De uitrusting van den Dolfijn ging vlug voort. De takelage was gereed, het want behoefde nog slechts vastgemaakt te worden; de Dolfijn droeg drie masten, eene bijna overbodige weelde. Hij rekende niet op den wind om de Noordelijke kruisers te ontkomen, maar wel op de krachtige machine in zijne ingewanden. En hij had gelijk.
In het begin van December begon de Dolfijn zijne proeftochten op de Clyde. Het zou moeielijk zijn uit te maken wie er méér in zijn schik was, de scheepstimmerman of de kapitein. Het nieuwe stoomschip ging er prachtig door, en het log-boek wees eene snelheid aan van zeventien knoopen in een uur, eene snelheid die nog nooit door een Engelsch, Fransch of Amerikaansch schip was bereikt geworden.
Den 25en December begon het laden. De boot ging aan de kade liggen, een weinig beneden de laatste brug over de Clyde, eer zij zich in het kanaal stort. Daar lag in groote magazijnen een ontzaglijk groote voorraad kleeding, wapenen en amunitie, die vlug in het ruim van den Dolfijn overgingen. De aard dier lading verried de geheimzinnige bestemming van het vaartuig, en het huis Playfair kon zijn geheim niet langer voor zich houden; bovendien zou de Dolfijn weldra zee kiezen; er was geen enkele Amerikaansche kruiser in de Engelsche wateren gezien. En hoe zou men ook langer het geheim hebben kunnen bewaren toen men volk moest werven? Men kon geen volk aanmonsteren zonder hun te zeggen waar het schip heen ging; ieder die meeging, waagde er toch zijn hoofd aan, en als men zijn leven waagt, wil men althans weten hoe en waarvoor.
Intusschen liet niemand zich door dat vooruitzicht terughouden. Er werd ruim betaald en ieder had zijn deel aan de onderneming. Er boden zich dan ook matrozen in menigte aan, en van de beste soort. James Playfair had maar te kiezen; hij koos goed en na verloop van vier en twintig uur stonden de namen van dertig matrozen op de rol, die een yacht van hare Majesteit eer aangedaan zouden hebben.
De dag van het vertrek werd op den 3en Januari bepaald; den 31en December was de Dolfijn reisvaardig. Het ruim was vol amunitie en levensmiddelen; de hokken vol steenkolen. Niets hield het vertrek meer tegen.
Den 3en Januari was de kapitein aan boord en liet nog een laatst gezagvoerders-oog over zijn schip gaan, toen een man zich aan boord van den Dolfijn aanmeldde en James Playfair verzocht te spreken. Een van de matrozen bracht hem naar de kajuit.
Hij was een flinke gast, breed geschouderd en blozend van kleur; zijn onnoozel gezicht kon kwalijk eene zekere slimheid en snakerij verbergen; hij scheen niet zeer met de scheepsgewoonten bekend en hij keek om zich heen als iemand die weinig gewoon is zich aan boord van een schip te bevinden. Hij gaf zich niettemin al het air van een zeerob, door naar de takelage te kijken en waggelend te loopen zooals matrozen veelal doen.
Toen hij zich in de tegenwoordigheid van den kapitein bevond, keek hij dezen strak aan en zeide:
»Kapitein James Playfair?”
»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. »Wat wil je van me?”
»Met u meevaren.”
»Er is geen plaats meer. De equipage is voltallig.”
»O, één man meer zal u niet hinderen. Integendeel.”
»Dunkt je?” vroeg James Playfair, den man strak aankijkende.
»Ja wel,” antwoordde de matroos. »Maar ’k heb nog niet alles gezegd. ’k Heb u nog een voorstel te doen.”
»Kom kom, je verveelt me,” antwoordde James Playfair driftig; »’k heb geen tijd om praatjes aan te hooren.”
»’k Zal U niet lang vervelen,” hernam Crockston; »nog één woordje, dan heb ’k alles gezegd: ’k heb een neef.”
»Een mooien oom heeft die neef,” antwoordde James Playfair.
»Ja wel!” bevestigde Crockston.
»Heb je nu uitgepraat?” vroeg de kapitein zeer ongeduldig.
»Nu dan; dit wou ’k zeggen: Als men den oom neemt, moet men den neef op den koop toe nemen.”
»Wel zoo!”
»Ja; dat zijn we zoo gewoon. Waar de een gaat, gaat de ander ook.”
»En wat is je neef voor een jongen?”
»Een jongen van vijftien jaar, een nieuweling wien ’k het vak leer. Hij zit vol goeden wil en zal met ter tijd een flink matroos worden.”
»Hoe heb ik ’t nu met je, Crockston, zie je den Dolfijn voor een kweekschool van kajuitsjongens aan?”
»Laat ons geen kwaad van kajuitsjongens spreken,” antwoordde de zeeman, »één is er Admiraal Nelson geworden en een ander Admiraal Franklin.”
»Parbleu, vriend! je hebt een manier van praten die me lijkt. Breng je neef dan maar mede, maar als ’k in zijn oom den flinken borst niet zie dien hij voorgeeft te zijn, krijgt die oom met mij te doen. Ga nu heen en zorg dat je over een uur terug zijt.”
Crockston liet het zich geen twee malen zeggen; hij groette den kapitein vrij links en was weldra weder aan wal. Een uur later was hij aan boord terug, met een jongen van een beschroomd en nieuwsgierig gelaat en die niet beloofde de gevatheid en de lichaamskracht van zijn oom te zullen overnemen. Crockston zelf moest hem door een paar goedhartige woorden moed in spreken.
»Komaan, een beetje moed! Ze zullen ons niet opeten, wat duivel! We kunnen nog heen gaan als je wilt.”
»Neen, neen!” antwoordde de jongen, »God zal ons beschermen.”
Dien zelfden dag werden de matroos Crockston en de kajuitsjongen John Stiggs op de rol der bemanning van den Dolfijn ingeschreven.
Den volgenden morgen, om vijf uur werden de vuren van het stoomschip ijverig aangestookt; het dek beefde onder het schudden van den ketel en de stoom baande zich fluitend een weg door de veiligheidskleppen. Het uur van vertrekken was gekomen.
Ondanks het vroege morgenuur had zich eene vrij aanzienlijke menigte op de kade en op de groote brug verzameld; zij kwam de stoutmoedige boot een laatst vaarwel toeroepen. Vincent Playfair was er ook om kapitein James voor het laatst te omhelzen, maar hij hield zich bij die gelegenheid als een oude Romein uit den goeden tijd. Hij zag er heldhaftig uit en de twee hartelijke zoenen waarmede hij zijn neef begunstigde, droegen het merk van eene krachtige ziel.
Hij verdween weldra uit de oogen der menigte. Bladz. 218.
»Ga, James,” zeide hij tot den gezagvoerder, »ga spoedig en kom nog spoediger terug; vergeet vooral niet een ruim gebruik van je positie te maken; koop goedkoop, dan heb je de achting van je oom.”
Met die aanbeveling scheidden oom en neef, en allen die aan boord waren en de reis niet mede maakten, gingen naar den wal terug.
Op dat oogenblik stonden Crockston en John Stiggs bij elkander op de voorplecht en de eerste zeide tot den tweede:
»’t Gaat goed, ’t gaat goed; binnen een paar uren zijn we in zee en ’k heb een goeden dunk van een reis die op deze manier begint.”
De kajuitsjongen antwoordde enkel door een handdruk.
James Playfair gaf zijne laatste bevelen tot het vertrek.
»Hebben we stoom genoeg?” vroeg hij aan zijn stuurman.
»Ja kapitein,” antwoordde deze.
»Nu dan, viert de touwen.”
Die manoeuvre werd onmiddellijk uitgevoerd; de schroeven kwamen in beweging. De Dolfijn bewoog zich, ging tusschen de in de haven liggende schepen door en verdween weldra uit de oogen der menigte die hem met hare laatste hoera’s begroette.
De vaart uit de Clyde ging gemakkelijk. Men kan zeggen dat die rivier met menschenhanden en zelfs met meesterhanden gemaakt is. Sedert zestig jaren heeft zij, dank zij de baggermolens, vijftien voet aan diepte gewonnen. Weldra verloor het woud van masten en schoorsteenen zich in rook, stoom en nevel; het geraas der stoomhamers en van de bijl op de werven stierf in de verte weg. Langzamerhand volgden villa’s en buitenplaatsen de fabrieken op. De Dolfijn, zijn stoom matigende, voer tusschen de dijken door die de rivier binnen hare oevers houden en had dikwijls met zeer nauwe engten te doen.
Die hindernis scheen hem echter weinig te deren; voor eene bevaarbare rivier is diepte trouwens wenschelijker dan breedte. De boot, door een uitmuntenden Ierschen loods naar zee gebracht, gleed ongehinderd tusschen de ondiepten door. Weldra werd de Clyde breeder; nog eenige mijlen en zij stoomden Greenock voorbij. Toen bevond zich de Dolfijn aan den ingang der golf door welker bemiddeling zij hare wateren in het Noorder kanaal stort.
Daar voelde hij voor het eerst het wiegen der zeegolven en stoomde hij het schilderachtige eiland Arran voorbij.
Eindelijk waren zij in het ruime sop; de loods ging met het bootje naar zijn kotter die op die hoogte kruiste; de Dolfijn, thans aan het gezag van zijn kapitein hergeven, koos noordelijk van Ierland, een koers die weinig door schepen bezocht wordt, en de laatste Europeesche kusten achter zich latende, zag hij zich weldra alleen op den Oceaan.