Gierenkoning (Sarcorhamphus papa). ⅕ v. d. ware grootte.

Gierenkoning (Sarcorhamphus papa). ⅕ v. d. ware grootte.

In de gevangenschap wordt de Gierenkoning licht tam; hij toont zich echter alleen aan zijn verzorger gehecht en is jegens vreemden dikwijls zeer onvriendelijk; door zijn bijtlust weet hij zelfs den mensch eerbied af te dwingen.


De Raafgieren of Hoendergieren (Catharista) bewonen geheel Amerika. Onder hen kenmerkt zich de Kalkoengier, Jota of Aura (Catharista aura) door den betrekkelijk korten, maar dikken snavel, welks washuid zich tot den voorrand van de groote, langwerpig ronde neusgaten uitstrekt, door den van boven naakten hals, den trapvormigen staart en den betrekkelijk korten loop. De kop is van voren naakt en karmijnrood, van achteren met opzwellingen bedekt en blauwachtig rood, om de oogen bleekrood; van den hals is het naakte deel vleeschrood, het bevederde deel, evenals de bovenrug en de onderdeelen, zwart met groenachtigen metaalglans. De iris heeft een zwartbruine, de snavel een licht hoorngele, de voet een witte kleur. De lengte bedraagt 78, de vlucht 164 cM.; de vleugel is 49, de staart 26 cM. lang.

De snavel van den Raafgier, Gallinazo of Oeroeboe, in Noord-Amerika Zwarte Gier of Aaskraai genoemd (Catharista atrata), is dunner en langer, de (recht afgesneden) staart korter en de pooten hooger dan bij de vorige soort. Van den snavel over de kruin tot aan den nek loopen zwakke, tamelijk regelmatig achter elkander geplaatste dwarsrimpels. Het geheele vederenkleed is dofzwart met donker roestbruinen weerschijn, wanneer het licht op een bepaalde wijze invalt; het oog is donkerbruin, de snavel zwartbruin, aan de spits hoorngrijs. Lengte 60, vlucht 136 cM.


Men heeft de beide genoemde soorten van Hoendergieren en de drie andere, onderling weinig verschillende leden van hetzelfde geslacht zoo dikwijls met elkander verward, dat het moeite kost in ieder geval uit te maken, op welke soort de tot dusver bekend geworden berichten meer bepaaldelijk betrekking hebben. Alle Hoendergieren komen echter in levenswijze zoozeer overeen, dat een samenvoeging van de belangrijkste dezer mededeelingen ongetwijfeld een tamelijk juiste voorstelling zal geven van ieders aard en handelingen.

De Kalkoengier is bezuiden de Saskatschawan-rivier (die op 54° N.B. in het Groot-Winipig-meer uitmondt) over geheel Noord-, Middel- en Zuid-Amerika tot aan de Magalhäesstraat en van de kust van den Atlantischen tot aan die van den Stillen Oceaan verbreid, maar komt niet overal even veelvuldig voor; de Gallinazo daarentegen behoort meer in Zuid-Amerika thuis, wordt in de Vereenigde Staten niet ten noorden van Carolina aangetroffen, maar is zoowel in de landen, die aan de Golf van Californië grenzen, als in Middel- en in Zuid-Amerika een van de algemeenste Vogels.

Kalkoengier (Catharista aura). ⅙ v. d. ware grootte.

Kalkoengier (Catharista aura). ⅙ v. d. ware grootte.

Door levenswijze en gewoonten gelijken zij op de Gieren; zij zijn echter nog minder schuw, daar in de meeste landen van Zuid-Amerika ieder, die een dezer straatreinigers doodt, van overheidswege een zware straf beloopt. Niet overal komen beide soorten gezamenlijk voor; ieder hunner geeft aan bepaalde terreinen de voorkeur. Zoo leeft, volgens Tschudi, de Kalkoengier meer aan ’t zeestrand en bijna nooit in het binnenland, terwijl de Gallinazo in groote getale in de steden, nu en dan ook wel in ’t gebergte, doch slechts zelden aan de oevers der zee gezien wordt. „De Europeaan, die voor de eerste maal de kust van Peru betreedt, verbaast zich over het ongeloofelijk aantal Aasgieren, die hij aan het strand, op alle wegen, in alle steden en dorpen aantreft en over de driestheid en gerustheid, waarmede deze Vogels den mensch naderen.” Zij schijnen te weten, dat hun zeer noodzakelijk beunhazen op het terrein van de gebrekkig geregelde reinigingsdienst hun een vrijbrief verschaft. In alle Zuid-Amerikaansche steden vervullen zij de rol van onze straatvegers. „Zonder deze Vogels,” verzekert Tschudi, „zou de hoofdstad van Peru een van de ongezondste plaatsen van het geheele land zijn, daar van overheidswege niets gedaan wordt voor het wegruimen van het vuil. Vele duizenden van Gallinazo’s leven in en om Lima en zijn zoo weinig schuw, dat zij op de markt in het dichtste menschengewoel rondhuppelen.”

Hunne bewegingen gelijken op die van de Gieren. Zij gaan met hoog opgericht lichaam rond en gelijken hierdoor op Kalkoenen, hetgeen waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot hun naam. Zij vliegen zonder merkbare inspanning, laten zich vaak op hunne wieken drijven en stijgen dikwijls tot groote hoogten op; gewoonlijk behoeven zij zich echter niet veel in te spannen, omdat het hun zelden aan voedsel ontbreekt.

Burmeister beschrijft op zeer aanschouwelijke wijze een van hunne maaltijden. „De groote, zwarte Vogels, die ook in Brazilië de rottende dierlijke stoffen uit den weg moeten ruimen, treft men overal aan. Wanneer ergens een dier gevallen is, strijken zij met hun twintigen, dertigen, veertigen of in nog grooter aantal op het lijk neer, pikken het de oogen uit en wachten daarna met een vurig verlangen, dat duidelijk uit al hunne gebaren blijkt, het heerlijke oogenblik af, waarin de toenemende spanning van de gasvormige rottingsproducten, die zich onder den invloed van de zomerwarmte schielijk in het lichaam ontwikkelen, den door bederf verzwakten buikwand zal doen barsten en zijn geurigen inhoud tot streeling van hun gehemelte beschikbaar zal stellen. Dan ontstaat een vreeselijk gedrang. Iedere Vogel pakt een stuk van de naar buiten tredende ingewanden; in een oogwenk zijn de weeke, half verteerde darmen verscheurd en verzwolgen. Volgepropt als zij zijn, begeven de Gieren zich naar den naasten boom en zitten hier dicht opeengedrongen, de oogen onverpoosd gericht op het aas, te wachten tot het door verrotting voldoende verweekt is, om verder verslonden te worden. Van tijd tot tijd strijkt een begeerige minimumlijder, die bij den eersten maaltijd niet genoeg gekregen heeft, op het ontweide lichaam neer, tracht op de een of andere plaats met den snavel een opening te maken, pluist aan de wondranden en opent op deze wijze nieuwe banen voor de steeds verder voortschrijdende verrotting. Wanneer de overige Vogels bemerken, dat het streven van dezen voorvechter niet vruchteloos is, volgen zij weldra zijn voorbeeld, hakken en rukken in het lichaam om en verslinden het eene stuk na het andere, totdat de beenderen geheel schoon afgekloven zijn. In twee dagen zijn zij met hun arbeid gereed; als zij niets meer weten te vinden, is er nog altijd iets voor de Vliegen over.” De Gieren versmaden echter geen versch vleesch, wanneer zij het in stukken kunnen scheuren; ook levende dieren vangen en dooden zij, hoewel men vaak het tegendeel heeft beweerd. Door hun driestheid en onbeschaamdheid worden zij lastig voor menschen en dieren. Zoo zegt de Prins Von Wied, dat zij van alle kanten toesnellen, zoodra er een schot in het woud gelost wordt. „Wanneer wij boven een dicht beschaduwde woudbeek een Eend of zelfs maar een kleinen Vogel schoten, waren zij onmiddellijk bij de hand; met hun achten, tienen of meer hadden zij op de naburige boomen post gevat. Als wij ons maar een oogenblik verwijderden, lag in ’t volgende de geschoten Vogel reeds op het droge om door hen verslonden te worden”. De Jagoear doet soortgelijke ervaringen op als de menschelijke jagers. „Bij Joval”, verhaalt Von Humboldt, „zagen wij den grootsten Jagoear die ons ooit onder de oogen gekomen is. Hij lag in den schaduw van een grooten mimosa en had juist een Waterzwijn gedood; op dezen nog gaven buit rustte één van zijne pooten. De Gieren waren bij troepen nader gekomen om de overblijfselen van het maal van den „Tijger” te verslinden. De zonderlinge vereeniging van brutaalheid en schroom, die wij bij hen opmerkten, vermaakte ons niet weinig. Zij waagden zich tot op een afstand van ½ M. van den Jagoear, maar weken bij de geringste beweging van het roofdier achteruit. Om de handelingen van deze dieren meer van nabij te kunnen bespieden, begaven wij ons in een klein vaartuig. Het gedruisch van de roeiriemen noopte den Jagoear om langzaam op te staan en zich achter de struiken van den oever te verbergen. Van zijn aftocht wilden de Gieren gebruik maken om het Waterzwijn te verslinden; de „Tijger” echter sprong, ondanks de nabijheid van ons vaartuig, midden tusschen de Vogels en sleepte vol toorn, zooals bleek uit zijn gang en het slaan met den staart, den buit in het woud”.

Volgens Tschudi nestelt de Gallinazo op daken van huizen, op kerken, bouwvallen en afgelegene, hooge muren; hij doet dit in Februari en Maart. Hij broedt op 3 witachtig bruine eieren. Volgens denzelfden berichtgever bouwt de Oeroeboe zijn nest op met zand bedekte rotsen aan de zeekust of op kleine eilanden dicht bij de kust en legt hier in den genoemden tijd 3 of 4 eieren, die meer afgerond en lichter van kleur zijn dan die van den Gallinazo. Zeer dikwijls nestelen zij te midden van Reigers en andere moerasvogels.

Tegenwoordig ziet men gevangen Hoendergieren niet zelden in dierentuinen. Door Azara weten wij, dat zij buitengewoon tam en zelfs echte huisdieren kunnen worden. Een vriend van dezen onderzoeker had een tammen Hoendergier, die vrij uit- en invloog en zijn meester op diens wandeltochten of jachten, ja zelfs op grootere reizen gezelschap hield, als een gehoorzame Hond kwam, wanneer hij geroepen werd en zich uit de hand liet voederen.


Waarschijnlijk niet ten onrechte heeft men een Roofvogel, die door sommigen als een Havik, door anderen als een Gierbuizerd wordt beschouwd, maar die een zeer eigenaardig voorkomen heeft, tot vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie, die der Kraangieren (Serpentariidae), verheven. Deze omvat slechts één soort.


De Secretaris (Serpentarius secretarius) onderscheidt zich van alle overige Roofvogels door zijn buitengewoon langen loop; hierdoor herinneren zijne pooten aan die van de Kraai. Hij is slank gebouwd en heeft een tamelijk kleinen, breeden, op de kruin eenigszins plat gedrukten kop; zijn hals is betrekkelijk lang en dun. De snavel is korter dan de kop, dik, bijna van den wortel af gebogen. De vleugels zijn lang, aan de spits echter bijna recht afgesneden, omdat de vijf eerste pennen nagenoeg gelijke lengte hebben. De sterk trapvormige staart is bijzonder lang; de beide middelste veeren zijn ver voorbij de overige verlengd. Het vederenkleed is goed gevuld en uit groote, voor ’t meerendeel glad aanliggende veeren samengesteld, aan den achterkop echter verlengd tot een kuif, die uit zes paar, naast en achter elkander geplaatste, ongeveer 15 cM. lange veeren bestaat en opgericht kan worden. De kleursverdeeling is eenvoudig, maar bevallig. De bovendeelen zijn licht aschgrauw, met een bruinachtig waas overtogen, de eenigszins versmalde en verlengde veeren van den achterhals grijsachtig vaal, de oorstreek, de zijden van den hals en de onderdeelen vuil grijsgeel; de pluim in den nek, de hand- en armpennen benevens de dekveeren van de handpennen en de langste schouderdekveeren, de staartwortel, de aarsstreek en de onder-schenkels zijn zwart (de onderschenkels van het mannetje met bruine en witte dwarsbanden), de stuurpennen grijsbruin, bij het uiteinde zwart, aan de spits wit. Het oog is grijsachtig bruin, de snavel donker hoornkleurig, aan de spits zwart, de washuid donkergeel, de loop oranjegeel. De lengte van het mannetje bedraagt 115 à 125, de vleugellengte 62, de lengte van de middelste staartveeren 68, de hoogte van den loop 29 cM. Het wijfje is iets grooter dan het mannetje.

De Secretaris is over een groot deel van Afrika verbreid. Men heeft hem van den Kaap tot aan den 16en graad N.B. en van de kust van de Roode Zee tot aan den Senegal gevonden: zijn verbreidingsgebied omvat dus Zuid-Afrika, Oost-Afrika tot aan den Samhara, West-Afrika tot aan den Gambia en vermoedelijk ook uitgestrekte gedeelten van het binnenland van dit werelddeel. Zijn eigenaardige lichaamsbouw brengt ons reeds van te voren op het vermoeden, dat hij slechts uitgestrekte, op steppen gelijkende vlakten bewoont. Een Roofvogel van ’t maaksel van den Secretaris moet den bodem bewonen en in meerdere of mindere mate een vreemdeling zijn in ’t rijk der lucht. Niet slechts het woud, maar ook de nabuurschap van hooge boomen vermijdt hij: zijn jachtgebied bestaat uit steppen, uit droge zoowel als vochtige, op weilanden gelijkende vlakten, hier en daar misschien bovendien uit schaars met houtgewas begroeide velden, maar niet uit wouden.

In verband met de groote lengte van zijn loop, is zijn gang lichter en beter dan die van eenigen anderen Roofvogel. Met hoog opgericht lichaam stapt hij met zeker vertoon van waardigheid mijlen ver over den bodem voort, zonder vermoeid te worden. Jagend of vluchtend, loopt hij met voorover gebogen romp bijna even snel als een Trap of een andere Loopvogel; slechts ongaarne maakt hij van zijne vleugels gebruik. Om zich in de lucht te verheffen moet hij trouwens eerst een aanloop nemen. Het vliegen schijnt hem aanvankelijk moeite te kosten; zoodra hij echter een zekere hoogte heeft bereikt, zweeft hij licht en fraai, gewoonlijk over een grooten afstand zonder eenigen vleugelslag verder. Hij strekt daarbij de pooten als een Ooievaar achterwaarts en den hals dikwijls recht naar voren; dit verschaft hem zulk een eigenaardig voorkomen, dat men hem niet licht verwarren kan met een anderen vliegenden roover.

Secretaris (Serpentarius secretarius). ⅛ v. d. ware grootte.

Secretaris (Serpentarius secretarius). ⅛ v. d. ware grootte.

De Secretaris leeft paarsgewijs en bewoont een tamelijk uitgestrekt gebied. Werkelijk talrijk is hij nergens, hoewel hij overal voorkomt. Slechts bij bijzondere gelegenheden treft men deze merkwaardige Vogels in grooter aantal aan. Wanneer b.v. vóór den regentijd het gras van de steppe in brand gestoken wordt en de vuurzee, die alle dieren der steppe voor zich uitdrijft, een breedte van vele mijlen heeft bereikt, ziet men de van heinde en ver bijeengekomen Kraangieren, die hier zeker zijn van een overvloedigen buit, uren achtereen voor de steeds verder voortschrijdende vlammenlijn heen en weer loopen en vliegen.

De Secretaris maakt hoofdzakelijk jacht op Reptiliën en Amphibiën, hoewel hij ook andere Gewervelde Dieren niet versmaadt, wanneer hij ze op zijn weg ontmoet; gedurende een deel van ’t jaar maken Insecten een hoofddeel van zijn voedsel uit. Zijn eetlust is bijzonder groot: men kan hem bijna onverzadelijk noemen. Levaillant haalde uit den krop van een door hem gedood exemplaar 21 kleine Schildpadden, 11 Hagedissen en 3 Slangen, bovendien nog een groot aantal Sprinkhanen; de groote maag bevatte een massa beenderen van Gewervelde Dieren, pantsers van Schildpadden en vleugels van Insecten, die later waarschijnlijk uitgebraakt zouden zijn. „Hij schroomt niet”, zegt Levaillant, „de gevaarlijkste Slangen aan te vallen en vervolgt de vluchtende zoo snel, dat hij boven de oppervlakte schijnt te zweven. Als de Slang achterhaald is, zich te weer stelt en al sissend den hals sterk opblaast, breidt de Vogel een vleugel uit, gebruikt deze als een schild ter beschutting van zijne voeten, slaat daarmede het aanvallende Reptiel terug, huppelt voor- en achteruit en maakt de zonderlingste sprongen. De beten van de Slang vangt hij met den eenen vleugel op, mat hierdoor zijn verraderlijke vijandin af, velt haar neer door een slag met den anderen vleugel, werpt den op deze wijze verdoofden buit soms bovendien nog met den snavel in de lucht, bijt hem den schedel stuk en verzwelgt hem ten slotte, nadat hij hem verscheurd heeft.”

Drayson zegt, dat men den Secretaris ook vliegend ziet jagen. „Een van deze Vogels zweefde op een hoogte van ongeveer 60 M. boven den bodem, staakte plotseling zijn beweging, streek op den bodem neer en liep op den gevonden buit af, breidde zijne vleugels uit, viel met den snavel op den vijand aan en gebruikte de vleugels als verdedigingsmiddel. Soms maakte hij hooge luchtsprongen, waarschijnlijk op het oogenblik, dat zijn tegenstander wiens listen hem welbekend zijn, zich hevig te weer ging stellen, kwam echter onmiddellijk daarna ongeveer 6 M. verder op den grond terug en hervatte den aanval, totdat het gewenschte doel bereikt was.” Heuglin zag, dat een Secretaris door een slag met den krachtigen poot het pantser van een Woestijnschildpad verbrijzelde. Volgens vroegere berichten zou onze Vogel groote Slangen naar boven medevoeren en ze van een aanzienlijke hoogte op den bodem laten vallen om ze te verpletteren; de reisbeschrijvingen uit lateren tijd maken hiervan geen melding; deze mededeeling is echter volstrekt niet onwaarschijnlijk, daar andere Roofvogels ook zoo handelen.

Tot dusver heeft men nog niet met zekerheid kunnen uitmaken, of de Secretaris aan de gevolgen van een beet van een niet uitgeputte, groote Vergiftige Slang bezwijkt of tot op zekere hoogte tegen slangengif bestand is; wel heeft men opgemerkt, dat hij doode Vergiftige Slangen met tanden en al zonder eenige aarzeling verzwelgt, en zich dus blootstelt aan het gevaar van door de tanden inwendig gewond en vergiftigd te worden.

Het nest van den Secretaris bevindt zich bijna altijd op den top van een hoogen en dichten struik, meestal van een mimosa, maar ook wel op alleenstaande boomen. Opeengestapelde takjes, welker tusschenruimten met leem dicht gemaakt zijn, vormen den grondslag van het nest, plantenwol, veeren en andere zachte stoffen de voering van de ondiepe nestholte. Niet vóór Augustus legt het wijfje hierin hare 3 of 4 eieren. Deze hebben bijna de grootte van een ganzenei, maar een meer ronden vorm; zij zijn soms zuiver wit, soms met weinige roodachtige vlekken geteekend. Het wijfje bebroedt ze gedurende 6 weken en wordt intusschen door het mannetje van voedsel voorzien. De jongen zijn bij het verlaten van de eischaal met sneeuwwit dons bedekt.

Bij zorgvuldige behandeling worden de Kraangieren weldra tam; zij wekken belangstelling door hun edele houding, hun fieren gang, hunne mooie, vurige oogen en het levendige gebarenspel van hunne nekveeren. Zij laten echter, zooals Von Heuglin ondervond, hun roofzuchtigen aard nooit geheel varen, worden hierdoor dikwijls schadelijk voor het pluimvee en durven zelfs een aanval te wagen op Katten en Honden, die zij (waarschijnlijk alleen uit strijdlust en overmoed) niet zelden gevaarlijke, altijd naar den kop gerichte slagen met den voet toebrengen. Zij zijn met iedere soort van voedsel, dat met hun aard overeenstemt, tevreden, maar buitengewoon vraatzuchtig; zij verzwelgen merkwaardig groote brokken en geven zich dikwijls niet eens de moeite den buit met den snavel te verscheuren. In onze dierentuinen behooren zij nog altijd tot de zeldzaamheden. Vroeger hield men in Kaapland tamme Kraangieren op het erf wegens hun grooten ijver bij het verdelgen van allerlei ongedierte en had toen, naar ’t schijnt, niet over hen te klagen.

In het Kaapland wordt het dooden van dezen nuttigen Vogel met een zware straf bedreigd. Men heeft getracht, hem ook op Martinique in te voeren en te acclimatiseeren, om de buitengewoon gevaarlijke Lanskopslangen, die een plaag zijn voor dit eiland, te verdelgen; deze poging is evenwel mislukt, niet, omdat de Secretaris het vreemde klimaat niet verdragen kon, maar omdat men de bepalingen tot bescherming van dezen Afrikaanschen bondgenoot niet kon handhaven.

Van oudsher draagt de Kraangier den naam van „Secretaris”, omdat hij wegens zijn vederenpluim vergeleken wordt met een schrijver, die zijn pen achter het oor heeft gestoken. De Arabische namen van dezen Vogel zijn dichterlijker, maar minder goed te verklaren. In het westen van Soedan heet hij het „Paard des duivels”, in het noordoosten „Vogel van het noodlot”.


In de tweede groep der Stootvogels, die der Stapvogels (Pelargo-herodii), worden de vijf familiën van de Reigervogels, Schoenbekken, Ooievaars, Ombervogels en Ibisvogels vereenigd, die zich alle kenmerken door de aanzienlijke lengte van den snavel en van de pooten, welker achterteen even laag is ingeplant als de voorteenen.

„Wat aard en beweging betreft, bestaat er tusschen de Stapvogels een duidelijk merkbare overeenkomst. Zij leven in laagvlakten, in moerassen en aan waterkanten, aan het zeestrand, bij lagunen, op zandbanken en in de nabijheid van riviermonden. Men ontmoet ze aan de zeekust, veelvuldiger echter op geschikte plaatsen in het binnenland. Op den vlakken bodem bewegen zij zich altijd langzaam stappend, nooit rennend. Dikwijls waden zij tot aan den romp in ’t water; ook zwemmen zij meer of minder goed, wanneer de nood hen er toe dwingt. Hun vlucht is rustig en gelijkmatig. Vele laten zich na eenige vleugelslagen gedurende geruimen tijd op hunne wieken drijven. Bij gemeenschappelijk ondernomen reizen vormen zij groepen, die in een bepaalde orde gerangschikt zijn. De Stapvogels begeven zich alleen dan op den bodem, wanneer zij voedsel gaan zoeken; zij rusten op boomen en rotsen (de Schoenbekken maken hierop echter tot op zekere hoogte een uitzondering). Hun voedsel bestaat uit Weekdieren, Schaaldieren, Insecten en Gewervelde Dieren, vooral uit Visschen, Reptiliën en Amphibiën; het wordt altijd op den bodem, op weiden, in moerassen en in ondiep water, gezocht. De Stapvogels kenmerken zich, behoudens eenige uitzonderingen, door een zekere neiging tot gezelligheid; dit blijkt niet slechts bij het reizen, maar ook bij het broeden; de vereenigingen, die zij dan vormen, bestaan niet uitsluitend uit soortgenooten, maar bevatten ook leden van andere soorten hunner afdeeling; zelfs zien zij zonder tegenzin (of dulden althans) de tegenwoordigheid van nog minder met hen verwante vormen in de oorden, waar zij hunne nesten bouwen. In den regel geschiedt dit op boomen, alleen daar waar deze ontbreken, op den bodem, in het riet van meren en moerassen en in lage struiken. Hunne nesten zijn dikwijls zeer los uit rijshout samengevoegd, soms van binnen met riet bekleed. Zij broeden op 3 à 5 eieren, die meestal effen van kleur, wit of blauw, minder vaak bruinachtig, soms echter op witten grond gevlekt zijn. De vorm van de eieren is ovaal of langwerpig spits. De meeste Stapvogels hebben een stemorgaan, dat doffe en heesche, of krijschende en schelle geluiden voortbrengt; enkele missen dit orgaan; snavelgeklepper is dan hun eenig geluid. Men vindt de Stapvogels over de geheele wereld verbreid, met uitzondering van het hooge noorden. Zij zijn nestblijvers: hunne jongen worden in het nest door de ouders met voedsel voorzien, totdat zij volkomen in staat zijn om te vliegen.”


De hoogst ontwikkelde en soortenrijkste familie van de groep is die der Reigervogels (Ardeidae). Hun romp is in ’t oog loopend zwak en buitengewoon smal, de hals zeer lang en dun, de kop klein, smal en plat. De snavel is in den regel langer dan de kop, minstens even lang als deze, tamelijk dik, recht, zijdelings sterk samengedrukt, op den rug en de kiel smal, aan de eenigszins ingetrokken zijranden scherp als een mes, bij de spits getand, nagenoeg overal (de omgeving van de neusgaten uitgezonderd) met een gladde, harde hoornmassa bekleed. De pooten zijn middelmatig hoog, de teenen lang; de klauw van den middelsten voorteen is aan de binnenzijde fijn kamvormig getand. De vleugels zijn lang en breed, van voren echter stomp, omdat de tweede, derde en vierde handpen ongeveer gelijke lengte hebben; de korte, aan de spits afgeronde staart bestaat uit 10 à 12 pennen. De bekleedingsveeren zijn zeer overvloedig, zacht en los, op de kruin, den rug en de bovenborst dikwijls verlengd, gedeeltelijk ook losbaardig; haar kleur is zeer verschillend en niet zelden bevallig, hoewel werkelijk prachtige kleuren niet voorkomen. De beide seksen onderscheiden zich naar het uitwendige alleen door een gering verschil in grootte; de jongen hebben een minder fraai kleed dan de volwassen Vogels.

De Reigervogels bewonen alle werelddeelen, alle hoogtegordels en alle landen, met uitzondering van het hooge noorden. Reeds in den gematigden gordel zijn zij talrijk; in de keerkringsgewesten maken zij een hoofdbestanddeel uit van de bevolking der moerassen en binnenwateren. Eenige soorten bewonen bij voorkeur de zeekust, andere rivieren, nog andere moerassen, eenige houden van open streken, andere van kreupelhout of zelfs van wouden.

De aard van de Reigervogels is niet innemend. Zij nemen de zonderlingste standen aan, die echter geen van alle aanspraak kunnen maken op bevalligheid. Zij zijn tamelijk goed in staat om zich te bewegen: bij hen echter heeft iedere beweging in vergelijking met die van andere Stapvogels iets plomps of althans iets onbehaaglijks. Hun gang is gemakkelijk, langzaam en voorzichtig; zij zijn volstrekt niet onbekwaam in ’t vliegen, maar doen dit op een eenvormige wijze en zonder veerkracht. Een zekere behendigheid bij het klimmen in het riet of in de twijgen mag men hun niet ontzeggen, hoewel zij daarbij een onbeholpen vertooning maken; zij kunnen zwemmen, maar doen dit zoo, dat men er onwillekeurig om lachen moet. Hun stem is een onaangenaam gekrijsch of een luid, ver hoorbaar gebrul, dat bij velen huivering wekt; het gejank der jongen is afschuwelijk. De oogen zijn ongetwijfeld hunne meest ontwikkelde zintuigen; hoewel fraai en meestal licht van kleur, herinneren zij aan die der Slangen door hun eenigszins valsche uitdrukking, welke door den aard van den Reiger niet gelogenstraft wordt. Deze mag men wel als de arglistigste en boosaardigste van alle Stapvogels beschouwen. Hoewel zij dikwijls in groote gezelschappen bijeenleven, kan men ze bezwaarlijk gezellig noemen: vervuld van afgunst over elkanders geluk, nemen zij iedere gelegenheid te baat om hun booze gezindheid te luchten. Jegens groote dieren vol vrees, zooals blijkt uit hun vlucht of uit pogingen om zich door het aannemen van een zonderlinge houding onkenbaar te maken, toonen zij zich jegens kleine dieren moordzuchtig en bloedgierig, op zijn minst genomen vijandig en twistziek. Visschen zijn hun liefste buit; Insecten vormen het hoofdvoedsel van de kleinste leden der familie; ieder ander dier, dat zij bemachtigen kunnen, is hun echter welkom. Zij verslinden kleine Zoogdieren, jonge en onbeholpen Vogels, allerlei soorten van Amphibiën (Padden misschien uitgezonderd), voorts Weekdieren en Wormen, misschien ook Kreeften. Hoogst omzichtig en zonder geluid te maken laten zij, begeerig naar buit, hunne blikken over het water waren en houden, terwijl zij wadend voortsluipen, den langen hals zoo ver teruggetrokken, dat de kop op de schouders rust en de onderkaak tegen den hals aanligt; door het plotseling strekken van den hals treft de snavel als een met kracht geworpen lans hun meestal reddeloos verloren slachtoffer. Op soortgelijke wijze verdedigen zij zich tegen hunne belagers. Zoo lang mogelijk vluchten zij voor iederen sterkeren vijand; maar vallen hem vol woede aan, als hij hen in ’t nauw gebracht heeft, trachten hem steeds in ’t oog te treffen en kunnen hoogst gevaarlijke wonden toebrengen.

Alle Reigervogels nestelen gaarne in gezelschap van hunne soortgenooten of van verwante en niet verwante Vogelsoorten. Hunne nesten zijn groot en lomp van maaksel; zij rusten op boomen; in het rietveld echter op geknikte halmen. Het wijfje broedt op 3 à 6 ongevlekte, groenachtig witte of groenachtig blauwe eieren, en wordt intusschen door het mannetje met voedsel voorzien. De jongen verlaten het nest eerst, als zij kunnen vliegen, of kort voor dien tijd en worden vervolgens nog een tijdlang door hunne ouders gevoederd.

Goed bezette reigerkoloniën leveren een indrukwekkend schouwspel op, waarvan de beschrijving van Baldamus een denkbeeld kan geven: „De maand Juni is pas begonnen; de riethalmen hebben een hoogte van 2 M. bereikt en bedekken den troebelen waterspiegel van het Witte Moeras. Zoover het oog reikt, vindt het nergens een rustpunt op deze eindelooze vlakte, bij welker groen en blauw echter merkwaardige, gele, grijze, witte en zwarte gestalten prachtig afsteken: Zilver-, Purper- en Ralreigers, Kwakken of Nachtreigers, Lepelaars, Ibissen, Aalscholvers, Zeezwaluwen, Meeuwen, Ganzen en Pelikanen. Op de hier en daar voorkomende, hoogstammige wilgen en populieren nestelen de Reigers. Een van hunne koloniën heeft hoogstens een omvang van eenige duizenden schreden; het aantal nestendragende wilgen bedraagt niet meer dan 100 à 150. maar op vele van deze rusten 10 à 20 nesten. Die van den Blauwen Reiger staan op de dikste takken van de grootste wilgen en dienen dikwijls zelve tot steun voor die van den Kwak. Op zwakkere en hoogere takken zijn de nesten van den Kleinen Zilverreiger en van den Kleinsten Aalscholver gebouwd, terwijl verder benedenwaarts op de slanke zijtakken de kleine, doorzichtige nesten van den Ralreiger heen en weer schommelen. Op de hier bedoelde nestelplaats is, zooals gewoonlijk, de Kwak het talrijkst vertegenwoordigd; dan volgen de Kleine Zilverreiger en de Blauwe Reiger, het minst talrijk zijn de Ralreigers. Met uitzondering van de Kleinste Aalscholvers zijn alle zoo weinig schuw, dat het weken lang voortgezette schieten hen niet van de plaats verdreven heeft. Hoewel een schot hen doet opvliegen, strijken zij spoedig weer neer, zelfs blijven zij niet zelden zitten op den boom, dien een der jagers bezig is te beklimmen. Men behoeft zich slechts korten tijd stil te houden in de boot onder de boomen, om de bevederde bewoners van dit oord weldra weer hunne werkzaamheden te zien hervatten; men krijgt dan zulk een groote verscheidenheid van verrassende tafereelen te aanschouwen, dat de aandacht voortdurend gespannen blijft. Het eerst dalen de Kwakken onder luid geschreeuw en met vreemdsoortige gebaren uit de bovenste twijgen af naar hunne lager gelegen nesten, waaraan zij steeds het een of ander te verbeteren hebben: zij verschikken de eieren, keeren zich naar alle zijden en sperren met een heesch gekras den grooten, rooden snavel tegen een al te dicht bij hen komenden buurman ver open. Daarna komen de Kleine Zilverreigers op onhoorbare wijze aanvliegen, de eene heeft een voor het nest bestemd, dood takje in den bek, de andere stapt behendig van de eene twijg op de andere, tot hij zijn nest bereikt heeft. Intusschen ziet men de prachtig gele Ralreigers, welker onhoorbare wijze van vliegen aan die der Uilen herinnert, terugkeeren. Eindelijk naderen iets voorzichtiger de Blauwe Reigers. Het oor wordt verward en vermoeid door het getier, gekrijsch, gesteen, gekras en geknor, dat men hier hoort, het oog door het gewemel van sneeuwwitte, gele, grijze en zwarte vluchtige gestalten op den lichtblauwen achtergrond. Eindelijk wordt het gezelschap rustiger, het getier vermindert. Verreweg de meeste Vogels zitten broedend op, of wakend naast het nest, slechts enkele vliegen, neststoffen aandragend, af en aan. Plotseling komt een zich vervelende Kwak op het denkbeeld, dat een rijsje van het nest van zijn buurman hem te pas kan komen; dit geeft aanleiding tot een versterking van het sinds kort een weinig verminderde geschreeuw. Nogmaals een »piano”, want werkelijke pauzen komen hier niet voor. Waarom nu op eens dit schrikwekkende »fortissimo”? Kijk! een Wouw die 50 schreden verder zijn horst heeft, grijpt op zijn gemak met elken poot een jongen Aalreiger. De moeder verlaat morrend en dreigend haar nest, maar laat den roover stil met hare beide kinderen vertrekken, hoewel zij zich door een enkele poging om haar gevaarlijk wapen en haar kracht te gebruiken op den moordenaar van haar kroost op afdoende wijze had kunnen wreken. Eenige Kwakken begeleiden schreeuwend den ongenooden rustverstoorder, maar worden eensklaps door een nieuw en sterker gekrijsch teruggeroepen. Hier heeft een Ekster, ginds een Bonte Kraai gebruik gemaakt van de afwezigheid der Vogels om eenige eieren weg te sleepen. De buren van de beroofden vliegen onder ontzettend geschreeuw omhoog, terwijl andere leden van het diefachtig gespuis op de pas verlaten nesten aanvallen en bliksemsnel met hun buit wegsnellen. Nog weerklinkt het verwarde angst- en wraakgeschreeuw, maar eensklaps wordt een ruischen in de lucht vernomen, dat aanleiding geeft tot een doodsche stilte. De machtige koning der lucht, een reusachtige Arend, trok voorbij, over de broedplaatsen heen naar het gindsche, ontoegankelijke rietbosch, waar het luide gesnater van de Ganzen en Eenden plotseling verstomt. Daar knalt een schot van uit de weidegronden aan de overzijde; alle bewoners van de broedkolonie, zelfs de Kwakken, vliegen op en vermengen zich met de duizendtallen, die daar ginds uit het moeras zijn opgejaagd en na een poos rondgezworven te hebben zich eindelijk weer te water begeven.”

De Reigers worden ijverig vervolgd, omdat zij aan het vischwater meer schade toebrengen dan eenig ander visschenroovend dier.

Jonge Reigers kan men temmen en gewennen om zich vrij te bewegen, zoodat zij het grootste deel van hun voedsel zelf zoeken. Veel genoegen kan men van de bij ons voorkomende Blauwe en Purperreigers niet verwachten, wel van de kleine, fraai gekleurde soorten uit zuidelijke landen, die in dierentuinen zeer de aandacht trekken. In de kooi planten vele soorten zich voort.


Een snavel, welks lengte die van den kop verre overtreft, en een uit 12 pennen samengestelde staart, kenmerken het geslacht der Reigers of Dagreigers (Ardea), dat in verscheidene ondergeslachten wordt gesplitst.


De 90 cM. lange Purperreiger of Roode Reiger [Ardea (Phoyx) purpurea], die een gelijknamig ondergeslacht vertegenwoordigt, nadert tot de Roerdompen door de groote lengte zijner teenen en door zijn levenswijze, o. a. door het nestelen in ’t riet. De bovenkop en de kuifveeren zijn zwart, zoo ook een streep tusschen den snavel en den achterkop en een aan iedere zijde van den hals; de zijden van kop en hals, de wapperende schouderveeren en de schenkels zijn kaneelroodbruin, de kin en de keel wit; de wapperende veeren voor aan den hals zijn roestvaalwit met zwarte schaften, de achterhals en de nek aschgrauw, de overige bovendeelen donker grijsbruin met grijsachtigen weerschijn, de vleugeldekveeren lichter, de slagpennen zwart, de dekveeren aan den handrand en de onderdekveeren van den vleugel geelbruinachtig rood, de staartveeren grijsbruin; de zijden van borst, buik en schenkels zijn donker purperbruinrood, de overige onderdeelen zwart. Bij den jongen Vogel is de hoofdkleur der veeren roestrood, aan de onderdeelen met vaalwitte zoomen. Het oog is oranjegeel, de naakte huid om en voor de oogen bleekgeel, de snavel groenachtig wasgeel, de loop en de teenen zwartachtig bruin (bij de jongen bleek groengeel).

Het verbreidingsgebied van dezen Reiger omvat Middel-, Zuid-, Oost- en West-Europa, het grootste deel van Middel- en Zuid-Azië en Afrika. Hij is op de Soenda-eilanden en Celebes veel menigvuldiger, in Europa echter veel minder talrijk dan de Blauwe Reiger, ontbreekt hier op vele plaatsen geheel en behoort over het algemeen, ook in ons land, tot de meer zeldzame Vogels. Hij houdt zich in Nederland op van April tot September, broedt in kleine koloniën aan de meren in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht, zwerft na den broedtijd rond en wordt dan ook in andere provincies waargenomen, in de noordelijke echter slechts zelden. Meestal houdt hij zich in of bij het riet schuil en komt niet of zelden aan open plaatsen, zooals de Blauwe Reiger in den regel doet. Zijn voedsel bestaat uit Wormen en waterinsecten. Men vindt zijn groot, uit riet of biezen bestaand nest in het riet of in struiken dicht bij den grond; het bevat 3 of 4 bleek-groenachtige eieren. De Purperreiger is in Duitschland zeldzaam, maar broedt ook in Hongarije, Galicië en de oeverlanden van de Middellandsche, Zwarte en Kaspische Zee.

De Blauwe Reiger, in Friesland Aalreiger, in ’t Friesch Ielregel genoemd (Ardea cinerea) is de meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht der Reigers i. e. z. (Ardea). Het voorhoofd en de bovenkop zijn wit; de hals is grijswit, de rug aschgrauw, door de witte, verlengde veeren bandvormig geteekend; de onderdeelen zijn wit, de flanken echter zwart; een streep, die aan het oog begint en naar den achterhals loopt, de drie lange kuifveeren, een drievoudige reeks van vlekken aan den voorhals en de slagpennen zijn zwart, de schouderveeren en de stuurpennen grijs. Het oog is goudgeel, de naakte plek in ’t aangezicht groengeel, de snavel stroogeel, de voet bruinachtig zwart. De lengte bedraagt 100 à 106 cM.

Noordwaarts reikt het verbreidingsgebied van den Blauwen Reiger tot aan den 64en graad; in bijna alle verder zuidwaarts gelegen landen van de Oude Wereld komt hij voor, niet slechts als trekvogel, maar ook als broedvogel. In het noorden is hij trek-, in het zuiden zwerfvogel. Ons land bewoont hij van April tot October; een klein getal blijft echter den winter over. Langzaam volgt hij op zijn reis naar ’t zuiden den loop der groote stroomen, verschijnt in October overal in Zuid-Europa en vliegt eindelijk naar Afrika over. Hij broedt koloniesgewijs in de bosschen van ons geheele vaderland.


Bij den in Afrika en Indië inheemschen Reuzenreiger (Ardea nobilis) zijn de bovenkop en de pluim, de kop en de vleugelbocht kastanjebruin, zoo ook de onderdeelen, met uitzondering van de witte keel; de zijden en het achterste deel van den hals zijn lichter, de overige bovendeelen blauwachtig aschgrauw, de wapperende veeren van den voorhals op de buitenvlag wit, op de binnenvlag zwart, de schaften dikwijls roestbruin. Het oog is geel, de teugel groen, de bovensnavel zwart, de ondersnavel aan de spits groengeel, aan den wortel viooltjeskleurig, de voet zwart. De lengte bedraagt 136 cM.


Allerlei wateren, zoowel de zee als de beek in het gebergte, dienen tot verblijfplaats en tot jachtgebied van den Blauwen Reiger (wiens levensbeschrijving wij voldoende achten). De eenige eisch, die hij aan het water stelt, is geringe diepte. Daar hij ijveriger vervolgd wordt dan zijne verwanten, is hij schuwer en vreesachtiger. Iedere donderslag vervult hem met ontzetting, iedere mensch in de verte boezemt hem argwaan in. Een oude Reiger let op ieder gevaar, gaat bij zijn vlucht met overleg te werk en laat zich daarom zeer moeielijk verschalken. Zijn krijschende stem klinkt als „krèiek”; om te waarschuwen schreeuwt hij „ka”.

Zijn voedsel bestaat uit Visschen van hoogstens 20 cM. lengte, Kikvorschen, Slangen (vooral Ringslangen), jonge Moeras- en Watervogels, Muizen, Insecten, die in het water leven, Schelpdieren en Regenwormen.

„De Blauwe Reiger,” schrijft Schlegel, „nestelt gezellig op boomen en somtijds bij duizenden in groote bosschen ver van het water, hetwelk hij echter dagelijks opzoekt om te gaan visschen. Zoodanige bosschen noemt men „reigerbosschen”. Behalve op de boomen der wouden in de heidelanden nestelt de Blauwe Reiger ook in boschjes, zelfs in het hakhout. Het grootste reigerbosch in ons land is het Soerensche woud in Gelderland. Daar er in dit bosch jaarlijks eenige duizenden paren Reigers broeden, en de ver in ’t rond uitgestrekte heide het paardrijden veroorlooft, biedt het een der geschikste gelegenheden tot de jacht met Valken op Reigers aan, en deze had er ook, tot in het jaar 1854, jaarlijks in de maanden Juni en Juli op groote schaal plaats.” Het vluchtbedrijf op Reigers, dat vroeger in geheel Europa beoefenaars vond, is tegenwoordig alleen nog bij de Aziaten, b. v. in Indië, en ook bij eenige Arabische stammen van Noord-Afrika in zwang.

Alle vervolgingen ten spijt keeren de bewoners van de reigerbosschen ieder jaar terug, zelfs indien deze van het naastbijgelegen water 10 KM. of meer verwijderd zijn. In de nabijheid van de zeekust, nestelen in deze koloniën in den regel ook Aalscholvers, die hier in de gelegenheid zijn om zonder moeite een broedplaats te verkrijgen. (Een voorbeeld hiervan leverde het voormalige Schollevaarseiland.) De boomen en de grond worden door den drek van de Vogels met een witte laag bedekt, die al het groen doet verwelken. De voor hun taak ongeschikte bladen vallen af, de ontbladerde twijgen bezwijken door den schok bij het af- en aanvliegen der Vogels, of worden door hen afgebroken en voor den nestbouw gebruikt, de met nesten zwaar beladen takken zijn niet bestand tegen de werking van den storm. Dit verklaart den treurigen toestand, waarin de boomen der reigerbosschen verkeeren; te recht worden dus de Reigers als nadeelig voor de boschkultuur beschouwd. Een niet gering bezwaar tegen hun aanwezigheid leveren ook de tallooze overblijfselen van het voedsel der jongen, waarmede de grond als bezaaid is en die door hun rotting de omgeving verpesten.

Het nest van den Blauwen Reiger heeft ongeveer 1 M. middellijn, maar een geringe hoogte; het is zonder eenige kunstvaardigheid samengesteld uit doode takken en rijsjes, bladen en halmen van riet, stroo enz. en bevat een ondiepe holte, slordig bekleed met borstels, haar, wol en veeren. Het aantal eieren bedraagt 3 of 4. Deze zijn iets grooter dan kippeneieren en hebben een spoedig verbleekende, groene, dikke en gladde schaal. De jongen, die na een broedtijd van 3 weken den dop verbreken, zijn leelijke, hulpbehoevende schepseltjes, die ongelooflijk veel eten en voortdurend honger hebben; zij worden rijkelijk met voedsel voorzien, maar stooten dit voor een groot deel door hunne gulzige bewegingen over den rand van ’t nest naar beneden. Ruim vier weken blijven zij in hun wieg, leggen zich neer, zoodra zij de waarschuwende stem van hunne ouders hooren, maar staan overigens dikwijls rechtop. Zij verlaten het nest, wanneer zij een goed gebruik van hunne vleugels kunnen maken, worden nog eenige dagen door hunne ouders onderricht en gaan vervolgens hun eigen gang. Alle bewoners van de kolonie beginnen in Juli rond te zwerven; van deze maand tot in de tweede helft van Maart is het reigerbosch verlaten.

De volwassene Vogels worden aangevallen door Edelvalken en groote Uilen, ook wel door enkele Arenden; de zwakkere Valkvogels, de Raven en de Kraaien plunderen de nesten. „Opmerkelijk”, zegt Baldamus, „is de vrees van de Reigers voor alle Roofvogels en zelfs voor Kraaien en Eksters; waarlijk belachelijk is zij bij wezens, die met zulk een goed wapen zijn uitgerust. De roovers zijn zeer goed bekend met den indruk, dien zij maken, gaan daarom met de grootst mogelijke onbeschaamdheid te werk en halen de eieren en jongen midden uit een dichten zwerm van Vogels weg, zonder dat deze iets anders doen dan vreeselijk schreeuwen, schroomvallig achteruitwijken en den bek wijd opensperren; hoogstens hebben de dieven een zwakken vleugelslag te duchten.”

Gevangen Reigers kan men met Visschen, Vorschen en Muizen gemakkelijk in ’t leven houden; het is echter niet raadzaam ze bij andere huisvogels te brengen, daar zij zich niet ontzien jonge Hoenderen en Eenden te grijpen en te verslinden.

Door den slanken bouw van romp en ledematen, den langen hals, den betrekkelijk zwakken snavel en het eigenaardige, schitterend witte vederenkleed kenmerkt zich de 104 cM. lange Groote Zilverreiger [Ardea (Herodias) alba], van het ondergeslacht der Zilverreigers. Zeer sterk ontwikkeld zijn bij hem de los- en langbaardige rugveeren; bij den volwassen Vogel reiken zij verder dan de staart; tot pluimen samengevoegd, worden zij onder den naam van „egretten” of „reigerbossen” als versierselen hoog geschat. Het oog is geel, de snavel donkergeel, de naakte huid van de wangen groenachtig geel, de voet donkergrijs.

De Groote Zilverreiger bewoont het zuiden (maar vooral het zuidoosten) van Europa, voorts Middel- en Zuid-Azië, Afrika en Australië. Naar Nederland dwaalt hij zeer zelden af. „In Januari en Februari 1855 werden twee voorwerpen bij Zutfen geschoten en in dienzelfden tijd eenige bij Breda en Maastricht” (Albarda). Ook in Duitschland behoort hij tot de zeer zeldzame Vogels, hoewel men met zekerheid kan aantoonen, dat hij hier vroeger gebroed heeft. In de Donau-laaglanden is hij veel minder talrijk dan voorheen, in Griekenland, Italië en Spanje ook niet overvloedig; in aanzienlijken getale daarentegen bewoont hij nog de landen om de Kaspische zee en Noord-Afrika.


Groote Zilverreiger (Ardea alba). ⅙ v. d. ware grootte.

Groote Zilverreiger (Ardea alba). ⅙ v. d. ware grootte.

De Kleine Zilverreiger [Ardea (Garzetta) garzetta], die het ondergeslacht der Egretreigers vertegenwoordigt, is slechts 62 cM. lang en, evenals de vorige soort, geheel wit. De losbaardige rugveeren zijn echter fraaier en naar verhouding langer; ook de veeren van den onderhals zijn verlengd; twee smalle veeren van den nek steken, evenals bij den Blauwen en den Purperreiger, ver voorbij de overige uit, maar zijn wit van kleur. Het oog is hooggeel, de snavel zwart, de voet zwart, in de gewrichten groengeel.

De Kleine Zilverreiger bewoont dezelfde landen als de Groote, maar is overal veel talrijker. In de laaglanden van den Donau, den Wolga en den Nijl is hij niet zeldzaam; in de reigerbosschen is hij een van de sterkst vertegenwoordigde soorten. Op den trek begeeft hij zich tot in Zuid-Azië; op de boomen bij de sawahs op Sumatra (waar hij onder den naam van Bangoh Poetih bekend is) komt hij zoo veelvuldig voor, dat deze op een afstand met groote, witte bloemen getooid schijnen te zijn. Ook de Purperreiger (de Bangoh) is hier zeer overvloedig. Naar Nederland dwaalt hij uiterst zelden af. In het Museum te Groningen wordt een voorwerp bewaard, dat jaren geleden, tusschen Kollum en Burum (Friesland) geschoten werd.

De beide laatstgenoemde soorten komen in levenswijze zoozeer overeen, dat wij ons tot de geschiedenis van den Grooten Zilverreiger kunnen bepalen. Deze bewoont, evenals de Blauwe Reiger, allerlei wateren, bij voorkeur echter uitgestrekte moerassen en hierin de plaatsen, welke ver verwijderd zijn van de tooneelen van menschelijke werkzaamheid, waar dus de grootst mogelijke rust heerscht. Overal is hij voorzichtig en, voor zoover hij vervolgingen te verduren had, buitengewoon schuw. Zijn gedrag steekt gunstig af bij dat van den Blauwen Reiger. Zijn zeer eenvoudig, maar toch sierlijk kleed maakt een bekoorlijken indruk.

De Groote Zilverreiger bewoont in de Hongaarsche moerassen in den regel ontzaglijk groote rietvelden, hoewel hij de boomen niet vermijdt.

Geloofwaardige personen uit Semlin verhaalden aan Naumann, dat deze Vogel geregeld nestelt op een eiland in den Donau, hier zijn nest bouwt in den top van de hoogste boomen. Baldamus, die in den broedtijd van de Reigers de Donau-laaglanden bezocht, ontving dezelfde mededeeling; de door hem gevonden nesten van den Grooten Zilverreiger kwamen echter niet voor in bosschen, maar in het rietveld van het Witte Moeras. Het is zeer moeielijk in dit gebied door te dringen. „Twee tamelijk groote schuiten werden ieder met drie man bezet en met proviand voor twee dagen voorzien; om 4 uur ’s morgens begon de reis. De beide dappere gidsen hadden, evenmin als wij, een juiste voorstelling van het gevaar, dat wij zouden loopen. Het kostte ons ontzaglijk veel moeite om in deze eenvormige en vreeselijk verwarde wildernis van oud en nieuw riet, dat soms meer dan 3 M. hoog was, van afgebroken stompen, boven en onder de oppervlakte van het hoogstens 1½ M. diepe water en van bodemloos slijk den terugweg te vinden. Wij vonden op den 23en Juni, behalve eenige nesten van Purperreigers, vijf nesten van Groote Zilverreigers, ieder met 3 of 4 eieren. Het nest rust op stoppels en riethalmen, die uit een tamelijk grooten kring bijeengebogen en omgeknikt zijn; het bestaat uit een groote hoop van dit materiaal en is van binnen met rietbladen bekleed. Deels door de menigte tot steun dienende, geknikte halmen, deels door de massa bouwstoffen, die er opgestapeld zijn, hebben de nesten zulk een draagkracht, dat ik op verscheidene kon staan. Het aantal eieren schijnt af te wisselen tusschen 3 en 4”. Zij zijn grooter en gladder dan die van den Blauwen Reiger, langwerpiger van vorm en meer blauwachtig getint. In den regel komt de Groote Zilverreiger tegen het midden van April (een week later dan de Purperreiger) in zijn zomerherberg. Hij wordt in zijn vaderland ijverig vervolgd, vooral wegens zijne prachtige rugveeren. De Hongaren en Walachen beschouwen het als een kunststuk een van deze voorzichtige Vogels te verschalken. Men ontmoet ze tegenwoordig in alle diergaarden; in die van Berlijn hebben zij herhaaldelijk gebroed en jongen voortgebracht.


Een allerliefste Vogel is de 50 cM. lange Koereiger [Ardea (Bubulcus) Ibis], kenbaar aan zijn gedrongen gestalte, korten hals, korten en krachtigen snavel, betrekkelijk korte pooten en schitterend witte kleur. In het bruiloftskleed dragen de bovenkop, de voorborst en de rug lange, losbaardige pronkveeren. Zijn vederenkleed is van roestroode kleur.

Waarschijnlijk houden de meeste reizigers, die Egypte bezoeken, dezen Vogel voor den Ibis, die, naar zij ten onrechte meenen, in het land der Pharaonen nog sterk vertegenwoordigd is. Van hier strekt zich zijn woongebied over geheel Afrika uit, ook over Madagaskar en het westen van Azië, Europa, vooral het zuiden, werd herhaaldelijk door hem bezocht, een enkele maal zelfs is hij naar Engeland afgedwaald. In Egypte en andere Nijllanden behoort hij tot de algemeenste Vogels. In tegenstelling met zijne tot dusver genoemde verwanten, houdt hij zich onbeschroomd in de onmiddellijke nabijheid van de dorpen op, ook wanneer zij niet aan den waterkant gelegen zijn. Gewoonlijk houdt hij verblijf op de akkers, die onder water worden gezet en verzamelt slechts tijdelijk zijn voedsel aan de oevers van den stroom, van de kanalen en meren. Met bijzondere voorliefde zoekt hij het gezelschap van groote dieren; in Egypte vindt men hem op of bij grazende Buffels, in Soedan tusschen en op de Olifanten. De Insecten, die het vee kwellen, vormen dan een hoofddeel van zijn maal. Het vee geraakt spoedig gewoon aan de werkzaamheden van den Koereiger en beschouwt hem als een weldoener, waaraan het, evenals aan den Ossenpikker, allerlei vrijheden veroorlooft. Een Buffel draagt dikwijls 8 of 10 van deze schitterend witte Vogels op den rug en wordt er niet weinig door opgesierd. De Koereiger verkeert op zeer goeden voet met de menschen in zijn vaderland; daar zij hem nooit overlast aandoen, beweegt hij zich onbeschroomd als een huisdier tusschen de op het veld werkende boeren.

De gevangen Koereiger is reeds op den eersten dag aan het verlies van zijn vrijheid gewoon en gedraagt zich, alsof hij in de kamer is grootgebracht; hij vangt Vliegen en andere Insecten, maakt gebruik van het voedsel, dat hem toegeworpen wordt en is soms reeds na verloop van een paar dagen zoo tam, dat hij uit de hand van zijn verzorger eet.


Bij de Ralreigers (Ardeola), die als ’t ware het midden houden tusschen de Dagreigers, de Roerdompen en de Nachtreigers, is de snavel ongeveer even lang als de kop, de loop korter dan de middelste voorteen, de binnenste voorteen korter dan de buitenste. De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de 50 cM. lange Ralreiger of Krabreiger (Ardeola ralloïdes) is kenbaar aan de kuif, die zich van den bovenkop tot aan den nek uitstrekt en welker smalle, zeer verlengde, op manen gelijkende veeren roestgeelachtig wit zijn met zwarten zoom. De zijden van kop en hals zijn licht roestgeel, de mantelveeren en de haarvormige pronkveeren van schouders en rug roodachtig isabelkleurig, alle overige veeren wit. Het oog is lichtgeel, de snavel zwartachtig, de voet groenachtig geel.

Zuid-Europa (noordwaarts tot in Hongarije), enkele landen van West-Azië en geheel Afrika vormen het verbreidingsgebied van den Ralreiger. Soms dwaalt hij naar noordelijker gewesten af: naar Duitschland, waar hij eens in de nabijheid van Bremen gebroed heeft, naar Groot-Britannië en naar Nederland. In den zomer van 1859 zijn bij Schollevaarseiland en aan den Hoek van Holland verscheidene exemplaren van deze soort geschoten; reeds vroeger was op het eerstgenoemde terrein een dergelijk voorwerp gevangen en ook later (in den zomer van 1860) is dit éénmaal geschied. De jeugdige leeftijd van de waargenomen Vogels gaf aanleiding tot het vermoeden, dat de Ralreiger soms in deze streken zou broeden.

In vergelijking met zijne reeds beschreven verwanten leidt hij een meer of min verborgen leven. Als broedplaats geeft hij de voorkeur aan uitgestrekte moerassen met veel open water en aan met struiken begroeide rivieroevers en eilanden; ook in zijne winterkwartieren zoekt hij dergelijke plaatsen op. Evenals de Koereiger houdt ook hij zich gaarne in de nabijheid van groote Zoogdieren op; in Hongarije is hij de bestendige begeleider van de Zwijnen, daar deze aan dezelfde terreinen als hij de voorkeur geven; bij hen zoekt hij in tijd van gevaar een toevlucht. In vele opzichten wijken zijne gewoonten af van die zijner verwanten. Door het sterk intrekken van den hals schijnt de gestalte van den staanden Vogel veel meer ineengedrongen dan zij is; wel neemt men ook bij hem zonderlinge standen waar, echter niet de wonderlijke lichaamsverdraaiingen van de Kwakken. Bij ’t gaan verzet hij bedachtzaam poot voor poot, maar sluipt niet met zulke afgemeten passen voort als andere leden van zijn geslacht. Bij ’t vliegen wordt de hals S-vormig gekromd; de slagwijdte van de niet zeer breede vleugels is betrekkelijk gering, hun beweging zacht. Zijn stem, een kort, snorkend, heesch of gedempt, als „karr” of „charr” klinkend geluid, wordt zelden en niet op grooten afstand gehoord. Ook de Ralreiger voedt zich bij voorkeur met Visschen; hij kan echter geen andere dan kleine exemplaren en deze slechts in ondiep water vangen. Bovendien maakt hij jacht op jonge Vorschen en waterinsecten. De evenzeer op deze spijs beluste Zwijnen zijn hem door hun wroeten behulpzaam bij het zoeken van buit.


Door geringe grootte, een slanken snavel, pooten met korten loop, die tot aan het spronggewricht bevederd zijn, betrekkelijk lange vleugels, een korten, zwakken staart en een niet bijzonder rijk vederenkleed, welks kleur bij jongen en volwassenen, bij mannetjes en wijfjes verschilt, onderscheidt zich het geslacht der Dwergroerdompen (Ardetta), in Nederland en andere landen van Europa vertegenwoordigd door het Woudaapje (Ardetta minuta) dat ook wel Kleine Butoor, Waffer, Woudhopje, Woudpitoortje of Houtbutoortje wordt genoemd. Zijn lengte bedraagt 40 cM. De veeren van bovenkop, nek, rug en schouders zijn zwart met groenachtigen weerschijn, die van den bovenvleugel en van de onderdeelen roestgeel, met zwarte vlekken aan de zijden van de borst; de slag- en stuurpennen zijn eveneens zwart. De iris is geel, de snavel op den rug bruin, overigens bleekgeel, de voet groengeel.

Bezuiden het midden van Zweden en de Orkney-eilanden komt het Woudaapje in geheel Europa broedend of op den trek voor. In Nederland broedt deze Vogel, hoewel in kleinen getale, in Noordbrabant, Noord- en Zuid-Holland en Friesland; op den trek werd hij o. a. in Overijsel waargenomen. Algemeen is hij in Oostenrijk, Hongarije, Turkije en Griekenland, niet zeldzaam in Duitschland, het zuiden van Frankrijk en Spanje. Van April tot October houdt hij zich bij ons op, blijft op den trek geruimen tijd in Griekenland en overwintert in Noord-Afrika, van waar hij allengs tot in de keerkringslanden en zelfs tot in het zuiden van Afrika voortdringt. In den zomer houdt hij verblijf in broeklanden, die met veel riet of althans met kreupelhout en hooge moerasplanten begroeid zijn, of aan de met riet en hout bedekte oevers van andere zoete wateren. Daarom gevoelt hij zich in Nederland, Hongarije en Griekenland beter thuis dan in Duitschland.

Over dag zit het Woudaapje zeer goed verborgen en stil in het riet op een boomtwijg; hij heeft er uitmuntend slag van een zitplaats te kiezen, welker omgeving bij de kleur van zijn kleed past; bovendien weet het zich onkenbaar te maken door de vaak zeer zonderlinge standen, die het aanneemt. In de riethalmen beweegt het zich met een waarlijk verbazingwekkende behendigheid. Gloger heeft hiervan de proef genomen door in het hok van een gevangen exemplaar dunne en volkomen gladde wandelstokken, die aan het bovenste einde niet dikker waren dan een riethalm, te plaatsen; zoowel in horizontalen als in schuinschen stand werden deze met groot genoegen als zitstokken gebruikt. „Als ik het eene einde van den stok, waarop de Vogel zat, langzamerhand liet zakken, bleef hij rustig zitten, hoewel ik den stok ten slotte alleen bij den knop vasthield en loodrecht naar beneden liet hangen; hij gleed zelfs dan niet van den stok af, als ik dezen heen en weer slingerde.” In zijn rietbosch acht het Woudaapje zich volkomen veilig; het slaapt zeer licht en bemerkt den rustverstoorder lang voordat het door dezen ontdekt wordt; het loopt over den grond weg in tijd van gevaar, of verwijdert zich door van den eenen riethalm op den anderen te klimmen. Over dag vliegt het niet op, hoewel men met steenen werpt, met stokken in het riet slaat of op andere wijzen geraas maakt. ’s Avonds komt het vrijwillig uit zijn schuilplaats te voorschijn en vliegt dan lang over het open water heen naar andere rietbosschen, of strijkt op de kale oevers neer. „Hoewel deze Vogel zich in alle omstandigheden opgewekter en gezelliger toont dan de meeste andere Reigers”, zegt Naumann, „zou men zich toch zeer vergissen, indien men vertrouwen wilde schenken aan zijne sluwe blikken, daar hij even valsch en moedig is als zijne verwanten. Ieder wezen dat hem te na komt, en dat hij niet kan ontwijken, zal hij onverwachts, door den hals zeer snel en met kracht te strekken, gevaarlijke stooten met den snavel toebrengen; gewoonlijk zijn dezen naar de oogen, bij den mensch ook naar de handen of andere niet met kleeren bedekte lichaamsdeelen gericht.” Het in ’t nauw gebrachte Woudaapje verdedigt zich tot den laatsten ademtocht. Met andere Vogels houdt het geen omgang; het duldt niet eens gaarne soortgenooten in den plas, dien het als zijn eigendom beschouwt In den paartijd hoort men van het mannetje 2- of 3-maal achtereen een doffen bastoon, die door den klank „poemm” of „poemb” kan worden nagebootst; na een lange pauze begint het gebrul op nieuw; nooit roept de Vogel, wanneer hij weet, dat er menschen in de nabijheid zijn. Angst ontlokt aan het mannetje zoowel als aan het wijfje een als „gèth, gèth” klinkend gekwaak.

Het voedsel van het Woudaapje zal wel hoofdzakelijk uit kleine Vorschen en Amphibiën bestaan; bovendien vangt het Wormen en Insecten in alle ontwikkelingstoestanden. Het jaagt alleen ’s nachts, het meest in de morgen- en avondschemering.

Het groote, los en zonder kunst van riet en biezen gebouwde nest staat gewoonlijk op oude rietstoppels boven het water, en bevat in het begin of het midden van Juni 3 of 4 (soms 5 of 6) kleine, dunschalige, gladde, glanslooze, blauwgroenachtig witte eieren, waaruit de met roestgeelachtig dons bekleede jongen na een broedtijd van ongeveer 16 dagen te voorschijn komen. Deze blijven, wanneer zij niet gestoord worden, in het nest, totdat zij vliegen kunnen.

Gevangen Woudaapjes maken dadelijk gebruik van de visch, die men hun als voedsel geeft, verschaffen hun verzorger veel genoegen en kunnen in een groote ruimte gemakkelijk in ’t leven worden gehouden. Ook worden zij eenigszins tam, nooit echter gemeenzaam, steeds behouden zij hun valschen aard. Meesterlijk verstaat deze Vogel de kunst om de pogingen van den jager, die hem wil bemachtigen, te verijdelen.


De Roerdomp, bij Nijmegen Roerdommel, in Overijsel Iperom, in Noordbrabant Butoor en Domphoren, in Limburg Rommeldoes, in ’t Friesch Reitdomp geheeten (Botaurus stellaris), kenmerkt zich door een gedrongen romp, een langen, maar dikken hals, een smallen, hoogen snavel, langteenige pooten, die bijna tot aan het spronggewricht bevederd zijn en welker loop korter is dan de middelste teen, breede vleugels, een uit tien pennen samengestelden staart en een dicht kleed zonder eenige pronkveeren; alleen aan den hals zijn de veeren meer dan gewoon verlengd. De bovenkop is zwart, de achterhals grauwzwart, met geel gemengd, de overige veeren op roestgelen grond geteekend met zwartbruine en roestbruine, overlangs en overdwars gerichte vlekken, banden en strepen van den meest verschillende aard, die aan den voorhals drie overlangsche reeksen vormen. De slagpennen zijn op leikleurigen grond met roestkleurige banden voorzien, de staartveeren op roodachtig roestgelen grond bruinzwart bespat. Het oog is geel, de bovensnavel bruinachtig hoornkleurig, de ondersnavel groenachtig, de voet licht sapgroen, aan de gewrichten geelachtig. De lengte bedraagt 72 cM.

De Roerdomp komt hier te lande van Maart tot October veelvuldig voor en broedt overal in rietvelden; sommige exemplaren blijven den winter over, maar komen meestal om, indien deze streng wordt. In Duitschland treft men dezen Vogel zelden, in de laaglanden van den Wolga en den Donau algemeen aan; oostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich over geheel Middel-Siberië, westwaarts over Zuid- en Middel-Europa uit; op den trek bezoekt hij Noord-Afrika, maar dringt, naar het schijnt, niet ver in het binnenland door. In alle door hem bewoonde landen vestigt hij zich bij voorkeur in het broekland of aan de oevers van meren en plassen, voor zoover deze gedeeltelijk met hoog riet begroeid zijn. Zoolang het riet nog kort is, houdt hij zich in het hout op.