without harsh, jerking, isolated, and uncompensated movements in any single part of the frame.

Faults in rowing.—The above laws are sinned against when the rower

1º. Does not straighten both arms before him.

2º. Catches the water with unstraightened arms or arm, and a slackened tension as its consequence; thus time may be kept, but not stroke; keeping stroke always implying uniformity of work.

3º. Rows round and deep in the middle, with hands high and blade still sunken after the first contact.

4º. Keeps one shoulder higher than the other.

5º. Doubles forward and bends over the oar at the feather, bringing the body up to the handle and not the handle up to the body.

6º. Strikes the water at an obtuse angle, or rows the first part in the air.

7º. Shivers out the feather, commencing it too soon and bringing the blade into a plane with the water while work may yet be done; thus the oar may leave the water in perfect time, but stroke is not kept. This and No. 2 are the most subtle faults in rowing, and involve the science of shirking.

8º. Rolls backward, with an inclination towards the inside or outside of the boat.

9º. Turns his elbows at the feather instead of bringing them sharp past the flanks.

10º. Throws up water instead of turning it well aft off the lower angle of the blade. A wave thus created is extremely annoying to the oar further aft; there should be no wave travelling astern, but an eddy containing two small circling swirls.“


3) Wij hebben hierboven in dit hoofdstuk eene andere meening verdedigd.

§ 4. Het scullen.

Men zorge er voor, alvorens in eene scullingboot plaats te nemen, het roeien met één riem in den grond te kennen. En dan nog is het den beginner geraden in eene zware boot met vaste banken te beginnen, daar men in eene lichte raceboot reeds aan het bewaren van het evenwicht zoozeer zijn aandacht moet wijden, dat de beweging zelve er door op den achtergrond zou geraken.

Het is ook wenschelijk dat het materiaal vooraf door een ervaren sculler worde nagezien, want hetgeen bij het roeien in 't algemeen over 't aanleeren van fouten door slecht materiaal gezegd is (bv. verkeerde stand van de dollen, van het stootleer, enz.) geldt in nog grooter mate bij het scullen. Men lette hierbij vooral op de voldoende ruimte tusschen de dollen, want, daar de hefboom van een scull korter is dan van een riem, is de hoek door een scull met de dollen gevormd, ook scherper, waaruit volgt, dat de dollen verder van elkander moeten staan, zal de scull niet er tusschen bekneld raken.

De vereischten voor een goeden stijl in het scullen zijn dezelfde als bij het roeien met één riem. Door de hanteering van twee riemen wordt de beweging echter van zelf iets gewijzigd, want men wordt nu niet meer gedwongen met de eene hand verder te reiken dan met de andere, en zoo ook worden beide handen op 't einde van den slag even ver naar zich toe getrokken.

Een punt van onderscheid maakt de lengte van den slag uit. In eene scullingboot kan en moet de slag langer zijn dan in eene andere.

Bij de voorwaartsche beweging reeds kan de sculler iets verder reiken, daar hij zijne armen naar beide zijden voor zich uitspreidt, zoodat het lichaam recht voorover gestrekt kan blijven, terwijl de roeier, wil hij zich zoover mogelijk naar voren strekken, in dat geval genoodzaakt is zijn lichaam naar binnen te buigen en dan nog zijne armen niet recht voor de borst heeft.

Maar het is vooral in de achterwaartsche zwaai dat de sculler zijn slag veel langer kan maken.

Zoo de roeier zich te veel achterover geeft, zal het einde van den slag zeer zwak zijn, want de hefboom van zijn riem wijst naar zijn borst, en moet dus naar den binnenkant van zijn lichaam getrokken worden. Want indien het binneneinde van den riem zóó lang was, dat het handvat naar zijne borst getrokken kon worden, ook al was hij evenmin achterover gezwaaid, dan zouden al weder zijne armen buiten de richting van het lichaam vallen op het oogenblik, dat de riem een rechten hoek met het boord vormt, juist op het punt waarop de uitwerking van de ingespannen kracht het grootst is. Bij den sculler daarentegen snijden de rechts en links werkende krachten elkaar in het middenpunt der breedte van de boot, zoodat het lichaam steeds in de richting der kiel kan blijven werken, ook al is het nog zoo ver achterover gestrekt.

Eene zaak van gewicht is nog deze:

Bij het scullen is het nog meer noodig dan bij 't gewone roeien, dat de armen na het einde van den slag in eens gestrekt worden; de handen moeten bliksemsnel naar voren worden geworpen om eene aanraking met de knieën te voorkomen; voor deze aanraking bestaat nl. bij het scullen meer gevaar, daar de handen, niet op gelijke hoogte, maar de een boven de andere over de knieën worden gebracht.

Deze beweging, juist uitgevoerd, zal de schouders terugbuigen en de vrije ademhaling bevorderen.

Walter Bradford Woodgate geeft nog eene andere afwijking aan van de regels gegeven voor 't gewone roeien.

Hij zegt nl. dat een sculler op 't einde van den slag niet de sculls naar zijn lichaam moet trekken, maar 't lichaam aan de sculls optrekken, dus juist iets doen wat bij 't roeien met één riem streng verboden is.

Als redenen voor deze afwijking worden opgegeven de volgende argumenten:

1º. Bij het scullen wordt een langer slag gemaakt, het bovenlijf wordt verder achterover gezwaaid, zoodat een extra kracht noodig is om het weer op te heffen. De buik- en lendespieren zullen dus overmatig worden ingespannen, zoo zij niet ondersteund worden, doordat 't lichaam aan de riemen wordt opgetrokken.

2º. Het gewicht van het bovenlijf wordt, zoodra de sculls 't water verlaten hebben, op de lendenen overgebracht. Is nu het lichaam op dat oogenblik ver achterover gestrekt, dan zal het gewicht rusten op het voorste gedeelte van de boot, waardoor de boeg „dompt,“ 't geen de vaart vermindert. Trekt men echter 't lichaam aan de riemen op, dan zal het gewicht eerst op de boot drukken wanneer 't lichaam weer een eind voorwaarts is opgeheven, en dus niet meer zoover achterover ligt, zoodat het gewicht niet zoover vóór in de boot komt.

Niettegenstaande onze achting voor de kundigheden van den bekenden engelschen schrijver over de theorie van 't roeien, kunnen wij ons toch geenszins vereenigen met de door hem voorgestane meening.

Onzes inziens is zijn betoog niets anders dan eene cirkelredeneering.

Zij komt hierop neer: de sculler moet verder achterover zwaaien dan de roeier aan één riem; hieruit zullen twee gevolgen voortkomen:

1º. Wordt grooter krachtsinspanning vereischt om 't lichaam weer naar voren te zwaaien, 2º. 't gewicht wordt na 't einde van den slag, zoodra de riemen uit 't water gelicht worden, meer naar 't voorste gedeelte van de boot verplaatst, waardoor de boeg zal dompen.

Om nu deze beide nadeelige gevolgen te voorkomen, moet dienen de aanbevolen beweging, waarbij 't lichaam door de kracht van de armen aan de riemen wordt opgeheven, want zoo zal men de voorwaartsche zwaai vergemakkelijken, en dus krachten besparen, en tevens 't dompen der boot voorkomen.

Volkomen waar; maar men vergeet dan, dat dit alles geschiedt ten koste van de lengte van den slag, want stel dat de sculler zijn achterwaartsche zwaai maakt totdat zijn lichaam den stand heeft van a c op hierbovenstaand figuur, maar hij trekt zich op 't einde van den slag aan de riemen op, zóó dat op 't oogenblik dat zijne handen bij zijne borst komen, 't lichaam den stand a b heeft, dan wordt de slag niet doorgetrokken tot punt e, maar tot punt d.

Fig. 12.

En waartoe dient nu de achterwaartsche zwaai tot a c, wanneer de slag er toch niet langer door wordt, dan wanneer de zwaai gegaan was tot a b? Immers nergens voor; want, hetzij men zich achterover geeft tot a c, maar zich weer optrekt tot a b, hetzij men eenvoudig slechts tot a b achterover zwaait, in beide gevallen zal 't gewicht even ver naar voren in de boot verplaatst worden, en ook zullen in beide gevallen de buik- en lendespieren de voorwaartsche beweging moeten volbrengen van af a b.

De redeneering van Woodgate loopt dus in dezen cirkel:

De slag moet langer gemaakt worden van d tot e, maar om de daaruit voortvloeiende nadeelen te niet te doen, geeft hij middelen aan de hand waardoor de slag weer ingekort wordt tot d.

Is het dan niet eenvoudiger en dáárom beter, omdat de verdere zwaai achterover bespaard wordt, om slechts tot a b achterover te vallen?

Onze conclusie is dus deze: men moet zóóver het lichaam achterover zwaaien, dat de voordeelen van de meerdere lengte van den slag de nadeelen daaruit voortvloeiende nog overtreffen, en niet aan de nadeelen trachten te ontkomen door middelen die den slag feitelijk korter maken; want dit is met een omweg naar 't doel streven.


Er doen zich bij het scullen nog eenige eigenaardige moeilijkheden voor, waarmede beginners soms zwaar te kampen hebben.

1º. De sculls loopen over een afstand van 5 à 6 cM. over elkaar heen, waardoor het in 't begin moeilijk is het tegen elkaar stooten der handen te vermijden. De eene hand moet dus hooger dan de andere gehouden worden; het is geheel onverschillig welke hand men boven, welke onderaan houdt. Maar men werpe ze toch tegelijk naar voren, zoodat de sculls tegelijk in 't water komen, en het ook tegelijk weer verlaten.

Om het afglijden der handen te verhinderen, legge men het bovenlid van den duim tegen het uiteinde van de scull aan.

2º. Door de geringe breedte zal de boot spoedig aan 't „rollen“ gaan, en de sculler zal dit trachten te verhinderen door bij het scheren de bladen der sculls over 't water te laten gaan. Dit nu is verkeerd. Bij 't einde van den slag moet hij de sculls flink uit het water lichten en ze naar achteren brengen zonder de oppervlakte van 't water te raken.

Dit is echter niet gemakkelijk, en eerst na oefening zal men zijn evenwicht leeren bewaren.

Dikwijls wordt in het handvat van de scull een of twee ons lood gegoten om op het vereischte oogenblik gemakkelijker het blad uit het water te kunnen lichten en terug te brengen, zonder de oppervlakte van het water aan te raken.

3º. Eene kunst die de sculler ook noodzakelijk moet leeren, is: zijn vaartuig in den koers te houden. In 't eerst zal hij daartoe telkens omzien, en zoodoende alras de handigheid verkrijgen om alleen het hoofd om te wenden, zonder daarbij met roeien op te houden. Op wateren waar weinig of geen scheepvaart is, zal men dikwijls kunnen volstaan met de oogen steeds op den achtersteven gericht te houden, nadat men dezen eenmaal in de gewenschte richting heeft gebracht. Elke afwijking zal terstond in het kielwater zichtbaar worden. Bovendien heeft het gadeslaan van den achtersteven dit voordeel in, dat de sculler steeds 't werk zijner handen zal kunnen nagaan.

De stuurtoestellen verlichten 't werk zeer, als het noodig is de boot weer in de vereischte richting te brengen, maar toch is het beter eerst eenigen tijd dit toestel niet te gebruiken. Het gemak, waarmee men door een lichten druk van den voet eene afwijking der boot herstelt, verleidt den sculler allicht om de gelijkelijke arbeid der handen te veronachtzamen, en telkens zijn toevlucht te nemen tot 't stuurtoestel. Het roer nu vertraagt den gang der boot door den tegenstand van 't water. Hoe minder het dus gebruikt wordt, hoe beter.

Zijn alle moeilijkheden overwonnen en heeft men zich een goeden stijl als sculler eigen gemaakt, zoo kan men zich vleien met het bewustzijn een hoogen trap van volmaaktheid in de schoone roeikunst bereikt te hebben.

decoratieve illustratie

decoratieve illustratie

VIERDE HOOFDSTUK.


HET STUREN EN DE STUURMAN (coxswain, barreur, Steuermann).

Evenals men den roeiliefhebber toeroept: „leer zwemmen vóórdat gij in de boot plaats neemt,“ raden wij den aanstaanden stuurman aan om te leeren roeien alvorens de stuurlijnen ter hand te nemen.

Dikwijls komt het voor, dat iemand, door liefde tot de stuurmanskunst aangetrokken, lid eener roeivereeniging wordt en dan maar terstond als stuurman in eene boot plaats neemt zonder zich de moeite te willen getroosten eerst te leeren roeien; immers, aldus redeneert hij, roeien en sturen zijn geheel verschillende kunsten en hebben niets met elkaar gemeen.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, welke gevaren een ploeg, door zulk een stuurman gestuurd, bedreigen.

Daar zit hij dan op den stuurbank in eene gedwongene houding, onbekend met de kommando's, bij elken slag met het bovenlijf naar voren slingerende, dan naar bakboord dan weer naar stuurboord glijdende, bij de minste afwijking van den boeg zóó hevig aan een der stuurlijnen trekkend, dat de boot plotseling veel te ver naar de andere zijde vliegt, en bij het minste gevaar aarzelend en gereed om de stuurlijnen te laten glippen.

Neen, eerst leeren roeien en dan sturen zij ieder aangeraden.

Een roeier zal, wanneer hij op den stuurbank plaats neemt, zijn bovenlijf recht gestrekt houden en zorgen dat de boot niet naar ééne zijde overhelt, daar hij als roeier geleerd heeft hoe lastig dit voor de roeiers is. Hij zal een vast punt in de verte in het oog houden en daarop steeds aansturen, daar hij als roeier heeft ondervonden, hoe het zigzag sturen de roeiers afmat en den gang der boot vertraagt. Hij zal de stuurlijnen steeds gestrekt houden, daar hij hierdoor alleen de boot haren rechten koers zal kunnen doen behouden.

Verder moet de stuurman zijne beenen als een Turk gekruist houden en de knieën zoover mogelijk uitgespreid. Tevens zal hij zooveel mogelijk onbeweeglijk zitten en niet elke beweging der boot volgen; dat hij bij elken slag door de meegevende beweging van het bovenlijf de snelheid der boot zou bevorderen, is louter fictie; immers zal hij bij het einde van den slag dezelfde beweging weer achterwaarts moeten maken om zijne gewone positie te herkrijgen en dus daarbij ook de snelheid der boot weer verminderen. Het eenig gevolg van dat heen- en weerslingeren is dus, dat hij door onvast op den bank te zitten de roeiers in hunne taak zal hinderen en door onbedoelde rukken aan een der stuurlijnen den gang der boot kan belemmeren.

Ieder stuurman behoort verder met de volgende regels bekend te zijn:

1º. eene boot, die stroomopwaarts gaat, moet aan den oever blijven en elke boot, die zij ontmoet, aan den binnenkant, d. w. z. in het midden van den stroom laten passeeren.

2º. eene stroomafwaarts varende boot houdt het midden van den stroom en laat eene haar ontmoetende boot aan den buitenkant voorbijgaan.

3º. eene boot, die eene andere boot inhaalt, moet voor deze uithalen om te passeeren, terwijl de ingehaalde boot ongestoord haren koers kan vervolgen.

4º. ontmoeten twee booten elkaar op niet stroomend water, zoo wijken beiden naar stuurboord uit en ieder laat dus de andere aan bakboord passeeren.

5º. eene boot met stuurman moet uitwijken voor eene boot, die zonder stuurman vaart.

6º. eene roeiboot moet steeds voor eene zeilboot uitwijken.

7º. een tweeriems moet voor een vierriems—een vierriems voor een zesriems—en deze weer voor een achtriems uitwijken.

Dit over de plichten van den stuurman in het algemeen.

Thans nog het een en ander over de taak, die hij op wedstrijden heeft te vervullen.

Raceroeiers noemen den stuurman wel eens een noodzakelijk kwaad, en vooral de Franschen en Belgen schijnen deze meening zeer te zijn toegedaan, waarom zij dit kwaad maar zoo klein mogelijk trachten te maken en met de kleinste exemplaren van het genus „stuurman“ op wedstrijden verschijnen. Gewoonlijk zijn het kinderen van 25 à 30 kilo, aan wie in die landen op wedstrijden het roer wordt toevertrouwd. Dat zulk een knaap slechts pro forma in de boot zit ingevolge het reglement, dat een wedstrijd voor „booten met stuurman“ heeft uitgeschreven, spreekt van zelf, daar de slag in werkelijkheid het bevel voert en hem gedurende den ganschen kamp instructies moet geven.

Het voordeel van dezen maatregel ligt voor de hand: de roeiers hebben minder ballast mee te trekken en de snelheid der boot kan daardoor grooter zijn.

Doch ook de nadeelen, die uit die instelling voortvloeien, zijn niet gering te schatten.

Zoo de wedstrijd op een water, dat zeer onstuimig is of waar vele vaartuigen de baan her- en derwaarts doorkruisen, plaats vindt, zullen kinderen al zeer slechte leiders zijn op dat moeilijke pad, en ongelukken zullen allicht voorkomen.

Een goed stuurman kan door eene juiste kennis van den invloed van wind en stroom op den gang der boot zijn ploeg menigen omweg en veel krachtsinspanning besparen.

Wanneer wij bedenken, hoevele wedstrijden met eene bootslengte of minder gewonnen zijn, dan is het duidelijk, dat een goed stuurman, die de boot iedere afwijking, hoe gering ook, bespaart, en van elken gunstigen toestand van wind of stroom onmiddellijk partij weet te trekken, in vele gevallen voor een groot deel tot de overwinning heeft bijgedragen.

En hoe kan men dit van een kind eischen? Hoe kan men in een kind die tegenwoordigheid van geest, dien vasten wil, dat vlug begrip verlangen, die zoo noodzakelijk zijn tot het vormen van een racestuurman in den waren zin van het woord? Wij herinneren den lezer slechts aan de wijze, waarop door belgische ploegen op wedstrijden de boeien worden gemaakt, waarbij zij steeds een eind tegen nederlandsche ploegen verliezen.

Ook zouden wij er op kunnen wijzen, hoe bespottelijk het is op wedstrijden in genoemde landen den slag voortdurend tegen zijn „petit barreur“ te hooren schreeuwen en onophoudelijk te zien omkijken, in plaats van op het tempo zijner slagen en de conditie zijner mederoeiers te letten. Door dat geschreeuw èn van den slag èn van den stuurman, die zonder ophouden zijn „tirez donc“ laat hooren, worden ook de ooren der toeschouwers op een allesbehalve welluidend concert vergast.

Neen, in dat opzicht is het in Nederland beter.

De gecombineerde vergadering van alle nederlandsche roeivereenigen, in 1885 te Amsterdam gehouden, heeft besloten, dat op onze wedstrijden slechts stuurlieden worden toegelaten, die minstens 60 kilo wegen, zoodat hierdoor het kwaad voorkomen wordt, dat sedert jaren in Frankrijk en België voortwoekert.

Het is dus wel te verwachten, dat men binnenkort in België ons voorbeeld volgen en een niet te laag minimum-gewicht voor den racestuurman zal vaststellen.

Het is namelijk noodzakelijk, dat deze taak door iemand wordt waargenomen, die in staat is met vaste hand den koers der boot te bepalen, van elk voordeel partij te trekken, den roeiers op den wedstrijd moed kan inboezemen en hen, zoo zij verslappen, met nieuwe krachten weet te vervullen en tot de uiterste inspanning aan te sporen.

En in dat geval, is de stuurmanskunst eene edele kunst en kan de stuurman met evenveel recht trotsch zijn op zijne behaalde medaille als de roeier op de zijne.

Verkiest men echter zonder stuurman te roeien, zoo kieze men wedstrijden voor booten, die door een der roeiers worden gestuurd, doch trachte niet den edelen roeisport te verlagen door gehuurde kinderen in de boot te nemen en aldus een voordeel op zijne tegenpartij te erlangen.

In vele landen is het roeien in booten, voorzien van een stuurtoestel, (steering-apparatus), reeds doorgedrongen.

Het is eene amerikaansche uitvinding, die het gemis van een stuurman mogelijk maakt door diens taak aan een der roeiers op te dragen. Op de spoorplank van een der roeiers namelijk is een toestel aangebracht, dat met de stuurlijnen in verband staat en den roeier in staat stelt de boot met zijne voeten naar rechts of links te wenden.

Er zijn drie soorten van dit stuurtoestel, die allen, hoewel in hoofdzaak aan elkaar gelijk, in samenstelling een weinig verschillen. Het beste wordt vervaardigd door Searle & Sons te Londen.

Het spreekt van zelf, dat het gebruik van dit toestel van den roeier groote vaardigheid vereischt, zoodat het in eene meerriemsboot gewoonlijk aan den bekwaamsten roeier wordt opgedragen.

decoratieve illustratie

decoratieve illustratie

VIJFDE HOOFDSTUK.


Multatulit fecitque puer, sudavit et alsit, abstinuit venere et vino.

DE TRAINING.

Een enkel woord vooraf over de keuze der roeiers en over de samenstelling van eene ploeg is hier op zijne plaats. Dikwijls wordt bij de samenstelling van eene raceploeg meer gelet op physieke kracht dan op vaardigheid in 't roeien. Men gaat dan van 't denkbeeld uit, dat degenen, die men gekozen heeft om hunne sterke spieren, met eenige oefening zich een goeden stijl wel eigen zullen maken.

Het is gemakkelijk aan te toonen dat deze wijze van handelen onjuist is, en wel om de eenvoudige reden dat de grondstelling waarvan men uitgaat, nl. dat ieder door oefening eene goede methode van roeien zich zal kunnen eigen maken, met de waarheid in strijd is. Er zijn er, die nooit leeren roeien, er zijn er ook, die slechts door langdurige oefening het tot op een zekere hoogte brengen.

Daarom is het raadzaam in de 1e plaats te letten op den aanleg voor en de vaardigheid in 't roeien, en slechts in de 2e plaats in aanmerking te nemen de physieke kracht.

Overigens is over de lichamelijke vereischten voor een roeier weinig te zeggen. Het spreekt van zelf dat goede longen en een normaal werkend hart onmisbaar zijn. Heeft men die niet, dan is zelfs eene proefneming om de vermoeienissen der training te doorstaan reeds gevaarlijk voor de gezondheid, terwijl de ploeg door het uittreden van een der leden gedupeerd is, daar men nu met een ander opnieuw zal moeten beginnen te oefenen.

Twijfelt men daarom maar eenigszins aan de volkomene gezondheid van een der genoemde organen, dan doet men goed zich vooraf door een medicus te doen onderzoeken.

Groote spierkracht, wij hebben het reeds gezegd, is geen hoofdvereischte. Tot bewijs van deze bewering beroepen wij ons op het feit dat zoovele groote roeiers van mindere lichaamskracht zich den baas hebben getoond van anderen, die over veel grooter physieke kracht konden beschikken. Een treffend voorbeeld is geweest Robert Coombes, een man van zeer kleine gestalte en slechts 56¼ K.G. wegende, die in 1846 het Championnaat van Engeland won, en de eerste roeier van zijn tijd was. En nemen wij Hanlan zelf, welk verschil van lichaamskracht bestaat er niet tusschen hem en Trickett, Laycock, Ross en andere reuzen, die allen voor hem 't onderspit moesten delven. En ook onder de eerste amateurs kennen wij immers roeiers die, ten opzichte van hun lichaamskracht, niet boven 't middelmatige gingen, b. v. Mr. Lowndes van Oxford, die eenige jaren het Championnaat van de Thames wist te veroveren.

Maar hiermede willen wij geenszins aantoonen dat groote spierkracht van geen nut is. Zeker zal, wanneer bij 2 roeiers alle voordeelen gelijk zijn, de grootere kracht bij den één de schaal naar zijn kant doen overhellen. Maar ze is niet van zooveel gewicht als men over 't algemeen gelooft, en in geen geval kan ze in de plaats komen van 't gemis aan eene goede methode van roeien. Men zorge echter bij de keuze van roeiers niet gedecideerd zwakke personen te nemen, daar het noodig is dat ze gedurende elken slag op zich zelf den riem gemakkelijk door 't water halen; anders kan men niet verwachten dat ze diezelfde beweging honderden malen zullen kunnen herhalen.

Aangeboren taaiheid strekt tot aanbeveling.

Ook geeft eene lange, slanke gestalte een voordeel bij het roeien, omdat men dan om een even grooten slag te maken als door iemand van korter, meer ineengedrongen lichaamsbouw wordt gemaakt, zijn lichaam minder voorover en achterover behoeft te strekken, en dus vanzelf gemakkelijker roeit.

Na de keuze der roeiers gaat men over tot de aanwijzing van ieders plaats in de boot. Hierbij zijn eenige regels in acht te nemen. Als slagroeier (strokeman, chef de nage, Schlagmann) kieze men den besten roeier, of hem, die door meerdere geoefendheid boven de anderen uitmunt. De slagroeier is 't, die de grootste verantwoordelijkheid in de boot draagt. Vertraagt hij zijn tempo, verliest zijn slag de noodige veerkracht, noodwendig moet dit terugwerken op de anderen, want ze moeten hem volgen, en al waren ze de beste roeiers der wereld, ze kunnen er niets aan doen.

Ook zijn kalmte en koelbloedigheid zeer gewenschte eigenschappen in hem, om dezelfde reden, dat hij 't tempo moet aangeven. Een zenuwachtige slag heeft dikwijls een wedstrijd doen verliezen, evenals kalmte en beleid hem vaak doen winnen. Te gelegener tijd uitgevoerde „spurtjes“, het juist gebruik maken van zwakke oogenblikken van de tegenpartij, zijn dikwijls beslissend geweest op een race tusschen ongeveer gelijkstaande ploegen.

In die oogenblikken is het de taak van de overige leden der ploeg, maar vooral van den 2en slagroeier, om oogenblikkelijk 't veranderd tempo te volgen; geen halve slag mag daardoor ongelijk worden, op 't zelfde oogenblik dat de slagroeier zijn tempo verandert, moeten de overigen dit als een elektrischen schok voelen; wij herhalen het, in de 1e plaats de 2e slagroeier, want volgt hij niet, dan zullen alle stuurboordroeiers eveneens achterblijven; hij is als 't ware de slagroeier aan stuurboord.

Bij de aanwijzing van ieders plaats komt 't gewicht in aanmerking. Het grootste gewicht moet in 't midden der boot gelegd worden, dus in een vierriemsgiek zijn 2e slagroeier en 2e boeg de zwaarste personen, zoo 't kan de 2e slag nog zwaarder dan de 2e boeg. De boeg (bow, brigadier, Bug) is de lichtste, terwijl de slagroeier minder gewicht moet hebben dan de twee in 't midden der boot gezetenen. De gewichtsverdeeling is echter niet van overwegend belang; stel dat iemand door zijn regelmatig tempo, etc., de meeste geschiktheid bezit als slagroeier, maar tevens de zwaarste van de ploeg is; dit laatste zal dan geen verhindering mogen zijn om hem als slag te doen plaats nemen. Eerst wanneer een tweede, wat die geschiktheid betreft, met hem gelijk staat, zal de gewichtsverdeeling in aanmerking mogen komen. 't Gewicht aan bakboord moet ongeveer gelijk zijn aan dat aan stuurboord; anders zou de boot naar één kant „overliggen“, hetgeen alleen verholpen kan worden doordat de stuurman meer naar den kant van 't minste gewicht gaat zitten. Behalve dat dit laatste nadeelig voor de boot is, heeft het nog dit inconvenient dat de stuurman bij de minste schommeling van de boot door wind of golven weer naar 't midden van zijn zitplaats zal glijden, in welk geval 't evenwicht weer verloren is.

Een punt aan groot belang is dat de krachten aan stuurboord en aan bakboord zooveel mogelijk gelijk zijn, zoodat, wanneer 't roer losgelaten wordt, de boot eene rechte lijn volgt en geen van beide boorden, zooals 't heet, „overgetrokken“ wordt. Duidelijk is het, waarom.

Trekt een van de boorden over, dan ziet de stuurman zich genoodzaakt voortdurend 't roer naar één kant om te halen, hetgeen met meer of mindere kracht voortdurend het vaartuig in zijn gang tegenhoudt.


Zijn de roeiers gekozen, is ieders plaats in de boot aangewezen, de ploeg kan dan „in training“ gaan. De beteekenis van 't engelsche woord „to train“ is africhten; hij, die de handeling pleegt is de trainer.

In Engeland is dit gewoonlijk een „professional“ (d. i. iemand, die van een zekeren tak van sport, in casu van 't roeien, zijn beroep, zijne broodwinning heeft gemaakt) of een gewezen professional, die in dienst treedt bij eene roeivereeniging, om de ploegen voor de wedstrijden af te richten, door hun, bij de oefeningen en bij hunne levenswijze met raad ter zijde te staan en het noodige toezicht over hen uit te oefenen. Ook in Duitschland is bij de groote roeivereenigingen de gewoonte om trainers in dienst te nemen, heerschende, en in Frankrijk en België niet onbekend.

In Nederland echter heeft ze nog geen ingang gevonden, hier worden de jongere roeiers geoefend en getraineerd door hunne oudere collega's, leden of eereleden van de vereeniging. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat eerstgenoemd gebruik veel voor heeft. De in dienst genomen trainers toch zijn niet alleen beproefde roeiers, of het geweest, maar bovendien menschen die er hun beroep van maken om de fouten in eens anders methode te ontdekken, en in de roeikunst onderwijs te geven. Dit nu is eene kunst op zich zelf.

Het doel van de training is natuurlijk om de ploeg in den toestand te brengen waarin zij haar toppunt heeft bereikt, en de baan in den kortst mogelijken tijd aflegt. De engelschen zeggen dan dat men „in condition“ is.

Daarvoor is noodig dat de roeiers reeds vóórdat de training begint, goed kunnen roeien. Het is een zeer verkeerd begrip, dat ze dat gedurende de training wel kunnen leeren. Daarvoor is de tijd te kort; men moet dan de laatste hand aan 't werk leggen, om zoo te zeggen, de puntjes op de i zetten. Het spreekt van zelf, dat vooral bij jonge roeiers gedurende de training de stijl zich aanmerkelijk nog zal verbeteren, maar men mag het daarop niet aan laten komen, ze moeten reeds vóór dien tijd geoefende roeiers zijn.

De training dient: 1º. om van de verschillende roeiers één geheel te maken. Het is mogelijk dat ieder op zich zelf goed is, maar de ploeg slecht; 2º. om de taaiheid der spieren, de kracht der longen en het weerstandsvermogen van 't hart tot op 't maximum te brengen, dat ieder der roeiers voor zich bereiken kan.

Om dit doel te bereiken, moet men zich dagelijks vele vermoeienissen getroosten, vele genietingen ontzeggen. Hieraan is 't dan ook toe te schrijven, dat zoo velen zich niet aan het régime willen onderwerpen. Want dat er zijn, die van de training weinig zouden verwachten, kunnen wij niet gelooven, wanneer de resultaten zoo helder aan den dag komen, niet alleen op 't gebied van de roeisport, maar ook van de andere takken van sport. Wanneer wij zien dat Axel Paulsen, om wien te Leeuwarden op zijne oefeningen de Friezen, als spreeuwen om een kraai, cirkels beschreven, op den wedstrijd op de lange baan met glans overwon, wanneer wij hem bewonderen als hij op het laatst even hard rijdt als in 't begin, dan is 't onmogelijk dat wij in ernst over de training minachtend de schouders ophalen. Moeten wij niet veeleer denken aan gemis aan wilskracht, aan gemakzucht?

In hem, die het wel aardig vindt aan een wedstrijd deel te nemen, en dit als een grap beschouwt, kunnen wij het verschoonen, dat hij zich niet aan de ontberingen wil onderwerpen, en zich niet al te veel moeite getroost. Maar den echten liefhebber van den sport strekt het tot schande!


Welke zijn nu de middelen om het bovenomschreven doel te bereiken? Wanneer wij de handboeken over den roeisport opslaan in het hoofdstuk over de training, dan vinden wij daarin een overvloed van voorschriften, die in de kleinste bizonderheden de dagverdeeling en de levenswijze der roeiers in training aangeven. Behalve dat meestal hierdoor te weinig rekening wordt gehouden met 't verschil in lichaamsgesteldheid, in krachten, in gewoonten van de verschillende roeiers, heeft deze wijze van behandeling bovendien deze grove fout, dat de geheele regeling te bezwarend, ja onuitvoerbaar wordt. Het is daarom ons doel in de volgende regelen aan te geven eene wijze van training, die het minst mogelijk afwijkt van de dagverdeeling, levenswijze en gewoonten in Nederland in zwang. Ieder wijzige deze naar zijne bizondere bezigheden, die hem verhinderen haar juist te volgen, zooals ze hier zal worden aangegeven.

Ter bevordering van de regelmaat zullen wij de in acht te nemen voorschriften in 3 cathegorieën verdeelen.

In de eerste plaats komt in aanmerking de oefening in de boot. Noodzakelijk is 't hieraan de grootste zorg te besteden. Om het grootst mogelijke nut van deze oefeningen te trekken moet men ze niet te snel op elkander doen volgen. Twee oefeningen daags, ieder van 1½ uur, zijn wenschelijk, een des morgens en een des avonds (daar bij ons alle wedstrijden in den zomer plaats hebben). De slag zorge er voor, vooral in de eerste week der training, een niet te snel tempo aan te geven, maar zulk een, dat door allen gemakkelijk gevolgd kan worden. Men moet nog leeren gelijk roeien, men moet aan elkander gewennen en eenigszins dezelfde manier van roeien verkrijgen; daarvoor is 't vooral noodig dat men niet overhaast wordt. Gaat 't niet goed, dan is 't raadzaam om een oogenblik te rusten; in 't algemeen is 't wenschelijk op de oefeningen, na de helft van den afstand afgelegd te hebben, 10 min. of een kwartier te rusten. Men zal dan dikwijls bemerken, dat op den terugtocht beter geroeid wordt dan bij 't heengaan.

Is er meer gelijkheid in de bewegingen van de roeiers gekomen, dan worde het tempo versneld, en sommige kleine afstanden mogen zelfs met groote krachtsinspanning geroeid worden.

Men ga er echter niet te spoedig toe over een baan op tijd te roeien; dit bederft den stijl en vergt te veel van de krachten der roeiers. Eerst wanneer de roeiers aan elkaar gewoon zijn geraakt, en een paar weken van de training achter den rug zijn, dan mag er „een baantje geroeid worden.“ Maar dit mag niet te dikwijls herhaald worden, want eene lange oefening van 1½ uur is als regel veel beter.

Het is o. i. nuttig dagelijks een „start“ te maken, en gedurende 1 of 2 min. het versnelde tempo te behouden. Maar men beginne ook hiermede eerst nadat de ploeg eenige vorderingen gemaakt heeft.

Overigens is er weinig te zeggen van de wijze waarop in de boot geoefend moet worden. Veel hangt af van de krachten der roeiers. Hiermede vooral moet de trainer te rade gaan, en ook de bemanning zelve moet beoordeelen hoeveel zij van haar krachten kan vergen.

Maar wij wenschten toch, vooral voor jonge roeiers, een raad te geven: men denke niet dat hoe grooter de dagelijksche arbeid is, des te sterker de ploeg wordt, want het gevaar voor overspanning is dan groot. Werkelijk, 't is geen zeldzaam geval, dat men op 't einde van de training zwakker wordt, omdat men „overtrained“ is; en dit is dan meestal 't gevolg van 't overmatig baantjes roeien.

De groote moeilijkheid, die zich bij de training voordoet, is juist deze, dat men moet ontwijken twee klippen, aan den eenen kant te slappe oefening, aan den anderen kant overspanning, in één woord, men moet nabij komen aan het maximum, dat van ieders krachten kan gevergd worden, zonder hem af te matten.

Als tweede middel tot oefening van de spieren, maar vooral van hart en longen, diene het hardloopen.

Ook hiervoor geldt natuurlijk de waarschuwing tegen overspanning. Men beginne daarom met slechts eenige minuten in kalmen draf te loopen, en telkens op te houden, wanneer de ademhaling te moeilijk wordt. Langzamerhand worden de afstanden grooter, en sommige daarvan met grooter snelheid afgelegd. Op deze wijze gebruike men des morgens daags een ½ uur. Maar deze oefening mag geen afbreuk doen op de oefening in de boot; zoodra men bemerkt dat men spoedig vermoeid wordt bij het roeien, moeten de oefeningen in het hardloopen ingekort worden.

Zoowel door de oefening in de boot als door 't loopen verliest men 't overtollige vet. Dit is bevorderlijk voor de vrije werking van hart en longen, en ook van de spieren.

Maar wij houden het voor bepaald nadeelig om nog bovendien kunstmatig te doen zweeten door b.v. na het hardloopen in bed onder de dekens te gaan liggen, waardoor de transpiratie nog eenigen tijd wordt voortgezet, zooals door sommigen (o. a. Victor Silberer) wordt aangeraden. Op deze wijze verliest men krachten, zonder dat de spieren, zooals bij het natuurlijke zweeten 't geval is, door de gezonde oefening worden gestaald. Bovendien wordt door strenge training, op de wijze zooals hierboven is aangewezen, van zelf het vet tot een minimum teruggebracht.

Tot de derde cathegorie brengen wij de regels en voorschriften omtrent de levenswijze en het dieet gedurende de training in acht te nemen.

Eene geregelde levenswijze, vroeg naar bed en vroeg op, is eerste plicht. Het spreekt van zelf dat na den vermoeienden dagelijkschen arbeid het lichaam eene flinke rust noodig heeft. Veel hangt ook hier af van ieders gewoonte; een bepaald aantal uren is daarom niet als regel aan te geven, maar ieder zorge volkomen uitgerust des morgens op te staan, zonder nochtans uit luiheid na voldoenden slaap in bed te blijven liggen.

Wat het te gebruiken voedsel betreft, zijn alle vet aanzettende spijzen verboden, en moeten de krachtige spieren vormende gerechten gezocht worden. Zoo zijn rundvleesch en des morgens bij 't ontbijt eieren als hoofdvoeding te gebruiken. Ook bladgroenten zijn aan te raden; daarentegen aardappelen, zetmeelinhoudende groenten, als boonen, erwten, enz. kortom alle meelspijzen af te raden.

Ook vette kost, als varkensvleesch, en ook al te versch brood is nadeelig.

Eene hoofdzaak bij de training is de onthouding van allerlei genietingen; maar tevens zijn de voorschriften hieromtrent gegeven, die, welke het meest overtreden worden, en waarbij men helaas! geneigd is groote toegevendheid jegens zich zelven te betoonen.

Dat de omgang met het andere geslacht streng verboden is, laat zich gemakkelijk begrijpen. Vele krachtige sappen worden dan door het lichaam verloren, die het onmogelijk missen kan, want, wij hebben het reeds gezegd, dagelijks wordt het maximum krachtsinspanning van het lichaam gevorderd; en het is onzin te beweeren, dat men door wat meer voedende spijs te gebruiken de krachten kan herstellen, want ook de maag moet reeds het maximum arbeid verrichten, reeds zooveel voedsel wordt opgenomen, als mogelijk is zonder oververzadigd te worden.

Dat 't gebruik van sterken drank en het rooken uiterst nadeelig is, het is eene algemeen bekende zaak; 't eerste omdat het 't bloed te snel in beweging brengt, het tweede omdat 't nadeelig op de longen werkt. Deze moeten zooveel mogelijk zuivere lucht inademen; vandaar ook dat 't aan te raden is, gedurende de training zooveel mogelijk in de open lucht te zijn.

Bier is nog bovendien om deze reden verboden, omdat het vet aanzet. 't Gebruik van een enkel glas wijn, wij kunnen het eerder goed- dan afkeuren, vooral bij het middagmaal en dan aangelengd met een weinig water, omdat het in dezen vorm den dorst meer lescht dan zuiver water.

Dikwijls ziet men roeiers in training na afloop van hunne oefeningen groote hoeveelheden water drinken; en dit is zeer begrijpelijk, omdat men door 't zweeten soms een bijna onlijdbaren dorst verkrijgt; en toch is 't zeer verkeerd daaraan zonder eenigen tegenstand toe te geven. Men drinke nooit een glas in één teug leeg; dit lescht den dorst niet, een oogenblik daarna gevoelt men weer bijna evenveel behoefte, en op deze wijze wordt de maag gevuld met plassen vloeibare stoffen, terwijl de beschikbare ruimte, om 't zoo uit te drukken, gebruikt had moeten worden tot opneming van krachtige spijzen. Een goede raad is 't om bij 't drinken slechts kleine slokjes van tijd tot tijd te nemen; op die manier wordt de dorst gestild door eene betrekkelijk kleine hoeveelheid. De ondervinding heeft ons zelf geleerd welk verrassend resultaat men door deze wijze van handelen kon verkrijgen. Gingen wij op eerstgenoemde wijze te werk, door met groote teugen te drinken, dan waren wij nauwelijks tevreden met 7 à 8 glazen water bij het middagmaal. Later zagen wij in dat dit nadeelig was, en bemerkten toen, dat door de hierboven aanbevolen methode reeds 3 glazen onzen dorst konden lesschen.

De vraag, welke de duur van den trainingtijd moet zijn, is niet in 't algemeen te beantwoorden. Het hangt van verschillende omstandigheden af. In de eerste plaats van de lengte van de baan, die op den wedstrijd afgelegd moet worden. Is deze kort, dan kan men volstaan met een korter trainingtijd; is hij daarentegen lang, dan is ook eene langdurige training noodig om „in conditie“ te komen. Verder hangt de beantwoording van de vraag af van de meerdere of mindere geoefendheid der roeiers. Hebben deze reeds meermalen op wedstrijden medegedongen, en dus reeds meermalen eene training medegemaakt, dan zullen ze eerder in conditie zijn dan 't geval is met jonge roeiers, die voorzichtiger behandeld moeten worden, kalmer moeten beginnen, en daarom langer tijd noodig hebben. Onzes inziens zou als middelmaat kunnen dienen de tijd van 6 weken. Maar in alle geval moeten allen reeds voor de eigenlijke training geregeld eenigen tijd eene dagelijksche oefening hebben gehad, daar 't lichaam anders niet voldoende in staat is om plotseling zulk eene zware inspanning te verdragen. De overgang zou dan te schielijk zijn.


Als slot van dit hoofdstuk laten wij volgen eene proeve van eene verdeeling van den dag voor roeiers in Nederland.

Men staat 's morgens om zeven of acht uur op, al naar men de gewoonte heeft vroeg of laat zijne legerstede te verlaten. Het lichaam wordt met koud water geheel gewasschen, of zoo de gelegenheid open staat, even in 't water ondergedompeld, daarna met een ruwen handdoek hard afgewreven.

Vóór het ontbijt nog gaat men dan ongeveer een half uur uit en begint zijne oefening in 't loopen op bovenvermelde wijze. Men mag zich echter vóór het ontbijt niet te veel vermoeien; daarom is het beter, zoo men den tijd heeft, om deze oefening zeer kort te maken, en haar in den middag te herhalen. Men zorge steeds voor deze oefening andere kleeren beschikbaar te stellen, die na afloop ervan uitgedaan worden, om 't lichaam met een ruwen doek af te wrijven en schoon te droogen. Na drooge kleeren aangetrokken te hebben, en toch vooral niet denzelfden flanellen borstrok, gebruikt men een stevig ontbijt.

Tot 1 uur is men vrij; op dat uur begint de oefening in de boot, en deze duurt tot half drie.

Om de lunch niet te kort hieraan te doen voorafgaan, beginne men er wat vroeger mee, dan men gewoon is, zoodat een uur minstens verloopt na afloop van de lunch vóór 't begin van de oefening. Het overige gedeelte van den namiddag is men vrij. Voor zoover deze vrije uren niet bezet zijn door bezigheden, waartoe men door zijn werkkring verplicht is, brenge men ze door in kalme beweging zooveel mogelijk in de open lucht. Liggen is in alle geval verkeerd.

Na het diner begint om 7 uur of half acht de 2e oefening in de boot; deze duurt tot half 9 of 9 uur. Niet te kort voordat men zich te ruste begeeft wordt nog een matig avondmaal gebruikt, bestaande uit niet te zware spijzen; om half 11 of 11 uur gaat men ter ruste.

Het zal niet voor iedereen mogelijk zijn deze dagverdeeling te volgen, maar, wij herhalen het, hij wijzige ze dan naar de eischen van zijne werkzaamheden, zooveel mogelijk echter zóó, dat de lichamelijke arbeid over den geheelen dag wordt verdeeld.

Het komt ons voor dat wie, zooveel in zijn vermogen is, dezen leefregel volgt en daarbij de andere gegeven voorschriften nakomt, het onschatbare genoegen zal smaken dagelijks zijne vorderingen te bemerken, en telkens bij de oefeningen zich sterker en veerkrachtiger te gevoelen. Met zelfvoldoening zal hij op 't einde van de training kunnen terugzien op den zoo goed gebruikten tijd, waarin hij zijn lichaam gehard, zijne wilskracht gestaald en zijn levenslust opgewekt heeft. Met een kalm hart en een gerust geweten zal hij op den dag van den wedstrijd op de baan verschijnen, die voor hem wellicht roemvol zal worden!