Fuut (Colymbus cristatus). ¼ v. d. ware grootte.
De Fuut houdt zich hier te lande op van April tot September; sommige exemplaren overwinteren aan de kust. Des zomers houdt hij verblijf op groote plassen of meren, die gedeeltelijk met riet en andere moerasplanten begroeid zijn, bij voorkeur op een watervlakte van tamelijk groote uitgestrektheid, zoodat hij te midden van deze beveiligd is tegen een schot. Meer nog dan zijne kleinere verwanten is hij aan ’t water gehecht, omdat het staan en het gaan hem meer moeite kosten. Geen hunner is bekwamer in ’t zwemmen en duiken; zijn volharding vergoedt, wat hem aan behendigheid ontbreekt. Naumann heeft waargenomen, dat hij onder water een afstand van meer dan 60 M. in een halve minuut aflegt. Zijn vlucht is betrekkelijk snel, geschiedt volgens een rechte lijn en veroorzaakt een hoorbaar gedruisch. Boven alle leden zijner familie munt hij uit door voorzichtigheid en schuwheid. Overal waar hij zich niet geheel veilig acht, blijft hij in ’t open water, liefst op een paar honderd schreden afstands van den oever, om door niets verhinderd te zijn in ’t rondkijken en ieder gevaar van verre te kunnen ontdekken. In den voortplantingstijd nadert hij het riet aan den oever slechts dan, als er geen menschen in de nabijheid zijn. Wanneer hij hier overrompeld wordt, verschuilt hij zich soms in het riet, maar verlaat dit, zoodra er kans bestaat om onder water door naar de open ruimte terug te keeren, waar hij dikwijls alleen met den kop boven water komt, om daarna opnieuw te duiken en verder te zwemmen, totdat hij zich veilig acht. Men ziet hem nooit of nooit lang achtereen in het gezelschap van andere Vogels; gedurende den broedtijd wil hij zelfs met zijne soortgenooten niets te maken hebben. Als verscheidene paren in een plas nestelen, handhaaft ieder paar zich streng in zijn gebied en duldt hier geen ander.
De krachtige, ver hoorbare stem van den Fuut biedt veel verscheidenheid aan. Het dikwijls herhaalde geluid „kökökök” dient voor het gewone verkeer tusschen beide seksen; de luide klank „kraor” of „kroeor” vervangt als ’t ware het gezang van andere Vogels, en wordt daarom hoofdzakelijk gedurende den paartijd vernomen; dit geluid klinkt, alsof het door den waterspiegel versterkt en verder voortgeplant wordt, zoodat men het onder den wind op een afstand van een uur gaans kan hooren. In de nabijheid van het nest schreeuwen de Fuuten trouwens niet of slechts zelden: schranderheid en vrees verbieden hen hier veel leven te maken. Het nest wordt in de nabijheid van riet, zeggen of biezen steeds dicht bij het open water en op grooten afstand van den vasten wal, dikwijls geheel vrij in het water gebouwd en daarna aan eenige halmen bevestigd. Het is ongeveer 30 cM. breed en 15 cM. hoog. De holte is zeer ondiep en ontstaat, naar ’t schijnt, langzamerhand door de drukking van den daarop rustenden Vogel. Het geheel gelijkt zoozeer op een toevallig door den wind bijeengedreven hoop rottende plantendeelen, dat een ongeoefende het niet voor het nest van een Vogel zal houden. Men moet zich er over verwonderen, dat deze natte massa den tamelijk zwaren Vogel kan dragen en nog meer, dat zij niet omkantelt, als de Vogel er op of er af klimt. Het aantal eieren bedraagt vier, soms één meer, soms een minder; zij liggen half in het water, zijn aanvankelijk zuiver wit, maar nemen weldra een vuil leemgele kleur aan. Het mannetje en het wijfje broeden beurtelings zeer ijverig en toonen groote liefde voor hun gebroed. Tegen vliegende roovers, b.v. Kraaien, verdedigt het wijfje hare jongen met heldenmoed en niet zelden met succes, door uit het water op te springen en onder jammerlijk geschreeuw naar den vijand te happen en te steken.
De jongen worden door beide ouders gehoed; de vader neemt echter vooral de taak van schildwacht op zich. Aanvankelijk houden de ouders met den snavel hunne jongen kleine insectenlarven voor, later leggen zij deze voor hen op het water neer; zoodra de jongen 8 dagen oud zijn, krijgen zij onderricht in ’t duiken; de moeder legt een vischje voor hen neer; zoodra hare kinderen het willen grijpen, neemt zij het weer weg, duikt en noodigt de teleurgestelde kleintjes door den klank „kwoeang” uit haar te volgen.
In de vrije natuur voedt de Fuut zich bijna uitsluitend met Visschen, hoewel hij groote Insecten geenszins versmaadt. In vijvers, waar Visschen worden gekweekt, kan hij derhalve eenige schaden aanrichten, die echter daar, waar men groote Visschen houdt, van weinig beteekenis is en in ieder geval door het voordeel, dat de Vogel verschaft, wordt vergoed. Zijn vleesch is niet eetbaar, maar zijn rijk bevederde huid, bij de bontwerkers onder den Franschen naam „grêbes” bekend, wordt voor het vervaardigen van kragen en dergelijke artikelen zeer gezocht; hierdoor wordt de vervolging, die men den Fuut doet ondergaan, eenigermate verontschuldigd. Algerië voert ieder jaar 40.000 stuks van deze en dergelijke vogelhuiden uit, Siberië omstreeks 1½ millioen.
In een doelmatig ingerichte kooi, waarin een niet te kleine waterbak moet zijn, kan men den Fuut met kleine Visschen in ’t leven houden. Op een kleinen vijver in een tuin gevoelt hij zich weldra thuis, geraakt in weinige dagen aan zijn verzorger gewoon en wordt ten slotte zoo tam, dat hij komt, als men hem roept, en het voedsel, dat men hem toewerpt, aanneemt, zonder zich om de menschen te bekommeren.
De Roodhalsfuut (Colymbus griseigena) is kleiner dan de vorige soort (46 cM. lang, 80 cM. vlucht). De bovenkop, de nek en de achterhals zijn zwart met zwakken, groenachtigen glans; de kuif en de wangkraag zijn veel minder ontwikkeld dan bij de vorige soort; evenals de keel zijn zij aschgrauw, de veeren van de wangen met smallen, grijsachtig witten zoom; de hals is, van voren en aan de zijden helder kastanjebruinrood; op de grijsachtig zwarte bovendeelen vormen de lichtere vederzoomen een teekening; de onderdeelen zien er uit als witte atlas, met donkergrijsachtige schaftstrepen en vederranden in de flanken; de slagpennen zijn zwartachtig; de witte, binnenste armpennen vormen op den vleugel een smallen spiegel. Het oog is karmijnrood, de snavel aan den wortel oranjegeel, overigens zwart, de loop aan de buitenzijde zwartgroen, aan de binnenzijde groenachtig geel.
Deze soort bewoont alle noordelijke landen der aarde en broedt ook bij ons, maar is minder talrijk dan de vorige.
De Kuifduiker of Kleine Zanddrijver (Colymbus auritus) onderscheidt zich door zijn buitengewoon sterk ontwikkelden wangkraag. Deze is zwart met goudgroenen weerschijn, evenals de bovenkop, de achterhals en de bovendeelen. De breede teugelstreep is donker vuurrood, van boven door een zwavelgelen rand begrensd; de voorhals, de kropstreek en de zijden zijn helder bruinrood, de onderdeelen overigens wit als bij beide vorige soorten, de handpennen grijsbruinzwart met donkerbruine schaften, de armpennen van de tweede af zuiver wit. De snavel is zwart; de wortel van de onderkaak echter karmijnrood, evenals de oogen. De pooten zijn groenachtig, maar hebben vleeschkleurige zwemlobben. Lengte 33, vlucht 62 cM.
Deze soort is over den gematigden aardgordel verbreid; gedurende het winterhalfjaar vindt men haar in kleinen getale op onze kust. Een enkel paar werd broedend gevonden te Vlijmen (Noordbrabant).
De Geoorde Fuut (Colymbus nigricollis) is slechts weinig kleiner dan de Kuifduiker (lengte 33, vlucht 60 cM.); hij heeft een dunneren, eenigszins naar boven gekromden snavel. Een breede, bij het oog beginnende, de oorstreek bedekkende teugelstreep is helder goudgeel en neemt aan den boven- en onderrand een roodachtige tint aan. De overige deelen van den kop benevens de hals en de bovendeelen zijn zwart, de bovenborst en de zijden helder bruinrood, de borst en het midden van den buik atlas-wit, de handpennen, de binnenste armpennen en de bovenste vleugeldekveeren grijsachtig zwart, de 6e handpen aan het einde, iedere volgende ook verder bovenwaarts, wit gezoomd, de korte armpennen zuiver wit. Het oog is helder rood, de snavel zwartachtig groen, de voet grijsgroen.
Deze soort bewoont den gematigden gordel van de Oude Wereld. Een klein getal bezoekt ons in het voor- en najaar op den doortrek. Een enkel exemplaar blijft ’s winters aan de kust. Enkele paren werden broedend gevonden in Zuid-Holland en Noordbrabant (Albarda).
De algemeenste van onze Zoetwaterduikers is de Dodaars, Kleine Fuut of Kleine Duiker, bij Haarlem, Hagelzakje, in Friesland Kleine Aalduiker, in Limburg Duikertje genoemd (Colymbus fluviatilis). Bij dezen zijn de kopveeren slechts weinig zijwaarts verlengd en ontbreekt de witte spiegel op den in rust verkleurenden vleugel, daar de armpennen alleen op de binnenvlag wit zijn. In het prachtkleed zijn de veeren van de bovendeelen glanzig zwart met bruinachtigen weerschijn, die van de onderdeelen grijswit met donkerder, wolkachtige vlekken; de keel en de plek vóór het oog zijn zwartachtig, de zijden van kop en hals en de gorgel kastanjebruinrood. Het oog is roodachtig bruin, de teugel geelachtig groen, de snavel aan den wortel geelgroen, aan de spits zwart, de loop aan de buitenzijde zwart, aan de binnenzijde licht hoornkleurig. In het herfstkleed zijn de bovendeelen meer bruingrijs, de onderdeelen atlas-wit, de kop en de hals lichtgrijs. Lengte 25, vlucht 43, vleugellengte 10 cM.
Het verbreidingsgebied van den Dodaars is ongeveer hetzelfde als dat van zijn grooteren verwant; veelvuldiger komt hij echter gedurende den winter in Noord-Afrika voor. Hier te lande broedt hij vooral aan rivieren, meren, poelen en plassen en overwintert er niet zelden; bij gesloten water houdt hij zich in wakken op. De exemplaren, die in den herfst naar ’t zuiden trekken, hebben voor ’t meerendeel in Zuid-Europa hunne winterkwartieren. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en hunne larven; daarom geeft hij aan modderig en troebel water de voorkeur, in eigenschappen en levenswijze komt hij met zijne verwanten overeen; evenals deze, is hij een meester in ’t zwemmen en duiken. Hij vliegt echter slecht en doet dit dan ook hoogst ongaarne met zeer snelle korte slagen, „als een sprinkhaan”, zegt Naumann. In tijden van gevaar duikt hij onder, zwemt naar een met planten dicht bedekte plaats, en blijft hier onder water, met den snavel er boven, zoolang verborgen, als hij raadzaam oordeelt. Zijn stem is een als „bieb” of „biebie” klinkend gefluit, dat soms, vooral in den paartijd, zoo dikwijls herhaald wordt, dat het op een triller gelijkt.
Het nest rust op het water tusschen riet, biezen, grassen en andere waterplanten; het is nooit verborgen in dicht begroeide gedeelten van den plas, maar gewoonlijk vrij, zoodat men het van den oever kan zien, hoewel men het niet licht zal herkennen; steeds is het zoo ver mogelijk van den oever verwijderd. Het is een even slordige opeenhooping van plantendeelen als het nest van den Fuut, maar naar verhouding grooter. Tegen het einde van April of in ’t begin van Mei vindt men in de ondiepe nestholte 3 à 6 kleine, langwerpige, oorspronkelijk witte eieren, welker kleur door de bestanddeelen van het nest sterk gewijzigd wordt. Beide ouders broeden om beurten 20 à 21 dagen.
De gevangen Doodaars gaat aanvankelijk plat op de borst en den buik liggen, steekt nu en dan den kop omhoog en gedraagt zich, alsof hij zoomin staan als gaan kan, later echter begint hij rond te loopen, kijkt naar den voor hem gereed staanden bak met water, loopt er omheen, klimt er eindelijk in en vleit zich neder. Dikwijls rent hij pijlsnel als een Leeuwerik de kamer rond. Als men hem pakken wil, gaat hij op den buik liggen en wacht zijn lot af, of vlucht in een hoek. Nooit tracht hij te vliegen; zijne vleugels blijven steeds onder de draagvederen, dicht tegen den romp aangedrukt. Als men Waterinsecten of kleine Regenwormen in een schotel met water doet, loopt hij er om heen en vischt ze er uit.
De kleine familie van de Zeeduikers (Urinatoridae) omvat slechts 4 soorten. Deze zijn over ’t algemeen grooter dan de Zoetwaterduikers, hebben een grooteren, overal met korte veeren begroeiden kop, een dikkeren snavel, een korteren en dikkeren hals, een zeer langwerpige romp, korte, spitse, uit harde veeren samengestelde vleugels en een zeer korten staart, die uit 16 à 20 goed ontwikkelde pennen bestaat. De zwemvliezen zijn niet ingesneden. Het buitengewoon dichte en glad aanliggende vederenkleed is in verschillende jaargetijden en levenstijdperken ongelijk van kleur.
De grootste soort is de IJsduiker of Imbervogel (Urinator glacialis), wiens lengte 95 à 100 cM. bedraagt. In het prachtkleed zijn de bovendeelen en de zijden donker zwart met witachtige, op venstertjes gelijkende vlekken, de kop en de hals groenachtig zwart; het midden van den hals wordt ingenomen door een van voren en van achteren afgebroken halsband, die uit witte en zwarte, overlangsche strepen bestaat; aan de voorzijde komt een dwarsstreep van soortgelijke kleur voor; ook de zijden van de bovenborst zijn zwart en wit overlangs gestreept; overigens zijn de onderdeelen atlas-wit. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet aan de buitenzijde grijs, aan de binnenzijde roodachtig vleeschkleurig. In het winterkleed zijn de bovendeelen en de zijden zwartachtig zonder witte venstertjes, de onderdeelen wit, aan de zijden van den kop met zwarte, overlangsche vlekken, welke bij de (overigens ook op deze wijze gekleurde) jongen ontbreken.
De Parelduiker (Urinator arcticus) heeft in het prachtkleed den bovenkop tot in den nek donker aschgrauw, den rug en de vleugels donkerzwart, een plek met witte, op venstertjes gelijkende vlekken op den bovenrug en een andere op de schouderveeren, een plek op den vleugel met blauwachtige stippels, zwarte, overlangsche strepen op de witte zijden van den hals, een witten, zwartgestreepten dwarsband op den zwartgrijzen onderhals, de flanken eindelijk met zwartachtige, overlangsche vlekken geteekend, de onderdeelen wit. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet aan de buitenzijde grijs, aan de binnenzijde roodachtig vleeschkleurig. Het winterkleed is aan den kop en den achterhals donkergrijs, overigens zwartachtig met lichtere randen om de veeren; de witte onderdeelen hebben aan de zijden van den krop zwartachtige en witte strepen; deze strepen ontbreken bij de jongen. Lengte 75 cM.
De Roodkeelige Zeeduiker (Urinator septentrionalis) is de kleinste (lengte 65 cM.). De zijden van kop en hals zijn aschgrauw; de achterhals is zwart en wit gestreept, de onderhals glanzig kastanjebruinrood, de rug bruinzwart; de onderdeelen zijn wit, aan de zijden van krop en borst met zwarte, overlangsche vlekken. In het winterkleed hebben de veeren van de bovendeelen witachtige spitsen en ziet de keelstreek er wit uit. In het jeugdkleed zijn de kleuren nog eenvoudiger. Het oog is licht bruinrood, de snavel zwart, de voet donkerbruin, aan de binnenzijde blauwgrijs, op de zwemvliezen donkerder.
De IJsduiker bewoont het hooge noorden; in den zomer strekt zijn verbreidingsgebied zich noordwaarts ongeveer tot 76 en zuidwaarts hoogstens tot 59° NB. uit; hij wordt vooral aan de zeekusten van Groenland, Spitsbergen, Europeesch en Aziatisch Rusland en van enkele eilanden zooals de Fär-öer, de Orkney-eilanden en de Hebriden aangetroffen; ’s winters zwerft hij rond en daalt dan soms, hoewel zelden, ook naar onze kusten af, waar hij eenige malen (bij Soeterwoude, op Wieringen, bij den Zwarten Haan, bij Schellinkwoude, op het Sneekermeer) gevangen of geschoten werd.
De Parelduiker behoort, naar ’t schijnt, meer oostwaarts thuis en is in Europa, met uitzondering van Noord-Rusland, overal zeldzaam, in Siberië daarentegen veelvuldig; hij broedt ook in het hooge noorden van Amerika; op zijn winterreis bezoekt hij Zuid- en West-Rusland, Denemarken, Duitschland en Nederland. Bij ons wordt hij nu en dan aan de kust en op de binnenwateren aangetroffen. Evenals van de vorige soort, zijn exemplaren in ’t prachtkleed hier uiterst zeldzaam.
Het verbreidingsgebied van den Roodkeeligen Duiker eindelijk is ongeveer gelijk aan dat van de beide vorige soorten bijeengenomen. Bij ons komt hij veelvuldiger voor dan de andere inheemsche leden van zijn geslacht; men treft hem van October tot Maart langs de kust op de rivieren en de groote meren aan.
In aard en gewoonten komen de Zeeduikers zoozeer met elkander overeen, dat wij ons tot de beschrijving van de levenswijze van den Roodkeeligen Zeeduiker kunnen bepalen. Evenals zijne verwanten, is hij een echte zeevogel, die slechts gedurende den voortplantingstijd en in den winter op den trek de binnenwateren bezoekt, overigens echter zich steeds in de zee ophoudt en hier voortdurend ijverig bezig is met de vischvangst; hij kan uitmuntend zwemmen en is een meester in het duiken; hij vliegt ook snel en lang achtereen. Alle Zeeduikers leggen roeiend met groot gemak groote afstanden af; naar verkiezing liggen zij boven op den zeespiegel of laten zich zoo diep zakken, dat slechts een smalle streep van den rug zichtbaar blijft; zij bewegen zich langzaam en op hun gemak, of snellen met verbazingwekkende snelheid voort, verdwijnen zondere merkbare inspanning en ook zonder eenig gedruisch in de diepte, strekken zich hier lang uit, en schieten nu met dicht tegen het lichaam aangedrukte veeren en vleugels, uitsluitend met de voeten roeiend, pijlsnel door het water, nu eens in deze, dan weer in eene andere richting, hetzij op korten afstand onder de oppervlakte of op een diepte van vele vademen. Zij wedijveren in snelheid met de vlugste zwemmers onder de Visschen, want zij vangen deze; zij zwemmen en duiken reeds op den eersten levensdag en later in alle omstandigheden, daar zij zich in ’t water veiliger achten dan zelfs op aanzienlijke hoogte in de lucht. Op den vasten grond zijn zij vreemdelingen. Hoewel ook zij soms het land betreden, lijdt het geen twijfel, dat zij dit minder dikwijls doen dan de meeste overige Vogels, de Fuuten misschien uitgezonderd. Bovendien betreden zij het niet in den eigenlijken zin van het woord, maar schieten slechts uit het water op het droge, want tot een beweging, die den naam van gaan verdient, en zelfs tot rechtop staan, zijn zij niet geschikt. Zij vliegen veel beter, dan men met het oog op de zwaarte van hun lichaam en de kortheid van hunne wieken zou verwachten. Wel moeten de Zeeduikers een flinken aanloop nemen, voordat zij opvliegen; zoodra zij echter een zekere hoogte bereikt hebben, kunnen zij zich door onverpoosde, zeer snelle beweging hunner wieken zeer vlug voortreppen. Alle Zeeduikers hebben een zeer luide stem.
Over de geestvermogens dezer Vogel wordt verschillend geoordeeld; de gelegenheid om met hen nader kennis te maken, wordt ons trouwens slechts zelden geboden. Het blijkt, dat zij uitmuntende zintuigen hebben, vooral een scherp gezicht en een fijn gehoor; spoedig bemerkt men ook, dat het hun niet aan oordeel en overleg ontbreekt. In ’t nauw gebracht, verdedigen zij zich met woede en brengen met den scherpen snavel hun belager ernstige wonden toe.
Naar alle waarschijnlijkheid gebruikt de Zeeduiker uitsluitend Visschen als voedsel. Zoolang hij zich op zee bevindt, bepaalt hij zich stellig tot dezen buit. Zijn grooten bekwaamheid in ’t zwemmen en duiken maakt het hem gemakkelijk zich met het noodige voedsel te voorzien, te meer, daar hij niet bijzonder vraatzuchtig is en geringe eischen stelt.
Alle Zeeduikers begeven zich om te broeden naar kleine, stille zoetwaterplassen niet ver van de kust, die soms echter op aanzienlijke hoogte boven den zeespiegel gelegen zijn. De nesten komen voor op kleine eilandjes of, indien deze ontbreken, aan den oever, altijd zeer dicht bij het water; zij bestaan uit een slordig opeengestapelden hoop droge zeggen en rietgrassen. De nestplaats is volstrekt niet verborgen, zoodat men den broedenden Vogel van verre kan zien. De Roodkeelige Zeeduiker legt twee langwerpige, eenigszins glanzige eieren, die op somber olijfgroenen grond met donker aschgrauwe ondervlekken en roodachtig zwartbruine bovenvlekken, stippels en vlekjes geteekend zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten met gelijken ijver en zorgen gemeenschappelijk voor de leiding der jongen.
Nut verschaffen de Zeeduikers ons niet. Hun vleesch wordt oneetbaar geacht; hunne veeren zijn niet bruikbaar. In hun noordelijk vaderland maakt niemand jacht op hen.
In December 1870 ontdekte Marsh aan de oostelijke helling van het Rotsgebergte (in Kansas), in aardlagen, die tot het middelste gedeelte van de krijtformatie behooren, het onderstuk van een scheenbeen van een Vogel, die Hesperornis („Vogel van het westen”) werd genoemd, omdat men zijn overblijfselen alleen in Noord-Amerika aantreft. In Juni 1871 vond men een volledig geraamte; later werden beenderen ontdekt van een groot aantal individuën, die gedeeltelijk tot andere soorten of zelfs tot andere geslachten worden gebracht, maar wegens hun overeenkomst één familie vormen (Hesperornithidae). Hunne eigenschappen stemmen het meest met die van de Fuutvogels overeen, hoewel zij zich van alle thans levende Vogels onderscheiden door het bezit van tanden. Deze zijn van kegelvormige gedaante en zeer talrijk (14 boven, 33 onder, in elke kaakhelft), niet, zooals die van de Zoogdieren, met wortels in tandkassen bevestigd, maar in een groeve van het kaakbeen, zooals bij de Krokodillen. Het borstbeen had geen spoor van kam; de vleugels waren rudimentair; van voorarm en hand was zelfs geen spoor aanwezig. De achterste ledematen waren zeer krachtig en op de wijze van die der Fuutvogels gebouwd. Hesperornis was ongeschikt tot vliegen, maar kon waarschijnlijk flink zwemmen en duiken. Sommige soorten bereikten een hoogte van 1 M.
In hetzelfde tijdperk, maar in het oostelijk halfrond, leefden de leden van de familie der Enaliornithidae. Enaliornis (het woord beteekent: zeevogel) was zoo groot als een Duif, had goed ontwikkelde vleugels en voor ’t zwemmen geschikte pooten. Vermoedelijk bezat hij tanden, welken evenals die van Ichthyornis, met wortels in tandkassen bevestigd waren.
De laatste onderorde der Stootvogels is die der Gansvogels of Zeefsnaveligen (Anseriformes), welke slechts één familie van hedendaagsche dieren bevat. Deze, door Fürbringer Anatidae genoemd, kan in onze taal gevoegelijk denzelfden naam dragen als de onderorde. Een andere familie van Zeefsnaveligen, die uit thans niet meer levende wezens bestaat, heeft ter eere van Gaston Plante, den ontdekker van het eerste, hiertoe behoorende overblijfsel, den naam van Gastonvogels (Castornithidae) ontvangen. Zij leefden in den aanvang van den tertiairen tijd (in het eocene tijdvak), hadden zeer lange, krachtige pooten en zwak ontwikkelde vleugels. Bij hen, evenals bij de Vinduikers, bleef de vergroeiing der schedelbeenderen onvolkomen. Ook de beenderen, die te zamen het loopbeen vormen en de bestanddeelen der verticale beenplaat aan ’t einde van den staart waren niet volkomen vereenigd. In grootte evenaarden of overtroffen deze Vogels den Afrikaanschen Struis. De grootste soort (Gastornis Edwardsii) was ongeveer 3 M. hoog. In verschillende opzichten kwamen deze voorwereldlijke dieren duidelijk overeen met de thans nog levende Zeefsnaveligen.—De hoofdkenmerken der onderorde zijn: het ontbreken van de bijveder aan de schacht der omtrekveeren, de middelmatig lange, langs de randen met hoornplaatjes bezette snavel, de korte loop, de vereeniging van de voorteenen door een zwemvlies, de kleinheid en de achterwaartsche stand van den binnenteen.
Bekijk een Eend, zoo hebt gij het type van een Zeefsnavelige voor u. Onze aandacht wordt het eerst getrokken door den bouw van den snavel, die den Vogel in staat stelt zijn voedsel op een eigenaardige wijze te verzamelen. Deze snavel is zelden langer dan de kop, gewoonlijk recht, breed, aan de bovenzijde slechts weinig gewelfd; van voren loopt hij in een breeden „nagel” uit; aan de zijden is hij met hoornplaatjes voorzien; die van de bovenkaak vallen tusschen die van de onderkaak. De huid, die den snavel bekleedt, is slechts langs de randen hard, overigens zacht; de takken van het vijfde paar hersenzenuwen, die zich in deze huid verspreiden, maken haar tot een uitmuntend tastorgaan. De groote, vleezige, fijngevoelige tong is slechts aan den rand verhoornd en hier met franjes en tandjes bezet; zij verhoogt aanmerkelijk de geschiktheid van den snavel om den dienst te verrichten van een zeef, waarmede zelfs de kleinste voedseldeeltjes van de hen omringende, oneetbare stoffen afgescheiden kunnen worden. De romp is krachtig; het steeds zeer rijke, dichte en glad aanliggende vederenkleed bevat een overvloed van donsveeren. Prachtig kan men zijn kleur niet noemen, meestal echter wel zeer bevallig; dikwijls, maar niet altijd, is zij verschillend bij mannetjes en bij wijfjes, bij oude en bij jonge Vogels.
Het verbreidingsgebied van de Gansvogels is beperkter dan dat van andere zwemvogels. Wereldburgers zijn ook zij. Met uitzondering van het vasteland aan de zuidpool ontmoet men ze in alle werelddeelen; zij bewonen echter de warme en gematigde aardgordels in veel grooter aantal dan de koude. Het aantal soorten bedraagt 180; zij zijn over 40 geslachten verdeeld, waarvan er 21 in het noordelijke Rijk van de Oude Wereld vertegenwoordigd zijn.
De talenten van de leden dezer familie, hoewel zeer verschillend, zijn toch gelijksoortig. Eenige van hen hebben wegens hunne ver achterwaarts geplaatste pooten een langzamen en waggelenden gang; geen hunner is echter, gelijk sommige Duikers, genoopt om te kruipen; vele zijn zelfs flink ter been en kunnen zonder zichtbare inspanning uren lang gaan; eenige kunnen zich ook in een boomkroon goed redden. Alle zwemmen behendig en met volharding; er zijn er bijna geen onder, die met tegenzin of slechts uit nood te water gaan; de meeste kunnen bovendien tot meer of minder groote diepte duiken, hetgeen sommigen weinig, anderen meer moeite kost; enkele staan de bekwaamste zwemkunstenaars naar de kroon. Bij het duiken gaan zij van den waterspiegel uit; zij zijn „sprongduikers” en geen „stootduikers”. Wat bekwaamheid in ’t vliegen betreft, staan zij duidelijk bij andere Zwemvogels achter. Bijna alle verheffen zich niet dan met betrekkelijk groote krachtsinspanning van het water of van het land in de lucht; zij vallen zoo plomp naar beneden, dat enkele in ’t geheel niet op den grond durven neerstrijken, maar altijd in het water neerdalen om een minder hevigen schok te ondervinden. Na het bereiken van een zekere hoogte is hun vlucht echter zeer snel; zij leggen in één tocht een grooten weg af, maar moeten hunne vleugels onophoudelijk bewegen.
De verstandelijke vermogens van de Zeefsnaveligen zijn misschien geringer dan die van de meest begaafde Stootvogels; stellig overtreffen zij echter die van alle overige Zwemvogels. Wie de Gans, in gedachtelooze navolging van een oude spreekwijze, een dom schepsel noemt, heeft haar nooit goed nagegaan; iedere jager, die Wilde Ganzen heeft trachten te verschalken, zal er anders over oordeelen. De Zwanen, Eenden en Zaagbekken behooren tot de voorzichtigste van alle Vogels, geven blijken van list en sluwheid, weten over toestanden een juist oordeel te vellen en zich spoedig te schikken in veranderde omstandigheden: dit maakt hen zoo bijzonder geschikt voor huisdieren. Over ’t algemeen zijn zij goedhartig, verdraagzaam en tot gezelligheid geneigd. Met warme liefde is het wijfje aan gade en kroost gehecht; het mannetje neemt echter niet altijd deel aan de verzorging der jongen. Met lofwaardigen moed verdedigt het wijfje in tijden van gevaar hare kinderen.
Boven de andere Zwemvogels munten de Gansvogels uit door de veelzijdigheid en welluidendheid van hun stem. Hun voedsel bestaat uit dierlijke en plantaardige stoffen. Slechts weinige Zeefsnaveligen zijn volslagen roofdieren, d.w.z., dat zij in ’t geheel geen plantaardig voedsel gebruiken; even weinige zijn er, die zich uitsluitend met planten voeden.
Het echtverbond van de Zeefsnaveligen duurt tot aan den dood; hun huwelijkstrouw is echter niet boven allen twijfel verheven. Bij de meeste soorten zorgt de moeder voor het uitbroeden der eieren en het opvoeden der jongen. Het nest bevindt zich soms op plaatsen, waar de moerassige bodem eenige stevigheid vertoont, soms op een vast terrein, soms in een hollen boom, in een gat van den grond of in een holte van het gesteente; het is uit verschillende stoffen, gewoonlijk op eenvoudige, kunstelooze wijze samengesteld; van binnen is het echter zeer regelmatig met dons bekleed.
Van een zeer groot aantal dieren hebben de Zeefsnaveligen een vijandige behandeling te duchten, ofschoon de grootste leden van de familie menig roofdier weten af te weren. De mensch vervolgt hen allen, sommige wegens hun smakelijk vleesch, andere ter wille van hunne veeren; hij neemt hunne eieren weg, berooft de nesten van het bekleedende dons en draagt aanmerkelijk bij tot vermindering van het aantal dezer eigenlijk onschadelijke Vogels. Zeer weinige soorten heeft hij tot huisdieren gemaakt en getemd, ofschoon juist de Zeefsnaveligen voor dit doel uitnemend geschikt zijn. Eerst in den laatsten tijd is men begonnen hun de aandacht te wijden, die zij zoo ruimschoots verdienen.
Afgezien nog van de lof, die in sagen en gedichten over de Zwanen wordt uitgestort, zal men aan deze fiere en statige Vogels den eersten rang onder hunne verwanten moeten toekennen. Men vereenigt ze tot een onderfamilie (Cygninae). Zij hebben een langwerpigen romp met zeer langen hals en middelmatig grooten kop. De snavel, die den kop ongeveer in lengte evenaart, is recht, overal even breed, van voren afgerond, aan den wortel naakt of bultig gezwollen, bij de spits een weinig bol en met een afgeronden „nagel” voorzien. Het vederenkleed is zeer rijk, aan den romp buitengewoon dicht, zacht en zonder glans, aan den kop en den hals fluweelachtig, aan de onderzijde dik en vachtvormig, op de bovendeelen uit groote veeren samengesteld; overal is de huid tusschen de omtrekveeren met een overvloed van dons begroeid.
Met uitzondering van de keerkringsgewesten, bewonen de 10 bekende soorten van Zwanen alle aardgordels, het veelvuldigst echter de gematigde en koude landen van het noorder halfrond. Iedere soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied en onderneemt op geregelde tijden reizen, die zich over een grooten afstand uitstrekken. Alle soorten trekken, hoewel zij dit niet in alle omstandigheden doen; niet zelden overwinteren enkele exemplaren in hun vaderland of beperken hunne omzwervingen in het koude jaargetijde tot op korten afstand van hunne broedplaatsen. Zoetwatermeren en waterrijke moerassen zijn hunne eigenlijke woonplaatsen, hoewel zij op allerlei soorten van wateren verblijf houden. Zij nestelen in het binnenland, maar houden zich na den broedtijd in zee op. Hunne werkzaamheden verrichten zij over dag; zelfs hunne reizen hebben nooit ’s nachts plaats. Het water is hun rijk; ongaarne bewegen zij zich op het land. Hun gang wordt bemoeilijkt, doordat de pooten ver naar achteren zijn aangehecht; op het land is hun beweging daarom plomp en waggelend. Dat het vliegen en vooral het opvliegen van uit het water een groote krachtsinspanning vereischt, is duidelijk merkbaar; nadat de Zwaan een zekere hoogte heeft bereikt, komt hij echter snel vooruit. Hij is bijna niet in staat zich van den vasten grond in de lucht te verheffen; nauwelijks durft hij er op neerstrijken. Om van het water op te stijgen, slaat hij met de vleugels en trapt tevens met de breede zolen op den waterspiegel, beweegt zich op deze wijze onder luidklinkend geplas, half loopend, half vliegend, 15 à 20 M. ver en heeft eerst dan de noodige vaart voor het vliegen verkregen. Als het vliegen zal ophouden, laat hij zich zonder vleugelslag langzamerhand in schuinsche richting uit de lucht naar beneden glijden, schiet, nadat hij op den waterspiegel is neergekomen, hierover nog een eind weegs voort of tracht met de naar voren gestrekte voeten den schok tegen het water te verminderen.
Eenige soorten kunnen een geluid voortbrengen, dat eenigszins herinnert aan de stem van den Kraan en op trompetgeschal gelijkt; zij doen dit echter zelden, maar laten gewoonlijk een sterk gesis of een dof gemurmel hooren. Andere soorten daarentegen hebben een sterke en krachtige stem, die zelfs eenige afwisseling vertoont en ons, wanneer zij van een afstand komt, als muziek in de ooren klinkt. De mannetjes schreeuwen vaker dan de wijfjes, hun geluid is voller van toon en krachtiger; de jongen van beiderlei geslacht piepen als Ganzen. De geestvermogens der Zwanen zijn niet geringer dan die van de andere Zeefsnaveligen. Zij zijn schrander en vlug van begrip, regelen hun gedrag naar de omstandigheden en naar de handelingen van de menschen, waarmede zij te maken hebben; de schuwheid en omzichtigheid, die hun eigen zijn, leggen zij echter slechts zelden af. Uit hun houding spreekt zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde, maar ook een zekere boosaardigheid, die zich in het verkeer met soortgenooten van dezelfde sekse als vechtlust, bij ontmoetingen met zwakkere Vogels als heerschzucht openbaart. Jegens zwakkere Vogels zijn zij onvriendelijk en afgunstig; het is, alsof de onbeperkte heerschappij, die zij weldra weten te verwerven, hen nog niet bevredigt: niet zelden worden andere Zwemvogels aanhoudend door hen vervolgd, woedend aangevallen en zonder eenige reden om ’t leven gebracht, alleen uit baldadigheid, om te toonen, dat zij de sterkste zijn.
Het mannetje en het wijfje zijn met trouwe liefde aan elkander gehecht; hun verbintenis wordt voor het geheele leven gesloten. Even teeder toonen de ouders zich jegens hun kroost; want, hoewel het mannetje in den regel niet mede broedt, waakt hij toch trouw voor de veiligheid van het wijfje, blijft voortdurend in haar nabijheid en geeft acht op ieder gevaar; soms begeeft hij zich bij haar op het nest om haar den tijd te verdrijven door zijn tegenwoordigheid. Het nest is zeer groot en zonder kunst gebouwd; de grondslag bestaat uit allerlei waterplanten; met droog riet en dergelijke materialen wordt het voltooid en gevoerd. Overal waar kleine, veilige eilandjes voorkomen, worden deze tot standplaats voor het nest gekozen; indien zulke plekjes ontbreken, stapelt het wijfje planten opeen, totdat de in ’t water drijvende hoop het echtpaar kan dragen. Het broeden begint na het leggen van 6 à 8 eieren, welker dikke schaal een vuilwitte of bleekgroene kleur heeft; het duurt 5 à 6 weken. De kuikentjes zien er in hun dicht donskleed zeer bevallig uit; zij worden nog ongeveer een dag in het nest verwarmd en gedroogd, vervolgens naar het water gevoerd en tot het zoeken van voedsel aangespoord; de moeder neemt hen dikwijls op den rug, laat hen ’s nachts onder hare vleugels slapen, verdedigt hen met moed tegen gevaren, kortom, verpleegt hen zeer liefderijk, totdat hunne veeren zich ontwikkeld hebben en zij zorg en leiding ontberen kunnen.
Plantaardige stoffen, die in het water of op een moerassigen bodem groeien, wortels, bladen en zaden, Insecten en hunne larven, Wormen, Schelpdieren, kleine Amphibiën en Visschen maken het voedsel van de Zwanen uit.
De Zeearend en de Steenarend vangen soms oude, vaker nog jonge Zwanen; overigens hebben deze fiere en weerbare Vogels weinig van roofdieren te lijden. De mensch is belust op hun vleesch en hunne veeren, vooral op hun dons. In het noorden maakt hij gebruik van een flinke bries om hen in een zeilboot te naderen, zoodat het vaartuig voor den wind op hen aanloopt. Daar de Zwanen, als zij zich in de lucht verheffen, het liefst in den wind opvliegen, is het waarschijnlijk, dat zij zich in de richting van den jager zullen bewegen en hem gelegenheid tot een schot zullen geven.
Het is niet moeilijk jong gevangen Zwanen groot te brengen en even tam te maken als die, welke in de gevangenschap gefokt zijn. Enkele raken zeer gehecht aan hun verzorger; hunne liefkoozingen zijn echter meestal zoo hartstochtelijk, dat het altijd zaak is eenige voorzorgen te nemen, wanneer men zich verder met hen wil inlaten. De schoone gestalte en de sierlijke bewegingen dezer Vogels verschaffen hun vele vrienden; een vijver met Zwanen levert een bekoorlijk schouwspel op.
De stamvader van onzen Tammen Zwaan, de Roodbekzwaan of Knobbelzwaan (Cygnus olor), bewoont Noord-Europa en Oost-Siberië. De wilde Zwanen, die iederen winter in kleinen getale ons vaderland bezoeken, zijn niet te onderscheiden van de tamme; „in sommige streken, zooals in Noord- en Zuid-Holland, waar de laatstgenoemde veel worden gehouden, is het altijd moeilijk uit te maken, of men niet met ontvluchte voorwerpen te doen heeft. Treft men echter vluchten van 7 à 9 stuks, dan is dit niet waarschijnlijk, vooral wanneer dit plaats heeft in streken, waar weinig of geen tamme worden gehouden” (Albarda). De langwerpige romp, de lange, slanke hals en de roode snavel, die even lang is als de kop en zich onderscheidt door een zwart knobbeltje aan den wortel van den bovensnavel, maken, dat men deze soort met geen andere kan verwarren. De veeren zijn zuiver wit, die van de jongen grijs of wit. Het oog is bruin, de snavel rood, de teugel zwart, de voet bruinachtig of zuiver zwart. De lengte bedraagt 180, de vlucht 260 cM. (lengte van den vleugel 70, van den staart 18 cM.). Het wijfje is iets kleiner.
De zoogenaamde Witgeboren Zwanen (Cygnus olor immutabilis) vormen slechts een verscheidenheid van de gewone soort; zij kunnen met „grauw geboren” in ’t zelfde broedsel voorkomen. Soms, doch zeer zelden, komen zij bij ons in het wild voor. Tweemaal werd in Nederland een dergelijk exemplaar geschoten.
Van de eerstgenoemde soort onderscheidt zich de Wilde Zwaan of Deen, in Groningen Hoelzwaan, in ’t Friesch Kloekswan geheeten (Cygnus musicus), door zijn meer gedrongen gestalte, door den iets korteren en dikkeren hals en vooral door den snavel, die aan de spits zwart, aan den wortel geel en eenigszins gezwollen is, maar geen knobbel vertoont. (Lengte 160, vlucht 250, vleugel 62, staart 20 cM.) Iederen winter treft men op onze kust, alsmede op de binnenwateren en ondergeloopen vlakten exemplaren van deze soort aan; soms zijn zij hier zeer talrijk.
De derde soort van de onderfamilie, die Europa en Noord-Azië bewoont, de Kleine Zwaan (Cygnus Bewickii), onderscheidt zich van de vorige hoofdzakelijk door geringere grootte (lengte 125 à 130 cM.), den dunnen hals, een aan den wortel zeer hoogen snavel en een uit 18 stuurpennen samengestelden staart. Sommige dierkundigen beschouwen hem als een verscheidenheid van den Wilden Zwaan. In kleinen getale bezoekt hij ’s winters ons vaderland. In den strengen winter van 1870/1871 was hij hier vrij talrijk.
De Wilde Zwaan is in het noorden van Europa niet zeldzaam, en komt eveneens voor in geheel Noord- en Middel-Azië tot aan de Behring-straat, als ook in Amerika. Op den trek begeeft hij zich iederen winter naar Noord-Afrika, naar Egypte zoowel als naar de meren van Marokko, Algerië en Tunis. Aan de Oostzeekust verschijnen de Wilde Zwanen reeds in October; Middel-Duitschland en Nederland doen zij in November en December op de heenreis, in Februari of Maart op de terugreis aan.
Wilde Zwaan (Cygnus musicus). 1⁄7 v. d. ware grootte.
De Wilde Zwaan staat duidelijk achter bij den Roodbekzwaan wat bevalligheid en sierlijkheid betreft. Gunstig onderscheidt hij zich echter van dezen door zijn schelle en betrekkelijk welluidende stem, die men trouwens op een afstand moet hooren om haar met bazuingeschal en viooltonen te vergelijken: zooals de IJslanders doen. Naumann stelt het gewone geschreeuw van dezen Vogel zeer juist voor door de teekens „kielkliï”, het zachtere door „ang”. Hoewel deze beide geluiden van nabij gehoord geen bijzonder aangenamen indruk maken, maar heesch en krijschend zijn, is het niet onmogelijk, dat zij welluidend mogen heeten, wanneer men ze op een afstand hoort en wanneer een groot aantal Vogels ze te gelijk voortbrengen. Dit kan men afleiden uit de berichten van Schilling: „De Wilde Zwaan bekoort den toeschouwer niet slechts door zijn schoone gestalte, maar steekt door de waakzaamheid en de schranderheid, die uit iedere beweging van den kop en uit de geheele houding blijken, gunstig af bij den Roodbekzwaan. Zijn luide, gevarieerde, zuivere stem, die bij iedere aanleiding als loktoon en waarschuwend sein weerklinkt, maakt een aangenamen indruk. De tot troepen vereenigde Wilde Zwanen laten zich voortdurend hooren; ’t is, alsof zij een zangwedstrijd houden om zich den tijd te verdrijven. Wanneer een strenge vorst de zee op alle plaatsen, die niet opengehouden worden door een hevigen stroom, met een ijslaag bedekt en de ondiepten, waar de Wilde Zwanen zich bij voorkeur ophouden, ongeschikt zijn om hen te herbergen, vereenigen deze statige Vogels zich bij honderden in de naastbijgelegene, opene watervlakten. Zij bejammeren dan als ’t ware met droefgeestig geschreeuw hun ongelukkig lot, daar zij in diep water het noodige voedsel niet kunnen verzamelen: meermalen hoorde ik op een langen winteravond en gedurende den geheelen volgenden nacht het veelstemmig klaaggezang, dat op uren afstands voortgebracht werd door Vogels, die in zulke omstandigheden verkeeren. Soms klinkt dit zangerig geschreeuw als klokgelui in de verte, soms als tonen van blaasinstrumenten; het komt niet geheel overeen met de tonen van het doode metaal, maar overtreft deze in vele opzichten; daar het van levende wezens afkomstig is, maakt het een meer sympathieken indruk, harmonieert het beter met ons zintuig. Het maakt de als een verdichtsel uitgekreten overlevering van het zwanengezang tot een werkelijkheid.” Wegens zijn gezang wordt de Wilde Zwaan in Rusland, waar onze Roodbekzwaan niet veel in tel is, dikwijls in getemden staat gehouden. De hartstochtelijkheid en twistgierigheid, die deze soort misschien in hoogere mate bezit dan al zijne verwanten, worden eenigszins vergoed door zijn schranderheid.
In vrij grooten getale nestelt de Wilde Zwaan in de moerassen van Finland, Noord-Rusland en Middel-Siberië, ook wel in die van Noord-Amerika en van IJsland. Bij uitzondering werd soms een enkel paar in Duitschland broedend waargenomen.
Alle volken van het noorden maken ijverig jacht op de Zwanen. Deze doorleven een moeilijken tijd, als het ruien in vollen gang is en zij de meeste van hunne slagpennen verloren hebben. Door jagers, die hen in een boot vervolgen, worden zij dan met den stok doodgeslagen. De ouden en de jongen zijn in dezen tijd zeer vet; vooral laatstgenoemde zijn als wild zeer gezocht.
Een der fraaiste, uitheemsche Zwanen is de Zwartnekzwaan (Cygnus nigricollis). Zijn kleed is wit; de kop met uitzondering van een witte wenkbrauwstreep is zwart, evenals de bovenste helft van den hals. Het oog is bruin, de snavel loodkleurig grijs, aan de spits geel; de knobbel aan den bovensnavel en de naakte plek van den teugel zijn bloedrood; de voet is lichtrood. De lengte bedraagt ongeveer 100 cM.
Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over de zuidspits van Amerika, van het zuiden van Peru tot de Falkland-eilanden en van hier langs de oostkust tot Santos in Brazilië uit.
In 1851 voerde Lord Derby op zijn kasteel Knowsley bij Liverpool het eerste paar Zwartnekzwanen in. Kort voor 1870 werd een paar van deze dieren voor f 1200 aangekocht door den Heer P. J. Polvliet, een bekend kweeker van zwemvogels te Rotterdam, die er in 1872 reeds 26 jongen van had verkregen. Tegenwoordig treft men deze Zwanen, zelfs bij particulieren, niet zelden aan; zij zijn mak van aard en telen vrij goed in den gevangen staat voort, gedragen zich als Wilde Zwanen, maar laten slechts zelden hun zwakke stem hooren. In strenge winters moeten zij tegen felle koude beschut worden; overigens zijn zij tegen ons klimaat goed bestand (Maitland).
De Zwarte Zwaan (Cygnus atratus) is iets kleiner dan de Gewone, maar doet voor dezen niet onder in schoonheid van gestalte en sierlijkheid van bewegingen. De kleine omtrekveeren zijn nagenoeg geheel bruinachtig zwart, alleen haar rand is zwartgrijs; de onderdeelen zijn weinig lichter van kleur; hierbij steekt het heldere wit van alle handpennen en van het grootste deel der armpennen prachtig af. De groote vleugeldekveeren zijn sterk gekruld. Het oog is karmijnrood, de teugel anjelierrood, de snavel helder karmijnrood, een strook vóór de spits van den bovensnavel en de spitsen van beide kaken zijn wit, de voeten zwart.
Cook trof deze diersoort, die reeds sedert 1698 bekend is, op de door hem bezochte gedeelten van de Australische kust veelvuldig aan; ook thans nog vindt men haar in alle voor haar geschikte meren, poelen en rivieren van Zuid-Australië en Tasmanië; verbazend talrijk is zij in de weinig bezochte streken van het binnenland en zoo weinig schuw, dat het geen moeite kost er zoovele van te schieten als men verlangt.
In aard en gewoonten verschilt de Zwarte Zwaan niet veel van zijn ons bekenden verwant; hij is echter minder stil dan deze en houdt zelfs veel van schreeuwen; zijn zonderlinge stem, die min of meer aan dof trompetgeschal herinnert, wordt vooral tegen den paartijd dikwijls gehoord.
In 1726 werden voor ’t eerst levende Zwarte Zwanen uit Australië naar Batavia overgebracht; hun intocht in Europa deden zij in ’t begin van deze eeuw op het aan Keizerin Josephine toebehoorende kasteel Malmaison. Tegenwoordig zijn zij in de vijvers van de Europeesche vogelliefhebbers gewone verschijningen; het onderhoud van deze Vogels vereischt weinig meer zorg dan dat van de meest gewone leden hunner verwantschap. De koude van onzen winter hindert hen niet veel; de eischen, die zij aan het voedsel stellen, zijn gemakkelijk te bevredigen. Ieder jaar planten zij zich in de gevangenschap voort: bij den Heer P. J. Polvliet te Rotterdam werden in 5 opeenvolgende jaren (van 1858 tot 1861 door één paar en van 1861 tot 1865 door 2 paren) 98 jongen grootgebracht (Maitland).
De Gansachtigen (Anserinae), die een talrijke, ongeveer 45 soorten omvattende, over de geheele wereld verbreide onderfamilie vormen, onderscheiden zich van de Zwanen door een meer ineengedrongen romp, een korteren hals en snavel en hoogere, nader bij het midden van den romp geplaatste pooten. De snavel is nauwelijks zoo lang als de kop, bij sommige zelfs iets korter, van boven gewelfd, van onderen plat, aan den wortel zeer hoog, boven en onder uitgerekt tot een breeden, bollen nagel, die scherpe randen heeft, aan de zijden met harde, tandvormige zeefplaatjes gewapend, overigens met een zachte huid bekleed. Slechts bij uitzondering vertoont het kleed bij beide seksen een in ’t oog loopend verschil; ook dan echter wedijvert het wijfje in schoonheid met het mannetje. De jongen krijgen reeds in het eerste levensjaar het volkomen kleed.
Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten van Ganzen. Verscheidene zijn in Azië en Europa bijna even veelvuldig; enkele zijn over het noorden van de geheele wereld verbreid; verder zuidwaarts is ieders gebied beperkt. Minder dan de overige Zeefsnaveligen leven zij in het water; een deel van haar leven brengen zij op het vasteland en zelfs op boomen door. In de vlakte komen zij talrijker voor dan in het gebergte, hoewel zij hier niet ontbreken; sommige soorten worden zelfs uitsluitend op aanzienlijke hoogte gevonden. Haar gang is zeer goed, over ’t geheel genomen beter dan die van eenig ander lid der onderorde; zij zwemmen behendig en snel, hoewel minder goed en vlug dan de Eenden en Zwanen; zij duiken in haar jeugd en in tijd van gevaar tot op een aanzienlijke diepte; haar vlucht is gemakkelijk en fraai: in wigvormige orde gerangschikt doorklieven zij met suizend gedruisch de lucht en leggen een grooten weg af zonder halt te maken. Verscheidene soorten brengen brommende, andere snaterende, enkele zeer welluidende en op verren afstand hoorbare tonen voort; de meeste sissen, als zij toornig zijn.
Waarom men de Ganzen voor dom heeft uitgemaakt, is moeielijk te zeggen, daar de ervaring steeds het tegendeel leert. Alle leden dezer groep, geen uitgezonderd, zijn schrander, verstandig, voorzichtig en waakzaam. Zij wantrouwen ieder mensch, onderscheiden zonder fout den jager van den landman of den herder, kennen alle voor hen gevaarlijke menschen zeer goed, zetten wachten uit, kortom, nemen verscheidene practische voorzorgsmaatregelen tot bevordering van hun veiligheid. De gevangen exemplaren schikken zich zeer spoedig in de veranderde omstandigheden en worden reeds na korten tijd zeer tam; het juiste inzicht in hun toestand, dat zij op deze wijze toonen, pleit zeer voor hun verstand. Ook de inborst van de Ganzen trekt ons aan. Eenige kan men niet vrijspreken van een zekere heerschzucht en onverdraagzaamheid, de meeste echter zijn buitengewoon gezellig; zij zoeken het gezelschap van hare soortgenooten, niet dat van andere dieren; de leden van één gezin zijn met groote teederheid aan elkander gehecht. Zonder strijd tusschen de mannetjes loopt de paartijd niet af; zoodra ieder een wijfje heeft, is de vrede hersteld; de verschillende paren broeden naast elkander zonder te twisten. Het echtverbond geldt voor het geheele leven. Het mannetje helpt niet mede bij het broeden, maar is later een gids voor de jongen en waakt voor de veiligheid van het geheele gezin.