Den volgenden dag, met het opgaan der zon, was de Amerikaansche kust geheel verdwenen; er was geen schip meer aan den horizon te zien en de Dolfijn, die de vreeselijke snelheid van zijn vaart gematigd had, stoomde nu bedaard naar de Bermudas eilanden voort.
Het was een gewone tocht over den Oceaan, waarbij niets merkwaardigs voorviel en tien dagen na de afreis van Charlestown, zag de bemanning van den Dolfijn de kusten van Ierland.
Wat kon er tusschen den jongen kapitein en het jonge meisje voorvallen dat niet reeds door ieder is vermoed? James Playfair had het Engelsche water niet afgewacht om voor vader en dochter zijn hart uit te storten, en als wij Crockston gelooven mogen, had Jenny die verklaring ontvangen met eene blijdschap, die zij niet trachtte te ontveinzen. En zij had gelijk.
Het geschiedde dan op den 14en Februari van het jaar 1865 dat eene talrijke menigte onder de gewelven der Sint Mungo, de oude hoofdkerk van Glasgow, verzameld was. Er waren daar zeelieden, kooplieden, industriëelen, overheidspersonen, zoo wat van alles. De brave Crockston was als getuige tegenwoordig bij het huwelijk van Jenny Halliburtt, en de wakkere Amerikaan schitterde in een groenen rok met gouden knoopen. Oom Vincent stond fier naast zijn neef, die al het air had van iemand wiens laatste uur als celibatair geslagen had.
De plechtigheid werd met allen mogelijken luister gevierd; ieder kende de geschiedenis van den Dolfijn, en ieder vond dat de jonge kapitein zijne belooning wel verdiend had. Hij alleen achtte zich boven verdienste beloond.
Hij nam de bom in zijne krachtige armen. Bladz. 256.
Des avonds was er groot feest bij oom Vincent. Diner en bal en eene milde uitdeeling van shillings onder de menigte op straat. Crockston deed, hoewel hij zich binnen de perken wist te houden, wonderen van eetlust.
»Nu oom?” vroeg hij. Bladz. 259.
Ieder was gelukkig bij dat huwelijk, deze om zijn eigen geluk, gene om het geluk van anderen.
Toen de gasten des avonds vertrokken waren, ging James zijn oom eens hartelijk omhelzen.
»Nu, oom?” vroeg hij.
»Nu, neef?”
»Is u tevreden over de heerlijke lading die ik met den Dolfijn meegebracht heb?” hernam de kapitein, op zijne jonge vrouw wijzende.
»Dat geloof ik!” antwoordde de koopman; »’k heb mijn katoen met drie-honderd-vijf-en-zeventig percent winst verkocht.”