Terwijl de Dichters zich haasten naar de trap, zien zij zich begroet door eene Schim, die hun achterop kwam. Deze door Virgilius wederom gegroet, verkrijgt op zijne vragen een antwoord en gevraagd zijnde, openbaart hij de oorzaak van het schudden des bergs en ook eenige zaken van zijn leven.
1 De dorst van onzen aard, die nooit wordt gelescht dan met het water waarvan het Samaritaansche vrouwtje de genade vroeg,
4 pijnigde mij; en noopte mij tot haast over den belemmerden weg, achter mijnen Gids; en medelijden voelde ik met rechtvaardige wraak.
7 En zie, zooals Lucas ervan schrijft, dat Christus verscheen aan twee, die op den weg waren, reeds opgestaan uit de holte van het graf;
10 verscheen ons eene schimme en kwam achter ons, aan hare voeten ziende naar de menigte, die ligt; en wij werden haar niet gewaar, tot ze sprak,
13 zeggende: „Broederen mijn, God geve u vrede.” Wij keerden ons plotseling, en Virgilius gaf hem dàt teeken tot antwoord, dat past bij zulke begroeting.
16 Voorts begon hij: „In de vergadering der gelukzaligen zette in vrede u dat waardige Hof, dat mij tot eeuwige verbanning verwijst.”
19 „Hoe?” zeide hij (en snel gingen wij een stuk verder): „zoo gij schimmen zijt, welke God niet boven eene plaats waardig keurt, wie heeft u op Zijne trap zóó ver geleid?”
22 En de Leeraar mijn: „Zoo gij schouwt naar de teekenen, welke hij draagt en welke de engel teekent, zult ge zien dat het voegt, dat hij met de goeden regeere.
25 Maar omdat zij, die dag en nacht spint, voor hem nog niet het kluwen had afgesponnen, dat Cloto voor een ieder [op het rokken] legt en schikt,
28 kon zijne ziel, die van de uwe en de mijne zuster is, omhoog komende, niet alleen komen; waarom hij ook niet naar onze wijze rond-blikt;
31 vandaar dat ik werd getogen buiten den ruimen muil der hel om hem te wijzen, en ik zàl hem wijzen verder, zooverre als hem mijne leering kan leiden.
34 Maar zeg mij of gij weet waarom zulke stooten zooeven de berg gaf, en waarom allen eenstemmig schenen te schreeuwen overal op den berg tot zijne zachte voeten?”
37 Aldus vragende trof hij mij in het oog van de naald mijner begeerte, zoo dat immers door de hoop mijn dorst minder nuchter begon te worden.
40 Gene begon: „Niets is er wat de heiligheid des bergs gevoelt buiten de orde of wat buiten de gewoonte zij.
43 Vrij is het hier van alle verandering: door wat de Hemel van zich zelven in zich zelven ontvangt, kan hier verandering zijn, maar door geene andere oorzaak:
46 waarom noch regen, noch hagel, noch sneeuw, noch dauw, noch rijp meer naar boven valt dan de korte trap van drie treden.
49 Noch dikke nevelen verschijnen hier, noch ijle, noch 't rossig weerlicht, noch de dochter van Thaumas, die ginds dikmaals van windstreek wisselt.
52 Droge damp rijst nooit verder dan tot de hoogste der drie treden, die ik noemde, waar de stadhouder van Petrus de voetzolen heeft.
55 Meer naar beneden heeft het bij geval weinig of veel, maar door wind, die in de aarde zich verbergt, ik en weet hoe, beefde het hier boven nooit.
58 Het beeft er wanneer eenige ziel zich rein voelt zóó, dat zij oprijst, of zich opmaakt om op te stijgen, en zulk een kreet verzelschapt haar.
61 Van de reinheid geeft het éénig willen het bewijs, dat, gansch vrij om van woonplaats te veranderen, de ziel inneemt; en het willen lust haar.
64 [Ook] eerder wil zij het goede; maar de begeerte laat haar niet [vrij], welke de goddelijke gerechtigheid tegen ['s menschen] wil, gelijk zij tegen het zondigen was, richt op de loutering.
67 En ik die vijfhonderd jaren en meer gelegen heb om dit lijden (der loutering te ondergaan) voelde eerst nu vrijen wil tot betere verblijfplaats.
70 Dáárom voeldet gij de aardbeving en gaven de vrome geesten rondom op den berg lof aan dien Heer, die weldra hen opwaarts zende.”
73 Aldus zeide hij; en omdat men zooveel genot heeft van het drinken als de dorst groot is, zoude ik niet weten te zeggen hoezeer hij mij baatte.
76 En de wijze Gids [zeide]: „Alsnu zie ik het net, dat hier u grijpt, en hoe men het ontkomt, waar om het hier beeft en waarover gij u mede verblijdt.
79 Nu gevalle het u dat ik wete wie gij waart, en uit uwe woorden begrijpe ik, waarom gij hier zóó vele eeuwen gelegen hebt.”
82 „Ten tijde dat de goede Titus met behulp van den hoogsten Koning de gaten wreekte, waar het bloed uitging, door Judas verkocht,
85 was ik daarginds met den naam, die het meest duurt en het meest eert,” antwoordde die geest, „wel befaamd, maar nog zonder geloof.
88 Zóó zoet was de geest mijner zangen, dat Rome mij, den Tolosaan, tot zich trok, en dáár verdiende ik het de slapen met myrte te sieren.
91 Nog noemt het volk daarginds mij Statius; ik zong van Thebe, en voorts van den grooten Achilles; maar ik viel op den weg met den tweeden last.
94 Voor mijnen brand waren het zaad de vonken, die mij warmden, van de goddelijke vlam, waaraan meer dan duizend zijn ontstoken;
97 Van de Aeneïs spreek ik, welke mij moederborst was, en zij was mij zoogster bij het dichten: zonder haar hadde ik niet het wicht van een drachme tot vasten vorm gebracht.
100 En, om ginds geleefd te hebben wanneer Virgilius leefde, zoude ik gaarne toestemmen in éénen zonnegang méér dan ik verschuldigd ben, voordat ik uit mijn ballingschap zoude uitgaan.”
103 Deze woorden wendden Virgilius tot mij, met een aangezicht, dat zwijgende zeide: „Zwijg!” Maar niet alles kan dàt vermogen [in ons] dat wil;
106 daar lachen en geween zoo volgzaam zijn voor de aandoening waarvan elk ontspringt, dat ze het minst den wil volgen in de waarachtigste menschen.
109 Toch glimlachte ik, als een mensch, die een teeken [van verstandhouding] geeft; waarom de schimme zweeg, en mij in de oogen zag, waar de gelijkenis [der ziel] allermeest wordt uitgedrukt.
112 En: „Zoo waarlijk moogt gij zóó groot werk tot een goed einde brengen,” zeide hij: „waarom vertoonde uw gelaat een weerlicht van gelach?”
115 Nu ben ik van den éénen en den anderen kant besprongen: de ééne doet mij zwijgen, de andere bezweert mij dat ik zegge: waarom ik zucht en gegrepen word.
118 „Zeg het,” zeide mijn Meester: „en heb geen vrees te spreken, maar spreek en zeg hem dat wat hij met zóó grooten nadruk vraagt.”
121 Waarom ik: „Wellicht dat gij u verwondert, geest uit de oudheid, waarom ik dat lachen deed; maar meer verwondering wil ik dat u grijpe.
124 Deze, die mijne oogen ten hoogen leidt, is die Virgilius, van wien gij kracht kreegt om te zingen van goden en menschen.
127 Zoo gij gelooft dat er een andere reden was voor mijn lachen, laat haar varen als niet waar; en geloof dat die woorden het zijn die gij over hem zeidet.”
130 Reeds knielde hij om mijnen leeraar de voeten te omhelzen; maar deze zeide: „Broeder, doe dat niet, daar gij eene schimme zijt en gij eene schimme ziet.”
133 En hij opstaande (zeide): „Nu kunt gij de hoe-grootheid vatten van de liefde, die tot u mij verwarmt, wanneer ik onze ijdelheid vergeet, de schimmen behandelende als een ondoordringbare zaak.”
Opstijging tot den Zesden Omgang.
Gedurende den tijd dat zij naar den Zesden Ommegang opstijgen verhaalt Statius aan Virgilius hoedanige zonden hem zóó lang op de Plaats der Loutering hebben gehouden, en hoe hij gekomen was tot het Christelijk Geloof. Daarna deelt Virgilius hem nieuws mede over vele groote en befaamde personen, die in den Limbus zijn. Wanneer de Dichters op den Ommegang zijn aangekomen en eenige schreden ter rechter hebben gedaan, zien zij een boom, vol met geurige appelen, van waaruit eenige stemmen opgaan die aansporen tot ingetogenheid.
1 Reeds was de Engel achter ons terug gebleven, de Engel, die ons geleid had tot den Zesden Omgang, hebbende mij van het aangezicht één merkteeken afgestreken,
4 en degenen, die tot gerechtigheid hunne begeerte hebben, hadden gezegd: „Welgelukzalig”; en hunne stemmen deden dat af met „die dorst hebben” zonder meer.
7 En ik, lichter dan door de andere doorgangen, ging verder, zóó dat ik zonder eenigen arbeid volgde omhoog de vlugge geesten;
10 wanneer Virgilius begon: „Liefde, ontstoken door deugd, ontstak altijd den ander [tot wederliefde] als maar hare vlam zich openbaarde.
13 Dès, sindsdien te midden van ons in den zoom der Hel Juvenalis nederdaalde, die uwe genegenheid [te mijwaart] mij openbaarde,
16 was mijne welwillendheid te u-waart meer dan elke, die me ooit beroerde voor een niet geziene persoon, zóó dat nù deze treden mij kort schijnen.
19 Maar zeg mij, en als vriend vergeet me als te groote veiligheid me den teugel viert, en wil als vriend met me redeneeren:
22 hoe kon binnen in uwe borst gierigheid eene plaats vinden, bij zoo groot verstand, waarvan gij door uwe zorge vol waart?”
25 Deze woorden deden Statius eerst een weinig tot lachen komen; voorts antwoordde hij: „Al uw spreken is me een dierbaar teeken van uw liefde.
28 In waarheid meerdere malen vertoonen zich dingen, die valsche stof tot twijfelen geven, wegens de ware redenen die verborgen zijn.
31 Uw vraag bewijst me dat uw gelooven is, dat ik gierig was in het andere leven, wellicht wegens dien cirkel waar ik was:
34 dan weet dat gierigheid te zéér van mij verscheiden was, en wegens ònmatigheid hebben een duizendtal maanden mij gestraft.
37 En zoo het niet ware dat ik mijne zorg de goede richting gaf, wanneer ik tot inkeer kwam daar waar gij uitroept, als vertoornd op den menschelijken aard:
40 „Waartoe, brengt gij niet, o vervloekte gouddorst de begeerte der stervelingen?” zoude ik, om- en omkeerende voelen de grimme toernooien.
43 Toen werd ik gewaar dat de handen al te veel de vleugelen konden openspreiden om uit te geven, en mij rouwde des, evenzeer als van de andere zonden.
46 Hoevelen zullen er verrijzen met de haren uitgetrokken wegens de onwetendheid, die bij het leven en bij het uiteinde het berouw over deze zonde wegneemt!
49 En weet dat de schuld, die door rechte tegenoverstelling een zonde weerkaatst, tegelijk hiermede zijn groenheid droogt.
52 Daarom, zoo ik te midden van die luiden geweest ben, om mij te louteren, die de gierigheid beweenen, is mij dat door haar tegendeel overkomen”.
55 „Des, toen gij zongt de wreede wapenen van de dubbele droefenis van Iocaste,” zeide de Zanger der Herders-zangen:
58 „bij dàt wat Clio daar met u tokkelt, blijkt nog niet dat dat geloof u tot zijne getrouwen gemaakt had, zonder 't welk goed te doen niet genoeg is.
61 Indien het zóó is, welke zon en welke kaarsen ontduisterden u zóódanig, dat gij voorts de zeilen achter den Visscher aanstuurdet?”
64 En hij tot hem: „Gij hebt mij eerst den weg opgestuurd naar den Parnassus om te drinken in zijne grotten, en voorts hebt gij na God mij verlicht.
67 Gij hebt gedaan als degene, die bij nacht gaat, die het licht achter zich draagt, en zich zelven niet helpt, maar achter zich de personen onderricht maakt;
70 wanneer gij zeidet: „De eeuw hernieuwt zich: de Gerechtigheid en de eerste tijd des menschdoms keert; een nieuw kroost daalt uit den Hemel neder.”
73 Door u was ik dichter, door u Christen: maar opdat ge beter ziet dat wat ik teeken, zal ik de hand uitstrekken om te kleuren.
76 Reeds was de wereld gansch-en-al zwanger van het ware geloof, gezaaid door de boodschappers van het eeuwige rijk;
79 en uw woord, hier-boven geciteerd, was zoo zeer in saam-klank met de nieuwe predikers; waarom ik gewoonte nam om ze te bezoeken.
82 Zij werden mij, door hun verschijnen, zóó heilig dat, wanneer Domitianus ze vervolgde, hunne klachten niet waren zonder mijn weenen.
85 En zóó lang door mij ginds werd vertoefd, herinnerde ik mij hunner, en hunne rechte zeden deden me alle andere secten minachten;
88 en vóór ik dichtende de Grieken leidde tot de stroomen van Thebe, had ik den doop; maar uit vrees was ik een verholen Christen,
91 langen tijd heidendom vertoonende: en deze lauwheid deed mij den vierden ommegang meer dan het vierde honderd-tal van jaren omgaan.
94 Gij nu, die het deksel hebt opgelicht, dat me verborg zóó groot een goed, waarvan ik spreek, terwijl we door het stijgen overvloed van tijd hebben,
97 zeg mij, waar Terentius is, onze oude dichter, Caecilius, Plautus en Varro, zoo gij het weet: zeg mij of zij veroordeeld zijn en in welk kwartier.”
100 „Dezen, en Persius, en ik, en vele anderen,” antwoordde mijn Gids, „zijn te zamen met dien Griek, dien de Muzen zoogden meer dan ooit eenigen anderen,
103 in den eersten cirkel van den duisteren kerker. Dikmaals onderhouden wij ons van dien berg, die onze voedsters altijd bij zich heeft.
106 Euripides is daar met ons, en Antifon, Simonides, Agathon en andere Grieken meer, die weleer zich het voorhoofd met laurieren omkransten.
109 Dààr ziet men van uwe persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia en Ismene zoo treurende als zij was.
112 Daar ziet men dengene, die de bron Langia wees; daar ziet men de dochter van Tiresias, en Thetis, en met hare zusters Deidamia.”
115 Toen zwegen alreeds beide de Dichteren, van nieuws erop gericht om rondom te kijken, bevrijd van het stijgen en van de wanden;
118 en reeds waren vier van de dienstmaagden des daags achter ons gebleven, en de vijfde was aan den disselboom, den gloeienden boog vast omhoog-richtende,
121 wanneer mijn Gids: „Ik geloof dat het ons voegt de rechter schouderen naar den rand te keeren, omgaande den berg gelijk wij plegen.”
124 Zóó was de gewoonte daar onze wegwijster, en we namen den weg met minder argwaan door het goedkeuren van die waardige ziel.
127 Zij gingen vóór, en ik alleen achter, en ik hoorde naar gesprekken van hen, die mij verstand tot dichten hadden gegeven.
130 Maar weldra verbrak de zoete redenen een boom, dien wij vonden halverwege, met appelen zoet en goelijk om te ruiken.
133 En gelijk een esscheboom naar omhoog afneemt van tak tot tak, zóó deze naar omlaag; ik geloof opdat niemand er op ga.
136 Aan die zijde, waar onze weg afgesloten was, viel van de rots een helder vocht en verspreidde zich boven over de bladeren.
139 De twee dichters naderden den boom; en eene stem binnen in het loover riep: „Met deze spijs zult gij zuinig zijn.”
142 Voorts zeide zij: „Meer dacht Maria, vanwaar de bruiloft eerlijk en volkomen zoude zijn, dan aan haar mond, die nu voor u voorspraak doet.
145 En de Romeinsche vrouwen van oudsher waren voor heur drinken tevreden met water en Daniël versmaadde de spijs en verkreeg wetenschap.
148 De eerste eeuw was zoo schoon als goud; ze maakte door honger de eikels smakelijk en door dorst nectar van elke beek.
151 Honig en sprinkhanen waren de gerechten, die den Dooper voedden in de woestijn; waardoor hij roemrijk is en zóó groot, als u door het Evangelie bekend is.”
Honger en Dorst, te feller gemaakt door de aanwezigheid van met ooft beladen boomen en van opborrelende wateren, louteren op den zesden Omgang de Gulzigaards, wier beangstigende magerheid beschreven wordt. Dante ontmoet Forese de' Donati, die den lof spreekt van zijne weduwe, en scherp gispt de schaamteloosheid der Florentijnsche vrouwen.
1 Terwijl ik door het groene loover de oogen vestte aldus, als degene pleegt te doen die achter de vogelen zijn leven slijt,
4 zeide de meer-dan-mijn-vader: „Mijn zoon, nu kom, daar de tijd, die ons is opgelegd, nuttiger besteed wil worden.”
7 Ik wendde het gezicht en den stap niet minder snel naar de Wijzen, die aldus spraken, dat zij mijn gaan mij geen [vermoeienis] deden kosten.
10 En zie een weenen en een zingen werd gehoord: „Labia mea, Domine”; op zoodanig eene wijze dat het van geneugt en smart zwanger ging.
13 „O zoete vader, wat is dat wat ik hoor?” begon ik; en hij: „Schimmen, die gaan, wellicht den knoop van hunnen plicht ontknoopende.
16 Gelijk de beêvaartgangers in gepeinzen gaande doen, achterhalende op hunnen weg lieden hun onbekend, en zich tot dezen wenden en niet blijven staan;
19 aldus achter ons, sneller voortbewogen, aankomende en ons passeerende, beöogde ons eene schare, zwijgend en devoot, van schimmen.
22 Van oogen was elke donker en hol, bleek in het aangezicht en zóó [van vleesch] ontdaan, dat de huid zich vormde naar het gebeente.
25 Ik geloof niet dat aan het buitenst van de huid Erisichthon zóó droog geworden was door vasten, wanneer hij er het meeste vrees voor had.
28 Ik sprak, bij mijzelven denkende: „Zie de lieden, die Jerusalem verloren, wanneer Maria haren eigen zoon verslond.
31 De oogholten schenen een ring zonder edelgesteenten; wie in het aangezicht der menschen leest: OMO, zoude hier wèl de M hebben herkend.
34 Wie zoude gelooven dat de geur van een appel de menschen zóó havende, begeerte opwekkende, en die van water, niet wetende hoe?
37 Reeds was ik aan het verwonderen wat zoo hen doet hongeren, daar nog niet openbaar was de oorzaak van hunne magerheid en van hun nare schub-huid;
40 en zie, uit het diep van zijn hoofd wendde eene schimme de oogen tot mij en keek scherp; voorts riep hij met luider stemme: „Welke genade is me dit?”
43 Nooit hadde ik hem aan het aangezicht herkend; maar in zijne stem werd mij openbaar dat wat het aangezicht in zich had verwoest.
46 Die vonk ontstak wederom ganschelijk mijne kennis van dat veranderd aangezicht, en ik herkende het gelaat van Forese.
49 „Eilieve, geef geen aandacht aan de droge schurft, die mij de huid,” zoo bad hij: „ontkleurt, noch aan het te-kort aan vleesch, dat ik hebbe;
52 maar zeg mij de waarheid aangaande u, en wie zijn die twee zielen, die daar u geleide doen; maar blijf niet zonder dat ge tot mij spreekt.”
55 „Uw aangezicht dat ik weleer, toen het gestorven was, met tranen overgoot, geeft mij nu niet minder smart om te weenen,” antwoordde ik hem, „nu ik het zóó verdraaid zie.
58 Daarom zeg mij, bij God, wat u zoo ontloovert; doe mij niet spreken, terwijl ik mij over u verwondere, daar kwalijk spreken kan, wie van andere begeerte vol is.”
61 En hij tot mij: „Van den Eeuwigen Raad valt een vermogen in het water en in de plant, die achter [ons] bleef, door welk [vermogen] ik zoo dun word.
64 Alle deze luiden, die weenende zingen, voor het volgen van hunne matelooze gulzigheid, louteren zich hier door honger en dorst.
67 Tot drinken en tot eten ontsteekt onze begeerte de geur, die uitgaat van den appel en van de besproeiing, die verspreid wordt over het groen.
70 En niet maar ééne maal, deze ruimte rondgaande, wordt onze pijn ververscht; ik zeg „pijn,” maar ik moest zeggen „vertroosting”:
73 daar de begeerte naar den boom ons leidt, die Christus blijde voerde om te zeggen „Eli,” wanneer hij ons bevrijdde met zijn bloed.”
76 En ik tot hem: „Forese, van dien dag, op welken gij de wereld verwisseldet voor beter leven, zijn nog geen vijf jaar verloopen tot nu.
79 Indien het vermogen om meerder te zondigen eerder in u werd geëindigd, voordat de stonde gekomen ware van de heilzame smarte die ons weder tot God terugbrengt,
82 hoe zijt gij hierboven gekomen? Nog geloofde ik u daarbeneden te vinden, waar tijd door tijd hersteld wordt.”
85 En hij tot mij: „Zóó spoedig heeft mij geleid tot het drinken van den zoeten alsem der martelingen mijne Nella met haar overvloedig weenen.
88 Met hare toegewijde gebeden en met zuchten heeft zij mij getogen van den rots-wand, waar men wacht, en heeft ze mij bevrijd van de andere ommegangen.
91 Zooveel te meer dierbaar en welgevallig aan God is mijn weeuwke, die ik zóózeer beminde, als zij eenzamer is in het goed-doen;
94 daar Barbagia op Sardinië in zijne vrouwen veel zediger is dan dat Barbagia waar ik haar achterliet.
97 O zoete broeder, wat wilt gij dat ik zegge? Een komende tijd is reeds in mijn gezicht, voor welken deze stonde niet zeer oud zal zijn,
100 in welken op pergament zal verboden zijn aan de schaamtelooze Florentijnsche vrouwen het gaan, vertoonende boezem en borsten.
103 Welke barbaarsche vrouwen waren er ooit, welke Saraceensche, voor wie noodig ware geweest, om ze gekleed te doen gaan, of geestelijke of andere tucht!
106 Maar zoo de schaamteloozen wisten dat wat de radde hemel heur bereidt, hadden ze nu reeds de monden open om te huilen.
109 Daar, indien het vóórzien me niet misleidt, ze eerder treurende zullen worden, dan degene de wangen behaard krijgt, die nu met 't „suja, suja” wordt vertroost.
112 Zoete broeder, nu maak dat ge me u niet meer verheelt; gij ziet dat niet slechts ik, maar alle deze luiden turen daar waar gij het zonlicht schut.”
115 Waarom ik tot hem: „Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij met mij waart en ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren.
118 Van dat leven wendde degene, die mij te voren gaat, mij af, voor eer-gisteren, wanneer de zuster van gene zich rond vertoonde
121 (en ik wees naar de Zon). Deze heeft me geleid door den diepen nacht der waarlijk gestorvenen, met dit mijn echte vleesch, dat volgt.
124 Vandaar hebben zijne vertroostingen mij opgetogen, stijgende en rondgaande den berg, die recht maakt u lieden, wie de wereld heeft gekromd.
127 Zóólang zeide hij mij tot zijn geleide te maken, tot dat ik zal zijn waar Beatrice is: dáár voegt het dat ik zonder hem achterblijve.
130 Virgilius is gene, die aldus tot mij sprak (en ik wees hem) en deze andere is die schimme, om welke zooeven uw rijk alle zijne afhangen deed schudden, daar het zich van hem ontlast.”
Forese wijst Dante verscheidene zielen van Gulzigen, onder anderen den dichter Buonagiunta, die den Florentijn eene nieuwe liefde voorspelt, en hem prijst om den te voren nooit gehoorden, zoeten stijl van zijne gedichten. Na in duistere bewoordingen den dood van zijnen broeder Corso te hebben voorzeid, gaat Forese van hen weg. Hunnen weg vervolgende, hooren de Dichters bij een boom voorbeelden ter verschrikking voor de gulzigen, en weinig later ontmoeten zij den Engel en vinden zij den doorgang naar den hoogeren, den Zevenden Omgang.
1 Noch het spreken maakte het gaan, noch het gaan het spreken langzamer, maar redeneerende gingen wij met kracht, zooals een schip, gedreven door goeden wind.
4 En de schimmen, die schenen dingen ten tweeden male gestorven, trokken door de holten hunner oogen bewondering van mij, wanneer zij mijn leven gewaar werden.
7 En ik, mijn gesprek voortzettende, zeide: „Zij gaat wellicht langzamer omhoog dan zij doen zoude, ter wille van den ander.
10 Maar zeg mij, zoo gij weet, waar Piccarda is; zeg mij of ik personen zie, (waardig) om op te merken, onder deze lieden, die zóó naar mij kijken.”
13 „Mijne zuster, die van schoon en goed ik niet weet wat meer was, triumfeert reeds op den hoogen Olympus, blijde om hare kroon.”
16 Zoo zeide hij eerst; en voorts: „Hier is niet verboden een elk te noemen, vermits onze gelijkenis zóó weggeteerd is door de leefwijze.
19 Deze (en hij wees met den vinger) is Buonagiunta, Buonagiunta uit Lucca: en dat aangezicht ginds van hem, meer dan de andere uitgehold,
22 had de heilige Kerk in zijne armen; van Tours was hij en boet door vasten voor de paling van Bolsena en den witten wijn.”
25 Vele anderen noemde hij één voor één, en in het noemen schenen allen tevreden, zóó dat ik daarom geen enkelen donkeren blik zag.
28 Ik zag van honger in het ijle de tanden gebruiken Ubaldijn dalla Pila en Bonifazio, die met het spinrokken velen lieden tot herder was.
31 Ik zag den heer Marchese, die weleer te Forli tijd had om te drinken met minder droogte van keel en nochtans zoo was, dat hij zich niet verzadigd voelde.
34 Maar, gelijk hij doet die kijkt, en dàn het ééne meer prijst dan het àndere, zóó deed ik met dien van Lucca, die meer van mij scheen te willen weten.
37 Hij mompelde; en ik en weet welke „Gentucca” werd ik gewaar daar, waar hij de marteling der gerechtigheid gewaar werd, die hem zoo plukt.
40 „O ziel,” zeide ik: „die zóó begeerig schijnt om met mij te spreken, maak dat ik u versta, en bevredig u en mij door uw spreken.”
43 „Eene vrouw is geboren, en zij draagt nog niet den hoofdband,” begon hij: „die u mijne stad zal doen bevallen, hoe ook de menschen haar bevitten.
46 Gij zult henen-gaan met dit vóórzien: indien mijn mompelen u tot dwalen zal hebben gebracht, zullen de feiten u verlichten.
49 Maar zeg of ik hier zie degene die te voren bracht de nieuwe rijmen, beginnende: „Vrouwen, die begrip van liefde hebt.””
52 En ik tot hem: „Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in mij dicteert, voortga het opteekenende.”
55 „O broeder, nu zie ik;” zeide hij: „den knoop, die den Notaris en Guittone en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten nieuwen stijl, welken ik hoor.
58 Ik zie wèl hoe uwe pennen op den voet dengene die dicteert, volgen, hetwelk met de onze voorzeker niet geschiedde.
61 En degene, die er zich toe zet de zaak verder te bekijken, hij ziet niet meer van den éénen tot den anderen stijl.” En als tevreden gesteld, zweeg hij.
64 Gelijk de vogelen, die langs den Nijl verwinteren, wel eens in de lucht eenen dichten drom van zich maken, dan meer met haast vluchten en gaan in een streep;
67 aldus [deden] de luiden, die daar waren: het aangezicht keerende, verhaastten zij hun schrede, èn door de magerheid èn door de begeerte licht zijnde.
70 En gelijk de mensch, die door draven vermoeid is, de gezellen laat gaan en in stap gaat totdat het snel op en neer gaan van de borstkas tot bedaren komt;
73 zoo liet Forese de heilige kudde voorbijgaan en ging achter mij aan, zeggende: „Wanneer gebeure het dat ik u wederzie?”
76 „Ik weet,” antwoordde ik hem: „niet hoelang ik leef; maar alreede zal mijn keeren niet zoo snel zijn, of met het verlangen zal ik eerder aan den oever zijn,
79 omdat de plaats waar ik geplaatst ben om te leven, van dag tot dag meer van het goede wordt ontdaan, en bestemd schijnt tot droeven ondergang.”
82 „Dan ga,” zeide hij: „daar ik hem, die er het meeste schuld aan heeft, zie aan den staart van een beest getrokken naar dàt dal, waar men nooit de schuld kwijt gaat.
85 Het beest gaat bij elken stap sneller, altijd toenemende, totdat het hem trapt en het lichaam schandelijk verminkt laat.
88 Niet hebben véél meer te draaien deze raderen (en hij richtte de oogen ten hemel) dat u duidelijk zal worden dat wat mijn zeggen niet meer kan verduidelijken.
91 Blijf gij nu achter, daar de tijd kostbaar is in dit rijk zóó, dat ik te veel verlies door zóó gelijk met u op te loopen.”
94 Gelijk wel eens in galop de ruiter uitgaat van de ruiterschare, die optrekt, en gaat om zich de eer te geven van den eersten aanval;
97 zóó scheidde hij van ons met groote schreden: en ik bleef terug met die beiden, die van de wereld zóó groote maarschalken waren.
100 En wanneer hij aldus voor ons was heengetreden, dat mijne oogen hem [evenmin] konden volgen als mijn geest zijne woorden;
103 verschenen mij de bezwaarde en levende takken van eenen anderen appelboom, en niet verre verwijderd, daar wij eerst toen den weg daarheen waren ingeslagen.
106 Ik zag lieden onder hem de handen opheffen en schreeuwen ik en weet niet wat naar het loover, als begeerige en wufte kinderen,
109 die bidden, en de gebedene geeft geen antwoord; maar om hun begeerte wèl hevig te maken, houdt hij wat zij begeeren hoog en verbergt het niet;
112 voorts gaan zij er van weg, als ontgoocheld; ook wij kwamen alsnu tot den grootsten boom, die zoovele beden en tranen afscheept.
115 „Passeert verder zonder hem te naderen; hooger op is een boom, waarin gebeten werd door Eva, en deze plant stamt van gene af.”
118 Aldus tusschen de twijgen zeide er een ik weet niet wie, waarom Virgilius en Statius en ik, op elkaar gedrongen, verder passeerden aan die zijde die opgaat.
121 „Herinnert u,” zeide het: „de gemaledijden, in de wolken geformeerden, die met tweevoudige borst, met wijn verzadigd, Theseus bevochten:
124 en van de Hebreeuwen, degenen, die bij het drinken zich week betoonden, waarom Gideon ze niet tot gezellen wilde, wanneer hij te Madian-waart van de heuvelen daalde.”
127 Aldus, gedrongen tegen den eenen van de beide kanten, passeerden wij, hoorend [voorbeelden van] schuld door gulzigheid, weleer gevolgd door kwalijk bekomende winsten.
130 Voorts, in het ruime gekomen over den vrijen weg, begaven wij ons wel duizend en meer passen verder, ieder beschouwende zonder een woord.
133 „Waarover denkende gaat gij aldus gedrieën alleen?” zeide plotseling eene stem, waarop ik opschrok, zooals beesten doen verschrikt en schichtig.
136 Ik richtte het hoofd om te zien wie het was; en nooit zag men in een oven glas of metaal zoo lichtend en rood,
139 als ik er éénen zag, die zeide: „Zoo gij verlangt naar boven op te gaan, voegt het u hier om te slaan; hier langs gaat al wie wil gaan ten vrede.”
142 Zijn aanblik had mij het gezicht genomen; waarom ik afsloeg achter mijne leeraren, gelijk iemand die gaat volgens wat hij hoort.
145 En gelijk, voorbode van het licht, de Mei-lucht ons aanvaart en geurt, gansch bezwangerd door kruid en bloem;
148 zóó voelde ik me een wind komen midden op het voorhoofd, en wel voelde ik de veder bewegen die me den geur van ambrozijn deed ruiken;
151 en ik hoorde zeggen „Wel-zalig wie zooveel genade verlicht, dat de liefde tot [het genot van] den smaak in hun borst niet te veel verlangen doet walmen, hongerende altijd zóóveel als gerecht is.