Zij laten hunne vaartuigen door honden trekken. »Sloegen daer vijf witte ruijge honden voor, met hem (hennip) seelen om haer lijf; den stuerder after het vaertuijch sittende riep eens, die honden begonnen stracx aen het trecken te pueren.” (J.)

Insgelijks ook aan sleden. »Een ijsslee, zijnde van een vreempt fatsoen.” (J.)[152].

»Hebben mede knippen, die als een booge gespannen zijnde, soo is in’t hout van de booge een rondt gat ghemaekt, daar eenigh aes in legghen, de voghels, als meeuwen, arenden, snippen, ofte ravens daer dan in komende, picken, ofte haer voet in steecken, soo springhet de booghe op, ende blijft de voghel vast[153]. Hebben altijdt waerse gaen pijlen en boogh, nevens een houwer op haer zijde; waer mede sij oock in ’t bosch gaen om grof wildt te schieten, als beeren, reen, harten, elandts, ende ander bij ons onbekent ghedierte.” (K. B.)

»Haer honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer daer een een poos de uijtsicht gehad heeft; de rest van de honden 10 à 12 bij troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plontsen soo met swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheijt hem dan verheft uijt het water, ende springt op plaetsen, daer weijnich water is of op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grijpen die salm; dan bijten die stracx de cop af ende brengen het lijf bij haer meester in huijs, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met laech water.” (J.)

Merkwaardig en eenvoudig is hare wijze, om vuur te maken: »Hadden haer vuerslagen bij haer om vuer te slaen, dat waeren viercante planckies daer een holletien in is, was voorachtich hout, daertoe hebben sij rieten daer een cort stockien in steckt; als sij vuur hebben willen, soo sloten sij dat stockien in dat holletie ende vrijven dat tusschen haer handen, dat het omdraeijt heen en weer, soo gedoopt in gesmolten swavel houden dat daeraen, hebben stracx brandent vuer.” (J.)

Handel. De Aino’s drijven alleen ruilhandel met de Japanners, met de noordelijke bewoners van Krafto, en van het Amurland. »De mannen verruijlen traen, walvischspeck, geroockte walvischtongen, veelderhanden vellen ende vogelveederen aen de inwoonderen van Japan, die hier eens des jaers komen, om die waeren op te koopen, daer voor gevende rijs, sacie, Japansche rocken (soo van sijde, als blaeuwe cangans), koopere tabacks-pijpen ende taback, doosen, verlackte eet- en drinck-bacxkens ende kopjens; silvere oorhanghers, loode ringen om in de ooren te hanghen, bijlen ende messen, soo dat al wat sij hebben, sulcks meest van de Japanders ruijlen: haer spraeck is een weenigh met het Japans vermenght: zijn seer subtijl in haer handel ende niet diefachtigh.” (K. B.)

Kwamen op de oostkust van Jezo hunne goederen aan de Nederlanders aanbieden: »Dese prauw was vol velwerk; als robbenvellen, elants, otters ende beeren ende eenige bij ons onbekende vellen; presenteerden het alles te verruijlen voor Japansche rocken.” (J.)

Waren in den Golf van Aniwa en de Bogt Patientie, »seer begeerigh naer ijser, daer vogelvederen ende velwerck voor gevende, weten de vederen seer pertinent in doosen te packen.” (K. B.)

»Presenteerden mij een fijn ottervel, waervoer ick hen een oude scheepsbijl gaf, ende was daer heel blijde mede.” (J.)

»Ja hoeveel zilver men hen ook aenbood, zo verkozen zij altijt het ijzer voor het zilver.” (S. B.)

»Deze luiden waren oock graegh na zijde stoffen, daer voor zij bontwerk en zilver in overvloet aenboden.” (S. B.)

Thans is de handel der Japanners met de Aino’s op de geheele kust van Jezo en tot op Krafto in den Golf van Aniwa uitgebreid en wordt met veel voordeel gedreven. Gedroogde en ingezouten visch, vooral zalm, haring, sardijnen, stokvisch, schelpvisch, zoo als klipzuigers (Awabi, Haliotis Japonica), Tripang (Iriko), zeekroos (Kombu, Fucus esculentus) beerenvellen, zee- en rivier-ottervellen, arendveeren zijn de voornaamste artikelen, die zij tegen rijst, sake, tabak, katoenen stoffen, nieuwe en oude kleederen, lakwerken, sabels, messen, ruw ijzer, gegoten ijzeren en koperen ketels en pannen, enz. inruilen. Ook ruilen de Japanners van de Aino’s eenige andere goederen, zoo als gebloemde en met gouddraad doorweefde zijden stoffen, kensju genoemd, hengelsnoeren (susi, uit het corpus sericeum van eene rups vervaardigd), de meergenoemde blaauwe obsidiaan-koralen (Krafto tama) en geëmaljeerde tabakspijpen, die zij door hun verkeer met het Amurland, van het volk van Santan en van de Mantschou’s, die naar Deren, eene handelsplaats aan de Amur, niet ver van de Baie de Castries, komen, verkrijgen[154].

De beantwoording der vraag over de afkomst der Aino’s en hunne verwantschap met andere naburige volken zoude eene hoogstgewigtige taak voor de volkenkunde opleveren. Hunne verdichtsels omtrent hunne afkomst, die zich bij overlevering en in volksgezangen bewaard hebben, verdienen niet meer geloof dan alle dergelijke fabelachtige verhalen bij andere ruwe en onbeschaafde volken[155]. Aan de Japanners zijn de Jebisu of Oost-wilden bekend van den tijd af aan, wanneer de stichter van de Mikado’s of Erfkeizers dynastie, Zin mu ten wô, zijn rijk naar het oosten en noorden begon uit te breiden, dus van 660 voor J. C. In de Chinesche Geschiedenis wordt het eerst onder de dynastie der Han (189 v. J. C. tot 30 n. J. C.) van den volksstam Mao-min gewaagd, die aan de overzijde van de Oostzee te huis hoorde en over het geheele lijf behaard was. Ook wordt in de geschiedenis van de Sui dynastie (608-622 n. J. C.) van een’ volkenstam Mozin gesproken, die uit vijftig horden bestond, en die in het gebergte in ’t N.W. van het land Woke (Japan) woonde. Met de Aino’s werd men eerst in ’t midden der 7de eeuw (659) persoonlijk aan het Hof van T’ang in China bekend, waar door een Japansch gezantschap twee Aino’s als zeldzaamheid aangebragt werden[156]. Daar het grootste gedeelte van het Noorden van Nippon ten tijde van Zin mu ten wô door de Oostwilden, de Aino’s, bewoond was, zoo kan men met zekerheid vooronderstellen dat deze volksstam daar reeds voor 2500 jaren bestaan heeft. De noord-oostelijkste grens van zijne verspreiding laat zich echter niet verder dan tot het tweede van Kamtschatka afgelegen Kurilsche eiland Para muschir aanwijzen. Op het eerste Kuril’sche eiland Schumschu heeft reeds eene verbastering der Aino’s met den oorspronkelijken stam der Kamtschadalers, de zoogenoemde Itülmen, plaats. Deze Itülmen hebben echter geene gelijkenis met de bewoners van de zuidelijke Kurilen, de Aino’s, noch in gedaante noch in taal; en deze oude bewoners van Kamtschatka zijn ook vroeger dan de Tungusen en Koriäken, die zich thans tusschen Kamschatka en het naburige Oost-Siberië nedergezet hebben, op het schiereiland gehuisvest geweest en waarschijnlijk in den oudsten tijd van het land in ’t Z.W. van den Amur gelegen derwaarts gekomen. Deze groote stroom was de weg van eene voorgeschiedkundige volksverhuizing, zoo als hij misschien zal worden de baan van de Europesche beschaving naar het binnenland van het Noord-oostelijke gedeelte van het Chinesche rijk en van Siberië. De oude bevolking der Baie de Castries, zoo als die ons Lapérouse beschrijft, heeft reeds veel overeenkomst met de Aino’s in gedaante, zeden en gebruiken; en ook de stam van de Kileng en Ketscheng, waarvan de eerste het gebied in ’t W. van den Amur, de door den Hingon (Aemgun) doorstroomde valleien, en de laatste het kustland in ’t Z.O. van den Amur en tegenover het eiland Krafto bewoont, heeft veel gelijkenis in zijn uiterlijk voorkomen, zijne zeden en gebruiken met onze Aino’s. Zoo zouden zich dan wel duizendjarige voetstappen van den Aino-stam op de kust van het vaste land van Azië laten opsporen; doch dien verder tot aan zijne wieg te vervolgen, laten de gebrekkige geschied- en volkenkundige berigten niet toe, die wij dus verre uit deze gewesten—in het N.O. van Kôraï en van het Zuidwestelijke stroomgebied van den Amur bezitten. Alles wat wij van dit merkwaardig volk weten, getuigt echter voor zijnen hoogen ouderdom.

De slotsom van deze onze gissingen komt hierop neder: op gelijke wijze als in voorgeschiedkundigen tijd de Itülmen, de oudste bevolking van Kamtschatka, naar dit schiereiland gekomen zijn, en later door eenen anderen volksstam opgevolgd en tot aan het zuideinde voortgedreven is geworden, is het ook waarschijnlijk, dat in nog veel vroegeren tijd, ook langs den Amur, de Aino-stam allengs zich over de zoo digt bij het vaste land gelegen eilanden (Jezo, de Kurilen en Krafto) uitgebreid heeft; doch in het N.O. door de hem opvolgende Itülmen, en in het N. en N.W. door de later verschenen Koriäken en Tungusen—deze omzwervende visschers en jagers, die wij op Krafto onder de namen van Smerengur’s en Orotsko’s weder herkennen[157]—teruggedreven, en in het Z. door de nakomelingen van Zin mu ten wô vernield of verjaagd, tot zijne tegenwoordige woonplaatsen is beperkt geworden.

De ons verborgen gebleven jaarboeken, waarin de verhuizing van den Aino-stam beschreven is, dagteekenen van voor vele duizenden jaren, en toch schijnt hij in zijne wieg reeds door eenen lichtstraal van beschaving te zijn beschenen; evenzoo telt ook de geschiedenis van zijne afsluiting van de overige wereld duizenden jaren, waardoor dan ook noch een geestelijke, noch een maatschappelijke vooruitgang bij dit volk heeft kunnen plaats hebben. Onder deze omstandigheden treffen wij de Aino’s na verloop van vele duizenden jaren nog op den laagsten trap aan van eene aartsvaderlijke beschaving, die zij bij hunne afzondering en onder de dwangheerschappij van de stoute Japanners uit eigen kracht van geest niet vermogten te overschrijden. Bij deze onmagt, bij zulk een zedelijk onvermogen om den beker van vreemde belustheid, hun door de beschaafde westersche en zuidelijke natiën aangeboden—te kunnen weigeren, zullen deze van natuur krachtige, maar onnoozele, schepselen al spoedig ontzenuwd en zedeloos, even als hunne naburen, de Kamtschadalen en de Noord-Amerikaansche volksstammen, ten grave dalen!

Doch een Lapérouse en een von Krusenstern hebben reeds aan dit goedhartig en braaf volk eene gedenkzuil opgerigt: »On ne peut douter qu’ils n’ayent beaucoup de considération pour les vieillards, et que leurs meurs ne soient très douces; et certainement s’ils étaient pasteurs, et qu’ils eussent de nombreux troupeaux, je ne me formerais pas une autre idée des usages et des moeurs des patriarches.[158].

»Einigkeit, Stille, Gutmütigkeit, Bereitwilligkeit, Bescheidenheit: alle diese wirklich seltenen Eigenschaften, die sie keiner verfeinerten Kultur zu verdanken haben, sondern welche nur die Gefühle ihres natürlichen Charakters sind, machen, dass ich die Aino für das beste von allen Völkern halte, die ich bis jetzt kenne.[159].


[120] Leuca (Legua) 1712 op een graad.

[121]Amplissima sylvestrium hominum regio.” Deze uitdrukking schijnt aan Abrahamus Ortelius aanleiding te hebben gegeven het in zijn „Theatrum orbis terrarum” in het noorden van Japan vertoonde eiland „Satyrorum Insulam” te noemen.

[122] Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum volumen. Coloniae. 1574. pag. 426. „Japoniae terrae in Septentrionem adiacet amplissima sylvestrium hominum regio, leucas ab urbe Meaco trecentas. Bestiarum pellibus induuntur, toto hirti corpore, ingenti barba, mystacibus maximis, quas paxillo subrigunt potaturi. Vini gens avida in primis, ad bella ferox, formidolosa Japoniis. In praelio sauciati, salitis aquis abluunt vulnera, id unum genti remedium est. Speculum gestare dicuntur in pectore; ad caput gladios alligant sic, ut in humeros manubrium desinat. Sacra habent nulla, caelum dumtaxat venerari soliti sunt.”

[123] N. Witsen, Deel II. l. c. pag. 57.

[124] Naauwkeurige Verzameling de Gedenkwaardigste Reysen na Oost- en West-Indiën enz. Te Leiden door P. van der Aa, 1707. Deel 24. Agste Oost-indische Reys enz. onder Capitain Joan Saris. pag 136.

[125] Beschryvinghe van het Machtigh Coninckrycke Japan enz. door Françoys Caron. T’Amsterdam 1648. pag. 1.

[126] N. Witsen l. c. pag. 55.

[127] N. Witsen l. c. pag. 59.

[128] Nippon, Abtheil. VII, pag. 205-224.

[129] De geschriften, waaruit wij deze beschrijving zamengesteld hebben zijn gemerkt als volgt: (K. B.) Korte Beschrijvinghe; (S. B.) stuurman de Bakker’s berigt; en (J.) Coen’s Journael.

[130] Vergel. Nippon, Atlas, Tab. XVI, XVII, XVIII.

[131] Vergel. Nippon, VII Atlas, Tab. XXI, fig. 5. De kostbaarste zijn van blaauwen Obsidiaan, dien zij noemen Krafto tama, edelsteenen uit Krafto. Deze blaauwe koralen vindt men bij alle volken in den kouden aardgordel, van het noordelijke halfrond van den Grooten Oceaan tot in de Behring straat, waar ze van von Kotzebue in de Zond, die zijnen naam draagt, zijn waargenomen geworden, verspreid.

[132] Waarschijnlijk naar den boven beschreven haven van Nambu, op de Oostkust van Nippon. Mogelijk ook de haven van Saï of Ohata.

[133] Vergelijk: Voyage de Lapérouse, Atlas No. 50, waar eene ontmoeting van Aino-hoofden op de westkust van Krafto vertoond wordt.

[134] Nippon, VII Atlas. T. XIX. A. fig. 3, waar deze knuppel, sjô kine genoemd, afgebeeld is.

[135] Deze stokjes met krullen worden bij hun Inao genoemd en komen overeen met de Hei of Gohei, zinnebeelden van godheden in den ouden godsdienst, den Sintô, der Japanners. Vergelijk Nippon VII, pag. 214 en Atlas, Tab. XVII.

[136] Men vergelijke hiermede de grafzerken in de Baie de Castries. Voyage de Lapérouse, Atlas, No. 53, ook de door Toknai op de Westkust van Krafto waargenomen graftombe. Nippon VII, pag. 217, Atlas, Tab. XXII, fig. 15. De grafsteden hebben zeer veel overeenkomst met die van eenige Amerikaansche volksstammen, te weten de Dacotaks en Chippewas. Ook bij deze worden de lijken 12 tot 16 maanden lang in zerken, van planken en berkenbast vervaardigd en die op palen rusten, bewaard, voordat dezelve begraven worden. Gedurende deze tentoonstelling worden spijs en drank aan de zielen van de overledenen geofferd en wapenen en andere kostbaarheden bijgezet.

[137] Jeso-ki, ou Description de l’île d’Ieso etc., par l’interprète Kannemon; in Malte-Brun’s Annales des voyages, etc. Tom. XXIV, pag. 147.

[138] Nippon, VIII, pag. 214.

[139] De Aino’s dragen alle lasten op den rug, door middel van een band of riem die over het voorhoofd loopt. Deze gewoonte van kindsbeen af aan gevolgd moet aan het voorhoofdsbeen (Os frontalis) eene onnatuurlijke rigting geven en hetzelve naar achteren drukken, waardoor zich dan ook hun voorhoofd kenmerkt. Vergel. Nippon VII. Atlas Tab. XVI, waar de wijze hoe de Aino’s hunne wapenen dragen vertoond is.

[140] Nippon l. c. Tab. XVI. XX. von Krusenstern, Reise. Atlas no. LXXVI.

[141] Vergelijke Nippon l. c. Tab. XVIII. von Krusenstern, l. c. No. LXXX.

[142] Von Krusenstern l. c. No. LXXVI. Nippon l. c. Tab. XVI.

[143] Nippon l. c. Tab. XVI.

[144] Het zijn de bovenvermelde Inao; Overigens wordt bij hen de beer in eere gehouden en deshalven ook genoemd Hokjok Kamui (Kamui, Japansch Kami God). Zij voeden evenwel de jonge beeren op met de bedoeling ze aan hunne Beschermgoden op te offeren en tevens bij het offerfeest te eeten. Vergelijk Nippon l. c. pag. 203, 219. Tab. XVII, waar het Beerenfeest Omsia vertoond wordt.

[145] Deze worden van den bast van eenen boom, Ats’ni genoemd, waarschijnlijk eene soort van Broussonetia, vervaardigd. Vergel. Nippon, l. c., pag. 209. Tab. XVII.

[146] Nippon, l. c. pag. 210. Tab. XXI, fig. 6, 7, 8.

[147] Nippon, l. c. Tab. XVI, XVII, XVIII.

[148] Van zulke eene in haar soort kostbare halsketting met versierselen van geel koper werd ons eene teekening medegedeeld. Nippon, l. c., Tab. XXI, fig. 4.

[149] Nippon, l. c., pag. 210-211. Tab. XXII, fig. 1-5.

[150] Nippon, l. c. Tab. XVI.

[151] Vergelijke Nippon, l. c. pag. 213. Tab. XXIII, fig. 1, 2, 3.

[152] Nippon, l. c. Tab. XXII, fig. 7.

[153] Deze knipbogen, die zeer zinrijk uitgedacht zijn, vindt men ook te Japan in gebruik en worden Hana wake genoemd.

[154] Nippon, l. c. pag. 173.

[155] Vergelijk Nippon l. c. pag. 221.

[156] Nippon l. c. pag. 222.

[157] Nippon, l. c. bl. 182.

[158] Voyage de Lapérouse, Tom. III, pag. 40.

[159] Von Krusenstern’s Reise um die Welt, Band II, pag. 80.


DE TAAL DER AINO’S.

De weinige reizigers, die, voor de opening van den haven Hakodate, de Aino-landen bezocht hebben, hebben ons telkens eene verzameling van woorden, uit den mond van dat merkwaardige volk overgenomen, medegebragt[160]. Met uitzondering van de verzameling, die Dawidow van zijne expeditie naar de baai van Aniwa, in 1807, medegebragt heeft, en die hoogstwaarschijnlijk door een Japanner zamengesteld was, hebben de overige op zich zelven weinig taalkundige waarde. De Japanners daarentegen, die sedert eenige eeuwen met de inboorlingen van Jezo verkeeren, met hen handel drijven en over hen heerschen, hebben zich allengs meer grondig met hunne taal bekend gemaakt en woordenboeken zamengesteld, waarbij zij de uitspraak der woorden door hun syllaben-schrift (het zoogenaamde I-ro-ha) zoo getrouw als mogelijk weder te geven en vast te stellen zochten[161]. Op deze wijze hebben zij door middel van schrift aan den menigvuldigen klank en de wisselvallige betooning, die de woorden door den tongval van ver uitgebreide en ongeletterde volken ondergaan, paal en perk gesteld en den grondslag tot eene schrifttaal gelegd. Ofschoon zich de Aino-taal door den gemeenzamen omgang met een beschaafd volk veredeld heeft, zoo bleef dezelve echter haar oorspronkelijk karakter behouden en kenmerkt zich als eene eigenaardige en zelfstandige taal, die met geene van de naburige landen eenige overeenkomst heeft voor zoo verre de wortelen der woorden betreft. Dat eenige vreemde woorden van de noordwestelijke en noordelijke volken (Samojeden, Tungusen en Kamtschadalen), waarmede de Aino’s in aanraking kwamen, van lieverlede in hunne taal ingeslopen zijn, is niet te ontkennen, zoo als door hen ook verscheiden Japansche woorden overgenomen zijn, om daarmede hun voorheen onbekende voorwerpen en begrippen aan te duiden. De Aino-taal, even als ook deze volkstam, staat afgezonderd van alle tot nu toe bekende van het Noordoostelijk Azië daar; de algemeene regels echter, waarna zich de rededeelen verbuigen en vervoegen, stemmen met die van hunne zuidelijke, noordelijke en westelijke naburen, die hunne taal door middel van syllaben-schrift (zoo als: de Mantschou’s, Mongolen, Tubetanen, Jakuten enz.) en niet met een woorden-schrift, teekens van woorden (zoo als de Chinezen), schrijven, overeen.

Het zal hier voldoende zijn, de algemeene, wetgevende grammaticale beginselen aan te halen en door voorbeelden op te helderen, die de Aino-taal met de Japansche en dus met andere Oost-Asiatische en ook Amerikaansche talen gemeen heeft, en die aan dezelve, alhoewel zij zich als van eenen zeer ouden oorsprong kenmerkt, eene plaats in het verbond der volken aanwijzen, welke zich later den weg van de oude naar de nieuwe wereld gebaand hebben.

1. De woorden van beide talen zijn zelden uit eene, meestal uit twee lettergrepen zamengesteld:

Japansch. Kono-aïta okï-kata ottosewo tatsuneta.
Aino. Ofunaki atuï-ta uneu is’tan.
  Nuper in mare phocam quaesivi.

2. De zelfstandige naamwoorden zijn zonder geslacht, worden menigvuldiger in het enkelvoudige dan in het meervoudige gebruikt; in het laatstgemeld getal worden de woorden herhaald of van eenige bijvoeging voorzien; de naamvallen worden meestal door eene particula, aan het einde der woorden gevoegd, gevormd; de tweede naamval of genitivus gaat altijd vooraf.

Jap. Ame, coelum; fito, homo; fito-fito, homines; fito-koto i. e. homo quivis; fito-ga, homo; fito-no, hominis; fito-ni, homini; fito-wo, hominem; fito-jori, ab homine; fi-no fikari, solis radius.

Aino. Rikita, coelum; guru, homo, guru obitta, homines omnes, guru-koro, hominis; guru-ta, homini; guru-ne (vel be), hominem; guru-kari, ab homine; imuschi nits’, gladii capulum.

3. De bijvoegelijke naamwoorden staan voor de zelfstandige; zij maken den vergelijkenden trap door het aanhangen eener particula aan het einde van het naamwoord of het voornaamwoord, beteekenende in het Japansch van, in de Aino-taal beter dan; den overtreffenden trap door het voorzetten van zekere particula, beteekende even veel als het bijwoord zeer.

Jap. Utsukusi onago, pulchra foemina; kono ki-wa kono kusa-jori futoï, hic arbor hac herba maior; fusino jama ga itsi takaï, mons fusi perquam altus.

Aino. Iramasiure matsi, pulchra foemina; tanbe kak’, hac re melius; rui sûnatara, perquam fortis; poro biruka fùra, valde gratus odor.

4. De telwoorden een tot tien zijn, als grondgetallen, in het Japansch oorspronkelijke woorden, doch in de Aino-taal maar een tot acht, ook twintig en in het oude Japansch honderd; zij worden door particulae verbonden, die de beteekenis hebben van en, nogmaals of meer, ook weiniger.

Jap. Fitots’, 1; f’tats’, 2; mits’, 3; jots’, 4; itsuts’, 5; muts’, 6; nanats’, 7; jats’, 8; kokonots’, 9; tô (towo), 10; hatats’, 20; momo, 100; tô mata (atque iterum) fitots’, 11; tô mata f’tats’, 12; hatats’ mata itsuts’, 25; mu-sozi, 60.

Aino. Sinepp, 1; tupp, 2; repp, 3; inepp, 4; asikinepp, 5; iwanbe, 6; aruwanbe, 7; thupe sjanbe, 8; (ex tupp et sjan; forsan pro i wanbe i. e. minus decem); sineb sjan, 9 (ex sinepp et sjan); wanbe 10; hots’ 20; asikinepp-hots’, 100; (i. e. 5. 20); sinepp ikasima (plus, verbatim: restat) wambe, 11; tupp ikasima wanbe, 12; sinepp ikasima hots’, 21; tuppots’, (ex tupp et hots’) 40; wanbe i rehots’, 50; (3. 20 - 10).

5. De voornaamwoorden. De persoonlijke zijn een- of meerlettergrepige woorden en naar den rang verschillende (teeken van fijner zeden); de derde persoon wordt omschreven. De bezittelijke worden door het aanhangen der uitgang van den genitivus gemaakt en staan altijd voor het zelfstandig naamwoord.

Jap. Watak’s sive ware, ego; omaë sive anata, tu; kare sive ano fito (iste homo) ille; watak’s domo sive warera, nos; omaë gata sive anata gata, vos; karera sive ano fito tats’, illi; watak’s’no, meus; anata no, tuus; ano fito no, illius; watak’s’no atama, mei caput.

Aino. Ku, kuani, ego; e, iani, tu; iki sja an gur’ (ex iki sja, illinc, an, esse et guru, homo) ille; tsjô kaï (i. e. hac parte), ego; i tsjô kaï (i. e. ex illa parte) tu; ku-koro, meus; i-koro, tuus; iki sja an gur’, illius, vel, tangur, huius. I Koro kotan, meum domicilium, tan gur’tsise, huius hominis domus.

6. De werkwoorden. De bedrijvende hebben drie tijden, door verandering van den uitgang gemaakt: a. een tegenwoordige, in het Japansch met den uitgang u, in de Aino-taal an, ki, re, u; b. een verledene, meestal met den uitgang a; c. een toekomende tijd of een potentialis, in het Japansch door eene verlenging van den tegenwoordigen tijd, in de Aino-taal door eene aangehangen particula gevormd. De lijdende werkwoorden hebben insgelijks drie tijden door verlenging der uitgangen gemaakt, die in de Aino-taal lijdelijke hulpwoorden schijnen te zijn. De gebiedende onderscheidt zich door kortheid des uitgangs. De onbepaalde wijze is gelijk aan het Praesens Indicativi; in de Aino-taal staat dikwijls daarvoor eene particula naar een voornaamwoord gelijkende. De verbiedende wijze wordt gemaakt door achtervoeging van de particula, die dezelve regeert. De negatiën (ontkenningen) worden in het Japansch aan het einde der werkwoorden aangehangen en veroorzaken dikwijls eene verandering in de vervoeging, in de Aino-taal worden de ontkenningen door de particula niet beteekent. Aan de tijden worden partikels ter aanduiding der deelwoorden aangehangen. Hulpwerkwoorden worden bij de vervoeging der werkwoorden gebruikt en hebben dezelfde vervoeging als andere werkwoorden; de onpersoonlijke werkwoorden komen zelden voor en de bij ons gebruikelijke worden omschreven.

Jap. Utsu, verbero; utsita, verberavi; utsou, verberabo; utaruru, verberor; utareta, verberatus; utareu, verberabor; utside, verberans; utse, verbera; utareta, verberate; utsu, verberare; watak’s’ga sorewo miru joni, ut id ipse videam; utanu, non verbero; utanu te atta, non verberavi; utareru, non verberor; utareru te atta, non verberatus sum; aru, esse; arita, fui; arô, ero; ame-ga furu, pluit (verbatim pluvia decedit). Kaminari-ga nari, intonat. (Deus fulminans adest.)

Aino. Sitaiki, verbero; sitaiki wa, verberavi; sitaiki rusjui, verberabo; sitaiki aniki, verberor; sitaiki ank’wa, verberatus sum; sitai anki annan gora, verberabor; I(tu) sitaiki, verbera; kakure, veni, i sitaiki anki, verberare; rura-jan, ut sequatur; unono s’jomo an, non congruit (verbatim congruum non est); anats’, habens; asinike wa, existens; an, habere, esse; anna, fui; an nan koro, fuero; asi, factum est. Apto asi, pluit (verbatim pluvia facta est). Kamui fumi, intonat (verb. Deus sonat).

7. De voorzetsels en een oogmerk aanduidende en reden gevende voegwoorden staan aan het einde der woorden, op welke zij betrekking hebben, zonder eene verandering in dezelve te veroorzaken.

Jap. Ni, ad; to, cum; niiote, quia; jôni, ut; jokka maëni watak’swa desi to jama ni juita, quatuor ante dies cum discipulo montem ascendi.

Aino. Ani, cum; kusju, propter; jakka, quamvis; tanbe kusju, propter hanc rem; tsib ani, cum nave; atui kata, in mare.


[160] Lapérouse, Tom. III, pag. 40. Broughton, Tom. I, pag. 390. Von Langsdorf, Theil I, pag. 300. Von Krusenstern, Wörtersammlung aus der Sprache der Aino (nach Dawidow). St. Petersburg. 1813.

[161] De meergenoemde Mogami Toknai heeft in 1804 een Aino-woordenboek door den druk uitgegeven, onder den naam van: Jezo-Fôgen of Mosiho Kusa, en ons daarvan een verbeterd handschrift: Jezo ga sima Kotoba, d. i.: „Taal van het eiland Jezo,” medegedeeld. Buitendien hebben wij nog verscheidene handschriftelijke woordenverzamelingen door Japanners, die op Jezo waren, verkregen. Vergelijk: Nippon, VII, Nachrichten über Jezo, die Kurilen, Krafto und das Amurland, pag. 224-244. „;Die Aino-Sprache.” Ook heeft onze verdienstelijke landgenoot Isaac Titsingh (in de jaren 1780-1784 Opperhoofd van den Nederlandschen handel op Japan,) eene verzameling van ruim honderd Aino-woorden, bij zijne uit oorspronkelijke Japansche boeken zamengestelde beschrijving van het land van Jesso, gevoegd, mede naar het vaderland overgebragt. Descriptions de la terre Jesso, traduites du Japonais, par feu M. Titsingh, in: Annales des Voyages, par Malte-Brun. Tom. XXIV, pag. 145.


AINO-GESPREKKEN.

Eenige Aino-Gesprekken mogen tot voorbeeld van de woordvoeging en de spreekwijze dienen:

Ikoro kotan siri monosiri anna?

Gaat het wel te huis?

Ofunaki atui-kata reba uneu istan.

Onlangs op zee varende heb ik zeehonden gevangen.

Tsibû ani rurajan itasja bunma tutara atte nankonna.

Zend dit met het schip, ik zal u ter belooning twee zakken (rijst) geven.

Hosike onumani tan kotanta heroki athuwa.

Eergisteren hebben zich hier visschen opgehouden.

Keannak’ hauki an koratsi an?

Is het zoo als gij zegt?

Sinanta uwekariwa bunkine rejan.

Komt hier te zamen om wacht te houden.

Tewun sisjamu anakine asijur asi rutske askaï nêna.

De man, die hier moet wacht doen, zal eene groote belooning vragen.

Osi sireba kusju sjomo osjaganke jakka pirikana.

Daar hij komt, heeft men hem niet te roepen.

Tan ithuikari bajasi aiine nekona kotan ana?

Dezen hoek volgend, aan welke plaats komt men?

Kamui juwanke tsib’ jankena.

Met God’s hulp wordt het schip behouden.

Ohono sjomo unukara.

Lang niet gezien.

Wene kappirika ariiamande tsumi itsikore nangonna.

Wie kwaad doet wordt gestraft.

Pirika guni kurumu an.

Het zal zoo wel goed zijn.

Ponno osite tsimi anbe ama.

Wacht maar, ik kleed mij.

Teirean gusitapf nani afunkeja.

Ik verwacht u, kom binnen.

Nefutsi jokibene sjanke nankoro tasju kamitatsi sinetara sjôkoru.

Wanneer het goede waar is, geef ik er eenen zak rijst voor.

Uteke anbano uhihibai sen.

Zich de hand gevend volgt de een den ander.

Nepu karukuse jaibasjare.

Waartoe maakt gij twist?

Mokoroi kottetsu uwatasi.

Daar ik rusten wil, zijt stil.

Ramukanbare tsiriusi.

Dat is breeder dan men denkt.

Iteke jaibaro usi.

Niets onnoodig spreken.


VERZAMELING VAN AINO-WOORDEN.

Wij laten eene keuze van Aino-woorden volgen, met de bedoeling om zoo wel door taalkundige oorkonden eene aanwijzing te geven tot het opzoeken der sporen van de afkomst van dat merkwaardige oude volk, als ook aan zeevaarders en reizigers de gelegenheid te verschaffen tot een nader onderzoek van deze nog zoo weinig bekende taal. Daarbij hebben wij tevens de beteekenis der Aino-woorden in het Japansch gevoegd, zoo als die ons door de Japanners, die zich op de Aino-taal hebben toegelegd, zijn medegedeeld geworden. De Aino-woorden van Jezo hebben wij meestal uit Toknai’s Woordenboek, en die van Krafto uit Dawidow’s en Lapérouse’s Woordenverzameling overgenomen.

NOMINA.
1. DE WERELD EN DE ELEMENTEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Aardbeving naï (dsisin) siri sjumui schiri moi
Aarde tsi sirika  
Aardrijk tsutsi toi toi tui
Avond joi sirionuma unumani
Beek sawa naï  
Berg jama kimita, kimro kinda
Bliksem ina fikari kamui ne beke kamoinibiki
Dag akiraka siribekere schiribegere
Deze dag kon nitsi tantoo tan too
Dampkring sora nisoro  
Daauw tsuju munbe muni wakka
Donder kami nari kamui fumi kanna kamoi fumi
Ebbe sihohi sirari sjats  
Eiland sima mosiri muschiri
Erts kane kani gani
Golf tadenami kaibe kui
Hagel arare kaukau kaukaubass
Hemel ama rikita ni schi uro?
Herfst aki tsjuk  
Heuvel nobori nuburi noburi
Hitte atsusa sirippuke schischikf
Klip se rakka  
Koude samuki (kan) mei  
Lente haru baikaru paigara
Licht fikari heriats  
Lucht ki pâriri  
Maand tsuki kunne tsupp tombi, tschukf
Mist kiri ûrari urariaz, urai, urari
Meer midsu umi to
Morgen asa nisjats nischatzu
Morgenschemering akatsuki toobeker schiri-bekere
Nacht jo antsikara anzkari
Deze nacht konban onuman  
Oever fama kosju rauda
Regen ame apto apftu
Regenboog nizi rawots rajots’
Rook kemuri sibuja schibuia
Rots iwa watara  
Schaduw fikage tsjupke tschukuriu
Sneeuw juki ubas, ubaschi obas, obass
Steen isi s’juma schioma
Ster hosi keta, notsju, nodschu keda, nodsi
Stroom kaha bets bez
Veld no nupuka nupka
Vloed misi siho sirarihaa  
Voorgebergte saki siri ithu schiri ido
Vuur fi abe, unszi abe, undshi
Water midsu wakka, be, hakka waka, wachka
Wereld se kai bekere sjam begiri schiam
Wind kaze reira rera, dirra
Winter fuju mata madapa
Wolken kumo nisi, nisikuri nischi kuri
IJs kohori junru  
Zand suna ota oda
Zee umi atui adui
Zomer natsu sjaku schakpa
Zon fi bekere tsupp, tonotschu tschukf kamoi
Zout siho sipo schippo
2. DIEREN EN PLANTEN EN HUNNE DEELEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Baast kino kawa niga fukar’ nii kapu
Beenderen hone bone poné
Beer kuma hokujuk’ chugujukf
Blad fa hamu chamu
Bloem hana ebui ibuiki
Bloed tsi kem’, kemi kim
Bosch hajasi teigur  
Dier ketamono kimo tsup  
Ei tamako noki, nuki zkapf nuki
Hart jani unkotok’  
Hond inu seta, sita, cheta scheda
Hoorn tsuno kirau  
Hout ki, ita tsikuni, ita, ta ziguni, ida
Houtskool sumi pasipasi pas
Huid kawa kabu kapu
Kruid kusa kina  
Ligchaam karada netobake  
Luis sirami uruki, kii uriki
Lijf mi netobake nidobaki
Man wotoko okkai okkai
Mannetje wo binne  
Melk tsitsinosiru tôbe
Mensch hito sisjam, aino guru
Olie abura sjumu  
Ongedierte musi kikiri kigiri
Schildpad kame itsinke  
Slang hebi tokko (kamoi) toko kamoi
Traan kusirano abura funbei funbikii
Vet abura (niku) ke kiribe kiü
Visch uwo tsep’ tsep’ zepf
Vleesch nik kam kam
Vlieg hai, apu fitsurube hitsûrup
Vloo nomi taike taigi
Vogel tori tsikapp tzkapf
Vogeltje kotori tsiri  
Vrucht mi ebuike ibuiki
Wijf wonna menoko (jap.) minoko
Wijfje me matsne  
Wortel ne kuberikep, sinsits schyndshiz
3. HET LIGCHAAM EN DE LEDEMATEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Aangezigt kaho nanu nanu
Baard kutsihige reki rigi
Borst mune terar  
Borsten tsitsi tôkab to
Buik hara honi chuni
Cunnus tsubi pogi (hokki)  
Darm tai tjô kankam  
Hals kubi rekuts regut
Hand te teke, teki tegi, tiké
Hart kokoro sjanbe, sampêh schambi
Hoofd atama bake schaba
Hoofdhaar kaminoke ottobe, numa schaba numa
Huid hadaje nuwom’kumukasike  
Lip kutsibiru hatoje, tsjamon  
Mond kutsi baru, tsjaro paru
Nagel tsume am, ami  
Navel hoso hankapui changubui
Neus hana ethû, ito idu
Oog me siki schiki
Oor mimi kisijara kischara
Penis mara tsii, tsije  
Rug senaka sethuru scheduru
Staart wo isi  
Tand ha imaki, jumaki nimaki
Tong sita be barunbe barumbi au
Vinger jubi asikibette askibitz
Vleugel hakae rafu  
Voet asi kema kima
4. FAMILIE, GEZELSCHAP.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Arm mensch matsusiki fito helon gur schirun guru
Boosdoener aku nin ujen gur uwen
Boosheid aku sin ramunisite  
Broeder, oudste ani jûbi jubu
»jongste wototo iriwaki, aki aki
Deelgenoot tsure utare  
Dief nusu hito inuga guru ikka guru
Dienaar kattsju kojantono  
Dochter menoko matsihebo mazenebu
Echtgenoot otto hoku chogu
Echtgenoote tsuma matsi maz, mati
Familie sin rui awa  
Grootmoeder baba sjunsti, hakko  
Grootvader zizi ikasi, sasa chambi
Kind kotomo bô, boho po
Kleinzoon mago sitsupopo, imitsubon  
Koopman akindo ihoksiam egokfschamo
Landman fijak’sjo toitasisiamo  
Landsheer, (Vorst) kami mosiri kamoi  
Lieden, oude tosi jori hekai chigoi
»jonge wakai hekats, uben, beure
Man, voornaam tats’toki fito nisipa  
»gemeen heï nin jajasiamo  
Moeder haha habo chabu
Oom ozi keusiuts atscha
Ouders woja serimaka atajho  
Scheepsvolk funakata tsipo guru  
Soldaat busi tono  
Stedehouder matsi bugjo matsijantono  
Tante oba konnaripe  
Vader tsitsi hanbe chambi
Vorst tonosama tonokamoi  
Vijand teki tomautare  
Weduwe onakogoke jamome hoksiak  
Weduwnaar otokogoke jamowo matsusiak, sjobija  
Zoon wotokonoko okkaihebo poo
Zuster, oudste ane sija, guturesibo schiaa
»jongste imoto thuresi turisch
5. WOONPLAATS, WONING.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Dak jane akup, harukata sjam puda
Deur to aba schiri aba
Haardstede irori innunbe, abe  
Huis ije tsise zise, zisse
Hut koja kasi  
Venster mado bujara, bujari puiari
Woonplaats tokoro kotan kodan
6. GEREEDSCHAPPEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Aalspeer jasu opu, urei  
Anker ikari kaje kaida
Boogpees tsuru gûka kuga
Boog jumi (kiu) gû, kusi, kunisi guu ku
Bijl masakari mukkari mukar
Harpoen jasu opu, urei opf
Hengel tsuribari beraje, perai apf, pirai
Hut kasa kakka, kasja chaka
Kleeding kimono tsimipu imi
Mast tobasira kajani kaiani
Mes kokadana ibira, makiri magiri
Net ami jaa ia
Oorring mimikane ninkari ninkari
Pijl ja ai ai
Pijlkoker jabako ikajup igaiupf, ikjup
Roer ro osjui  
Rok kimono mi (atsni) imi, atush
Schip fune tsip’ zibi
Slede sori sikeni  
Smart itami aruka arika
Spies, Piek jari fumi, paro kuu
Touw tsuna thubi, tosi  
Zeil fo kaja kaia
7. VERRIGTINGEN, UITWERKING.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Begin hazime asinno aschino
Beweging,
Levensvermogen
{ ugoki moi moi moi-moi
inotsi sikkisa  
Dood sini rai rai
Dorst nodonokahaki igursjui igurusch
Einde owari ohari  
Gehoor kiku nu
Geluk sjawase jainirikarai  
Gezigt Miruzi nukaru nugaru
Gezondheid sukujaka, sukojaka ramurakke katschara-schino
Haat nikumi jesisi  
Honger fimozi kemuramu kemurampa
Kracht tsikara okira, tsumikoru ukira
Leven inotsi sikkinoka schikfnu
Liefde koï usikkarahare  
Lijden kurusimi ihomasii  
Medelijden itsukusimi komebur’ koneburu
Ongeluk ing’wan jaikohonnojeje  
Oorlog ikusa tomi  
Reuk niwoi fûra furaan
Rust jasumi sini  
Stem koje hauje chau
Smaak aziwai kêra, kêwoan
Verdriet mukkasiki ramuikasite oschiôra
Vreugde mendô, ahare jakata  
Ziekte jamai tasijumu, ikoni, siju  
Zwakte jowasa schiari
8. EIGENSCHAPPEN, HOEDANIGHEDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Arm matsusiki sirun schirun
Beneden simo tekkesi  
Bitter nigai balkar, sju parakara
Blaauw aho sijei  
Breed hiroi tsiwa, tsiriusi uschip
Diep fukai ohoho, ohô ogo
Dun usuri kabar’  
Droog karetaru sjats’ schats
Geel ki sjunin  
Groen mitori tsuisjamu schiusiam
Groot oho poro poro
Hoog takai riiwa, ri L. riuwa
Klein tsiisasi pon ponno
Koud samui jamu, mei, mean mei
Kort mizikasi takine  
Lang (tijd) fisasi ohonno ogonno
»(maat) nakasi tanne tanni
Ligt karui kosine koschni
Links fidari hari kiuturu charik
Mager jase sjatteku schattigu
Midden mannaka nosikike noschke-ta
Nat awaseme uthur’  
Nederig asasi ohaku ugakfu
Ondiep asai ohak’  
Purper murusaki ikarari  
Rood akaï fure furi
Rijk tomu nisiba nischpa
Smal semai tsibakaram  
Stinkend kusai fura ujen fura uwen
Warm atataka popko scheschikf
Wit siroi tetaru, detara L. tedari
Welriekend { kobaisi fûrapiurka  
nihofu furara karu  
Zwaar womoi base, pase paschi
Zoet amai rura, rurakor’  
Zuur susi nukai schiukkoi
Zwart kuroi kunne kunni
9. WERKWOORDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Antwoorden kotafu itasjaitats eischiwa
Dansen wodoru tapkaru, tafukari tapkarawa
Dooden korosu rapeke, ronno raigiiakka
Drinken nomu iku igu
Eten ibe imbe, ebe
Gaan ajumu apukasi apkas
Geven jaru jenikore ingori
Hooren kiku nu, inu, kunu nun
Koopen kàu ihoku, itometsu egokf
Lagchen warafu mina mina
Leggen jasumu sini schine
Leven inotsi aru sikkinu schikfnu
Levend zijn ikite oru hôjur  
Loopen hasiru hojubu chojubu
Roeijen funewokogu tsipu zipowa
Roepen jobu hothui, hotoje  
Slapen nemuru mokoro mojuru
Smarten itamu itasjasja  
Spreken itaku itakuwa idawuwa
Staan tatsu rosike rosehki
Stelen nusumu ikka ikka
Sterven sinuru rai rai
Verkrijgen motomu tsipapa okuwa
Vogelvangen toraheru tsikapp koiki zepfkoigi
Visschen sunatoru tschepp koiki iukgari
Verruilen tota furu itasjare itaschare
Vliegen hasiru basi, tsjasi choiupfu
Vragen tatsunemiru isitan  
Weenen naku tsitsi tsitsi wa, zijssiwa
Zien miru nukar nogaro
Zingen utau jûgari iukgari
Zijn arisu an  
10. PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Ik watak’s, warè ku, kuannit, tsjô-kai kani tschogai
Jij karera inki angur anu udari
Gij omaï, anata iani, i, i tsjô kai jani itschogai
Hij kare, ano fito iki sja angur’ (ille) ikoro
Ulieden omaï gata inki utare itschogai udari
Wij watak’s domo tsjô kai utare toogai udare
11. AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Deze ’kono tan, tanbe, ane ani
Die sono pu  
Dit kore tapu  
Ieder koto kesi keschi
Wie sore neni nini, nen
Welke itsure ikijaan  
Zulk sajô keannari  
12. TELWOORDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Een fitots’ sinepp, sine, schinep L. schnepf
Twee f’tats’ thupp thu tupf tup
Drie mits’ repp, reepu L. repf
Vier jots’ inepp, inepu L. inepf
Vijf itsuts’ asikinepp, aschikinepu L. aschiki nipf
Zes muts’ iwanbe juwambi
Zeven nanats’ aruwanbe aruwambi
Acht jats’ thupe sjanbe tubi schambi
Negen kokonots’ sineb sjan schnebi schambi
Tien tô (towo) wanbe wambi
Twintig hatats (nisju) hots, chozu L. scheehoz choz
Vijftig gosju wanbe i rehots wambi irichoz
Honderd momo asikne hots aschi nichoz
Duizend tsi asikine sine wanehots i. e. 5.10.20 aschi kini schine wane choz
Eerste itsiban teppake  
Tweede niban nosike  
Derde sanban reth tanta (rep-tanta)  
Eenmaal itsi do sine sjui schiui
Tweemaal ni do thusjui schini
13. BIJWOORDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Allengs ohi ohi ubi ubi ja ja ukere
Daarom sorenitsuite ne waanberisju  
Daarna sonotsugi imakake  
Dikwijls tahi tahi sju sjui  
Eindelijk tsuini aine  
Eertijds mukasi fusiko  
Gansch nokorasu nenai  
Gisteren sakusits’ numani numani
Heden konnits tanto (deze Dag)  
Hier koko tan kotan ta changino
Hoe veel iku henbakkuno chimbaguno
Ja hei jise, jese  
Ja wel naruhodo nokon, oowun  
Morgen asta nisjatta nischatta
Neen ija kotsjan, koban  
Niet nu sjomo schiomo
Nog mato sijui schiui
Nog niet imada naa  
Onlangs kono aida tetai  
Thans ima tane tani
Waar toko ine kotanta nida
Waarom itsure nekonta nigonda
Wel aan iza iza sita sita  
14. AANHANGSELS (AFFIXA) EN VOEGWOORDEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Alle mina obitta  
Al te hanahatasì sitoma  
Anders bets’ sinnai  
Als tokini ike, tsiki  
En, nog sôsite, to kanna  
Met tomoni its sianneno, ani  
Naardien joriwa orowano  
Of mata ta, sjui schiui
Ofschoon ihetomo jakka  
Omdat jotte kusju kuschu
Op, in ni ta  
Uit, van jori orowa  
Zeldzaam mare kemian  
Zonder nasi isjamu ischamu