Terwijl de Dichter voortgaat langs de rivier, met gelijken tred de Vrouwe volgende, die aan gene zijde der rivier is, wordt hij door haar gemaand aandachtig te zijn; en zie, plotseling doorloopt een glans het woud èn eene zoete melodie; waarop volgt een schouwspel vol wonder en mysterie.
1 Zingende als eene Vrouwe, die verliefd is, vervolgde zij om hare woorden te eindigen: „Gelukzalig degenen, wier zonden verborgen zijn.”
4 En als nimfen, die eenzaam gaan door de woudschaduwen, begeerende dezen om de zon te ontvluchten, genen om haar te zien,
7 bewoog zij zich stroom-op-waarts, gaande op den oever en ik gelijkelijk met haar, haar kleine schrede met kleine schrede volgende.
10 Nog waren er geen honderd schreden bij elkaar door haar en mij afgelegd, wanneer de oevers gelijkelijk eene zwenking maakten, derwijze dat ik mij naar het Oosten begaf.
13 Noch ook zóó was onze weg lang, wanneer de Vrouwe zich gansch te mij-waart keerde, zeggende: „Broeder mijn, schouw en luister.”
16 En zie, plotseling liep een luister van alle kanten door het groote woud, zóódat het mij in vermoeden bracht dat het bliksemde.
19 Maar omdat het bliksemen, gelijk het kwam, bleef en het, durende, meer en meer straalde, zeide ik in mijne gedachte: „Wat is dit?”
22 En eene zoete melodie liep door de lichtende lucht: waarom goede ijver mij deed laken de vermetelheid van Eva,
25 die dáár, waar hemel en aarde gehoorzaam was, zij de eenige vrouw, en wel zoo even geschapen, 't niet gedroeg onder eenigen sluier te blijven:
28 onder welken ik, als zij onderdanig ware geweest, die onuitsprekelijke geneugten hadde gevoeld voormaals, en voorts in eeuwigheid.
31 Terwijl ik voortging, mids zóó groote eerstelingen van het eeuwige geneugt, gansch in verrukking, en begeerig tot nog meerdere blijdschappen,
34 toen werd vóór ons, als een ontstoken vuur, aldus de lucht, onder de groene takken, en het zoete geluid werd reeds gehoord als een lied.
37 O onaantastbare Maagden, zoo ik ooit honger, koude of nacht-wake voor u doorstond, nu noopt mij de gelegenheid dat ik loon daarvoor eische.
40 Nu voegt het dat de Helicon zich voor mij vergiete, en Urania mij helpe met haar koor, om dingen, die zwaar zijn te denken, in verzen te zetten.
43 Weinig later deed ons den schijn zien van zeven boomen van goud de lange tusschen-ruimte, die nog tusschen hen en ons was;
46 maar wanneer ik zoo nabij hen was gekomen, dat het verkeerd geziene voorwerp, dat den zin misleidt, door den afstand geen enkel onderdeel kwijt ging;
49 ontwaarde dat vermogen, dat der rede de stoffe toedient, ze zooals ze waren: als kandelaren, en in de stemmen van het zingen: „Hozanna.”
52 Van boven vlamde dat schoon gerei veel heller dan maan aan wolkenloozen hemel des middernachts in 't midden van haar maand.
55 Ik keerde mij vol verwondering tot den goeden Virgilius, en hij antwoordde mij met een aangezicht, niet minder vol van verbazen.
58 Voorts hergaf ik den blik aan die hooge dingen, die zóó traag zich te ons-waart bewogen, dat zij zouden verwonnen zijn door jonge bruiden.
61 De Vrouwe kreet tot mij: „Waarom toch brandt gij zóó in begeerte voor de levende lichten, en op wat achter hen komt, acht gij niet?”
64 Luiden zag ik toen, als achter hunne gidsen, komen achter hen in het wit gekleed; en zulke witheid was er nooit aan deze zijde.
67 Het water was in lichtglans aan mijn linkerkant en hergaf me ook mijne linker-zijde, als ik daarin zag, als een spiegel.
70 Wanneer ik zóó dicht bij mijnen oever stond, dat alleen de stroom mij [van dat alles] gescheiden maakte, bracht ik, om beter te zien, mijne schreden tot stilstand;
73 en ik zag de vlammekens naar voren gaan, latende achter zich de lucht gekleurd, en van getrokken penseelen hadden zij den schijn;
76 zóódat (de lucht) er boven bleef geschakeerd met zeven strepen, alle in die kleuren, waarvan de zon haren boog maakt en Delia haren gordel.
79 Die vlaggen waren naar achteren grooter dan ik kon zien en naar mijne schatting waren er tien schreden tusschen de voorste [en de achterste].
82 Onder zóó schoonen hemel, als ik [vertellende] verdeel, kwamen vierentwintig ouderlingen, twee aan twee, bekranst met leliën.
85 Allen zongen: „Gezegend zijt gij onder de dochteren van Adam, en gezegend zijn in eeuwigheid uwe schoonheden.”
88 Nadat de bloemen en de andere versche kruiden, tegenover mij op den anderen oever, vrij waren van die uitverkoren lieden,
91 zóóals ['t eene] licht het [andere] licht opvolgt in den hemel, kwamen achter hen vier dieren, elk bekranst met groen loover.
94 Elk was gevlerkt met zeven vlerken, de vlerken vol met oogen; en de oogen van Argus zouden, zoo ze levend waren, aldus zijn geweest.
97 Om hunne gestalte verder te beschrijven kwist ik geene rijmen meer, lezer; daar andere uitgave mij zóózeer nijpt dat ik in dezen niet mild kan zijn.
100 Maar lees Ezechiël, die ze beschrijft, hoe hij ze zag van den kouden kant komen met wind, met wolken en met vuur;
103 en hoedanig gij ze vinden zult in zijne geschriften, zóó waren ze daar, behalve dat, voor de vederen, Johannes met mij is en van hem zich scheidt.
106 De ruimte tusschen hen gevieren bevatte eenen triumfwagen, op twee raderen, die kwam getrokken aan den hals van eenen griffoen.
109 En hij stak den éénen en den anderen vlerk omhoog tusschen de middelste en de drie en drie strepen, zoodat hij geene, klievende, kwaad deed.
112 Zóó hoog rezen zij, dat zij niet werden gezien; de leden had hij van goud, zóó verre hij vogel was, en wit de andere met bloedrood gemengd.
115 Geen denken aan dat Rome met zoo schoonen wagen Scipio Africanus of wel Augustus verheugde; maar [zelfs] die van de Zon ware arm bij dezen;
118 die van de Zon, die den weg bijster, werd verbrand, op de bede der deemoedige Aarde, wanneer Jupiter in zijnen geheimen raad rechtvaardig was.
121 Drie vrouwen rondom het rechter-rad kwamen dansende; de ééne zóó rood, dat zij binnen in het vuur nauwelijks ware herkend;
124 de tweede was als of haar vleesch en beenderen van smaragd waren gemaakt; de derde scheen sneeuw, zoo even neergekomen.
127 En nu schenen zij door de witte getrokken, dan door de roode, van den zang van deze namen de anderen het snelle en het trage gaan.
130 Ter slinker maakten er vier een feest, in purper gekleed, volgende de maat van ééne van haar, die drie oogen had in het hoofd.
133 Na de gansche voorzeide groep, zag ik twee ouden, in kleeding verscheiden, maar gelijken in gebaren, eerlijk en ernstig.
136 De één toonde zich één der volgelingen van dien grooten Hippocrates, dien de natuur maakte voor de wezens, die zij het liefste heeft.
139 De ander toonde de tegengestelde zorg met een zwaard, dat lichtend was en scherp, zóódat het mij van den anderen kant der rivier vreeze gaf.
142 Voorts zag ik vier in nederigen schijn, en achter allen eenen oude alléén komen, slapende, met helder-ziend gelaat.
145 En deze zeven waren gekleed als die van den eersten stoet; maar van leliën maakten zij rond om het hoofd geenen tuin;
148 maar van rozen en andere bloedroode bloemen: gezworen hadde, wie ze van wat verder zag, dat allen brandden van boven de brauwen.
151 En wanneer de kar was tegenover mij, werd een donder gehoord; en dien waardigen luiden scheen het verder gaan ontzeid te zijn,
154 daar zij stille stonden bij de eerste teekenen.
Zie Beatrice, te midden van de feestelijke toejuichingen en eerbetuigingen der Engelen. Virgilius is vertrokken en Dante weent. Tot hem wendt zich de goddelijke Vrouwe, en gispt hem hevig over zijne vergetelheid en ontrouw. Waardoor de Dichter zoo verbijsterd geraakt, dat de Engelen zelf er erbarmen mede betuigen. Beatrice houdt niettemin aan en, om hem meer te deemoedigen, ontvouwt zij hem zijne ondankbaarheid en zijne dwalingen.
1 Wanneer het zevengesternte van den eersten Hemel, dat noch ondergang ooit kende, noch opgang, noch sluier van eenigen anderen nevel dan schuld,
4 en dat dáár een iegelijk indachtig maakte aan zijnen plicht, gelijk het lagere [zevengesternte een iegelijk], die de roer-pen draait om in de haven te geraken,
7 stille stond, keerde dat waarachtige volk, eerst gekomen tusschen den griffoen en dat gesternte, zich tot de kar, als tot zijnen vrede:
10 en één van hen, of hij ware van den hemel gezonden: „kom mijne bruid van den Libanon,” zingende, riep hij drie malen, en alle de anderen hem nà.
13 Gelijk de zaligen bij den jongsten ban op zullen staan, vlug een iegelijk uit zijne holte, het weer aangenomen vleesch op doende rijzen,
16 aldus op den goddelijken wagen, rezen er honderd, „op de stem van zóó groot eenen grijsaard,” dienaren en boden des eeuwigen levens.
19 Allen zeiden: „Gezegend, gij die komt;” en bloemen werpende van omhoog en in het rond: „Geeft, o geeft met volle handen leliën.”
22 Wel zag ik bij het beginnen van den dag het Oostelijk deel des hemels gansch rooskleurig, en den overigen hemel met schoone wolkeloosheid gesierd,
25 en het gelaat der zon beschaduwd geboren worden, zóó dat door de matiging der dampen het oog haar langen tijd doorstond:
28 aldus, binnen eenen nevel van bloemen, die van de engelen-handen oprees en nederviel binnen en buiten [den wagen]
31 met den olijf-krans boven den witten sluier, verscheen mij eene vrouw, die, onder den groenen mantel, gekleed was met de verwe van levende vlam.
34 En mijn geest,—daar het reeds zóó lang her was, sinds hij in hare tegenwoordigheid van verstomming sidderende, was verbroken—
37 zonder door de oogen meer kennisse van haar te krijgen, voelde door de verborgen kracht, die van haar uit ging, „het groot vermogen der oude liefde.”
40 Zoodra de hooge deugd mij in de oogen trof, die mij had doorschoten vóór ik buiten den knapenleeftijd was,
43 draaide ik mij ter slinker, met dat vertrouwen, waarmede het kindje tot de moederborst snelt, wanneer het vrees heeft of bedroefd is,
46 om te zeggen tot Virgilius: „Minder dan een wichtjen bloed is mij gebleven dat niet siddert: ik herken de teekenen der oude vlam;”
49 maar Virgilius had ons verlaten, zoodat wij van hem verstoken waren, Virgilius, die zoetste vader, Virgilius, wien ik mij tot mijn heil had overgegeven;
52 en dat alles, wat onze Oude Moeder (Eva) had verloren, vermocht niet op mijne wangen, die van tranen vrij waren, zóóveel dat zij niet weenende werden verduisterd.
55 „Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet, daar het om een ander zwaard u voegt te weenen.”
58 Gelijk een admiraal, die op vóór- en achter-steven komt om de lieden te zien, die de andere schepen bedienen, en om wèl te handelen hen aanmoedigt,
61 zóó zag ik, op den linkerrand der kar, wanneer ik mij keerde op het geluid van mijnen naam, die noodzakelijkerwijze hier wordt opgeteekend,
64 de Vrouwe, die te voren mij verscheen gesluierd onder den engelen-feesttooi, de oogen te mijwaart richten van gene zijde der rivier.
67 Ofschoon de sluier, die haar daalde van het hoofd, omkranst met het loover van Minerva, haar niet openbaar liet verschijnen,
70 ging zij, koninklijk, in het gebaar nog onmeedoogend, voort, gelijk degene, die spreekt, en het warmere spreken nog achterhoudt:
73 „Aanschouw mij wèl: wèl ben, wèl ben ik Beatrice: hoe verwaardigdet gij u tot den berg toe te komen? Wist gij niet dat hier de mensch gelukkig is?”
76 Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het voorhoofd.
79 Aldus dunkt de moeder trotsch den zoon, gelijk zij mij docht; omdat bitter smaakt de strenge moederliefde.
82 Zij zweeg, en de engelen zongen plots: „In U Heer heb ik gehoopt;” maar verder dan tot „mijne voeten” kwamen zij niet.
85 Zooals sneeuw te midden der levende balken over den rug van Italië bevriest, als zij wordt beademd en genepen door de Slavonische winden,
88 voorts gesmolten in zich zelve druppelt, mèt dat het land, waar de mensch zijn schaduw kwijt gaat, blaast, zooals men 't vuur de kaars ziet doen smelten;
91 zóó was ik zonder tranen en zuchten vóór het zingen van degenen, die altijd maat-houden, volgende de maten der eeuwige sferen.
94 Maar nadat ik had vernomen in hunne zoete maatgeluiden hun erbarmen met mij, méér dan zoo ze gezegd hadden: „Vrouwe, waarom hem zóó vernederd?”
97 werd de vorst, die me rond het hart was verhard, tot adem en tranen, en met doods-weeën kwam ze door mond en oogen uit de borst.
100 Zij, steeds stille op de gezegde zijde des wagens staande, richtte voorts hare woorden aldus tot de vrome wezens:
103 „Gij waakt in den eeuwigen dag, zoodat nacht noch slaap u eene schrede steelt, welke de eeuw doet op hare wegen;
106 waarom mijn antwoord met meer zorg is, opdat mij versta degene, die daar weent, waardoor zijne schuld en de droefenis daarover van ééne mate zij.
109 Niet maar door de in-werking der groote raderen, die elk zaad tot eenig doel sturen, al naar de starren begeleidsters zijn;
112 maar door mildheid der goddelijke genade, die zóó dichte dampen voor hare regens heeft, dat onze blikken hun niet nabij komen,
115 was deze aldús in zijn jonge leven in vermogen, dat alle passende gewaad hem wonder wel hadde gestaan.
118 Maar zoo veel slechter en meer verwilderd wordt de bodem door het kwade zaad en wanneer hij niet goed is bebouwd, hoe meer eigen goede kracht hij heeft.
121 Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem vertoonende, leidde ik hem [zoodat hij was] met mij op het goede doel gericht.
124 Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander.
127 Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en minder gevallig;
130 en hij richtte de schreden langs den niet waren weg, valsche schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat ze beloofden.
133 Noch dat ik voor hem inblazingen wist te winnen van God, vermocht mij iet, waarmede ik hem in den droom en op andere wijze terugriep; zóó weinig gaf hij er om.
136 Zóó diep viel hij, dat alle middelen tot zijn heil reeds te kort schoten, behalve hem de verdoemden te doen zien.
139 Om hèm bezocht ik den ingang der dooden en tot hèm, die hem tot hier omhoog heeft geleid, werden mijne gebeden weenende gebracht.
142 Het hooge gebod van God zou worden verbroken, als Lethe werd gepasseerd, en zulk een drank werd geproefd zonder eenigen tol van berouw, dat tranen plengt.
Beatrice vervolgt hare verwijten aan den Dichter, en noopt hem tot de belijdenis van zijne dwalingen. Door zoo groote vernedering voorbereid tot het grootste geluk, wordt hij opgenomen door Mathilde en gedopt in den stroom der vergetelheid. Dan passeeren hem de vier zedelijke Deugden, dansende met den arm boven zijn hoofd, en brengen hem tot voor den wagen. Voorts presenteeren hem de drie theologische Deugden aan Beatrice en verzoeken haar zich voor haren getrouwe te ontsluieren. De sluier wordt afgenomen en de Dichter wordt in verrukking gebracht door het Paradijs, dat straalt in de oogen zijner Vrouwe.—
1 „O gij, die zijt aan gene zijde van den heiligen stroom” (keerende tot mij [het zwaard] van haar spreken met de spits, dat ook reeds met de snede mij scherp had geschenen),
4 herbegon zij, vervolgende zonder dralen: „Zeg, zeg of dit waar is: bij zóó groote beschuldiging past het dat uwe belijdenis gevoegd zij.”
7 Mijne deugd was zóózeer onthutst, dat mijne stem begon en doofde, vóór zij uit hare organen was uitgegaan.
10 Een weinig wachtte zij; voorts zeide zij: „Waaraan denkt ge? Antwoord mij; daar de droeve heugenissen in u nog niet door het water zijn uitgewischt.”
13 Verwarring en vrees onder een gemengd dreven mij zulk een „ja” uit den mond, om het welk te verstaan ook de oogen noodig waren.
16 Gelijk een handboog, wanneer die afgaat al te zeer gespannen, zijn koord en boog breekt, en met minder vaart de pijl het doelwit treft;
19 zóó borst ik onder dien zwaren last, uit mij latende gaan tranen en zuchten, en mijn stem vertraagde op haren weg.
22 Waarop zij tot mij: „Mids de door mij gewekte begeerten, die u leidden om het goede te minnen ginds waarvan niets meer valt na te streven,
25 welke dwarsgrachten, welke ketenen vondt gij daar, dat de hoop om verder te komen u aldus moest worden benomen?
28 En welke gemakken, of welke voordeelen vertoonden zich in het voorhoofd der andere [goederen], waarom gij vóór hen uit moest loopen?”
31 Na het ophalen van eenen bitteren zucht, had ik nauwelijks de stem die antwoordde, en de lippen vormden haar met moeienis.
34 Weenende zeide ik: „De tegenwoordige zaken met heur valsche behagen, keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuil gegaan.”
37 En zij: „Zoo gij verzweegt, of ontkendet datgene wat gij belijdt, ware uwe schuld niet minder bekend: door zulk eenen rechter wordt die geweten.
40 Maar wanneer uit den eigen mond uitgaat de aanklacht van het misdrijf, dan keert zich in ons hof het rad tegen de snede.
43 Nochtans, opdat ge meerdere schaamte draagt over uwe dwaling, en opdat gij een andermaal wanneer gij de sirenen hoort, sterker zijt,
46 leg af den last die oorzaak is van uw weenen en luister; zóó zult ge hooren hoe in tegengestelde richting u moest nopen mijn vleesch, dat begraven is.
49 Nooit bood natuur en kunst u behagen zóó groot als de schoone leden waarin ik gesloten was, en die, nu ze ontbonden zijn, aarde zijn.
52 En zoo het hoogste behagen u ontging door mijnen dood, welke sterfelijke zaak moest u voorts trekken, tot hare begeerte?
55 Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken troffen, hadt ge u moeten opheffen, om mij die niet meer zoodanig was te volgen.
58 Gij moest niet meer uwe vleugelen omlaag laten drukken, om meer slagen te verwachten, hetzij door een meisje of eenige andere ijdelheid met zóó korte bate.
61 Een jeugdig vogelken laat zich twee of drie malen beknippen; maar voor de oogen der gevederden spant men vergeefs het net of schiet men den pijl.”
64 Gelijk de kinderen van schaamte sprakeloos, met de oogen op den grond luisterende staan, hunne schuld inziende en zich berouwende;
67 aldus stond ik. En zij zeide: „Daar gij door het hooren droefenis hebt, richt omhoog den baard, en meer droefenis zult ge krijgen door te kijken.”
70 Met minder weerbarstigheid ontwortelt zich een krachtige eik, of wel voor onzen wind of wel dien van het land van Iärbas,
73 dan ik op haar bevel de kin oprichtte: en daar zij met den baard het aangezicht aanduidde, herkende ik wel het venijnige der betichting.
76 En toen mijn aangezicht zich ontspande, ontwaarde mijn oog dat die eerste schepselen van hunne besprenkeling hadden afgelaten:
79 en mijne oogen nog weinig gerust, zagen Beatrice gericht op dat wilde dier, dat alléén één persoon is in twee naturen.
82 [Hoewel] onder haren sluier, en ginds van de groene rivier, scheen ze mij haar oude zelf meer te overtreffen, dan zij de andere vrouwen hier [overtrof], toen zij hier was.
85 Het kruid des berouws stak mij daar zóó, dat van alle andere dingen dat, wat mij het meeste toog tot zijne liefde, mij het meest vijandig werd.
88 Zulk eene zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel, en hoedanig ik toen werd, zij weet het, die mij er de gelegenheid toe gaf.
91 Voorts, wanneer het hart mij weer de kennis der buiten [wereld] hergaf, zag ik de Vrouwe, die ik eenzaam gevonden had, boven mij, en zij zeide: „Houd mij, houd mij vast.”
94 Zij had mij in den stroom getogen tot aan de keel, en mij achter haar aan trekkende, ging zij henen over het water licht als een weversspoel.
97 Wanneer ik was dicht bij den gelukzaligen oever, werd er „Gij zult mij besproeien” zóó zoetelijk gehoord, dat ik het niet weet te herinneren, laat staan dat ik het schrijve.
100 De schoone Vrouwe opende de armen, omarmde mij het hoofd, en dompelde mij onder, waar het paste dat ik het water inslikte.
103 Voorts hief zij mij op; en gebaad bood zij mij binnen ten dans aan de vier schoone (vrouwen), en elke dekte mij met den arm.
106 „Wij zijn hier nimfen en in den hemel zijn wij sterren; voordat Beatrice nederdaalde in de wereld, waren wij haar toegewezen tot hare dienstmaagden.
109 Wij zullen u tot hare oogen geleiden; maar in het aangename licht, dat daarbinnen is, zullen uwe oogen scherpen de drie van ginds, die dieper spieden.”
112 Aldus zingende begonnen zij; en voorts tot aan de borst des griffoenen leidden zij mij met haar, waar Beatrice te ons-waart stond gewend.
115 Zij zeiden: „Maak dat gij de oogen niet spaart; wij hebben u gezet voor de smaragden, vanwaar weleer liefde hare wapenen voor u trok.”
118 Duizend begeerten heeter dan vlam drongen mijne oogen tot hare weerlichtende oogen, die steeds bleven boven den griffoen bestendig.
121 Gelijk de Zon in den spiegel, niet anders straalde het dubbele gedierte daar binnen-in, nu met het ééne, dan met het andere bestier.
124 Denk, lezer, of ik mij verwonderde, wanneer ik het ding in zich stille zag staan, en het in zijne beeltenis zich veranderde.
127 Terwijl, vol verbazing en blijde, mijne ziel die spijze proefde, welke, verzadigende, doet dorsten;
130 kwamen, in hare gebaren zich toonende van het hemelsche geslacht, de andere drie naar voren, dansende naar haren engelen-zang.
133 „Keer, Beatrice, keer de heilige oogen,” zoo was heur zingen: „tot uwen getrouwe, die, om u te zien, zóó vele schreden heeft gedaan.
136 Uit genade doe ons de genade hem uw gelaat te onthullen, zóó dat hij onderscheide de tweede schoonheid die gij verholen houdt.
139 O glans van eeuwig levend licht, wie is bleek geworden in schaduw van den Parnassus, of dronk van zijne bron,
142 die niet zou blijken den geest verduisterd te hebben, beproevende u zoodanig weer te geven, als gij verscheent waar de Hemel musiceerende u overschaduwt,
145 wanneer gij u in de open lucht onthuldet?
Terwijl Dante, vol van begeerte, in verrukking op Beatrice staart, wordt hij gemaand door de stem van ééne der theologische deugden. En zie, de wagen beweegt zich met de heilige schare en is gekomen tot een zeer hoogen en kalen boom, aan welken de griffioen den dissel bindt; waardoor de boom weldra met looveren en bloemen zich dekt. Bij een zoet gezang slaapt de Dichter in; en wederom gewekt, ziet hij Beatrice zitten tot bewaking van den wagen met de zeven vrouwen, en voorts verschillende mysterieuse gevallen, die met boom en wagen gebeuren.
1 Zóózeer waren mijne oogen gevest en gericht om te verslaan den tienjarigen dorst, dat mijne andere zinnen gansch gedoofd waren:
4 en die [oogen] hadden aan deze en gene zijde [als] wanden van onverschilligheid, zóó zeer trok het heilige glimlachen ze in het oude net:
7 wanneer met kracht mijn gezicht ter slinker werd gericht door die godinnen, omdat ik door haar hoorde een: „al te vast.”
10 En die [on]geschiktheid tot zien die in de oogen is, zooeven door de zon getroffen, deed mij eenigen tijd zijn zonder gezicht;
13 maar sinds het gezicht zich had herschapen tot het weinige (ik zeg „tot het weinige” met opzicht tot het vele zinnelijke, waarvan ik mij met geweld had losgemaakt),
16 zag ik de glorieuse heerschare op den rechterarm gezwenkt, en zich keeren met de zon en de zeven vlammen in het aangezicht.
19 Gelijk om zich te bergen eene schare zich omwendt onder de schilden, en met het vaandel zwenkt, voor dat zij ganschelijk zich in zich kan keeren;
22 zóó passeerden ons die strijd-machten des Hemelschen Koninkrijks, vóór de Kar den disselboom omkeerde.
25 Voorts keerden de vrouwen zich tot de raderen, en de griffoen bewoog den gebenedijden last zóó, dat daarom toch geen zijner vederen bewoog.
28 De schoone vrouwe, die mij tot het veer had getogen en Statius en ik, wij volgden het rad, dat de bocht maakte met den kleinsten boog.
31 Aldus passeerende door dat woud, dat ledig is door de schuld van haar die de slang geloofde, matigde eene engelsche muziek onze schreden.
34 Wellicht in drie vluchten nam-in zóó groote ruimte afgeschoten pijl, als wij verder gegaan waren, wanneer Beatrice afstapte.
37 Ik hoorde mompelen door allen: „Adam!” Voorts omkringden zij eenen boom, die ontdaan was van bloemen en alle loover op elken tak.
40 Zijn getakte, dat zooveel zich verbreedt naarmate het hooger komt, zoude [zelfs] door de Indiërs in hunne bosschen om zijn hoogte zijn bewonderd.
43 „Gelukkig zijt gij, griffoen, die met den bek niets afscheert van dat hout, dat den smaak zoet is, omdat de buik daarna kwalijk wordt gefolterd.”
46 Aldus rondom den krachtigen boom riepen de anderen, en het dier, dat twee maal werd geboren: „Aldus wordt bewaard het zaad van alle recht.”
49 En gekeerd naar den dissel, dien hij had getrokken, trok hij hem tot den voet van den verweeuwden boom; en dien [dissel] die van hem was, liet hij aan hem gebonden.
52 Gelijk onze planten, wanneer het groote licht omlaag-valt gemengd met dat hetwelk straalt achter den hemelschen riet-voorn;
55 zwellen en voorts elke zich met zijne kleur hernieuwt, voor dat de Zon hare renners aanspant onder een ander gesternte;
58 eene kleur openbarende, minder dan van rozen en meer dan van violen, vernieuwde zich die boom, die te voren het getakte zóó vereenzaamd had.
61 Ik verstond het niet, noch wordt het hier beneden gezongen, het loflied dat die luiden zongen, noch ook verdroeg ik den galm gansch-en-al.
64 Zoo ik konde wedergeven hoe in slaap geraakten de meedoogenlooze oogen, daar zij hoorden van Syrinx, de oogen, welken het zoo duur kwam te staan dat ze wakkerder waren dan andere,
67 dàn zoude ik, als schilder die schildert náár het model, afteekenen hoe ik insluimerde; maar wie maar wil, die zij het die het insluimeren zich verbeelde.
70 Daarom spring ik over tot wanneer ik wakker wierd, en zeg ik dat een lichtgloed mij open-reet den sluier des slapens, en een roepen: „Sta op, wat doet gij?”
73 Gelijk tot het zien van de bloesemen des appelbooms, die de engelen naar zijne vracht gulzig, en eeuwig durende bruiloft in den hemel maakt,
76 Petrus en Jacobus en Johannes geleid waren en zij [eerst] overweldigd zijnde terugkeerden tot [het hooren van] het woord, door hetwelk ook diepere slaap werd gebroken;
79 en zij het gezelschap gedund zagen, zoowel van Mozes als van Elias, en van hunnen Meester het gewaad verwisseld;
82 aldus keerde ik weder [tot mijn bewustzijn] en zag ik die Pia boven mij staan, die geleidster was geweest van mijne schreden langs den stroom te voren:
85 en gansch in twijfel zeide ik: „Waar is Beatrice?” en zij: „Zie haar onder het nieuwe loover zitten op den wortel.
88 Zie het gezelschap, dat haar omgeeft; de anderen, achter den griffoen, gaan henen omhoog, met zoeteren en dieperen zang.”
91 En of haar verder spreken meer verward was, ik weet het niet, omdat reeds mij in de oogen was zij, die voor ander ontwaren mij had gesloten.
94 Alleenig zat zij op de ware aarde, als hoedster daar gelaten van den wagen, dien ik zag binden door het tweestaltig dier.
97 In cirkel rondom haar maakten eene heining van zich zelven de zeven nimfen met die lichten in de hand, die ònontrust zijn door Noord- en Zuid-wind.
100 „Hier zult gij korten tijd vreemdeling zijn en gij zult met mij zonder einde burger zijn van dat Rome, waarvan Christus is Romein;
103 daarom voor het wel van de wereld, die kwalijk leeft, houd nu tot de kar de oogen, en wat gij ziet, maak ginds gekeerd, dat gij het schrijvet.”
106 Aldus Beatrice; en ik, die gansch en al aan de voeten van hare bevelen mijne toewijding toonde, richtte geest en oogen waarheen zij wilde.
109 Nooit daalde met zóó vlugge beweging vuur uit dikke wolk, wanneer het regent van die streek, die het meest verwijderd is,
112 als ik den vogel van Jupiter zag dalen tot den boom omlaag, afbrekende [gedeelten] van de schors, laat staan van de bloesemen en nieuwe bladeren.
115 En hij sloeg den wagen uit alle macht, waardoor deze neeg, als een schip in nood, door de golven overwonnen, dan naar stuur- dan naar bak-boord.
118 Voorts zag ik zich wagen in den bak des triumphantelijken voertuigen eene wolvin, die nuchter scheen van alle goede voedsel.
121 Maar haar berispend wegens leelijke schuld, deed mijne Vrouwe haar zich keeren in zoo groote vlucht, als maar gedoogden de beenderen zonder merg.
124 Voorts, van waar hij was te voren gekomen, zag ik den adelaar nederdalen in de ark des wagens, en haar laten vol met zijne vederen.
127 En, hoedanig eene stemme uit een hart, dat in droefenis is, zoodanig eene ging uit van den Hemel, en deze zeide aldus: „O mijn schepelijn, hoe kwalijk zijt gij bevracht!”
130 Voorts scheen mij dat de aarde zich opende tusschen beide de wielen, en ik zag er uit komen een draak, die door de kar, naar boven, den staart stak:
133 en, gelijk eene wesp, die den angel terug-trekt, tot zich trekkende den kwaadaardigen staart, trok hij dien uit den bodem, en ging weg dit-heen en dat-heen [zich kronkelende].
136 Dat wat overbleef [van den wagen] werd, gelijk met hondsgras vruchtbare aarde, zóó met pluimaadje geboden wellicht met bedoeling kuisch en welwillend,
139 bedekt, en er mede was overdekt en het ééne en het andre rad en de dissel, in zoo weinig tijd, dat meer tijd de geopende mond eenen zucht inhoudt.
142 Aldus herschapen schoot het heilige gebouw hoofden naar buiten uit zijne deelen, drie op den dissel en één op elken hoek.
145 De eerste waren gehoornd als [die van] runderen, maar de vier [andere] hadden één éénigen hoorn op het voorhoofd. Dusdanig monster was nog nooit gezien.
148 Vreesloos als burcht op hoogen berg, zag ik boven op hem zitten eene hoer met losse kleederen, met de blikken rondom loenschend.
151 En, als het ware, opdat zij hem niet werd ontnomen, zag ik haar ter zijde eenen Reus, en zij kusten elkander meerdere malen.
154 Maar omdat zij het begeerig en zwervend oog naar mij keerde, geeselde die woeste boel haar van het hoofd tot de voetzolen.
157 Voorts, vol van argwaan en rauw van toorn, ontbond hij het monster [kar en al] en trok het door het woud zóóverre, dat hij alleen al van dat [woud] een schut voor mij maakte tegen de Hoer en dat nieuwe gedierte.