Zwarte Zwaan (Cygnus atratus). ⅙ v. d. ware grootte.

Zwarte Zwaan (Cygnus atratus). ⅙ v. d. ware grootte.

Alle Ganzen gebruiken bij voorkeur plantaardig voedsel. Met haar harden, scherprandigen snavel bijten zij gras en graanplantjes, kool en andere kruiden af, schillen jonge boompjes, plukken bladen, bessen, peulen en aren, verwijderen vruchtwand of kafjes van zaden of graankorrels, verzamelen slobberend in ondiep water verschillende plantaardige stoffen en versmaden geen enkel voor hen bruikbaar plantendeel. Enkele soorten gebruiken ook Insecten, Schelpdieren en kleine Gewervelde Dieren. Daar, waar zij in grooten getale voorkomen, kunnen zij schade aanrichten; deze vergoeden zij echter door haar voortreffelijk vleesch en haar rijk voorzien vederenkleed. Op alle soorten wordt ijverig jacht gemaakt, vooral gedurende den ruitijd, die ook vele Ganzen eenige weken achtereen ongeschikt maakt om te vliegen.

Bij de Ganzen i.e.z. (Anser) is de snavel zoo lang als de kop en, gedeeltelijk althans, geel of rood van kleur; de zeefplaatjes van den bovensnavel steken voorbij diens zijrand uit; de neusgaten zijn achter het midden van de mondspleet gelegen. De handpennen hebben witte schaften. De achterteen reikt tot op den grond.


De Wilde Gans of Grauwe Gans, in Groningen Schierling, in het land van Kuik Koenekraan, in Friesland Groote Schiere of Groote Witgat genoemd (Anser ferus of A. anser), is de stamsoort van onze Tamme Gans. Op den rug is zij bruinachtig grijs, door de lichtere randen van de veeren als ’t ware geschubd, op de onderdeelen geelachtig grijs, hier en daar door een enkel zwart veertje gevlekt; de groote vleugeldekveeren zijn blauwachtig grijs met lichtere randen, de kleine zuiver aschgrauw, de staartwortel, de buik en de onderdekveeren van den staart wit, de veeren aan de zijden van borst en buik donker vaalgrijs met lichtvaalgrijzen eindzoom, de slagpennen en stuurpennen zwartgrijs met witte schaft, de laatstgenoemde ook wit aan de spits. Het oog is lichtbruin, de voet, evenals de wortel van den snavel, licht vleeschrood, de nagel aan de spits van den bovensnavel wasgeel. Totale lengte 98, vlucht 170, vleugel 47, staart 16 cM. Het mannetje heet Gent of Ganzerik (in ’t Friesch Garre), het wijfje Gans (in ’t Friesch Goes, meervoud: Giesen).

Wilde Gans (Anser ferus). ⅕ v. d. ware grootte.

Wilde Gans (Anser ferus). ⅕ v. d. ware grootte.

De Wilde Gans is het eenige in Nederland (en Duitschland) broedende lid van haar onderfamilie; zij behoort meer in de gematigde streken dan in het hooge noorden thuis. Van Noorwegen strekt haar verbreidingsgebied zich in oostelijke richting uit over geheel Europa en Azië tot aan de oostelijkste kust van dit werelddeel; broedend vindt men haar tot op ongeveer 45° N.B. Van October tot November en in Maart en April trekt zij in tamelijk grooten getale door ons land. Bij zacht weder overwinteren hier enkele exemplaren. „Sedert 1819 broedt een kleine kolonie van Wilde Ganzen jaarlijks in de zoogenaamde Kraanlanden en Boornbergumer petten (Friesland). Door inpoldering en het stichten van woningen is haar terrein echter eenigszins ingekrompen, zoodat zij zich thans naar Eernewoude en Oudega heeft verplaatst, alwaar ieder jaar eieren worden gevonden” (Albarda). In Duitschland verschijnt zij, tot familiën of kleine gezelschappen vereenigd, tegen het einde van Februari of in het begin van Maart, dus reeds vóór het smelten van de sneeuw, verkondigt door vroolijk geschreeuw haar aankomst en strijkt op de broedplaats neer, waar zij zich dadelijk thuis gevoelt, zooals uit hare handelingen blijkt. Tegen het einde van Juli, als het ruien afgeloopen is, begint zij aan de afreis te denken; aanvankelijk maakt zij geen groote haast, maar reist op haar gemak; haar plaats wordt weldra ingenomen door de Rietgans. Zelden vormt zij op den trek talrijke zwermen; meestal blijven slechts de ouders met hunne volwassen jongen bijeen.

In vroeger jaren broedden de Wilde Ganzen bij alle groote, stilstaande wateren van Duitschland; tegenwoordig ontmoet men nog slechts enkele paren in de uitgestrekte broeklanden van Noord- en Oost-Duitschland, de meeste in Pommeren en Oost-Pruisen. Bij voorkeur vestigen zij zich in moerassen, die hier en daar met uitgestrekte waterplassen afwisselen of deze omgeven, een moerassigen bodem hebben en moeilijk genaakbare eilandjes bevatten, die met gras, riet en struiken begroeid zijn. Op deze eilanden verzamelen zich de paren bij hun aankomst om er uit te rusten en later hunne nesten te bouwen. Van soortgelijken aard is het terrein, waarop de hierboven genoemde Friesche broedkolonie voorkomt. „Tusschen Oldeboorn, Eernewoude, Oudega, Boornbergum en Beets is een vlakte van 7 à 8 uren gaans in omtrek, waar men zeer weinige menschelijke woningen aantreft. Daarin liggen vele vaarten, poelen en petten, en de lage, veenachtige bodem, die hier en daar zeer moerassig is en voor een deel bestaat uit drijftillen (sompen), die met gagel, rietgrassen en wolwilgen zijn begroeid, wordt des winters geheel door het water bedekt. In het midden daarvan, in de zoogenaamde Kraanlanden en nabij de Boornbergumer petten, benoorden den Ouden Leppedijk, hebben deze Vogels sedert 1819 hunne broedplaatsen gevestigd. Zij komen in het laatst van Maart aldaar aan. Begroeide plaatsen, zoo mogelijk geheel door moeras omgeven, of kleine eilandjes in de petten kiezen zij bij voorkeur voor den nestbouw. Het nest bestaat dikwijls uit een geheele vracht riet en andere waterplanten; het binnenste daarvan is geheel met vederen en dons belegd. Het getal der eieren is meestal 6 of 7 en gaat nimmer 9 te boven. Zij zijn geheel gelijk aan die van de Tamme Gans, alleen is de schaal minder poreus. Zij worden ijverig opgezocht en zijn gemakkelijk te vinden, daar de Gent zich altijd in de nabijheid van het nest ophoudt en luid schreeuwend rondom den naderenden mensch vliegt; terwijl de Gans eerst dan met een sissend geluid van de eieren opstaat, wanneer men haar tot op weinige schreden is genaderd. De Vogels, wier eieren zijn weggenomen, of die, welke niet broeden (waarschijnlijk jongen), zwerven den geheelen zomer door in eenigszins ruimeren kring en vertoonen zich nu en dan te Wartena, Garijp, Suawoude en Gersloot. Het getal der Vogels, welke broeden, bedraagt volgens in de nabijheid wonende personen, ongeveer 30” (Albarda).

De nakomelingen van de Wilde Gans, onze Tamme Ganzen, hebben weinig van het voorkomen en de eigenaardigheden harer stamouders verloren; deze hebben echter, evenals alle in ’t wild levende dieren, een fierder houding en een vluggere beweging, waardoor zij een eenigszins verschillenden indruk op den waarnemer maken. Zij gaan zeer snel en sierlijk, veel losser en behendiger dan de Tamme Gans, zwemmen goed, duiken, als een gevaar haar bedreigt, maar weten zich op het water minder goed te redden dan op het land. Zij vliegen zeer goed, wel niet zoo licht en fraai als de verwante soorten, maar toch lang achtereen en voor hun doen snel genoeg. Bij het opvliegen veroorzaken de hevige vleugelslagen een klapperend gedruisch, bij het neerstrijken verneemt men een dergelijk geraas, vermeerderd met dat van ’t plassen in ’t water, als de Gans zich op den waterspiegel neerzet. Als een paar een korten weg heeft af te leggen, verheft het zich zelden tot een aanzienlijke hoogte, zooals het anders in den regel doet. De Gans vliegt dan voor den Gent uit; op den trek daarentegen wordt deze even vaak als gene aan de spits van den wigvormigen zwerm gevonden. De lokstem klinkt als „gahkahkakgak”, wordt dikwijls snel achtereen herhaald en, als het mannetje en het wijfje elkander beantwoorden, in „giekgak” veranderd; de geluiden voor het dagelijksch verkeer klinken als „tattattattattat”; in toorn sissen beide. Dit alles geschiedt geheel op dezelfde wijze als bij de Tamme Gans.

Uit het gedrag van de Wilde Gans blijkt haar goed ontwikkeld verstand. Altijd is zij voorzichtig en wantrouwig; slechts op de broedplaats blijft zij bij de nadering van een mensch langer dan gewoonlijk. Gezellig kan men haar eigenlijk niet noemen. Alleen de Tamme Ganzen deelen in haar genegenheid; terwijl deze aan ’t grazen zijn, krijgen zij dikwijls bezoek van hare wilde verwanten. Soms blijven deze tamelijk lang; zelfs is het wel eens voorgekomen, dat zij zich met de tamme kudde naar het dorp lieten drijven; dan vlogen zij nog ter rechter tijd weg. Ook paren Wilde Ganzen nu en dan met Tamme. Zoo weinig de Wilde Gans zich om andere Vogels bekommert, zoo trouw zijn de leden van één gezin aan elkander gehecht. Deze blijven tot aan de lente bijeen, keeren soms gezamenlijk naar het vaderland terug en verstrooien zich eerst, als de oude Vogels beginnen te nestelen.

Onmiddellijk na de terugkomst in het vaderland, zoekt ieder paar een geschikte plaats voor het bouwen van het nest. IJverig houdt het wijfje zich bezig met het aanvoeren van verschillende bouwstoffen. In de eerste plaats worden die, welke in de onmiddellijke nabijheid liggen, bijeengezocht: later moeten voor het voltooien van het nest andere materialen met zorg uitgekozen en dikwijls van verre aangedragen worden. Dikke stengels, halmen, bladen van moerasplanten, riet, biezen enz. vormen, ongeregeld en los opeengestapeld, den grondslag van het nest, welks holte met fijnere stoffen en een dikke donslaag bekleed wordt. De oude wijfjes leggen 7 à 14, jonge 5 à 6 eieren, welke op die van de Tamme Gans gelijken en een gladde, glanslooze, min of meer korrelige schaal hebben van groenachtig witte of somber geelachtige kleur. In de nesten van oude paren vindt men reeds in het begin van Maart het eerste ei; tegen het midden (of uiterlijk in het einde) van deze maand begint het wijfje te broeden. Vooraf plukt zij zich alle donsveeren van de borst uit, bekleedt hiermede den binnenrand van het nest en bedekt, zoo vaak zij zich verwijdert, zorgvuldig hare eieren.

Op den 28en dag van de bebroeding komen de jongen uit; deze worden nog ongeveer een dag in het nest gehouden, begeven zich daarna te water, geleid door de moeder, die hun voedsel leert zoeken. Eendenkroos, gras en dergelijke stoffen maken hun eerste voedsel uit. Later bezoeken zij de weiden en de akkers. Des avonds keeren ouders en kinderen naar het nest terug. Daar dit na ongeveer 2 weken voor de sterk gegroeide jongen te klein geworden is, slapen deze voortaan nu eens hier, dan weer daar, dicht tegen de moeder aangedrukt. De waakzaamheid van den Gent neemt toe, nadat de jongen het ei verlaten hebben. De moeder gaat of zwemt vóór het gezin uit, de dicht opeengedrongen jongen volgen, de vader dekt in zekeren zin den aftocht van het gezelschap. Bij ’t naken van een gevaar geeft hij het eerste sein tot vluchten. „Een aangenaam schouwspel,” zegt Naumann, „kan ieder vriend van de natuur zich verschaffen, door op een fraaien Meiavond van uit een geschikten schuilhoek zulke Ganzen-familiën te bespieden, als zij bij zonsondergang, alle op gelijke wijze en bijna gelijktijdig uit het riet sluipen, zich op den vrijen waterspiegel wagen en stil naar den oever zwemmen. Zie eens, hoe de vader van het gezin overal waar hij gevaar ducht voor de veiligheid van zijn gezin, een verdubbelde waakzaamheid ten toon spreidt. Wanneer alle gelukkig aangeland zijn op de plek, waar zij willen grazen, durft de Gent bijna niet mede te eten; zoodra er onraad is, waarschuwt hij met een zacht geluid. Tot zijn schande moet echter gezegd worden, dat hij zich onder jammerlijk geschreeuw het eerst op de vlucht begeeft, als de nood aan den man komt. In zulke gevallen toont het wijfje veel meer moed; zij denkt meer om hare kinderen dan om haar eigen veiligheid.”

Jong gevangen Wilde Ganzen worden spoedig tam; zelfs oudere geraken weldra gewoon aan het verlies van haar vrijheid en leeren den mensch kennen als iemand, die haar welzijn behartigt. Zij verloochenen hare vroegere neigingen echter niet geheel; dit blijkt zelfs bij jongen uit eieren van Wilde Ganzen, die door Tamme Ganzen werden uitgebroed. Zoodra zij volwassen zijn, ontwaakt in hen het verlangen naar vrijheid; als men hen niet met geweld terughoudt, trekken zij in den herfst met de Wilde Ganzen naar het zuiden. Soms keeren enkele terug naar het erf, waar zij grootgebracht werden; dit is echter een uitzondering. Boie verhaalt, dat van vier Wilde Ganzen, die door Tamme waren uitgebroed en te midden van deze haar jeugd hadden gesleten, drie na den trek wegbleven; de vierde echter keerde iedere lente gedurende 13 opeenvolgende jaren (waarschijnlijk dus tot aan haar dood) naar haar geboorteplaats terug. Zij verscheen hier verscheidene weken na de terugkomst van de overige Wilde Ganzen: nooit vóór den 1en, nooit nà den 4en April. Op het erf was zij zeer tam, daar buiten even schuw als hare wilde stamgenooten. In de eerste weken kwam zij gewoonlijk des morgens en des avonds voedsel halen, bleef soms een half uur of een uur, maar vloog dan altijd weer terug naar het naburige meer, waar zij vermoedelijk haar nest had. Na het begin van den tijd, waarin men de jongen van de Wilde Ganzen in het water ziet, bleef zij langer op het erf, dikwijls zelfs den geheelen dag. Des avonds om 10 uur vloog zij geregeld weg, in de richting van het meer.

Oude Wilde Ganzen worden niet zelden door groote soorten van Arenden en Edelvalken, soms ook door Vossen en Wolven buitgemaakt. Voor den mensch nemen zij zich steeds zeer in acht; er is ervaring noodig om ze te verschalken. Daar zij bij ’t vliegen van ’t water naar ’t land en omgekeerd steeds dezelfde wegen volgen, verschuilt de jager zich onder zulk een weg b.v. in het riet. In vele gevallen gelukt een nachtelijke jacht met drijvers, terwijl de jagers op bepaalde plaatsen geposteerd staan. Op sommige plaatsen vervolgt men de Ganzen ook wel zeer onjachtmatig in een boot gedurende den ruitijd, gelijk de Lappen doen. Daar zij dan niet kunnen vliegen, trachten zij den dood te ontkomen door telkens te duiken en worden, zoodra zij uitgeput zijn door een stokslag of een schot gedood. In Friesland, Overijsel, Gelderland, Utrecht en in ’t Gooiland, bij de meren en aan de Zuiderzeekust, vooral bij de monden van den IJsel en den Eem, worden de Wilde Zwanen en Ganzen, meestal bij vriezend weer en als het land met een dikke sneeuwlaag bedekt is, door afgerichte lokganzen verleid om neer te strijken bij de voor hen gevaarlijke slagnetten. Voor een groot deel worden de gevangen Vogels naar Engeland gezonden. Het vleesch van de oude Wilde Ganzen is hard en taai, dat van de jongen daarentegen zeer smakelijk. Hare veeren worden hooger geschat dan die van de Tamme Gans; vooral het dons is zeer gezocht.


De Rietgans, Zaadgans of Zwartkop, te Amsterdam Schiergans, in Groningen Weenk, Wink, Weenkie en Grasgans, in het land van Kuik Koenekraan geheeten (Anser fabalis, Anser segetum), gelijkt door de kleur van haar vederenkleed op de vorige soort, maar is kleiner (lengte 86, vlucht 180, vleugel 48, staart 14 cM.). De schouderveeren en alle groote bovendekveeren van den vleugel zijn echter bruin met smalle, vuilwitte kanten. Het oog is donker nootbruin, de snavel zwart, achter den nagel met een breeden, helder geelrooden ring om beide kaken, de voet oranjekleurig.

De Akkergans (Anser fabalis arvensis, Anser arvensis) wordt als een verscheidenheid van de Rietgans aangemerkt. Zij is bijna even groot als de Wilde Gans (lengte 95, vlucht 174, vleugel 50, staart 14 cM.). Het zwart op den overigens oranjerooden snavel blijft beperkt tot den rug, het achterste deel van de zijstukken en den nagel.

De Kleine Rietgans (Anser brachyrhynchus) gelijkt veel op de Rietgans, maar verschilt van deze door geringere grootte (lengte 82, vleugel 42, staart 14 cM.), voorts door den opmerkelijk korten, plompen en dikken snavel, met smallen, licht rozerooden ringband; de voeten zijn klein en eveneens rozerood; het kleed is zeer donker, de bovenkop zwartbruin, de hals roodachtig bruin; de veeren van de bovenzijde en van de flanken zijn dof grauwzwart met lichtgrijze randen.


De drie laatstgenoemde Ganzen broeden in het hooge noorden van de Oude Wereld; de grenzen van ieders gebied zijn echter niet nauwkeurig bekend. Tot dat van de Rietgans behooren IJsland, Lapland en de toendra van Europa en Azië; de Akkergans nestelt eveneens in Lapland; van de Kleine Rietgans weet men, dat zij in den zomer op Spitsbergen voorkomt. In den herfst trekken deze Vogels naar ’t zuiden en bezoeken ook ons vaderland, waar zij van November tot Maart rondzwerven en veelvuldiger zijn dan de gewone Wilde Ganzen. Het talrijkst zijn de Akkerganzen, die ook bij strenge vorst hier blijven; terwijl de Rietganzen zich dan naar Zuid-Europa en zelfs naar Noordwest-Afrika begeven, vanwaar zij echter, zoodra het weer gunstiger wordt, naar noordelijker gewesten terugkeeren. De Kleine Rietganzen komen hier geregeld, doch slechts in kleinen getale; zij verlaten hare broedplaatsen ongeveer terzelfder tijd als de Akkerganzen (later dan de Rietganzen) en keeren eerder derwaarts terug.

De Rietgans, die in levenswijze en gewoonte met hare beide verwanten overeenstemt, slaapt in meren en rivieren bij voorkeur op onbewoonde, kale, door ondiep water omringde eilandjes, waar zij veilig is voor een aan den waterkant staanden jager; des noods behelpt zij zich met andere moeilijke toegankelijke plekjes van waterrijke of moerassige gewesten of zelfs met de vrije watervlakte van een meer of grooten plas. Van haar rustplaats vliegt zij met het aanbreken van den dag, nooit zonder geschreeuw en geraas en steeds langs bepaalde wegen, naar de velden, waar zij haar voedsel zoekt, en keert tegen 11 uur in den voormiddag naar haar verblijfplaats terug, om te drinken, te baden, hare veeren te reinigen en te ordenen, zich te ontspannen en misschien een weinig te slapen; des namiddags tegen 2 of 3 uur vliegt zij ten tweeden male uit; zoodra de schemering aanvangt, gaat zij slapen. In den herfst voedt zij zich met de zaden, die op het stoppelland achtergebleven zijn, later met de jonge graanplantjes van de akkers met winterkoren; zij richt hierdoor veel schade aan. Haar doordringende, ver hoorbare stem gelijkt op die van de gewone Wilde Gans.


De Kolgans (Anser albifrons) heet zoo wegens den door witte veeren gevormden, breeden, ringvormigen band achter den snavelwortel, die men bij de volwassen Vogels (in Friesland Bonte Kollen genaamd) opmerkt; bij de jongere exemplaren (of Schiere Kollen) is deze streek in meerdere of mindere mate wit gevlekt of zelfs zonder eenig wit. De kop en de hals zijn donkergrijs, de bovendeelen bruingrijs met lichtere randen om de veeren, de onderdeelen grijs, de borst met zeer dicht bijeenstaande, zwarte vlekken geteekend, de staartwortel, de stuit en de onderstaartdekveeren wit, de handpennen en de vleugeldekveeren aschgrauw, de armpennen zwart, de staartveeren zwartachtig bruingrijs met smallen, witten zoom en breeden, witten eindrand. De jongen hebben een nagenoeg effen grijs kleed. Het oog is donkerbruin, de snavel bijna effen roodachtig geel, de voet oranje. Totale lengte 70, vlucht 150, vleugel 44, staart 12 cM.

Een verscheidenheid van de Kolgans, de Dwerggans (Anser albifrons erythropus), is aanmerkelijk kleiner (60 cM. lang). De witte voorhoofdsvlek reikt bij haar tot op het midden van de kruin en heeft een zwartachtigen zoom; de borst is wegens de talrijke, donkere veeren, nagenoeg zwart.


Deze beide vormen werden in alle toendras van de noordpoolgewesten broedend aangetroffen. Op hun winterreis, die zich tot in Egypte, het zuiden van Perzië en Indië uitstrekt en waarbij zij de kust volgen, bezoeken zij ons vaderland; van November tot Maart zwerven zij hier veelvuldig rond, maar begeven zich bij strenge koude naar zuidelijker gewesten. In levenswijze en gewoonten verschillen zij weinig van de Rietganzen; hun stem klinkt echter geheel anders, n.l. ongeveer als „kliekkliek” of „klekkek”, „klieng” en „kleng.” Hieraan danken zij den naam Klik.


Door een eigenaardige kleur onderscheidt zich de Sneeuwgans [Anser (Chen) hyperboreus]. De volwassen Vogel is sneeuwwit; de tien eerste slagpennen zijn echter zwart, met uitzondering van het wortelgedeelte van de schaft, dat eveneens wit is. In het jeugdkleed hebben de veeren van kop en nek een grijsachtig wit waas; de zwartachtig grijze kleur van de onderzijde van den hals, van den bovenrug, de schouderveeren, de borst en de zijden wordt naar onderen bleeker. Het oog is donkerbruin, de snavel licht vuilrood, aan de randen zwartachtig, de voet licht vuilkarmijnrood. De lengte bedraagt 86 cM.

Het vaderland van de Sneeuwgans is het hooge noorden van Amerika, van de kustlanden van de Hudsonsbaai tot de Aleoeten. Zij trekt meer in zuidoostelijke dan in zuidwestelijke richting; iederen winter wordt zij in Noord-China en Japan waargenomen, soms dwaalt zij naar Europa af; enkele malen werd zij in Nederland gezien. Het hoofdleger trekt echter door Noord-Amerika en houdt zich ’s winters op in de zuidelijkste gedeelten van de Vereenigde Staten en in Middel-Amerika. In Texas, Mexico, op Cuba en de overige West-Indische eilanden komt zij van October tot April algemeen voor. In Zuid-Californië, Texas, Louisiana, Mississippi, Alabama, Georgië en Florida ziet men in dezen tijd zwermen van vele duizenden. Deze blijven echter niet gedurende den geheelen winter in dezelfde streek, maar begeven zich, al naar de weersgesteldheid, nu eens verder zuidwaarts, dan weer naar noordelijker gewesten terug. Daar zij op haar reis door de Vereenigde Staten in hooge luchtlagen blijven, krijgt men van het aantal Sneeuwganzen, die het zuiden opzoeken, eerst in hare winterkwartieren een juiste voorstelling. Zij vliegen uitmuntend en loopen goed. Bij haar aankomst in de winterkwartieren zijn zij volstrekt niet schuw; zij worden het echter spoedig door de onaangename ervaringen, die zij opdoen. Volgens Barenston richten vooral de Indianen een groote slachting onder de Sneeuwganzen aan. Niet zelden komt het voor, dat een ervaren jager er gedurende den trek honderden van schiet. Eerst sedert een twintigtal jaren komt deze soort in de Europeesche dierentuinen voor (Maitland).


Bij de Zeeganzen (Branta) is de snavel korter dan de kop en zwart van kleur; de zeefplaatjes van den bovensnavel worden door diens zijrand bedekt; de neusgaten zijn boven het midden van de mondspleet gelegen. De handpennen hebben zwartachtige schaften. De achterteen reikt niet tot op den grond.


Van de drie inheemsche soorten van dit geslacht komt de Rotgans, Pauwgans of Ringelgans (Branta bernicla) hier het veelvuldigst voor; men ontmoet haar van September tot Mei in groote vluchten aan de kust en op de zandplaten van de Wadden. De kop, de hals, de nek, de krop, de slagpennen en de stuurpennen zijn zwart, de rug, de borst en de bovenbuik donkergrijs, iedere veer met lichtere randen, de zijden van den buik, de stuit en de bovendekveeren van den staart wit; de hals heeft aan weerszijden een halvemaanvormige, witte dwarsvlek. Het oog is donkerbruin, de snavel roodachtig zwart, de voet donkerzwart. Lengte 62 cM.

Het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld is het vaderland van deze soort; zij broedt aan kusten en op eilanden tusschen 60° en 80° N.B., op IJsland in kleinen getale, op Spitsbergen zeer veelvuldig. In den herfst verlaten de Rotganzen deze ongastvrije oorden en begeven zich naar onze kusten, soms nog verder zuidwaarts. In het einde van October of op zijn laatst in het begin van November bevolken zij bij duizenden alle vlakke oevers van de Oostzee en de Noordzee. Zoover het oog reikt, ziet men de bij eb droogliggende Wadden of zandbanken met deze Ganzen bedekt; haar geschreeuw overstemt het rollen van de branding; het aantal individuën dezer zwermen, die van verre gezien bij het opvliegen op dichte rookwolken gelijken, is niet te schatten.

De Brandgans of Dondergans, in ’t Friesch Tongergoes geheeten (Branta leucopsis), is grooter dan de vorige soort (70 cM. lang). Het voorhoofd en de zijden van den kop, de bovendekveeren van den staart, de borst, de buik en de stuit zijn wit, de veeren van de flanken met flauwe, donkere dwarsstrepen geteekend, de achterkop, de hals, een smalle teugelstreep, die tot aan het oog reikt, de nek, de boven- en de middelrug zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den bovenrug met bruinen zoom, de mantelveeren aschgrauw met witte randen, de slagpennen zwartbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren donker aschgrauw, bij de spits zwartbruin, met smallen, witten eindzoom, de stuurpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel, evenals de voet, zwart. Deze soort bezoekt ’s winters bij strenge koude in kleinen getale onze kust en de binnenwateren; de Noordpoolgewesten zijn haar vaderland, hare broedplaatsen nog niet bekend.

Veel fraaier dan de beide vorige soorten is de 55 cM. lange Roodhalsgans of Russische Gans (Branta ruficollis), een in ons land vrij zeldzame wintergast (van een tiental exemplaren is de vangst bekend). De voorhals en de onderkeel zijn bruinrood (door een witten band begrensd), de zijden van den kop wit; de bovenkop, de kin, de keel, de achterhals, de zijden van de borst, de rug en de staart zijn zwart, de vleugels zwart met uitzondering van de wit gezoomde, bovenste dekveeren; de buikveeren zijn wit, zoo ook de boven- en onderdekveeren van den staart. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwachtig zwart, de voet donkerzwart. De Roodhalsgans behoort in ’t hooge noorden van Azië, misschien ook in ’t uiterste noordoosten van Europa thuis; zij trekt in talrijke scharen naar ’t zuiden om vooral aan de Kaspische Zee (waarschijnlijk in nog grootere menigte aan de steppenmeren van Toerkestan) te overwinteren; slechts weinige exemplaren begeven zich zuidwestwaarts en brengen den winter op de kusten van West-Europa door.


De Rotgans is een kustvogel, die de zee zelden uit het oog verliest en slechts bij uitzondering, groote stroomen volgend, het binnenland bezoekt. Zij is sierlijker van gestalte, lieftalliger, vredelievender en gezelliger van aard dan de meeste van hare meer binnenslands verblijf houdende verwanten, bij welke zij in begaafdheid niet achterstaat. Zij loopt even goed op vasten als op slijkerigen grond, zwemt met gemak en op bevallige wijze, duikt uitmuntend, althans beter dan de overige Ganzen, die zij ook bij ’t vliegen den loef afsteekt; de reizende zwerm vormt meestal een verwarden hoop en plaatst zich niet geregeld in wigvormige orde, gelijk de Echte Ganzen.

In de gevangenschap is haar houding aanvankelijk zeer schroomvallig; weldra schikt zij zich naar de veranderde omstandigheden; geraakt mettertijd aan haar verzorger zeer gehecht, komt als hij roept, bedelt bij hem om voedsel en wordt, als men het er op toelegt, zoo tam, dat zij haar meester als een Hond naloopt.

Het voedsel van de Zeeganzen bestaat niet uitsluitend uit gras en waterplanten zooals dat van hare verwanten, maar ook uit Weekdieren. In ’t hooge noorden zullen zij vermoedelijk geen enkele plant versmaden; bij ons geven zij aan jong gras de voorkeur. De gevangen exemplaren geraken gewoon aan brood, zemelen en gerst, maar moeten, om voortdurend gezond te blijven, bovendien ook groen voer hebben.

In de noordpoolgewesten maken de Eskimos en de walvischvangers jacht op de Rotganzen; in zuidelijker kuststreken worden zij in den herfst en in de lente bij duizenden gedood. Evenals de Brandganzen en de Zee-eenden vangt men ze in de Zuiderzee tusschen Wieringen, Texel en Vlieland op de met wier begroeide ondiepten in slagnetten. De door lokvogels („baanzwemmers” of „roepers”) tot neerdalen verlokte, voorbijtrekkende zwermen worden, wanneer zij niet onder de slagnetten geraken, in schakels gedreven, die deels boven, deels onder water liggen en aan staken uitgespannen zijn (Maitland). Het vleesch van de Rotganzen wordt als smakelijk geroemd, maar heeft dikwijls een sterken bijsmaak, die niet iedereen behaagt. Daar deze bijsmaak een gevolg is van het eten van schelpdieren, worden de levend gevangen Zeeganzen soms een tijd lang met graan gevoerd, en eerst na deze mesting geslacht.


Van de uitheemsche soorten van Ganzen verdient de Vosgans of Egyptische Gans (Chenalopex aegyptiacus) vermelding, omdat zij van Afrika en Syrië uit vrij geregeld Zuid-Europa bezoekt en ook in Duitschland meermalen waargenomen werd. Zij is de eenige vertegenwoordigster van het geslacht der Boomganzen (Chenalopex), dat zich kenmerkt door een stompe, hoornachtige punt aan ’t handgewricht, een dunnen hals, een grooten kop met korten snavel, hooge pooten, breede vleugels en een prachtig vederenkleed. De zijden van den kop en den voorhals zijn geelachtig wit en fijn gesprenkeld; een vlek om het oog, de achterhals en een breede gordel aan den middelhals zijn roestbruin; de bovenzijde is grijs en zwart, de onderzijde vaalgeel met witte en zwarte, dwarse golflijnen, het midden van de borst en van den buik lichter, gene met een groote, afgeronde, kaneelbruine vlek versierd, de stuit fraai roestgeel; de bovendekveeren van den vleugel zijn wit, vóór het einde zwart met prachtigen metaalglans; de top van de slagpennen en stuurpennen is glanzig zwart. Het oog is geel of oranje, de snavel roodachtig blauw, de voet roodachtig of lichtgeel. Lengte 70 cM.

Afrika, van Egypte tot Kaapland en van de oostkust tot ver in het binnenland, is het vaderland van deze Gans: aan de westkust ontbreekt zij, naar het schijnt. Zij bewoont ook Syrië en Palestina en is herhaaldelijk naar Griekenland, Zuid-Italië en Zuid-Spanje afgedwaald. Sedert meer dan 60 jaar heeft men haar in Europa gefokt. Het is niet uitgemaakt of de Vosganzen, die in Noord- en West-Frankrijk, België en Duitschland geschoten zijn, afgedwaald waren uit haar vaderland, of ontsnapt aan de gevangenschap.

Vosgans (Chenalopex aegyptiacus). ⅕ v. d. ware grootte.

Vosgans (Chenalopex aegyptiacus). ⅕ v. d. ware grootte.

In Egypte ziet men ze gedurende den broedtijd bij paren, later in gezelschap van de jongen, nog later in ontzaglijke zwermen, die soms mijlen ver de beide oevers van den stroom bedekken. Water, en meer bepaaldelijk zoetwater, is voor haar welzijn een vereischte; zij weet zich echter te behelpen met een door den regen gevormden stroom, die slechts hier en daar tot een kleinen plas verbreed is. Het liefst houdt zij zich op aan met bosch bedekte oevers van stroomen, omdat zij bij voorkeur in het woud en op boomen broedt. In ’t noordelijke gedeelte van het Nijlgebied zijn eilanden en zandbanken in den stroom hare meest geliefde verblijfplaatsen. Op de akkers zoekt zij haar voedsel, o.a. Sprinkhanen; naar den stroom keert zij terug om uit te rusten en zich te ontspannen te midden van een talrijk gezelschap van soortgenooten.

De Vosgans wedijvert in ’t loopen met de hoogpootige Spoorwiekgans en zwemt zeer behendig met diep ingedompelde borst; snel en met volharding duikend, vervolgt zij haar gedeeltelijk uit waterdieren bestaande prooi tot op groote diepte; met de pooten en de vleugels roeiend, kan zij onder water een grooten weg afleggen. Hoewel zij bij ’t vliegen een sterk ruischend geluid maakt, geschiedt deze beweging snel en zonder merkbare inspanning; de eene Gans volgt de andere op korten afstand, als een paar zich in de lucht verheft; de geheele zwerm vormt gedurende het vliegen een verwarde hoop, die echter wigvormig wordt, als het doel van de reis veraf ligt. Haar niet zeer luide stem, een vreemdsoortig heesch en valsch geschetter, dat op de tonen van een slechte trompet gelijkt, trekt sterk de aandacht, als de een of andere zorg de gemoederen drukt of als het mannetje in toorn geraakt.

De Vosgans, die altijd voorzichtig, op haar veiligheid bedacht en in de hoogste mate wantrouwig is, wordt, als zij vervolging te verduren heeft, even schuw als de andere Ganzen; zij weet afstanden te schatten en onderscheidt den vreemden bezoeker onmiddellijk van den minder gevaarlijken inboorling. Minder aanlokkelijk is haar aard: in de hoogste mate heerschzuchtig en boosaardig, leeft zij niet eens met hare soortgenooten in vrede, hoewel zij zich met hen tot troepen vereenigt. In den paartijd strijden de mannetjes letterlijk op leven en dood met elkander, althans in de gevangenschap.

In Egypte wordt de Vosgans door Turken en Europeanen gejaagd; in Oost-Soedan schijnen de Arenden en de Krokodillen hare eenige vijanden te zijn. Zij is bruikbaar voor ’t zelfde doel als de andere soorten van wilde Ganzen: de jongen leveren een zeer smakelijk gebraad; het vleesch van de ouden, hoewel taai en hard, is voor soep uitmuntend geschikt.


Volgens een Indische overlevering werden eens twee gelieven in Ganzen veranderd en veroordeeld om ver van elkander den nacht door te brengen op verschillende oevers van denzelfden stroom, vanwaar zij voortdurend het volgende gesprek laten hooren: „Tsjakwa, mag ik bij je komen?”—„Neen, Tsjakwi.”—„Tsjakwa, mag ik niet bij je komen?”—„Neen, Tsjakwi.”—De Vogel, die door zijn geroep aanleiding heeft gegeven tot deze sage, is de Kasarka der Russen, de Braminen-gans van de Indiërs (Tadorna casarca) en vertegenwoordigt het geslacht der Holeneenden. Haar snavel is even lang als de kop, aan den wortel even hoog als breed en eindigt van voren in een dikken, hoornachtigen nagel van geringere breedte dan de spits; de zeefplaatjes zijn bij gesloten bek zichtbaar. Het onbevederde, onderste deel van den scheen is ongeveer half zoo lang als de loop en deze een weinig korter dan de middelste voorteen. De achterteen heeft geen zwemvliesje. Bij de genoemde soort is het vederenkleed grootendeels roestrood, de wangstreek geelachtig wit, de hals roestgeel, een smalle band aan den onderhals, die echter alleen in het prachtkleed waarneembaar is, groenachtig zwart; de boven- en onderdekveeren van den vleugel zijn wit; de spiegel is metaalachtig groen; de staartwortel, de bovendekveeren van den staart, de slagpennen en de stuurpennen zijn glanzig zwart. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. De lengte bedraagt 62 cM.

Middel-Azië is het brandpunt van het verbreidingsgebied van de Kasarka; oostwaarts reikt het tot aan den bovenloop van den Amoer, westwaarts tot Marokko. Op den trek bezoekt zij zeer geregeld Griekenland, Zuid-Italië en in kleinen getale ook Spanje; soms brengt zij er den winter door, gewoonlijk trekt zij verder. In geheel Indië is zij welbekend, daar zij als wintergast in alle gewesten van het Schiereiland voorkomt. Soms dwalen sommige exemplaren naar het noorden en noordwesten af; enkele werden, hoewel hoogst zelden, in Middel-Duitschland waargenomen.

Uitsluitend op de geringe grootte van de Kasarka afgaande, zou men haar voor een Eend kunnen houden; bij nadere kennismaking met dezen Vogel herkent men haar als een Gans. Al laat men buiten rekening, dat reeds de kleur van haar vederenkleed haar verwantschap met andere Ganzen verraadt, zoo stemmen toch de levenswijze, de gebaren, de gang, de vlucht, het zwemvermogen, de stem, zelfs het gedrag bij het broeden met de eigenschappen, zeden en gewoonten van de Ganzen, niet echter met die van de Eenden overeen. Paarsgewijs en zonder ooit te kort te doen aan de huwelijkstrouw, die het geslacht der Ganzen kenmerkt, leeft de Kasarka minder op dan bij het water, mijdt beslist de poelen en moerassen en zoekt daarentegen rijk begroeide vlakten, met malsch gras bedekte weiden en akkers met jonge graangewassen op om hier op de wijze van de Ganzen te grazen. Hoewel zij dierlijk voedsel niet versmaadt, toont zij een besliste voorliefde voor plantaardige spijzen. Ook haar zeer krachtige, ver klinkende stem, die de Russen door den naam Toerpan trachten na te bootsen, kan slechts met die van Ganzen vergeleken worden. Nergens en nooit verliest zij gedurende het leven in de vrije natuur de voorzichtigheid uit het oog. In de nabijheid van haar broedplaats is zij even schuw als in de winterkwartieren, den inboorling vertrouwt zij evenmin als den vreemden bezoeker dezer gewesten.

De Kasarka broedt uitsluitend in holen en moet daarom dikwijls lang zoeken, voordat zij een voor haar geschikte plaats vindt; ook moet zij zich hier dikwijls het gezelschap van Vogels van andere soorten getroosten. Salvin vond in Noordwest-Afrika een Kasarka-nest in een kloof van een loodrechten rotswand, die bovendien ook door Wouwen, Gieren en Raven als broedplaats werd gebruikt. Het nest wordt van droge grasbladen gebouwd en van boven met een krans van dons bekleed; het wijfje broedt op 12 à 15 eieren, welker fijne, glanzige schaal een zuiver witte of geelachtig witte kleur heeft.

De Kasarkas schikken zich even goed in de gevangenschap als de andere soorten der onderfamilie, worden zeer tam en planten zich geregeld voort, wanneer haar een doelmatige verzorging ten deel valt.


De Bergeend (Tadorna damiatica, T. tadorna) houdt het midden tusschen de Ganzen en de Eenden; haar snavel is van voren breeder dan bij deze en onderscheidt zich ook door een gedurende den paartijd opzwellenden knobbel aan den wortel van den snavel van het mannetje; zij staat lager op de pooten, heeft korter vleugels en een bonter kleed dan hare verwanten. De kop en de hals zijn glanzig donkergroen, twee groote vlekken op de schouders zwart, een naar voren zich verbreedende halsband, de middelrug, de vleugeldekveeren, de zijden van den buik en de staartveeren (met uitzondering van de zwarte spitsen) zijn schitterend wit, een breede borstband en eenige van de schouderveeren fraai kaneelrood, de middelborst en de buik grauwzwart, de onderdekveeren van den staart geelachtig, de slagpennen zwartgrijs; de spiegel is metaalglanzig groen. Het oog is donker nootbruin, de snavel karmijnrood, de voet vleeschkleurig. De lengte bedraagt 63 cM.

Bergeend (Tadorna damiatica). ⅕ v. d. ware grootte.

Bergeend (Tadorna damiatica). ⅕ v. d. ware grootte.

Aan de kusten van de Noordzee en de Oostzee is de Bergeend een van de veelvuldigste soorten van haar onderfamilie. Noordwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich ongeveer tot het midden van Zweden uit, zuidwaarts tot Noord-Afrika, waar zij op alle meren veelvuldig en gedurende den winter soms in ontelbare menigte voorkomt. Bovendien heeft men haar aan de kusten van China en Japan waargenomen en ook bij alle groote meren van Siberië en andere landen van Middel-Azië aangetroffen. Daar zij aan zoutachtig water de voorkeur geeft boven zoet, ontmoet men haar het menigvuldigst op de zee zelve of op groote brakwatermeren. Zij broedt op eenzame en rustige plaatsen in oude konijnenholen, bovendien op de heide te Hilversum en bij Harderwijk, onder Anjum en Engwierum in Friesland. In de wintermaanden zwerft zij rond en bezoekt dan ook de poelen en plassen in het binnenland. Door aard en bewegingen gelijkt zij op de Vosgans; wel is haar gang iets plomper; daarentegen geeft zij bewijzen van groote bekwaamheid in ’t zwemmen. Ook zij is schuw en voorzichtig, maar bemerkt spoedig, hoe de mensch jegens haar gezind is. In de holen, die voor haar gegraven worden, nemen de Bergeenden zonder aarzelen haar intrek. Zoo broeden zij op het eiland Rottum, ten getale van eenige honderden. Hiervan geeft Dr. G. A. Venema de volgende lezenswaardige beschrijving: „Toen tegen de Konijnen op Rottum een verdelgingskrijg werd begonnen, verminderden hunne holen; de oude, onbewoonde verdwenen, doordien de wind ze met stuifzand vulde. De voogd (die met zijn gezin de eenige menschelijke bevolking van het eiland uitmaakt) is toen begonnen met het bouwen van kunstmatige holen onder den grond, die de Bergeenden onverwijld voor het leggen van hare eieren opzochten. In deze holen moet, wanneer men wenscht, dat de Bergeend ze veilig acht, geen licht door den ingang of van boven naar beneden kunnen dringen tot de plaats, waar de eieren worden gelegd. Holen, gebogen zooals die van de Konijnen, zijn daarom gewenscht. De -vormige goot of greppel, die men in den grond groef, bedekte men met hout en bracht daarop zoden. De Bergeend kiest voor het leggen van hare eieren het achterste” (hier met een groote stip gemerkte) „deel, dat de voogd met een groote zode dekt, zoodat men door haar weg te nemen, gemakkelijk de eieren kan verkrijgen.

„Later gaf de voogd aan de kunstmatige holen voor de Bergeenden een of vormige gedaante. De goot of greppel in den grond wordt door 12 of 15 latjes overspannen, die men met zoden, soms daarna met zand en dan nog eens met zoden dekt. Op de” (hier met een stip gemerkte) „einden legt men een enkele zode, ten einde de eieren te kunnen wegnemen. Deze nieuwe soort van nesten voldoen uitmuntend. De Bergeend maakt er even gaarne gebruik van als vroeger van de holen der Konijnen en de voogd heeft er het voordeel van, dat hij de nesten der Bergeenden niet behoeft te zoeken, waartoe hij verplicht was, toen het eiland nog door Konijnen werd bewoond. Zoodanig kunstmatig aangelegd, onderaardsch hol, als ik hier heb beschreven, dient voor nest van twee Bergeenden, die altijd de uiterste einden opzoeken; in ieder eind legt één wijfje. Andere Vogels hebben een vrije keuze voor de plaats hunner nesten, maar de Bergeenden op Rottum niet. Hare nesten legt de voogd op de westzijde van het eiland aan, een kleiner getal bevindt zich in het midden, maar alle nesten worden in de lage binnenduinen gevonden, waarin de Bergeenden zich gaarne ophouden.

„De Bergeenden leggen hare eieren, die een bijna witte kleur hebben, in de maanden Mei en Juni ten getale van 12. Men vindt soms meer eieren in één nest, maar, waar dit het geval is, mag men aannemen, dat meer dan één Eend hare eieren aan hetzelfde nest vertrouwt. De voogd vond eens in een Bergeendennest 56 eieren. De Bergeenden leggen alle dagen, als het weder zacht en warm is, of als er geen wind waait, en om den anderen dag, als de lucht guur en het weder onstuimig is. De voogd neemt telkens de eieren op twee na, tot ongeveer half Juni, weg, en laat de Bergeend op 6, 7 of 8 eieren broeden; op één of 2 eieren broedt zij niet; vandaar dat de eieren, die de voogd in het nest laat verblijven, niet worden aangebroed.”

Ongeveer op dezelfde wijze gaat men op het eiland Sylt te werk. Het hierdoor verkregen voordeel is niet onbelangrijk. De eieren van de Bergeenden, hoewel niet naar ieders smaak, vinden toch grage koopers; het dons, dat na afloop van den broedtijd uit het nest wordt genomen, is bijna even zacht als dat van de Eidereend en in den regel zuiverder. Op het vleesch van den volwassen Vogel valt niet te roemen, daar het een sterken of tranigen smaak en een onaangenamen reuk heeft.

Met andere dieren van haar soort leeft de Bergeend tot op zekere hoogte zelfs gedurende den broedtijd gezellig. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, vooral uit de malsche gedeelten van zeeplanten of van kruiden, die in zouthoudend water groeien uit zaden van verschillende soorten van grassen en biezen, graankorrels enz. Dierlijke stoffen zijn echter voor haar welzijn volstrekt noodig. Ook hieruit blijkt, dat zij het midden houdt tusschen de Ganzen en de Eenden. In de vrije natuur maakt zij ijverig jacht op kleine Visschen, Weekdieren en Insecten.

Jonge Bergeenden kunnen bij goede verzorging zonder veel moeite grootgebracht worden; gewoonlijk verkrijgt men ze door tamme Eenden te laten broeden op eieren van in ’t wild levende Vogels. Deze jongen worden zeer tam en verkrijgen een even fraai vederenkleed als hunne soortgenooten in de vrije natuur. Soms, doch zelden, zullen tamme Bergeenden eieren leggen en uitbroeden; men moet daartoe onderaardsche gangen voor haar beschikbaar stellen.


De Spoorwiekganzen (Plectropterus), zoo genaamd wegens den krachtigen doorn, waarmede de vleugelbocht gewapend is, behooren in Afrika thuis; een drietal soorten van dit geslacht treft men in dierentuinen aan, o.a. te Amsterdam. Zij onderscheiden zich door een aanzienlijke grootte, een slanken romp, een langen hals, een grooten, forschen snavel, een onbevederd voorhoofd met dikken, naakten knobbel, betrekkelijk zeer hooge pooten met lange teenen en groote zwemvliezen, lange, spitse vleugels met buitengewoon sterk ontwikkelde schouderveeren.


Tot groote verrassing der onderzoekers werd één soort van dit geslacht, de Gewone Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis) in het jaar 1827 in Engeland geschoten. Op deze vrijwillige overkomst volgde in 1830 de eerste overbrenging van levende exemplaren naar Europa door den mensch. De wangen, de kin en de keel, de middelborst en de buik benevens de korte bovendekveeren langs den geheelen rand zijn wit, de onderhals en de mantel, de slagpennen en stuurpennen zijn bruin met groenachtig zwarten weerschijn. Het oog is roodbruin, de snavel en het voorhoofd zijn blauwachtig rood, de voet is lichtrood. Lengte 90 cM.