Roerdomp (Botaurus stellaris). ¼ v. d. ware grootte.

Roerdomp (Botaurus stellaris). ¼ v. d. ware grootte.

Nog meer dan het Woudaapje heeft hij de gewoonte om zonderlinge standen aan te nemen. Als hij rust en onbezorgd is, wordt de romp van voren een weinig opgericht en de lange hals zoo ver teruggetrokken, dat de kop op den nek rust; bij ’t loopen is de hals meer opgeheven; woede blijkt uit het ruige voorkomen van het kleed en den opgerichten stand van de achterhoofdsveeren, terwijl tevens de snavel eenigszins opengesperd wordt. Om zich te vermommen, zet hij zich op den loop en strekt zich, zoodat de romp, de hals en de kop met den snavel in elkanders verlengde liggen en scheef naar boven gericht zijn; hij gelijkt dan meer op een ouden, spitsen paal of op een verdord bos riet dan op een Vogel. Zijn gang is langzaam, voorzichtig en traag, zijn vlucht zacht, onhoorbaar, langzaam en schijnbaar plomp. Als hij des nachts vliegt, hoort men ook zijn gewone lokstem: een luid gekras, herinnerend aan dat van de Raaf, dat men door de klankteekens „krah” of „krauh” ongeveer kan voorstellen; want zijn berucht gebrul laat hij slechts gedurende den paartijd hooren. Traagheid en langzaamheid, angstvalligheid en argwaan, list en geveinsdheid, boosaardigheid en valschheid zijn kenmerkende eigenschappen van den Roerdomp. Hij leeft slechts voor zichzelf en schijnt ieder ander schepsel te haten; de dieren, die hij verslinden kan, doodt hij; die, welke hiervoor te groot zijn, hebben woedende aanvallen van hem te verduren, wanneer zij hem te na komen. Zoolang mogelijk ontwijkt hij iederen grooten tegenstander; in ’t nauw gedreven, gaat hij hem dolkoen te lijf en richt zijne snavelstooten zoo behendig, kwaadaardig en snel op de oogen van zijn tegenpartij, dat zelfs de schrandere mensch zich zeer in acht moet nemen om niet gevaarlijk gewond te worden. Door de gevangenschap ondergaat zijn aard geen verandering.

Visschen (vooral Modderkruipers, Zeelten en Steenkarpers), Padden en andere in ’t water levende Amphibiën van verschillende soorten, bovendien ook Slangen, Hagedissen, jonge Vogels en kleine Zoogdieren van de grootte van de Waterrat of kleiner maken zijn voedsel uit. Soms voedt hij zich bijna uitsluitend met Bloedzuigers, en wel hoofdzakelijk Paardenbloedzuigers, zonder zich te bekommeren om hunne scherpe zuigwerktuigen en zonder hen vooraf te dooden. Hij jaagt uitsluitend ’s nachts, maar is van zonsondergang tot zonsopgang hiermede bezig, heeft veel voedsel noodig om verzadigd te worden en brengt toch nagenoeg geen merkbare schade teweeg, daar hij wegens zijne korte pooten alleen in ondiep water kan visschen.

Het vreemdsoortige geschreeuw, dat de mannelijke Roerdomp gedurende den paartijd voortbrengt, een gebrul, dat in stille nachten op een afstand van 2 à 3 KM. hoorbaar is en op dat van een Rund gelijkt, bestaat uit een voorslag en een hoofdtoon; het klinkt als „uuproemb”. Tevens zal iemand, die zich in de onmiddellijke nabijheid bevindt, nog een gedruisch vernemen, alsof er met een rietstengel op het water wordt geslagen. Voordat de Vogel geheel op zijn dreef is, klinkt zijn lied ongeveer als „uu uu proemb”, later als „uu proemb uu proemb uu proemb”. Soms, doch zelden, wordt aan het „proemb” nog de klank „boeh” toegevoegd. Graaf Wodzicky heeft door zijne waarnemingen de overoude verklaring van het ontstaan dezer buitengewoon sterke geluiden bevestigd. „De muzikant”, zegt hij, „stond op beide pooten, hield den romp waterpas en had den snavel in ’t water gestoken; toen begon het gebrom; intusschen spoot het water aanhoudend omhoog. Na eenige tonen hoorde ik de klank „uu”, het mannetje lichtte den kop omhoog, slingerde hem naar achteren, stak vervolgens den snavel in ’t water, waarop een gebrom volgde, dat mij verschrikt maakte. Hierdoor kwam ik tot het besluit, dat de luidklinkende aanvangstonen ontstaan, doordat de Vogel in den beginne het water hooger, tot in den hals, opzuigt en het met veel grooter kracht naar buiten perst dan later. Bij ’t voortzetten van de muziek wordt de kop niet meer teruggetrokken en blijven de luide tonen achterwege. Naar het schijnt, duidt dit geluid dus het bereiken van den grootsten trap van opgewondenheid aan en herhaalt de „balderende” Vogel het niet meer, zoodra zijn hartstocht bevredigd is. Het geplas, dat op het slaan met een riethalm in ’t water gelijkt, wordt voortgebracht, doordat het mannetje twee- of driemaal met den snavel op het water slaat, voordat hij hem er insteekt en zijn lied begint. Het laatste, doffe geluid „boeh” wordt veroorzaakt door het wegstuwen van het water, dat zich bij het terugtrekken van den snavel nog in de mondholte bevindt.

Vooral op plaatsen waar de Roerdomp zich niet geregeld vertoont, veroorzaakt zijn nachtelijk gebrul een bijgeloovige vrees bij onontwikkelde lieden.


Wanneer men zich in het winterseizoen bij een van de Egyptische meren ophoudt, wordt men hier en daar dikke boomen gewaar, die met een talrijk gezelschap van Reigers bezet zijn. Deze kiezen gaarne de sycomoren vóór of in de dorpen als rustplaats uit. Hier zitten zij gedurende den geheelen dag bewegingloos met diep teruggetrokken hals en gesloten oogen; eerst bij ’t naderen van den avond beginnen zij zich te bewegen. De eene opent de oogen half, draait den kop een weinig zijwaarts en knipoogt tegen de zon, als om te onderzoeken, hoe hoog deze nog aan den hemel staat, een andere pluist zich in de veeren, een derde trippelt van den rechter op den linker poot, een vierde spreidt de vleugels uit: kortom, er komt leven in de brouwerij. Intusschen is de zonneschijf beneden de kim gezonken en de schemering aangevangen. De nu geheel ontwaakte slapers huppelen behendig van den eenen tak op den anderen, en komen al nader en nader bij den top. Plotseling laat een hunner zijn kwakende lokstem hooren, de geheele troep vliegt weg, begeeft zich naar een naburig moeras en begint hier zijn dag- of liever nachtwerk. Soms vereenigen zich verscheidene gezelschappen; in den eigenlijken trektijd althans ziet men deze Vogels bij duizenden vliegen, zonder dat men kan nagaan, van waar zij alle gekomen zijn. Zulk een schouwspel geniet men trouwens niet slechts in Egypte, maar ook verderop in het binnenland van Afrika; want de reis van deze in ’t zuidoosten van Europa thuis behoorende nachtvogels strekt zich uit tot aan de wouden bij den Blauwen en den Witten Nijl.

De Kwak, Nachtreiger of Blauwe Kwak (Nycticorax griseus) is 60 cM. lang en onderscheidt zich van de andere Reigers door zijn gedrongen gestalte en korten, dikken, van achteren zeer breeden, op den rug gebogen snavel, door zijne middelmatig hooge, dikke voeten en zeer breede vleugels en door zijn rijk voorzien kleed, welks veeren, met uitzondering van drie draadvormige pronkveeren aan den achterkop, nergens verlengd zijn. Bij den volwassen Vogel zijn de bovenkop, de nek, de bovenrug en de schouders groenachtig zwart, de overige bovendeelen en de zijden van den hals aschgrauw, de onderdeelen licht stroogeel, de drie lange pronkveeren wit, zelden voor een deel zwart. Het oog is prachtig purperrood, de snavel zwart, aan den wortel geel, de naakte plek aan den kop groen, de voet groengeel.

Ook de Nachtreiger heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied. Eenige eeuwen geleden kwam hij in Nederland zeer veelvuldig voor; thans broedt hij in kleinen getale bij meren en plassen in Zuid-Holland. Hij vertoeft hier van Mei tot September. Eénmaal werd een exemplaar van deze soort in de provincie Groningen geschoten. In Duitschland wordt hij verspreid en niet geregeld aangetroffen. Hij broedt er zelden, waarschijnlijk echter vaker dan men meent. In grooten getale bewoont hij de lage oeverlanden van den Donau en dergelijke gewesten aan de Zwarte en de Kaspische Zee. Voorts vindt men hem in Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje; hij trekt iederen winter geheel Afrika door, broedt in Palestina, het oostelijke deel van Middel-Azië, China, Indië en op de Soenda-eilanden, bewoont het grootste deel van Noord-, Middel- en Zuid-Amerika en werd slechts in Australië nog niet waargenomen. Een gewest moet, om den Nachtreiger te behagen, rijk aan boomen zijn, want deze heeft hij noodig voor slaap- en broedplaatsen.

Behalve in den broedtijd brengt hij den geheelen dag slapend of rustend door; eerst wanneer de schemering aanvangt, begint hij te zwerven en te jagen. Door zijne bewegingen verschilt hij in menig opzicht van andere Reigers. Werkelijk schuw kan men hem niet noemen, hoewel hij altijd een zekere voorzichtigheid toont. Hierbij valt op te merken, dat men hem gewoonlijk slechts over dag ontmoet en dan met een slapenden of althans slaperigen Vogel te doen heeft. Deze zelfde Vogel is, wanneer de nacht aanbreekt, wel niet bijzonder opgewekt, maar toch wakker en bedrijvig en tevens in alle omstandigheden voorzichtig: angstvallig ontwijkt hij ieder naderend mensch en is nog schuwer, als hij zich vervolgd ziet. Hij vischt ongeveer op dezelfde wijze als de Dagreigers, althans geheel zonder gedruisch. In één opzicht onderscheidt hij zich van vele zijner verwanten: hij is veel gezelliger van aard dan zij, minstens even gezellig als de Koereiger.

De broedtijd valt in de maanden Mei tot Juli. De Kwakken vestigen zich dan met leden van verwante soorten in bepaalde reigerbosschen of vormen afzonderlijke broedkolonies.

In vroegere eeuwen was de jacht op Kwakken, naar het schijnt, een geliefd bedrijf; het werd tot de groote jacht gerekend en de Vogels werden als wildbraad hoog geschat. Tegenwoordig worden zij door stroopers ijverig vervolgd wegens de drie witte nekveeren, die men „Bismarckveeren” noemt en waarvan vederbossen worden gemaakt. Gevangen exemplaren ziet men in de meeste diergaarden. Vermakelijk kan men ze niet noemen, daar zij ook in gevangenschap den geheelen dag slapend doorbrengen.


Tot het geslacht der Nachtreigers wordt ook nog wel gerekend een zeer eigenaardige soort, de Schuitbek of Lepelbekreiger, de Savakoe der Zuid-Amerikanen (Nycticorax cancrophagus of Cancroma cochlearia), die wel in kleur en grootte veel overeenkomst vertoont met onzen Kwak, maar van dezen en van alle overige Reigervogels verschilt door zijn vreemdsoortigen, wanstaltigen, zwak gewelfden, buitengewoon breeden, omgekeerd lepelvormigen bovensnavel, welks stompkantige rug van voren haaksgewijs naar beneden gebogen is en welks eivormige, eenigszins uitgeholde bovenvlakte als de bodem van een omgekeerd, platboomd schuitje in den voorrand en de zijranden overgaat. Het voorhoofd, de keel, de wangen en de voorhals zijn wit, de onderhals en de borst geelachtig wit, de veeren van den rug lichtgrijs, het achterste deel van de bovenhals en de buik tot aan den stuit roestroodbruin, naar de zijden in zwart overgaande, de slagpennen en stuurpennen witachtig grijs. De iris is bruin, van binnen met een grijzen rand, de snavel bruin, aan den rand van de onderkaak geel, de voet geelachtig. De lengte bedraagt 58 cM.

De Savakoe bewoont de struiken en het riet van de oevers van alle stroomen der Braziliaansche wouden; hij leeft eenzaam of in den broedtijd paarsgewijs. Men ziet hem in het dichte struikgewas van de rivieroevers op tamelijk hoog boven het water gelegen twijgen zitten, in de wouden van het binnenland veelvuldiger dan in de nabijheid van de zee; bij ’t naderen van een boot huppelt hij echter tamelijk behendig van de eene twijg op de andere, om zich schielijk te verbergen. Zijn voedsel bestaat, naar men zegt, uit allerlei waterdieren, hoewel niet uit Visschen.


Een van de vreemdsoortigste Vogels van Afrika en van de geheele wereld is de Schoenbek (Balaeniceps rex). Hij heeft een zwaren romp, een dikken hals en een grooten kop met een kolossalen, op een lomp gefatsoeneerden schoen of klomp gelijkenden snavel, welks wijd uiteenstaande onderkaakshelften tot aan hun vereenigingspunt door een lederachtigen huid verbonden zijn. De grondkleur van het vederenkleed is fraai aschgrauw; de randen van de groote bekleedingsveeren zijn lichtgrijs, de slagpennen en stuurpennen grauwzwart. Het oog is lichtgeel, de snavel hoornkleurig, de voet zwart. De lengte bedraagt 140 cM.

Deze reus onder de moerasvogels leeft eenzaam, paarsgewijs en in verspreide gezelschappen, zoo ver mogelijk verwijderd van alle door menschen bewoonde oorden, in de ontzaglijk uitgestrekte, meestal ontoegankelijke moerassen van den Witten Nijl en van eenige zijner bijrivieren, vooral in het land van de Kitsj- en Noeër-negers, tusschen 5 en 8° N. B. Gewoonlijk ziet men hem hier visschen in poelen, die met een dicht bosch van riet en papyruszeggen omringd zijn, soms ook bewegingloos (en niet zelden op één poot) staan op een Termietenheuvel, die zich boven een der droge plekken van het moeras verheft; hier heeft hij post gevat om uit te kijken of om zijn spijs te verteren. Schuw en voorzichtig vlucht hij bij de nadering van een mensch, wanneer deze nog veraf is; onder luid gedruisch vliegt hij dan laag en log over het riet, dat hem weldra aan het oog van den toeschouwer onttrekt.

Door zijn wijze van gaan en vliegen gelijkt de Schoenbek op den Maraboe: hij houdt den romp echter meer horizontaal en laat den zwaren kop op den krop rusten. Bij ’t vliegen trekt hij den hals in, zooals de Reigers doen. Het eenige geluid, dat hij maakt, is een luid geklepper met den snavel, overeenkomende met dat van den Ooievaar.

Over een Schoenbek, dien W. Junker gedurende zijne reizen in Afrika gevangen hield, wordt het volgende bericht: „Hij verschafte ons aan boord van ons vaartuig en later in het station Djoer Ghattas veel vermaak. Dagelijks liet ik in mijn grooten badkuip Visschen zwemmen; grappig was het, te zien hoe de groote Vogel dikwijls langen tijd achtereen roerloos in de nabijheid van het water stond, daarna plotseling den kolossalen snavel er in stak, bliksemsnel een Visch van bijna een voet lengte greep en dezen zonder eenig merkbaar bezwaar doorslikte. Hij was ongeloofelijk bedaard en phlegmatisch van aard, toonde aanvankelijk eenigen schroom, maar liet spoedig toe, dat iemand bij hem ging staan. Vermakelijk was de invloed, die hij oefende op de beide kleine Chimpanzees, die voor mijn tochtgenoot Gessi aangekomen waren; zij lieten een grenzenlooze vrees voor onzen Schoenbek blijken. Dit kwam ons zeer gelegen, want de beide Apen gedroegen zich als stoute kinderen; met hun tandenknarsen, bijten en schreeuwen tyranniseerden zij ons letterlijk gedurende onze maaltijden en dwongen ons dikwijls op te staan en weg te loopen, waarna zij zelf op de gevulde schotels aanvielen. De bedaarde en koelbloedige reus kon echter weldra tot ons groot vermaak als oppasser dienst doen en ons verlossen van den last, dien wij van onze indringerige vriendjes hadden. Sedert dien tijd noemde Gessi hem altijd „den diender”. Zoodra in ’t vervolg de Chimpanzees zich bij ons aan tafel onbehoorlijk gedroegen, jankend met de voeten op den grond stampten en op onbeschofte wijze om eten bedelden, werd er eenvoudig om „den diender” geroepen. Dadelijk dreef dan een van de gedienstige negerjongens onze lieve beschermengel naderbij; roerloos als een beeld bleef deze staan en hoewel hij niet de minste notitie van de Chimpanzees nam, poetsten deze tot aller blijdschap met teekenen van groote angst, herhaaldelijk omkijkend, zoo schielijk mogelijk de plaat.”


De Ooievaars (Ciconiidae) zijn betrekkelijk plomp gebouwde Stapvogels met dikken snavel, en lange pooten, maar korte teenen. Hun snavel is lang, recht, langwerpig kegel- en wigvormig, bij sommige een weinig bovenwaarts gebogen, bij andere in het midden uiteenwijkend, aan de spits zijdelings samengedrukt. De pooten zijn zeer lang en forsch, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; tusschen de met dikke, bolle nagels gewapende voorteenen komen kleine spanvliezen voor. De vleugels zijn groot, lang en breed; de korte, afgeronde staart bestaat uit 12 pennen; de kleine veeren aan den kop en den hals zijn smal en langwerpig of kort en afgerond, bij enkele soorten schaars en wollig of zelfs haarachtig, bij andere eindelijk door hoornachtige, lansvormige spitsen gekenmerkt. Het mannetje en het wijfje verschillen in grootte; de jongen hebben doffere kleuren dan de volwassen Vogels.

Schoenbek (Balaeniceps rex).

Schoenbek (Balaeniceps rex).

In alle werelddeelen en in nagenoeg alle aardgordels komen Ooievaars voor. De verblijfplaatsen van de 20 bekende soorten zijn ongelijk; over het algemeen kan men echter zeggen, dat zij aan boschrijke, vlakke, waterrijke gewesten de voorkeur geven boven hoogere en drogere oorden en daarom in bergstreken, steppen en woestijnen niet gevonden worden. De in ’t noorden broedende soorten zijn trekvogels en doorreizen meestal een verbazend groot gebied, de bewoners van ’t zuiden zwerven. Zij zijn uitsluitend over dag werkzaam, hebben een opgerichte houding met rechtstandigen of slechts zwak S-vormig gekromden hals, gaan stappend met een zekere waardigheid, waden gaarne in het water rond, zwemmen echter slechts bij uitzondering, vliegen zeer fraai, licht en meestal hoog, laten zich niet zelden op hunne wieken drijven, beschrijven dikwijls prachtige schreeflijnen, steken onder ’t vliegen den hals en de pooten recht uit en zijn hieraan op een afstand kenbaar. Men hoort van hen geen ander geluid dan een heesch gesis; zij vergoeden echter het gemis van stem door een luid geklepper met den snavel, en geven hierdoor lucht aan verschillende gemoedsaandoeningen. Zij gedragen zich op ernstige en waardige wijze en toonen ook een groote mate van schranderheid bij het beoordeelen van verschillende toestanden. Verscheidene soorten hebben zich vrijwillig onder de bescherming van den mensch geplaatst en zijn halve huisdieren geworden; zij hebben zich echter niet in slavernij begeven, maar behouden in alle omstandigheden hun onafhankelijkheid. Met hunne soortgenooten leven zij gezellig en met de groote moeras- en watervogels in goede verstandhouding, hoewel niet in vriendschap. Kleinere dieren hebben veel van hen te lijden, want zij zijn roovers van beroep en maken niet slechts jacht op Amphibiën, Visschen, Insecten en Wormen, maar in ’t algemeen op alle zwakkere dieren. Behalve van een door hen zelf gedooden buit, maken zij ook gebruik van aas en zijn hierop niet minder belust dan Hyenas en Gieren. Ondanks hun roofzucht, doen zij ons zelden overlast aan; in den regel zijn zij voor ons eer nuttig dan schadelijk. Op hooge boomen en gebouwen bevinden zich hunne uit doode takken en rijsjes samengestelde, van binnen met zachtere stoffen gevoerde nesten. Deze bevatten een klein aantal groote, ongevlekte eieren, die uitsluitend door het wijfje uitgebroed worden, maar waaraan ook het mannetje zeer gehecht is. Zoolang het wijfje broedt, brengt het mannetje haar het noodige voedsel; bovendien bemoeit hij zich later met het grootbrengen der jongen. Alle soorten kunnen getemd worden; men kan ze gemakkelijk met voedsel voorzien en op deze wijze aan den mensch, of liever aan diens woning, zoozeer gewennen, dat zij niet slechts onbeschroomd af en aan vliegen, maar ook den winter hier doorbrengen, of, indien de lust tot reizen hen te machtig is geworden, in de volgende lente op hun vroegere standplaats terugkeeren. Zij wekken onze belangstelling door hun schranderheid, door hun ernstige en waardige houding en door hun gehechtheid aan den persoon, die hen verzorgt; bovendien maken zij zich verdienstelijk door het verdelgen van allerlei ongedierte. Daar zij veel voedsel noodig hebben, behooren zij echter niet tot de goedkoopste kostgangers.


De eereplaats in deze familie komt toe aan den Ooievaar (Ciconia alba); in het graafschap Zutphen heet hij Stork, in de Betuwe Uiver, in de lage Veluwe, in Overijsel en een deel van Drente Eillèver, in Groningen Eiber, in ’t Friesch Earrebarre en Eibert, in het Oud-Friesch Adebar. Zijne veeren zijn vuilwit, met uitzondering van de slagpennen en de langste dekveeren, die een zwarte kleur hebben; het oog is bruin, de snavel lakrood, de voet bloedrood, de kale plek om het oog grauwzwart. Het mannetje is 110 cM. lang, het wijfje iets kleiner.

Met uitzondering van het hooge noorden, bezoekt de Ooievaar alle deelen van Europa, hoewel hij niet overal broedt. Zoo komt hij tegenwoordig in Engeland, waar hij vroeger veelvuldig geweest moet zijn, slechts zelden voor. Ook in Griekenland wordt hij niet meer gevonden: de bewoners van Morea hebben dezen in Turkije voor heilig gehouden Vogel geheel verdreven. In Spanje is de Ooievaar in vele voor hem volkomen geschikte oorden een zeldzame verschijning. Bovendien ontmoet men hem in Zuid-Rusland, in de gewesten om de Kaspische en de Zwarte Zee, in Syrië, Palestina, Perzië, het stroomgebied van den Oxus en Japan, voorts aan den oostkant van de Oude Wereld in het Atlas-gebied en op de Kanarische Eilanden; volgens Layard nestelt hij „ongetwijfeld” ook in Zuid-Afrika. Op zijn winterreis trekt hij door geheel Afrika en Indië. In Nederland houdt hij zich op van de eerste helft van Maart tot in het laatst van Augustus. De datum van aankomst wisselt af van 25 Februari tot 27 Maart en is dus gemiddeld 14 Maart. Enkele voorloopers en achteraankomers zijn hierbij buiten rekening gelaten (sommige komen reeds 20 Februari, andere eerst op 25 April). Evenzoo varieert de tijd van vertrek van 6 Aug. tot 15 Sept. en is dus gemiddeld 24 Augustus (sommige vertrekken reeds 1 Augustus, andere eerst 29 Sept.). In Middel- en Noord-Duitschland wisselt de tijd van aankomst van den Ooievaar af van den laatsten Februari tot den eersten April. (Enkele komen reeds in het midden van Februari, andere eerst in de tweede helft van April.) In het binnenland van Afrika verschijnt hij weinige dagen na zijn vertrek van hier. Hij geeft de voorkeur aan lage, vlakke, waterrijke gewesten, vooral aan poelen en moerassen; hij vestigt zich echter het liefst in landstreken, waar de mensch den bodem ontgonnen heeft. Wel is waar kiezen vele Ooievaars verblijfplaatsen, die ver van menschelijke woningen in de wouden gelegen zijn en bouwen hun groot nest op een dikken boom; de meeste nestelen echter op boerenerven of althans op daken.

Als men zoo gelukkig is de aankomst van den geliefden dakgast te kunnen waarnemen, zal men het paar, dat het vorige jaar hier nestelde, plotseling van een onafzienbare hoogte langs een spiraalvormigen weg op den nok van het dak zien neerdalen; van het eerste oogenblik af schijnt het zich op deze plek zoo goed thuis te gevoelen, alsof het in ’t geheel niet op reis is geweest. Onmiddellijk na zijn terugkomst hervat de Ooievaar zijne gewone werkzaamheden. Het nest dient hem werkelijk tot woning; van hier vliegt hij naar akkers en weiden, naar poelen en moerassen om te jagen, keert in de middaguren gewoonlijk terug, doet ’s namiddags een tweede uitstapje, komt voor zonsondergang weer thuis, kleppert een poos en gaat daarna slapen. Zoo besteedt hij zijne dagen, totdat de voortplantingstijd aanvangt en de zorg voor het broedsel een zekere afwijking van de gewone levenswijze teweegbrengt.

De Ooievaar heeft iets deftigs in zijne bewegingen. Met omhooggericht lichaam stapt hij langzaam en afgemeten voort. Om op te vliegen doet hij eenige weinige sprongen en klieft vervolgens betrekkelijk langzaam de lucht; hij doet dit echter op sierlijke wijze en zonder merkbare inspanning; onder het vliegen beschrijft hij fraai gebogen lijnen, stijgt volgens een prachtige spiraallijn omhoog of daalt op gelijke wijze naar beneden. Staande, buigt hij gewoonlijk den hals een weinig naar achteren en richt de punt van den snavel naar den grond; nooit is zijn houding zoo onbehaaglijk als die van de meeste Reigers; zelfs in volle rust heeft hij een deftig voorkomen. Zelden vervangt hij zijn stappenden gang door een snellere beweging; deze zou hem te zeer vermoeien; op de gewone wijze voortschrijdend, kan hij uren lang op de been blijven. Het vliegen vermoeit hem niet; hij beweegt de vleugels zelden en ook niet vaak achtereen, maar trekt op zeer geschikte wijze partij van iedere luchtstrooming; op zijne wieken drijvend, rijst en daalt hij naar verkiezing; zijne stuurorganen werken zoo uitstekend, dat iedere wending hem gelukt. Zijn verstand is meer dan gewoon ontwikkeld. „Hij weet zich,” zegt Naumann, „naar den tijd en naar de menschen te schikken en overtreft in dit opzicht bijna iederen anderen Vogel; hij weet uit te vorschen of de menschen in zijn omgeving hem genegen zijn. De schuchtere en voorzichtige Ooievaar, die weinige dagen geleden uit een vreemde landstreek is overgekomen, aanvankelijk de menschen ontweek en iedereen wantrouwde, legt onmiddellijk alle vrees ter zijde na het ontvangen van de uitnoodiging, welke opgesloten ligt in het plaatsen van een wagenrad, dat als grondslag voor zijn toekomstig nest kan dienen, op een hoog dak, een boomstam of een staak. Weinige dagen na het aanvaarden van het voor hem bestemde bouwterrein is hij reeds zoo gemeenzaam geworden, dat hij zich van nabij laat bespieden zonder eenige vrees te toonen. Spoedig leert hij zijn gastvriend kennen en van andere menschen onderscheiden; zeer goed weet hij, welke personen hem genegen zijn en welke hij niet moet vertrouwen.” Ver van het nest is de Ooievaar even schuw als al zijne verwanten. Hoewel hij de boeren, de herders en de kinderen als onschadelijke wezens heeft leeren kennen, vermijdt hij iedere toenadering en komt niet licht binnen het bereik van het wapen van den jager, die hem dooden wil. Nog veel voorzichtiger en schuwer gedraagt hij zich op den trek of in ’t algemeen nadat hij zich vereenigd heeft met andere Vogels van zijn soort. In Afrika wijkt hij voor landgenooten, voor Europeanen, steeds op grooteren afstand uit dan voor inboorlingen.

Ooievaar (Ciconia alba). ⅛ v. d. ware grootte.

Ooievaar (Ciconia alba). ⅛ v. d. ware grootte.

Dikwijls hoort men den Ooievaar onschadelijk en goedaardig noemen, toch bezit hij deze eigenschappen in geenen deele. „Zijn voedingwijze maakt,” zegt Naumann, „dat het moorden voor hem een zeer gewoon bedrijf is; somtijds ontziet hij zelfs zijne soortgenooten niet. Er zijn voorbeelden van bekend, dat van elders komende Ooievaars een nest bestormden, op de jongen aanvielen en ze in weerwil van den wanhopigen tegenstand der ouders om ’t leven brachten; op verscheidene plaatsen in hetzelfde gewest gedroegen zij zich op deze wijze.” Soms heeft men opgemerkt, dat getemde exemplaren, die geplaagd werden, hun tegenstander te lijf gingen. De aangeschoten Ooievaar verweert zich dapper; de snavelstooten, waarmede hij tot aan zijn laatsten ademtocht zijne vijanden tracht te treffen, kunnen, daar zij gewoonlijk op de oogen gericht zijn, licht gevaarlijk worden voor menschen of Jachthonden.

Het eenige stemgeluid, dat de Ooievaar voortbrengen kan, is een heesch gesis, dat niet nader beschreven kan worden. Het wordt zelden gehoord, het meest nog van getemde exemplaren, die een buitengewone blijdschap aan den dag willen leggen. Gewoonlijk geeft de Ooievaar uiting aan zijn gevoel door snavelgeklepper; hij bespeelt dit zonderlinge muziekinstrument op werkelijk doeltreffende wijze, nu eens langer, dan weer korter, soms sneller, soms langzamer, sterker of zwakker; hij kleppert van blijdschap en van verdriet, als hij hongerig is en nadat hij zich verzadigd heeft; met geklepper doet hij een liefdesverklaring aan zijn wijfje en klepperend liefkoost hij zijne jongen. Deze leeren de merkwaardige, maar volstrekt niet arme taal van hunne ouders nog eerder dan het vliegen en geven, zoodra zij klepperen kunnen, hierdoor hunne aandoeningen te kennen; vóór dien tijd hoorde men van hen jankende of tsjilpende geluiden.

Het voedsel van den Ooievaar bestaat uit dieren van allerlei soort. Hij is een roofvogel in de uitgestrektste beteekenis van het woord. Waarschijnlijk alleen omdat hij Amphibiën, Muizen, Insecten en Regenwormen het gemakkelijkst kan vangen en op zijne gewone wandelingen het meest ontmoet, geeft hij aan deze dieren de voorkeur; hij doodt echter ook Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en zelfs vergiftige Slangen. Hij eet even graag Visschen als Kikvorschen, maakt nu en dan in troebel water ijverig jacht op hen en verzwelgt soms exemplaren, die zoo lang zijn als een manshand. Als hij zeer hongerig is, worden kleine Slangen zonder eenige voorbereiding doorgeslikt; nog lang bewegen zij zich in zijn hals en sluipen soms weer naar buiten, wanneer hij zich schielijk bukt om een nieuwe prooi te grijpen. Dit maakt, dat zijn jacht een zeer vermakelijk schouwspel oplevert, als hij op den grond verscheidene Slangen voor zich heeft. Ook de vergiftige Adders zijn voor hem een lekkernij; hij pikt ze echter vóór het doorslikken herhaaldelijk in den kop en doet dit zoo krachtig, dat haar de lust tot bijten vergaat. Wanneer hij een enkele maal te vlug en onvoorzichtig te werk gaat en door een Adder gebeten wordt, is hij eenige dagen lang zeer ziek, maar herstelt weder geheel en al. Hij rooft de eieren van alle op den grond nestelende Vogels; de jongen, ook die van Patrijzen, doodt hij zonder genade; zelfs brengt hij soms het geheele vogelnest met wat er in zit, aan zijn kroost. Op weiden en akkers loert hij voor Muizengaten, spietst de Mollen aan zijn snavel, zoodra zij uit den grond opduiken, pakt de jonge Hazen uit het leger op, hoe dapper de moeder zich ook te weer stelt. Op bloemenrijke weiden houdt hij zich ijverig met de vangst van Insecten bezig, grijpt niet slechts die, welke zitten en kruipen, maar tracht ook de vliegende exemplaren in de vlucht op te happen. Van Padden heeft hij een afschuw; uit haat pikt hij ze dood, maar laat ze vervolgens liggen.

Daar de Ooievaar, zooals uit het zooeven gezegde blijkt, schade doet aan de jacht en ook, naar men beweert, Bijen vangt, rekenen de jagers en de bijenhouders hem tot de schadelijke Vogels en verlangen, dat hij uitgeroeid zal worden. Enkele natuuronderzoekers plaatsen zich aan hun zijde, berekenen het aantal door hem gedoode Kikvorschen en verdedigen de stelling, dat hij de akkers en weiden uitmoordt. Het is niet moeielijk de overdrijving aan te toonen, die in deze beweringen schuilt. Zelfs wanneer men in haar vollen omvang de schadelijkheid van den Ooievaar voor de jacht erkent, zal men zich nog wel even moeten bedenken, voordat men over hem een veroordeelend vonnis velt. Hij roeit de Hazen, Patrijzen, Zangvogels, Kikvorschen en Visschen niet uit, vermindert hun aantal niet eens op noemenswaardige wijze; bovendien doet hij geen nadeel aan den landbouw en de houtteelt, waarop toch wel in de allereerste plaats gelet dient te worden. Opmerkzame landbouwers hebben bevonden, dat in jaren, waarin de Ooievaars zeldzaam zijn, het aantal Muizen op bedenkelijke wijze toeneemt en ook andere soorten van ongedierte, vooral Adders, veelvuldiger voorkomen dan gewoonlijk. Dat althans de eerstgenoemde meening gegrond is, zal ieder waarschijnlijk achten, die uit het onderzoek van de uitgebraakte haarballen, het waarlijk onberekenbaar groot aantal Muizen tracht af te leiden, welke door den Ooievaar verdelgd worden. Zoowel de landbouwers als de houttelers hebben dus gelijk, wanneer zij hem als een nuttigen Vogel beschouwen en, met het oog op de door hem bewezen diensten, de onloochenbare overtredingen, waaraan hij zich schuldig maakt, over het hoofd zien.

Hetzelfde nest wordt telkens weer als broedplaats gebruikt: er zijn nesten, die sedert meer dan een eeuw ieder jaar bewoond worden. In den regel komt het mannetje een paar dagen vroeger terug dan het wijfje. Wanneer slechts één van beide terugkeert, hetgeen soms geschiedt, duurt het soms langen tijd, voordat zich bij den overgebleven Vogel een nieuwe echtgenoot voegt; in den regel hebben er dan hevige gevechten plaats om het nest, daar het de begeerlijkheid opwekt van een ander paar, waarschijnlijk jonge Vogels, die gezamenlijk de weduwe of den weduwnaar overvallen en hem of haar trachten te verdrijven of te dooden, hetwelk hun dikwijls gelukt. In een dergelijk geval ziet de mensch zich soms genoopt tusschenbeide te komen om den vrede te herstellen. Uit tal van waarnemingen valt af te leiden, dat de verbintenis van een paar Ooievaars voor het geheele leven gesloten wordt en dat de beide echtgenooten elkander trouw blijven. Als het paar geen stoornis ondervindt, begint het kort na zijn terugkomst in het vaderland zijn nest te herstellen door nieuwe takken en rijsjes aan te voeren en deze boven de oude, min of meer verrotte op te stapelen en door de nestholte met een nieuwe bekleeding te voorzien. Hierdoor worden de hoogte en zwaarte van het nest van jaar tot jaar grooter; dit kan zoo ver gaan, dat de boom of de staak, waarop het nest rust, het niet meer kan dragen en de hulp van den mensch nogmaals vereischt wordt. Op de stevigheid van de woning valt trouwens niet te roemen. Duimdikke takken en stokken, twijgen, doornen, aardkluiten en kleine graszoden vormen er den grondslag van; de tweede laag bestaat uit fijnere rijsjes, halmen en bladen van riet; droge bosjes gras, mest, strootjes, lompen, stukken papier, veeren begrenzen de eigenlijke nestholte. Alle bouwstoffen worden door beide echtgenooten in den snavel aangevoerd; gewoonlijk houdt het wijfje zich meer bepaaldelijk met het bouwen bezig. Beide werken zoo ijverig, dat een nieuw nest binnen acht dagen voltooid is; het herstellen van een oud nest is reeds in twee of drie dagen afgeloopen. Gedurende dezen tijd houdt in den regel de eene Vogel de wacht bij het nest, terwijl de andere uitvliegt om bouwstoffen te halen. Natuurlijk wordt intusschen op de meest afwisselende wijze, men zou bijna kunnen zeggen, op allerlei toonschalen en in verschillende tempo’s, geklepperd uit blijdschap over den voorspoedig volbrachten arbeid. Tegen het midden of het einde van April legt het wijfje het eerste ei, dat binnen weinige dagen door 3 of 4 andere gevolgd wordt. Het is zuiver eivormig en heeft een fijne, gladde, witte, soms eenigszins groenachtige of geelachtige schaal. Het broeden duurt 28 à 31 dagen. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten, het wijfje echter gedurende het grootste deel van den tijd; het mannetje draagt intusschen zorg voor de veiligheid van zijn gezin.

Nadat de jongen uit den dop gekomen zijn, vermeerderen de zorgen van de ouders; zij zijn dan nog waakzamer dan vroeger; nooit verwijderen beide zich te gelijker tijd van het nest. Het eerste voedsel van de jongen bestaat uit allerlei kleine dieren, Wormen, Bloedzuigers, larven, Kevers, Sprinkhanen en andere Insecten; later krijgen zij vasteren kost. Het voedsel, dat de oude Vogel in den krop aanvoert en voor de jongen uitbraakt, wordt hun niet in den bek gestopt; reeds op den eersten levensdag moeten zij zich de moeite geven het zelf op te pikken. De ouders sporen hunne kinderen hiertoe aan door ze bij den snavel te vatten en dezen naar beneden te drukken. Terwijl de oude Vogel bezig is de jongen te voederen, slikt hij telkens een deel van het uitgespuwde voedsel weer in, waarschijnlijk om het nogmaals te verwarmen. Het noodige water wordt door de oude Vogels met het voedsel in den krop aangevoerd en te gelijk met dit uitgespuwd. Als het zeer warm weder is, worden ook de jongen, naar men zegt, met water bespoten; de ouders gaan tevens aan den zonnigen kant van het nest staan om hunne jongen schaduw te verschaffen; bij koud en regenachtig weer daarentegen bedekken zij hen met hun lichaam.—Het familieleven van de Ooievaars levert steeds een onderhoudend, maar niet altijd een aangenaam schouwspel op. Het dak, waarop het nest rust, wordt met hun drek afschuwelijk bevuild; de verrotting van het voedsel dat buiten het nest gevallen is, veroorzaakt veel stank. Niet zelden zal, tot ergernis van de vrouw des huizes, de oude Ooievaar eenige der zooeven gevangen, nog half levende Hazelwormen, Ringslangen of andere griezelige en gevreesde dieren, die hij medenam om er zijne jongen mede te voederen, bij het nest verliezen, zoodat zij bij het dak langs op het erf vallen.—Toch heeft men van het vogelgezin meer genoegen dan last.—De jongen rusten in de eerste levensdagen op den geheelen loop, later op de teenen; ervaren ouders behoeden hen dan tegen het naar beneden vallen door het toevoegen van nieuwe takken en rijsjes aan het nest. De jongen worden spoedig met hun omgeving bekend; reeds vroeg toonen zij, dat hunne oogen voortreffelijk zijn, herkennen op grooten afstand hunne ouders, die met voedsel beladen terugkomen, begroeten hen aanvankelijk met gebaren, later met snavelgeklepper, dat hun in ’t eerst vrij onbeholpen afgaat. Hun groei duurt minstens twee volle maanden. Tegen het einde van dit tijdperk beginnen zij zich in ’t gebruik van hunne vleugels te oefenen, gaan op den rand van ’t nest staan, bewegen hunne wieken en wagen het eindelijk van het nest op den nok van het dak te vliegen. Zoodra zij op hunne vleugels kunnen vertrouwen, maken zij met hunne ouders uitstapjes, maar keren aanvankelijk iederen avond naar het nest terug om hier den nacht door te brengen. Langzamerhand, naarmate de tijd nadert, waarin ouden en jongen de reis naar de winterkwartieren ondernemen, vermindert de gehechtheid van de Vogels aan het verblijf hunner jeugd.

Vóór het vertrek vereenigen alle Ooievaarsfamilies uit de omstreken zich op bepaalde plaatsen, gewoonlijk op weeke, moerassige weilanden. Aanhoudend neemt het aantal leden van het gezelschap toe en tevens de duur van hun dagelijksch samenzijn. In den regel is tegen het einde van Juli de troep voltallig; kort daarna wordt de aanvang van de reis aangekondigd door een geanimeerd afscheidsgeklepper; de Ooievaars stijgen omhoog, vliegen nog eenigen tijd in kringen boven hun geboortegrond en verwijderen zich vervolgens schielijk in zuidwestelijke richting. Waarschijnlijk vereenigen verscheidene troepen zich onderweg en vormen zoo de groote zwermen, waarvan het aantal leden door Naumann op 2000 à 5000 wordt geschat.

De Ooievaar geraakt, wanneer hij uit het nest genomen wordt, spoedig aan de gevangenschap en aan een bepaalden verzorger gewoon, wordt zoo tam, dat men hem kan toestaan naar eigen verkiezing af en aan te vliegen, begroet zijne bekenden met snavelgeklepper en het uitspreiden der vleugels, toont dankbaarheid voor weldaden en vriendelijke behandeling, sluit vriendschap met groote huisdieren, maar maakt zich jegens zwakke dieren aan misbruik van macht schuldig en kan voor kinderen gevaarlijk worden. Als men een mannetje en een wijfje heeft en deze eenige vrijheid laat, nestelen en broeden zij op het erf van hun meester. Wanneer een tamme Ooievaar met een in vrijheid levenden paart en met dezen naar ’t zuiden trekt, keert hij in ’t volgende voorjaar naar ’t erf van zijn meester terug en gedraagt zich hier als vroeger.

Het is gebleken, dat de Huismarter soms jonge Ooievaars overvalt en om ’t leven brengt; er is echter geen roofdier bekend, dat voor de volwassen Vogels gevaarlijk is, tenzij misschien groote soorten van Katten en Krokodillen, die nu en dan een Ooievaar in zijne winterkwartieren buit maken. Toch merkt men geen vermeerdering van het aantal Ooievaars op; zelfs is het in vele gewesten aanmerkelijk verminderd, hoewel de mensch hen gelukkig nergens zoo sterk vervolgt, als door enkelen gewenscht wordt.


De Zwarte Ooievaar (Ciconia nigra), die in den nazomer nu en dan in ons vaderland wordt waargenomen, hoewel hij hier, voor zoover men weet, niet broedt, is gemiddeld 105 cM. lang en heeft 198 cM. vlucht (lengte van den vleugel 55, van den staart 24 cM.). De veeren van den kop, den hals en de geheele bovenzijde zijn bruinzwart, met prachtigen koper- of goudgroenen en purperen weerschijn; de bovenborst en de verdere onderdeelen zijn wit, de slagpennen en staartveeren bijna zonder glans. Het oog is roodachtig bruin, de snavel bloedrood, de voet hoog karmijnrood.

De Zwarte Ooievaar bewoont Middel- en Zuid-, zeldzamer Noord-Europa, vele landen van Azië en in den winter Afrika. Hij nestelt in vele stille wouden van de Noord-Duitsche vlakte, komt in de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie vooral in Middel-Hongarije en Galicië veelvuldig voor, broedt in Skandinavië in kleinen getale tot 60° N.B., in Rusland en Polen hier en daar, in Denemarken op geschikte plaatsen overal, niet zelden in de laaglanden bij den Donau en in Turkije. In Azië strekt zijn broedgebied zich uit over geheel Toerkistan en Zuid-Siberië, over Mongolië en China.

In tegenstelling met den Gewonen Ooievaar kiest hij steeds wouden, nooit echter oorden, waar menschen wonen, tot verblijfplaats. Evenals zijn naaste verwant verkiest hij de vlakte boven het gebergte, waterrijke streken boven droge; toch vestigt hij zich ook wel in een droge of bergachtige streek, als hij er in een stil, weinig door menschen bezocht woud oude boomen met kale takken of dooden top aantreft. Zulke boomen verschaffen hem een broedplaats en een nachtverblijf.


De Reuzenooievaars (Mycteria) zijn de grootste leden van hun familie. Zij hebben een gestrekten romp, een betrekkelijk langen en tevens slanken hals, een tamelijk grooten kop en een zeer langen snavel; deze heeft een nagenoeg rechtlijnigen of eenigszins naar boven gekromden rug; de ondersnavel is daarentegen vrij sterk naar boven gebogen; soms prijkt de bovensnavel met een zadelvormige washuid, de ondersnavel met lellen.


Bij den Zadelbekooievaar (Mycteria senegalensis) zijn de veeren van kop en hals, de bovendekveeren van den vleugel, de schouderveeren en de staart zwart met metaalglans, de overige veeren, de slagpennen er onder begrepen, schitterend wit. Het oog is hooggeel, de snavel aan den wortel rood, verderop zwart, aan de spits bloedrood; de breede, van achteren door een smallen zoom van zwarte veeren begrensde washuid, die den snavelwortel als een zadel bedekt, kan in alle richtingen bewogen worden en heeft, evenals de lellen, een hooggele kleur; de loop is grijsbruin, de teengewrichten zijn karmijnrood. Het mannetje is 146. cM. lang.

Alleen hij, die den Zadelbekooievaar levend en in de vrije natuur heeft leeren kennen, die hem gezien heeft, terwijl hij staat of gaat, of vliegend boven het donkere woud kringen beschrijft, kan den indruk, dien deze kolossale Vogel wekt, begrijpen en zijn schoonheid ten volle beseffen. Buitengewoon fier en recht is zijn houding gedurende het gaan; zijne lange pooten doen hem dan nog grooter schijnen dan hij werkelijk is. Het is een lust hem door ’t luchtruim te zien zwieren; de witte slagpennen maken dan nevens de zwarte bovendekveeren van den vleugel een prachtig effect.

Daar men in de maag van den Zadelbekooievaar Visschen, Amphibiën en Kevers vond, zal zijn voedsel wel in hoofdzaak gelijk zijn aan dat van zijn inheemschen verwant. Andere onderzoekers leerden hem als een Sprinkhanenverdelger kennen. Rüppell’s jagers schoten er een bij het aas; ook Von Heuglin heeft er een buit gemaakt, die aan Gieren en Maraboes de overblijfselen van een gestorven Kameel betwistte. Tegenwoordig komen deze Vogels niet bijzonder zelden in onze diergaarden voor. Men kan ze met vleesch en visch zeer goed in ’t leven houden; zij worden weldra even tam als andere Ooievaars, leeren hun oppasser kennen en van andere menschen onderscheiden, begroeten hem met geklepper, zoodra zij hem zien komen, gehoorzamen zijn bevel en laten toe, dat hij hen aanraakt.

De Amerikaansche Reuzenooievaar, in Brazilië Jabiroe genoemd (Mycteria americana), heeft een wit vederenkleed en een rooden ring om het onderste gedeelte van den hals; de overige deelen van den hals, de kop, de naar boven gekromde snavel en de pooten zijn zwart. Hij houdt zich op aan de meren of moerassen van tropisch Amerika in de nabijheid van bosschen, rust en nestelt op boomen, legt twee eieren en kleppert met den snavel gelijk een Ooievaar.


De leelijkste van alle Ooievaars worden Kropooievaars (Leptoptilus) genoemd, omdat hun slokdarm aan den onderhals een wijden zak vormt, die wel is waar weinig op een echten krop gelijkt, maar toch op dezelfde wijze gebruikt wordt. Overigens kenmerken zij zich door den forschen, bijna plompen romp, den dikken, onbevederden hals, den naakten of hoogstens met weinige donsveeren begroeiden, met een afschilferenden huid bekleeden kop, den kolossalen, aan den wortel zeer dikken, vierzijdigen, van voren in een wigvormige spits uitloopenden, lichten snavel, de lange pooten, de zeer groote, afgeronde vleugels en den middelmatig langen staart, de buitengewoon sterk ontwikkelde onderdekveeren heeft. Deze veeren zijn onder den naam van „Maraboe-veeren” algemeen bekend, worden als sieraad gedragen en zijn hiervoor uitnemend geschikt wegens hare fijne, onderling niet tot een vlag vereenigde baarden.


Maraboe (Leptoptilus crumenifer). ⅛ v. d. ware grootte.

Maraboe (Leptoptilus crumenifer). ⅛ v. d. ware grootte.

Bij den in Afrika levenden Maraboe (Leptoptilus crumenifer), is de kop vleeschkleurig en slechts schaars bedekt met korte, haarvormige veeren, zoodat men de als ’t ware met korsten bedekte huid meestal duidelijk kan zien; ook de hals is naakt en roodachtig vleeschkleurig. De mantelveeren zijn donkergroen met metaalachtigen glans, de onderdeelen en nek wit, de slagpennen en stuurpennen zwart en zonder glans; de groote bovendekveeren van den vleugel hebben aan de buitenvlag een witten rand. Het oog is bruin, de snavel vuil witachtig geel, de voet zwart, maar in den regel wit bepleisterd met drek. Totale lengte 160, vlucht 300, lengte van den vleugel 73, van den staart 24 cM.

Behalve door zijn grootte, trekt deze Vogel door zijn lachwekkende deftigheid de aandacht. Hij doet, gelijk Vierthaler zegt, denken aan een door veeljarigen dienst krom gebogen hoveling, die, uitgedost in een blauwzwarten rok en witten spanbroek, het door een vuurrooden pruik gedekt hoofd voortdurend schuw en angstvallig naar zijn strengen gebieder keert, wiens bevelen hij afwacht. Hij herinnert mij aan iemand, die voor de eerste maal een rok aanheeft en dit kleedingstuk op niet zeer gracieuse wijze draagt. De wijze, waarop de Maraboe zich beweegt, is niet minder vermakelijk dan zijn gestalte en zijn houding; een onverstoorbare kalmte spreekt uit al zijne gebaren; zijn gang, iedere stap, dien hij doet, elke wending van den kop is als ’t ware berekend, nauwkeurig afgemeten.

Waarschijnlijk is er geen Vogel, die den Maraboe in vraatzucht evenaart. In de vrije natuur bestaat zijn voedsel gewoonlijk uit allerlei Gewervelde Dieren, welker grootte afwisselt tusschen die van een Rat of van een jongen Krokodil en die van de kleinste soort van Muizen; hij eet echter ook Schelpdieren, Spinachtigen en Insecten en houdt veel van aas. Men haalde uit zijn krop geheele runderooren en runderpooten met hoeven en al, ook beenderen van zulk een grootte, dat een andere Vogel ze in ’t geheel niet zou hebben kunnen verzwelgen; men heeft hem aarde, waarop bloed gestort was, en met bloed bemorste vodden zien doorslikken; exemplaren, die vleugellam geschoten waren, pakten, voordat zij vluchtten, nog in der haast een flinken hap. Met de Gieren en de Honden ligt de Maraboe voortdurend overhoop. Hij strijkt geregeld met de Gieren op het aas neer en weet zich op zijn plaats aan dezen disch te handhaven.

De jacht op Maraboes is moeielijk, wegens hun buitengewone schuwheid. Zelfs, wanneer men zich naar de slaapplaats van deze schrandere dieren begeeft, kan men er niet vast op rekenen, hen te zullen verschalken. Gemakkelijker is het, althans voor den inboorling, aan wiens verschijning de Maraboes gewoon zijn, hen te vangen. Men werpt een schapebout, die aan een stevig, lang touw gebonden is, te midden van het overige afval. De Maraboe, die het lokaas inslokt, zit als aan een hengel vast en wordt gevangen, voordat hij tijd heeft gehad om het been uit te werpen.

In onze diergaarden ontbreekt de Maraboe gewoonlijk niet, omdat hij meer dan eenige andere Vogel van zijn grootte de aandacht trekt. Men kan hem bij allerlei gevogelte houden, zonder dat men voor zijne metgezellen behoeft te vreezen, want reeds op den eersten dag van hun samenzijn zullen allen zijn opperheerschappij erkennen; grooten en kleinen gaan hem voorzichtig uit den weg en gunnen hem den voorrang aan den voederbak. Zoodra hij zich verzadigd heeft, is hij het goedaardigste dier van de wereld; nooit zal hij, zonder geplaagd te zijn, met een ander dier twisten. Maar ook voor den Maraboe behoeft men niet bezorgd te zijn, zelfs bij aanwezigheid van gevaarlijke dieren. Een tam exemplaar, dat op ons erf in Khartoem rondliep, wist in korten tijd zich door alle overige dieren te doen eerbiedigen en deed zelfs onze jonge, plaagzieke leeuwin, die uit pure baldadigheid een aanval op den Vogel had gewaagd, gevoelen, dat het niet raadzaam was met hem gekheid te maken. Onmiddellijk nadat de aanval gebeurd was, keerde de Maraboe zich tegen de Leeuwin en gaf deze met den kolossalen, wigvormigen snavel zulk een gevoelige les, dat „Bachida” het geraden achtte zoo snel mogelijk te retireeren en bij een omheining naar boven klauterde om zich in veiligheid te stellen, toen zij door den dapperen Vogel vervolgd werd.


De Gapers (Anastomus) hebben een dikken, zijdelings samengedrukten, aan de randen binnenwaarts gebogen snavel, welks fijn getande zijranden slechts aan den wortel en aan de spits samenkomen, in het midden echter uiteenwijken.


De Afrikaansche Gaper (Anastomus lamelligerus) is een weinig kleiner dan de Gewone Ooievaar. Zijn vederenkleed onderscheidt zich van dat der overige Ooievaars, doordat de schaften van alle veeren aan hals, buik en schenkels, ongeveer op dezelfde wijze als bij den Pestvogel en het Sonnerat-hoen, aan de spits in lange hoornplaatjes veranderd zijn. Deze plaatjes hebben, evenals de schaften, een groenachtigen en purperkleurigen glans; zij verschaffen aan het vederenkleed, dat er overigens zwart uitziet, een eigenaardige bekoorlijkheid.

Deze Vogel bewoont het midden en het zuiden van Afrika.

Vóór het aanbreken van den dag, dikwijls reeds in den diksten nevel, vertoont hij zich in broeklanden en moerassen, bij regenvijvers en ook aan de zeekust om Slakken en andere Schelpdieren, Visschen en Kikvorschen te vangen. Slakken maken het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uit; naar het schijnt, behelpt hij zich vaak met Schaaldieren, Sprinkhanen en Wormen en maakt ook van dierlijken afval gebruik. De Slakken worden uit het water, de Mossels uit het slijk opgevischt; hij weet de schelpen behendig te openen en van hun inhoud te berooven.


Aan de Ibissen herinneren de Nimmerzats (Tantalus). Zij hebben een forsch gebouwden romp, een middelmatig langen hals en een tamelijk grooten kop; de snavel is lang, afgerond en aan de scherpe zijranden duidelijk naar binnen gebogen; de hooge en krachtige loop draagt lange teenen, die door een breed vlies met elkander verbonden zijn; de spits van de breede en lange vleugels wordt gevormd door de tweede slagpen; de staart is kort, het kleed uit talrijke, hoewel kleine, bij enkele soorten zacht en fraai gekleurde veeren samengesteld.


De Nimmerzat (Tantalus ibis) is wit, op den rug met rozerood waas; de vleugeldekveeren en schouderveeren zijn geteekend met een vóór de witte spits staande, rozeroode of purperkleurige vlek met smallen, donkerder zoom; de slag- en stuurpennen zijn glanzig groenzwart, de dekveeren van de onderzijde van den vleugel gelijken op die van de bovenzijde, maar zijn nog prachtiger van kleur. Het oog is geelachtig wit, de snavel wasgeel, de voet lichtrood, het naakte aangezicht vermiljoenrood. De lengte bedraagt 90 à 104 cM.

Middel-Afrika is het vaderland van den Nimmerzat. Benoorden 18° Z.B. heeft men hem aan alle wateren van het binnenland, in kleinen getale ook aan de zeekust gevonden. In Augustus draagt hij zijn prachtkleed; men mag het er dus voor houden, dat hij in September broedt.

In de morgen- en avonduren houden deze Vogels zich met de jacht bezig; naar het schijnt, vangen zij allerlei kleine dieren zonder uitzondering, dus ook Zoogdieren en jonge Vogels, hoewel Visschen, Wateramphibiën en Wormen wel het hoofdbestanddeel van hun voedsel zullen uitmaken. Des middags ziet men ze gewoonlijk in talrijke scharen op zandige eilanden in den stroom of in ondiep water staan, of ook wel op boomen uitrusten. Door hun wijze van gaan en vliegen gelijken zij zoozeer op onze Ooievaars, dat er eigenlijk geen belangrijk verschil tusschen beider beweging valt op te merken.

In den laatsten tijd heeft men vaak jonge Nimmerzats uit West-Afrika levend naar Europa overgebracht. Het is niet moeielijk hen hier in ’t leven te houden, daar zij tevreden zijn met soortgelijk voedsel als de Ooievaars. Ons klimaat bevalt hun echter niet en vorst kunnen zij niet verdragen. Hoewel hunne gewoonten aan die der Ooievaars herinneren, steken zij bij deze gunstig af door hun zachtmoediger aard en hun buitengewone verdraagzaamheid. Volgens Bodinus onderscheiden deze Vogels zich door de eigenaardigheid, dat zij den geopenden snavel in ’t water steken, alsof zij er op rekenen, dat de Visschen uit vrije verkiezing hun in den bek zullen zwemmen. Deze waan zou slecht passen bij den naam „Nimmerzat”, dien zij trouwens niet verdienen, daar zij volstrekt niet vraatzuchtiger zijn dan hunne verwanten.