De weinige zeevaarders, die tot de openstelling van den haven van Hakodate (Sept. 1855) de Aino-landen met een wetenschappelijk oogmerk bezocht hebben, hielden zich eenen veel te korten tijd en onder te beperkte omstandigheden op de kusten van Jezo en Krafto en de Kurilen op, om maar eenigzins de voortbrengselen dezer eilanden, die eene oppervlakte van meer dan 2000 ☐ mijlen beslaan, te kunnen leeren kennen; aan deze hebben wij derhalve slechts eene zeer kleine bijdrage tot de Fauna en Flora en tot de kennis van de geologische gesteldheid dezer landen te danken. Maar nog veel minder, voor zoo verre ons de reisverhalen van Commodore Perry en van Wilhelm Heine als prospectus van een natuurkundig onderzoek in deze gewesten kunnen dienen, laat zich te dien opzigte van de Amerikaansche expeditie verwachten. Daarentegen zijn ons de meest belangrijke natuurzeldzaamheden dezer eilanden en vooral van Jezo door schriftelijke en mondelinge mededeelingen van kundige Japanners, die dezelve bezocht hebben, bekend geworden. Al wat ons over de voortbrengselen dezer landen uit Europesche en Japansche bronnen bekend is, hebben wij tot een geheel gebragt en in onze beschrijving van Japan geboekt[162]. Daarop willen wij hen opmerkzaam maken, die zich meer in het bijzonder daarvan wenschen te onderrigten. Evenwel laten onze mededeelingen veel te wenschen over en zij mogen slechts als een bladwijzer van het groote boek der natuur beschouwd worden, waartoe deze landen hoogst merkwaardige voorwerpen leveren. Heb ik reeds mijne geo-hydrographische, volken- en taalkundige toelichtingen met de welgemeende bedoeling nedergeschreven om aan onze Nederlandsche zeevaarders eenigzins tot gids te kunnen dienen bij hunne verdere reizen in dat zeegebied, zoo mag ook hier een beknopt overzigt der voortbrengselen der zoo weinig bekende Ainolanden eene geschikte plaats vinden.
[162] Nippon, VII, p. 244. ”Die Naturerzeugnisse von Jezo, Krafto und den Japanischen Kurilen.”
Zoogdieren. Het overzigt dat wij daarvan kunnen aanbieden is vrij volledig, en er wordt daardoor eene gaping opgevuld, die dusverre in het gebied der dierenkunde tusschen de Japansche eilanden, het vaste land van Oost-Siberië en Kamtschatka bestond[163].
| Vledermuis | Pteropus spec. | Atspo (Aino) | Ohokômuli (Jap.) | ||
| „ | Vespertilio camtschaticus? | Kabap | Itatsi kômuli | ||
| Mol | * | Talpa Wogura F. J. | Ithutsikere | Wogura | |
| Spitsmuis | Sorex spec. | Sjatsiri | Dsinezumi | ||
| „ | „„ | Ubasitsironop | Kawanezumi | ||
| Beer | * | Ursus arctos (ferox) | Hokjuk, sijuk (mas) Ojan (foem) | Ohokuma | |
| „ | * | Ursus collaris | Borep, seberi? | Fikuma, aka kuma | |
| „ | * | „thibetanus F. J. | Tsira mante | Tsukino kuma | |
| Marter | * | Mustela melampus F. J. | Thusjunike | Ten | |
| „ | * | „brachyura F. J. | Hoinu | Jezo-ten | |
| Visch-otter | * | Lutra vulgaris F. J. | Isjamani | Kawa uso | |
| Zee-otter | * | Enydris marina | Rakko, Binnep (mas) | Rakko | |
| Wolf | Canis lupus | Ose kamui | Oho kami | ||
| Vos | * | „vulpis | Fure tsup, i. e. vulpis rubra. | Kitsne | |
| „ | * | „„argentatus i. e. vulpis nigra. | Kunne sjumari | ||
| „ | „„variet | Sithunpi | Sittukpen (Kuril.) | ||
| „ | „„variet | Tsironop | |||
| Hond | „domesticus | Sita, seta | Kari inu | ||
| Kat | Felis Catus | Meko | Neko | ||
| Tanuki | Nictereutes viverinus F. J. | Mojuku | Tanuki | ||
| „ | Canis? procyoides F. J. | Numari | |||
| Haas | Lepus brachyurus F. J.? | Isjabo | Usagi | ||
| Eekhoorn | * | Sciurus varius | Niuf | Wogatsuki | |
| „gestreept | * | Tamias striatus | Kasî kiri gusi | Sima nezumi | |
| Rat | Mus spec. maj. | Irimo | Nezumi | ||
| Muis | „„min. | Pon irimo | Tanezumi | ||
| Hert | * | Cervus Sika F. J. | Jûk, Binnero (mas) momanbe (foem) | Sika | |
| Gems | † | Antilope crispa F. J. | Jukusisi | Niku | |
| Rendier | * | Cervus Tarandus | Thunakaï | Barok’ (Chin.) | |
| Muskusdier | * | Moschus moschiferus F. J. | Likon kamui | Nora, Kusika | |
| Wild zwijn | Sus leuco mystax F. J. | Wottomun[164] | Inosisi | ||
| Chineesch varken | „sinensis | Wosju furokke | Buta | ||
| Zeehonden of robben (zonder zigtbare ooren) | * | Phoca oceanica | Situkari | ||
| * | „barbata | Jai thukari[165] | |||
| * | „numularis F. J. | Kesjo | |||
| Robben met ooren | Otaria ursina F. J. | Onnep, uneu (mas) Homapp (foem) | Uminoneko, Ottosei | ||
| Zeebeeren en zeeleeuwen | „Stelleri F. J. | Thukara[166] | Asarasi | ||
| Walrus | Trichecus Rosmarus | Sikaitanke | Asika, Kai-tats (Chin.) | ||
| Borkenwale | Rytina Stelleri? | Ikusibe, Kamutanasi | Umisika | ||
Nog worden eenige andere namen van waarschijnlijk tot de familie der Pinnipedia behoorende dieren vermeld: Hekeppokoma (eene jonge Phoca?) Ufuithukari, Amusine of Amossibe, Boniri (een jong of wijfje van een robbe), Nigui, Tasjunbuikoro.
Van walvisschen, waarvan zoo dikwijls in het Journaal van Vries’ zeetogt gewaagd wordt, worden zonder twijfel in de zee van de Aino-landen dezelfde soorten en verscheidenheden gevonden die aan de Japanners, die zich naarstig op de walvischvangst toeleggen, bekend zijn; de onwetende Aino’s schijnen nog veel meer soorten daarvan te onderscheiden dan de Japanners, die sedert eeuwen hunne natuurkundige waarnemingen nederschrijven en bij voortduring trachten te herzien en te verbeteren.
Mogami Toknai haalt in zijn Aino-woordenboek 19 namen van Walvisschen (Kuzira) aan, terwijl de Japansche Linnée Wono Lansan maar 16 soorten opnoemt. Volgens onze nasporingen op Japan en volgens het oordeelkundig onderzoek van onzen geleerden medebewerker der Fauna Japonica, Dr. H. Schlegel, beloopt echter het getal van de door ons in de wateren van Japan waargenomene en naar van de Japanners vervaardigde teekeningen en beschrijvingen met zekerheid te bestemmen walvisschen op acht soorten, en deze zijn:
| Dolfijnen | Delphinus longirostris | Jap. | Sakamata | |
| „melas | „ | Namino uwo | ||
| „globiceps | „ | Gotô | ||
| „Orca | „ | Iruka | ||
| Walvisschen | Balaena antarctica | „ | Sebi-kuzira | |
| Balaenoptera arctica | „ | Iwasi-kuzira | ||
| „antarctica | „ | Sato, nagasu-kuzira | ||
| Potvisch | Physeter macrocephalus | „ | Makko-kuzira |
De door Toknai en andere Japanners voor benamingen van walvisschen, dolfijnen en potvisschen (Kuzira) gehouden en ons medegedeelde Aino-namen willen wij hier opnoemen, ten einde tot leidraad van een nader onderzoek in de Aino-landen zelven te kunnen dienen. Tawajuk (Iruka Jap.); Jukfunbe; Kene funbe, rood van huid; Nise funbe, eet haring; Iwakotôma funbe, is groot; Okina, is zeer groot; moasjankur, groot; sjasijangur, groot; Nokor, heeft baarden; Ithutsikere, heeft eene lange neus; Fûrenbe, heeft rood spek; Oakansi, eenen grooten buik; Asbekorû, gelijkt eene groote makreel; Kuttare ook Otahoi genoemd, eet haring. Okirike; Isjobonbe; Jaitesi; Taneibe; en Thunaï.
Hoe talrijk zich de walvisschen op de kusten van de Aino-landen ook vertoonen, zoo worden zij toch zeldzaam van de Aino’s gevangen; zij nuttigen echter het vleesch en de traan van zulken, die stranden. Onze Nederlandsche zeevaarders hebben de meeste walvisschen in scharen van het noorden naar het zuiden zien trekken. Nog voor kort werden door de Amerikaansche Expeditie in het Oosten van Japan benden van 300 walvisschen ontmoet. Ook vertellen de Aino’s van een zeemonster Okina, dat zoo groot zijn zou, dat hij walvisschen verslinden kon. Men heeft echter daarvan alleen den rug gezien. Dit verdichtsel is waarschijnlijk ook op groote troepen van walvisschen of dolfijnen gegrond; insgelijks verhalen zij dat de walvisschen door een’ naar den Iruka (Delphinus Orca) gelijkenden dolfijn, dien de Japanners Kami Kiri, d. i. zaagvisch, noemen, vervolgd en gedood wordt.
Vogels. In evenredigheid van de hoeveelheid van vogels in Oost-Siberië, Kamtschatka en Japan bekend[167], is het getal van deze, die door Europesche natuurkundigen en de Japanners op Jezo en Krafto zijn waargenomen, klein. Deze zijn:
In Toknai’s woordenboek wordt nog eene lange reeks van vogelen opgenoemd, zonder dat daarbij de Japansche synonymen gevoegd zijn. Hoe vreemd ook deze Aino-namen luiden, zoo willen wij dezelve toch hier mededeelen, ten einde aan reizigers de gelegenheid aan de hand te geven om ze op te sporen. Oretara, Thurja, Arats, Kakakjo, Fûsetsiri, Korokakkun, Harikeu, Wauwo, Sirar’wa, Ithurahisika, Itoki toki, Ainusetsiri, Omanruitsiri, Bakkunne, Uwetsiritsiki, Nuppukaoreu, Hokkiure, Ussetoita, Oppikepike, Worunkakkeu, Kuitopp, Kaori, Hekatsitsiri, Jauretara, Furesjamtsiri, Horutsiri, Okeura, Reraokï, Hometsiri. Wij herhalen, dat Tsikapf een’ grooten vogel en Tsiri een’ kleinen beteekent en dat verscheiden namen bijna eensluidend met reeds opgenoemde zijn.
Kruipende dieren. De meeste van de dieren van deze klasse worden in het zuiden van Jezo gevonden en komen veelal met die van het noordelijke Japan overeen.
| Schildpad | Emys v. Trionyx | Itsinke (Aino) | Game (Jap.) |
| Hagedis | Stincus quinquelineatus F. J. | Haran | Tokage |
| Slang | Coluber quadrivirgatus F. J. | Hasikuro kamoi | Kurokutsinaba |
| „ | Coluber virgatus F. J. | Fugowoka | Mugi wara febi |
| Adder | Trigonocephalus Blomhoffi F. J. | Tokko kamoi | Mamusi |
| „ | Trichonocephalus spec. | Tanne kamoi | Siro febi |
| „ | „„ | Kinasitonkur’ | |
| Gemeene pad | Bufo vulgaris F. J. | Terekeibe | Kaheru |
| Groene kikvorsch | Rana esculenta F. J. | Toron kamoi | Kawadsu |
| Kikvorsch | „spec. | Kekketsch | |
| „ | „rugosa F. J. | Woats’ | Tsutsikaheru |
| Boomkikvorsch | Hyla arborea F. J. | Kokekets | Awogaheru |
| „ | „? spec. | Ibi | |
| Watersalamander | Triton spec. | Wimori |
Ook wordt nog van eenen Rob Sithukari gewaagd, die naar eene schildpad gelijkt, waarschijnlijk eene Sphargis mercurialis of eene Chelonia soort, die somtijds door orkanen en strooming der zee aan de kusten van Jezo aangespoeld wordt.
Visschen. De verhalen van de groote hoeveelheid van visch, welke onze oude Nederlandsche zeevaarders langs de kusten en vooral aan de monden der rivieren van het land van Jezo ontmoet hebben, schijnen niet overdreven te zijn, wanneer men daarmede de berigten vergelijkt, welke ons de zeevaarders van den nieuwen tijd omtrent zekere vischsoorten, als van zalm, haring en sardijnen in het noordelijke gedeelte van de Japansche zee, in den zoo genoemde Tartarischen golf en in de zee van Ochotsk en Kamtschatka mededeelen. Want ook zij spreken van vischbanken die den mond der rivier stoppen en schatten de hoeveelheid daarvan naar scheepsladingen; maar ook geloofwaardige Japansche reizigers, met name Mogami Toknai, verhaalde ons dat alleen van de Isikari, de grootste rivier op de westkust van Jezo, ten tijde van zijn verblijf op Jezo (1785) twaalf duizend kok (1,800,000 Ned. pond.) aan gezouten en gedroogden zalm (Salmo leucocephalus en S. callaris) is vervoerd geworden, en dat men langs de kust van Jezo banken van eene soort roode schollen (Trygon Akajei) vindt, die 126 tot 250 ☐ ellen beslaan. Het getal van de ons bekende vischsoorten, die aan de kusten in de rivieren en meeren van Japan gevonden worden, beloopt ruim vier honderd, dat langs de kusten van China ongeveer twee honderd; en dat van het noordelijke gedeelte van den grooten Oceaan even veel. In evenredigheid daarvan is echter het getal van vischsoorten die van de zee en de rivieren der Aino-landen bekend zijn, klein. Dit neemt echter niet weg, dat men daar niet alleen eene groote verscheidenheid zal kunnen opsporen, maar ook vele reeds in andere zeegewesten waargenomene soorten terugvinden; want daarheen worden visschen uit hoogere en lagere breedten door hunne eigene natuurdrift tot verre togten verleid en door eene krachtige, eeuwig durende locomotive, den Japanschen stroom, medegesleept. Door Europesche reizigers hebben wij slechts eenige weinige vischsoorten uit het zee- en riviergebied der Aino-landen kennen geleerd; ook is de kennis van visschen, die wij aan de op de kusten van Jezo en Krafto gehuisveste Japanners te danken hebben, gering, omdat deze niet naar zeldzame, maar naar zulke visschen kijken, welke ook in hun vaderland tot spijs dienen of voor den groothandel in visschen het meest geschikt zijn. Des te meer welkom zal aan zeevaarders de lijst van visschen zijn, die wij hun aanbieden kunnen:
| Zeebaars | Niphon Spinosus F. J. | Kankai (Aino) | Matsmaë tara (Jap.) |
| „ | Perca-labrax Japonicus F. J. | Airo | Suzuki |
| Zeehaan | Dactyloptera spec. | Fure sepp | Kasago |
| Goudbaars | Chrysophris major F. J. | Fure sepp[168] | Aka dai |
| „ | „spec. | Ninijesepp | |
| Makreel | Scomber pneumatophorus F. J. | Sjaba | Saba |
| Tonyn | Thynnus pelamys F. J. | Tanneibe | Katsuwo |
| „ | „Sibi F. J. | Sjunbi | Sibi |
| Makreel? | „spec. | Pukka | |
| „ | Elacate mottak, E. bivittata F. J. | Masu | |
| „ | Seriola aureo vittata F. J. | Tsiwasjan | Buri |
| Harnasman | Aspidophorus acipenserinus | Tsirosineibe | Rokkak |
| „ | „superciliosus | ||
| „ | „stegophthalmus | ||
| „ | Cottus intermedius | Jezo-gotsi | |
| „ | Hemilepidotus Tilesii | ||
| „ | Epinephelus ciliatus | Potoi | Tanago |
| „ | Pleuronectes stellatus | Tantaka | Karei |
| Schollen | „spec. | Kabarin | |
| „ | „„ | Kasibisi | |
| Tongen | „„ | Simusibo | Firame |
| „ | „„ | Hebeu | Oho firame |
| „ | „„ | Herekusi | |
| Meerval | Silurus japonicus F. J. | Uta | Namazu |
| Vooren | Cyprinus conirostris F. J. | Ruwokom | Funa |
| Halfbek | Hemiramphus Sajori F. J. | Funbe deppo | Sajori |
| Zalm | Salmo lagocephalus | Sibe | Sake |
| „ | „Proteus | Sjankenbe | Mazu |
| „ | „sanguinolentus | Urupp | Beni-mazu |
| „ | „spec. | Tsirai | Ito |
| „ | „„ | Hemoi | |
| „ | „„ | Tsjarokun | |
| „ | „„ | Wowo | |
| „ | Saurus? | Tsuppo | Ukui |
| „ | Saurus? | Ururui | Kusaki uwo |
| Haring | Clupea gracilis F. J. | Ponsepp | Iwasi |
| „ | „? | Heroki | Kado v. Nisin |
| Stekelbuik | Tetraodon spec. | Akamkorbe | Eugu |
| „ | „„ | Jursi kasepp | |
| Klompvisch | Orthagosiscus mola F. J. | Hinabo | Manbo |
| Steur | Acipenser Helous | ||
| Haai | Mustelus vulgaris | Wonne | Wani |
| Rog | Trijgon Akajei F. J. | Aitsi korbe | Akajei |
| „ | Raja? | Karma | Same |
| „ | „ | Tsikobakui | |
| „ | „ | Ihessjarkorbe | |
| Zevenoog | Heptastema cirrhatum F. J. | Nukaribe | Jodamusi |
| Lamprei | Petromyzon camtschaticus[169] | Sjumarop | Jatsme-unagi |
Ook van visschen hebben wij eenige Aino-namen niet kunnen teregtbrengen, deze zijn: Inunbeibe, Takutaku, Siribokke, Sjokorsepp, Furarui, Rannibe, Kasinube, Pontoksi.
Weekdieren. De mollusken die wij van de Aino-landen kennen, zijn ook meestal zulke, welke daar gegeten of voor den handel naar Japan bijeengebragt worden, als:
| Zeekat | Octopus areolatus | Athui nau (Aino) | Tako (Jap.) |
| „ | „granulatus | Athui ne | Iwa tako |
| Inktvisch | Sepia japonica | Fussanna | Ika |
| „ | „? | Pasiani | |
| „ | Sepiola? | Masi tanbe | |
| „ | Loligo brevis? | Mattsijana | |
| Oesters | Ostreaspec. | Biba | Kaki |
| Jacobsschulp | Pecten„ | Asikedekke | Tadekai |
| „ | „„ | Akketesei | |
| Hamdoublet | Pina„ | Apnisei | Kami |
| Mossel | Mytilus„ | Hankatsjui | Ikai |
| Hartschulp | Cardium„ | Tsjakenai | Akakai |
| „ | „„ | Tsibojetsup | Sizimi |
| „ | „„ | Tsiurp | |
| Venusdoublet | Venus„ | Iasibebots | Sira famakuri |
| „ | „„ | Herenasi | |
| „ | „„ | Kabarusei | |
| „ | „„ | Heurokke | Asari |
| „ | „„ | Urukke | |
| Klipzuiger | Haliotis japonica | Aibe | Awabi |
Nog worden eenige schulpen genoemd, als: Petsi, Tsitani, Trusjunke, Kanputh, Ratutsjûke, Simabaratets, Sikikemsjui. Zeer belangrijk is op Jezo de vangst van Tripang, daar Kakurauta en van de Japanners Irigo of Kingo genoemd. Ook verzamelt en droogt men daar een eetbare zeekwallen, Kurage genaamd.
Schaaldieren. De weinige soorten van Crustacea, die wij uit Japansche bronnen hebben kunnen opsporen, als te huis hoorende in de Aino-landen, leveren eene zeer belangrijke uitkomst voor hare geographische verspreiding op. Wij vinden daar van den zeldzamen Crapsus Japonicus F. J. (Anbajaja in de Aino-taal en op Japan Dsu gani genoemd) gewaagd die ook de rivieren van Jezo bewonen, en van onze op het strand van de Oostkust van Japan ontdekte reusachtige zeekrab Inachus Kaempferi F. J. (Murikana Aino) Sima gani of Taka asi-gani d.i. langbeenkrab (Jap.). Deze reuzenkrab, waarvan Engelbert Kaempfer eenen arm afgebeeld en de vermaarde Steller in den Alutora-golf op Kamtschatka ook eenen arm gevonden heeft, die toereikende was eenen hongerigen mensch te verzadigen[170], wordt ook somtijds aan de kust op Jezo gevonden en van hem beweerd dat hij eene groote van acht tot tien Sjak (voet) bereikt. De grootste door ons gezien heeft armen (Chelae) gehad die vier voet lang waren. Ook vindt men daar eenen Palinurus, Holokerki (Aino) Jebi (Jap.), den Astacus Japonicus, Tekunbe korbe, eene Squilla, Heka korbe (Aino) Sjaku (Jap.) en verscheiden andere krabben, die in het algemeen Hiko kunbe genoemd worden.
Spinachtige, gekorvene dieren. Daarvan kunnen wij slechts eene kleine lijst aanbieden, waarin echter de algemeen voorkomende dieren van dien aard geschetst zijn: Spinnen (Kumo, Jap.) worden eene Jawosike en eene Jatem, en ook een Exodes, (Jani Jap.) Baraki gevonden; ook eene Basterdspin, Phalangima, waarvan de sap tot de bereiding van het vergift hunner pijlen gebruikt wordt. Verder worden Kevers genoemd: Lucanus spec., Ninakikiri (Aino) Hasamimusi (Jap.); eene Buprestis, Sino kane haram (Aino) Kink’wako (Jap.); de glimworm, Lampiris, Nisekep (Aino), Hotaru (Jap.); een krekel, Gryllus, Sibebe (Aino), Kirikirisu (Jap.); bijen, Apis melifera, Sisjôja (Aino), midsuhatsi (Jap.); wespen, Vespa, eene met witte vlekken Majuksjôja (Aino), Hatsi (Jap.); paardevliegen, Oestrus, Sirawo (Aino), Apû (Jap.); aardwespen, Pompilus, Jasjôja (Aino), Tsudsibats (Jap.); waternimfen, Libellula, Hankkatsjui (Aino), Tonbo (Jap.); kapelletjes, Mareu (Aino), Tjô (Jap.); ook nachtvlinders, mosetsikap; eindelijk muggen, Culex, Tipula, Simulium, Ithutanne, Kamurusju, Ibiro, Irairai, Itsjottsjare (Aino), Ka en Futô (Jap.); luizen, Urki (Aino), Sirami (Jap.); vlooijen, Taike (Aino), Nomi (Jap.); duizendbeenen, Julus, Itemekkiri (Aino), Makade (Jap.); en pieren, Tonin, Rutswo (Aino), Mimizu (Jap.). Wij gevoelen zeer goed, dat zoo vele vreemde woorden voor onze lezers eene vervelende lektuur zal zijn; het nut echter, dat daaruit zeevaarders en reizigers in de Aino-landen bij hunne natuur- of taalkundige navorschingen zullen kunnen trekken, heeft onszelven aangemoedigd een zoo moeijelijken letterkundigen arbeid te volbrengen, en moge dien dan ook bij hen verschoonen.