Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis). ⅙. v. d. ware grootte.

Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis). ⅙. v. d. ware grootte.

De Spoorwiekgans is over Middel-, Oost- en West-Afrika verbreid. Zij bewoont de oevers der rivieren of groote, door den regen gevormde plassen en zwerft slechts over een betrekkelijk klein gebied heen en weer. Haar gang herinnert in de verte aan dien van een Ooievaar en is dus beter dan die van eenige andere soort van de onderfamilie. Ook haar voedsel is in zooverre eigenaardig, dat zij zeer gaarne Visschen of dierlijke stoffen in ’t algemeen eet en deze, als zij er eens aan gewoon is, met hetzelfde verlangen te gemoet ziet als de Eenden.


De dierenwereld van Australië is ook door hare Ganzen vreemdsoortig. De hier levende Hoendergans (Cereopsis Novae-Hollandiae) heeft een forsch gebouwden romp, een dikken, korten hals, een kleinen kop met zeer korten, dikken, stompen, aan den wortel hoogen snavel, die tot bij de spits met een washuid bedekt, hier gekromd en als ’t ware afgeknot is, zoodat hij in de verte op den snavel van sommige soorten van Hoenderen gelijkt, de loop is lang, de teenen zijn kort met diep uitgesneden zwemvliezen en groote, krachtige nagels voorzien, de breede vleugels hebben sterk ontwikkelde schouderveeren, de staart is kort en afgerond. De kleur is grootendeels zacht blauwachtig grijs met zwarte, oogvormige vlekken op den rug en de schouders; de tophelft van de armpennen, de stuurpennen en de onderdekveeren van den staart zijn bruinachtig zwart. Het oog is karmijnrood, de snavel zwart, zijn washuid groenachtig geel, de voet zwartachtig. Lengte ongeveer 90 cM.

De Hoendergans leeft veel meer op het land dan op het water. In verband hiermede loopt zij uitmuntend, zwemt echter tamelijk slecht en daarom slechts in geval van nood; haar vlucht is plomp. Door haar afkeer van ’t water, die zij ook in de gevangenschap toont, onderscheidt zij zich van alle overige soorten harer familie. Zonder er toe gedwongen te zijn, zwemt zij hoogst zelden; in den regel blijft zij over dag zoowel als ’s nachts op den vasten bodem, in de morgen- en avonduren grazend, in de middaguren en gedurende den nacht rustend.

Wegens zijn uitmuntend vleesch, dat, naar men zegt, verre te verkiezen is boven dat van onze Ganzen, hielden de Nieuw-Hollandsche kolonisten dezen Vogel vroeger veel op hunne boerderijen. Thans geschiedt dit wegens zijn twistzieken, onverdraagzamen aard slechts zelden. De Gent is voor geen der huisdieren bevreesd. „Met de grootste woede,” verhaalt Cornély, „vervolgde mijn Gent ieder levend wezen. Een groote Kraan, die hem toevallig in den weg kwam, werd onmiddellijk aangevallen. Hoewel mijn knecht slechts eenige honderde schreden te loopen had, om de dieren te scheiden, kwam hij toch te laat; de Kraan was reeds bezweken. Eens kwam de Gent ’s nachts in een stal, waar een andere Kraan sliep; ook dezen vonden wij ’s morgens met wonden bedekt. De koeien nemen voor hem de vlucht; hij valt zelfs voorbijgaande Paarden aan, zoodat men hem met stokslagen moet wegjagen. Hoewel de Hoenderganzen hier zeer goed gedijen en op een groene weide een zeer fraai schouwspel opleveren, moet ik toch iedereen, die niet over een groote ruimte te beschikken heeft, ontraden, deze Vogels te houden; want overal, waar zij met andere dieren samenkomen, brengen zij onheil teweeg.” In Europa wordt de vermenigvuldiging van de Hoenderganzen ook nog bemoeielijkt door den tijd, waarin zij broeden; dit geschiedt in de laatste herfstmaanden, die in Australië lentemaanden zijn, zoodat de winterkoude de hoop van den vogelfokker dikwijls verijdelt. De ervaring heeft echter geleerd, dat Hoenderganzen, welker eerste legsel door de koude te niet ging, in Februari opnieuw legden en dan hare jongen zonder bezwaar grootbrachten.


De leden van de derde onderfamilie der Zeefsnaveligen, de Zwemeenden (Anatinae), onderscheiden zich van de Ganzen vooral door de kortheid van den loop en van de Zwanen door den korteren hals. Haar romp is kort, de kop dik; de snavel is even lang als de kop of iets korter dan deze; de zijranden van den bovensnavel zijn zoo gebogen, dat de ondersnavel er grootendeels door omvat wordt. De scheen is tot kort boven het spronggewricht bevederd, de voet ver naar achteren geplaatst; de korte, zijdelings samengedrukte loop is korter dan de middelste voorteen, de achterteen heeft geen zwemvliesje. De vleugels zijn middelmatig groot, smal en spits; de schoudervleugel is gewoonlijk sterk ontwikkeld en prijkt dikwijls met veeren van eigenaardigen vorm; de staart is kort en breed, aan den top afgerond of spits; de kleine veeren vormen op den romp een zeer dicht en glad kleed, waartusschen zich een overvloed van dons bevindt. Tusschen mannetjes en wijfjes, ouden en jongen en in verschillende jaargetijden bestaat een aanmerkelijk verschil in kleur; deze is bij het mannetje meer of minder prachtig, bij het wijfje eenvoudig en weinig in ’t oog vallend.—Het prachtkleed of bruiloftskleed van het mannetje moet op één lijn gesteld worden met het zomerkleed van de Vogels van andere groepen, hoewel het niet in de lente, maar reeds vóór den aanvang van den winter te voorschijn komt en gedurende den winter en de lente blijft bestaan. Tegen den aanvang van den zomer, terwijl het wijfje nog broedt, maakt het prachtkleed van den waard plaats voor het eenvoudige „zomerkleed”, dat dus vergeleken kan worden met het winterkleed der overige Vogels. Daar de waard gedurende het ruien door het nagenoeg gelijktijdig uitvallen der slagpennen bijna volkomen buiten staat is om te vliegen, neemt hij in dezen tijd de wijk naar plassen, die door hun uitgestrektheid, eenzame ligging en plantengroei hem een veilige verblijfplaats aanbieden; hier komt in ’t verborgen het wisselen der veeren tot stand. Op alle gunstig gelegen plassen en meren vereenigen de ruiende Vogels zich tot groote gezelschappen, die den jager een voordeelige jacht verschaffen, waarvoor echter meestal schuitjes noodig zijn. Tegen den tijd, waarin de vleugels der jongen bruikbaar geworden zijn, is ook hun vader weer tot vliegen in staat. Hij keert dan naar zijn kroost terug, dat tot dusver alleen door de moeder werd opgevoed. Het wijfje ruit wel twee maanden later. Vóór den winter heeft bij het mannetje de vervanging van het zomerkleed door het winterkleed plaats; deze geschiedt niet plotseling, door het uitvallen der oude en het ontstaan van nieuwe veeren, maar langzamerhand, door verkleuring van het prachtkleed, zoodat men niet zelden exemplaren in een zoogenaamd „overgangskleed” aantreft. De veeren, die gedurende den zomer verloren gingen, worden omstreeks denzelfden tijd vernieuwd met de kleuren van het prachtkleed; bij de meeste individuën treden beide verschijnselen, de kleursverandering en het ontstaan van nieuwe veeren, gelijktijdig op, waardoor de onjuiste meening ingang heeft gevonden, dat de mannetjes tweemaal per jaar, de wijfjes daarentegen slechts éénmaal ruien.

Ook de Zwemeenden zijn over de geheele wereld verbreid, hoewel men in de heete en de gematigde aardgordels een grooter aantal soorten aantreft dan in de koude. Zij bewonen de zee en het zoetwater tot in hooge bergstreken en trekken naar warmere gewesten, als de winter haar er toe noodzaakt; sommige soorten doen zeer verre reizen; onderweg vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen. Eenige soorten loopen bijna even goed als de Ganzen, andere hebben een plompen en waggelenden gang; alle zijn uitmuntend ervaren in het zwemmen, hoewel zij slechts bij uitzondering duiken en hierin geen bijzondere bekwaamheid toonen. Alle vliegen goed, met snel opeenvolgende, bijna gonzende vleugelslagen, die een fluitend, ruischend of schel klinkend geluid veroorzaken; zij stijgen met evenveel gemak uit het water als van den vasten grond omhoog, bewegen zich op korten afstand van den bodem en van den waterspiegel voort of verheffen zich tot een hoogte van verscheidene honderden meters. Van enkele is de stem welluidend en helder, gelijk de tonen van een trompet of van een fluit; van andere is zij kwakend of ratelend; het geluid van het mannetje is in den regel anders dan van het wijfje. Het voedsel wordt gewoonlijk in de schemering- of avonduren gezocht en is deels dierlijk, deels plantaardig. Malsche spruitjes, wortelknollen en zaden van allerlei soorten van moeras- en waterplanten, verschillende grassen en graangewassen, Insecten, Wormen, Weekdieren, Amphibiën, Visschen, stukken vleesch van groote Gewervelde Dieren, zelfs krengen worden met graagte verslonden; tot bevordering van de spijsvertering dienen de tevens doorgeslikte schelpjes en zandkorrels of kleine kiezelsteentjes.

Alle Eenden leven in monogamie (iedere „waard” of „woerd” met één wijfje). De wijfjes bouwen de nesten bij voorkeur in elkanders nabijheid; eenige soorten vormen echte broedgezelschappen. Verborgen nestplaatsen vallen het meest in den smaak; vele bouwen haar nest echter op een open terrein. Verscheidene soorten nestelen in holen onder den grond of in rotskloven, andere in gaten van boomen, nog andere op de takken, waarbij het nest van een landvogel den grondslag voor het hare vormt. De overige maken een diepe kom in een hoop plantendeelen op den grond; vóór het broeden wordt deze holte door de eend met haar eigen dons zacht gevoerd. Het aantal eieren is in den regel groot, zelden minder dan 6, soms wel 16; de duur van het broeden wisselt af van 21 tot 24 dagen. Als verscheidene wijfjes-eenden naast elkander nestelen, stelen zij elkander gewoonlijk de eieren af; want de aandrift tot broeden en verzorgen van jongen is bij haar zeer groot. De moeder voert de jongen, nadat zij droog geworden zijn, zoo schielijk mogelijk naar het water en helpt ze met groote liefde. Reeds op den eersten levensdag bewegen zij zich zeer behendig en vlug; zij zijn vaardig in het loopen, zwemmen en duiken, vangen ijverig Insecten, eten veel en groeien schielijk. Onmiddellijk na het gereed komen van het eerste vederenkleed begint de ontwikkeling van het tweede; deze is afgeloopen als de vader bij zijn gezin terugkomt.

Alle snelvliegende Roofvogels, van den Arend tot de wijfjes van Haviken en Sperwers, maken jacht op de volwassen Eenden; de jongen worden door Vossen, Marters, Wezels, Ratten, Raven, Kraaien, Roofmeeuwen enz. vervolgd: bovendien worden vele broedsels vernield door onverwachte rijzing van den waterspiegel en andere natuurverschijnsels. In bebouwde landen vermindert het aantal Eenden van jaar tot jaar, niet zoozeer wegens de vervolgingen, die zij te verduren hebben, als door het meer en meer droogleggen van de terreinen, waar zij haar voedsel zoeken en nestelen.


Het geslacht der Eenden (Anas) omvat alle Zwemeenden, welker snavel langer is dan de kop, naar voren niet breeder, maar een weinig smaller wordt en een nagel heeft, die ternauwernood een derde van de breedte van de spits inneemt. De eerste en de tweede slagpen zijn de langste. De spits eindigende staart bestaat uit 14 of 16 pennen. Van de 40 soorten van dit geslacht, dat in verscheidene ondergeslachten wordt verdeeld, zijn 5 inheemsch.


Van alle Eenden zijn mijns inziens de Fluiteenden (Mareca) nog het naast aan de Ganzen verwant. Haar mondspleet is korter dan bij de overige Eenden, daar zij even lang is als de loop. De eenige inheemsche vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de Smient of Fluiteend [Anas (Mareca) penelope], in Groningen Smeenk of Smink, in Friesland Smunt, in Limburg Maaseend genoemd. Des winters bezoekt zij ons land in ontelbare menigte op den trek; een enkel paar werd in Noordbrabant broedend gevonden (Albarda). In ’t prachtkleed heeft het mannetje den kop en den hals roestrood met okergele kruin, den krop grijsachtig rozerood, de kleine bovendekveeren van den vleugel benevens het midden van borst en buik zuiver wit, de zijden van borst en buik op witten grond met zeer fijne, dichtbijeenstaande, dwarse golflijnen geteekend, de lange schouderveeren zwart met witten buitenzoom, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zwartgrijs, den spiegel glanzig groen (bij ’t wijfje bruinzwart), van voren en van achteren door een zwarte streep begrensd, de handpennen grijsbruin, de voorste armpennen zwart met groenen glans op de buitenvlag, de staartpennen donker aschgrauw. Het oog is bruin, de snavel licht blauwachtig grijs met zwarte spits, de voet aschgrauw. Lengte 54 cM.

Het broedgebied van de Smient omvat de geheele toendra van Europa, Azië en Amerika. Op den trek doorreist zij geheel Europa en Azië; zij bezoekt echter het binnenland van Afrika niet, doch overwintert in het kustgebied van de Middellandsche zee. Meer dan eenige andere Zwemeend geeft zij aan zoetwater de voorkeur, hoewel zij zich op den trek tijdelijk in ondiepe zeebochten en brakwater ophoudt. Hoewel zij in aard en voorkomen een echte Eend is, onderscheidt zij zich van hare verwanten door haar lossen, snellen, bijna niet waggelenden gang, welke aan dien van een Gans herinnert. Zij dankt haar naam „Fluiteend” aan haar op „wiewuu, wuubiebuu, wuubwieüu” gelijkende, op een afstand niet onaangenaam klinkende stem. Geen enkele mij bekende Eend houdt zooveel van plantaardig voedsel als deze. Eigenaardig is het, dat voor de vangst van Smienten onder slagnetten behalve tamme Eenden ook tamme Ganzen als lokvogels gebruikt worden, voor de vangst van andere soorten van Eenden daarentegen uitsluitend tamme leden van haar eigen onderfamilie. „De Eenden”, schrijft Dr. G. A. Venema3, „houden niet veel van het geroep van Ganzen. Alleen de Smienten zijn niet zóó zeer op het gezelschap van hare soortgenooten gesteld, maar luisteren gaarne naar het geroep der Weenkies” (hiermede wordt Anser albifrons, bedoeld) „en vinden haar gezelschap aangenaam.”

Gevangene Swienten zijn een sieraad van een door traliewerk afgesloten vijver en planten zich hier ook voort. Als wild zijn zij zeer gezocht.


Van alle Eenden is de Wilde Eend [Anas (Anas) boscas], in Limburg Blokeend, in ’t Friesch Ein of Einefoegel (mannetje: erk; wijfje: ein) genoemd, voor ons de belangrijkste, omdat van haar onze Tamme Eend afstamt. Zij vertegenwoordigt het ondergeslacht der Spiegeleenden (Anas), zoo genoemd wegens haar grooten, zeer in ’t oog vallenden „spiegel” (een plek op den vleugel, die door de eigenaardige kleur en teekening van de armpennen gevormd wordt). In ’t prachtkleed is het mannetje zeer gemakkelijk te herkennen aan de verlengde, sikkelvormig naar voren omgekrulde, laatste bovendekveeren van den staart. De kop en het bovenste deel van den hals zijn groen, van de kastanjebruine bovenborst gescheiden door een smallen, witten halsband; de bovenrug is hoog- of grijsbruin, met donkerder tinten gemengd, op de schouders met grijswitte, bruine en zwartachtige golflijnen. De vleugel heeft grijze bovendekveeren en een prachtig blauwen, aan weerszijden wit gezoomden spiegel; de onderrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, de onderdeelen op grijswitten grond met zeer fijne, zwartachtige golflijnen geteekend; de onderdekveeren van den staart zijn fluweelzwart, de slagpennen donkergrijs. Het oog is lichtbruin, de snavel groengeel, de voet bleekrood. In den zomer en herfst verschilt het kleed van ’t mannetje alleen door een iets lichtere kleur van dat van ’t wijfje; dit heeft den kop en den hals vaalgrijs met donkerder stippels, den bovenkop zwartbruin; de teekening van den bruinen rug bestaat uit zwartbruine, grijze, bruine en roestbruingele stippels en lichtere vederranden, die van den onderhals en den krop uit zwarte maanvlekken op licht kastanjebruinen grond, die van de overige onderdeelen uit bruine vlekken op geelbruinen grond. Lengte 63 cM.

Het verbreidingsgebied van de Wilde Eend omvat geheel Europa en Azië, Noord-Amerika (tot Mexico) en Noord-Afrika; zij trekt in ’t noorden geregeld, begeeft zich ook van onze breedten in den herfst naar ’t zuiden, overwintert echter reeds in Zuid-Duitschland dikwijls in haar broedgebied. In de maanden October en November verzamelen de Wilde Eenden zich tot groote zwermen om zuidelijker gewesten op te zoeken. De meeste gaan tot Italië, Griekenland en Spanje, slechts weinige tot Noord-Afrika of de Zuid-Aziatische landen, die op dezelfde breedte liggen. Op de Italiaansche, Grieksche en Spaansche meren ziet men ze bij duizenden en honderdduizenden; soms is het water met deze Vogels bedekt over een uitgestrektheid van verscheidene vierkante KM. en veroorzaken zij bij het opvliegen een ver hoorbaar geraas, dat aan het geluid van de branding herinnert. Reeds in Februari, uiterlijk Maart, begint de terugtocht. Bij ons broedt deze soort overal; de Wilde Eenden, die hier in het winterhalfjaar zoo menigvuldig aangetroffen worden, trekken voor ’t meerendeel door. De uit het noorden afkomstige exemplaren zijn de grootste. Kleinere Eenden met een meer gedrongen lichaamsbouw en een korteren snavel, die slechts bij strenge vorst komen opzetten, zijn bij de kooikers onder den naam van „Oostvogels” bekend (in Groningen noemt men ze „Oostersche Eenden”); zij broeden aan de Oostzeekusten (Albarda).

In haar vaderland, zoowel als in den vreemde bewoont de Wilde Eend bij voorkeur meren, vijvers en moerassen, die gedeeltelijk met struiken, riet en andere moerasplanten begroeid zijn, zoodat er hier en daar open water is. Van hier vliegt zij naar de kleine vijvers, poelen, kanalen, slooten of akkers om ook van het hier aanwezige voedsel gebruik te maken. Betrekkelijk zelden vertoont zij zich op den vrijen waterspiegel; liefst zwemt zij zoo schielijk mogelijk naar het naburige halmenwoud en zoekt hier slobberend en wadend, haar voedsel in het slijk.

De Wilde Eend is een van de vraatzuchtigste Vogels, die wij kennen. Zij verslindt malsche bladen, spruitjes, knoppen, kiemplantjes en zaden van grassen en allerlei andere moerasplanten, graankorrels, knolvormig gezwollen plantendeelen enz. Bovendien maakt zij ijverig jacht op allerlei Weekdieren, Wormen, Gelede Dieren, Visschen en Amphibiën. Haar onverzadelijke honger noopt haar te eten, zoolang zij wakker is en iets te bikken vindt.

Door aard, bewegingen en gewoonten komt zij overeen met haar tamme verwant, de Huiseend. Zij loopt, zwemt, duikt en vliegt op soortgelijke wijze, maar beter. Van de wijfjes van Wilde en van Tamme Eenden hoort men het ver klinkende „kwak”, van de mannetjes het doffe „kwek”; voor ’t gewone verkeer dienen de klanken „wek wek”; de loktoon is „wak wak”, vrees wordt door „rets” of „reb reb” uitgedrukt, kortom van beide is de stem geheel dezelfde. Hare zintuigen zijn scherp, hare geestvermogens goed ontwikkeld. Zij is steeds voorzichtig en sluw, maar wordt buitengewoon schuw door vervolgingen. Hoogst gezellig, over ’t algemeen ook verdraagzaam van aard, voegt zij zich gaarne bij hare verwanten en gaat met allerlei Vogels gemeenzaam om. Zelfs vermijdt zij niet altijd de nabuurschap van den mensch, maar vestigt zich dikwijls op vijvers, die onder de bescherming van het publiek staan, bij voorbeeld op die van plantsoenen of groote tuinen; hier verliest zij weldra haar argwaan en laat zich gaarne door de wandelaars voederen. Zij schroomt niet op zulke plaatsen te broeden en jongen groot te brengen; zij gedraagt zich hier bijna als een tamme Vogel. Voor het bouwen van haar nest zoekt zij een stil, droog plekje onder struiken of andere planten op, maar maakt ook wel gebruik van reeds aanwezige, op boomen gevestigde nesten van Roofvogels of Kraaien. Zij broedt op 8 à 16 langwerpige eieren met harde en gladde, grijswitte schaal, welke niet onderscheiden kunnen worden van die der Huiseend. De jongen (die men vaak „Pielen” of „Puulen” hoort noemen) worden na het verlaten van het ei nog een dag in het nest verwarmd en vervolgens naar het water gevoerd. Als zij in een hoog gelegen nest het eerste levenslicht aanschouwden, springen zij eenvoudig op den grond, zonder zich bij den val te bezeeren.

De vader bemoeit zich in ’t geheel niet met zijn gezin in dezen tijd van zorg en angst voor de moeder. Zoodra de eend begint te broeden, vliegt de waard weg en vereenigt zich met zijns gelijken tot troepen.

Menige oude Eend valt den Vos of den Vischotter, menige jonge den Bunsing of den Nerts ten buit; de eieren en kleine jongen worden door Waterratten of door Wouwen geroofd; hare ergste vijanden zijn echter de groote Edelvalken, die zich een tijdlang bijna uitsluitend met Eenden voeden; zij trachten bij ’t zien van zulk een geweldenaar zich zoo goed mogelijk door duiken te redden.

Wilde Eend (Anas boscas). ¼ v. d. ware grootte.

Wilde Eend (Anas boscas). ¼ v. d. ware grootte.

De Eenden zijn als wild zeer gezocht; op allerlei wijzen worden zij, zoowel bij ons als in zuidelijker landen, bij duizenden gevangen. Des winters zijn de markten van alle Italiaansche, Grieksche, Spaansche en Egyptische steden overvoerd met Eenden in ’t algemeen en met die van de gewone soort in ’t bijzonder.


De kleine soorten van Eenden, die ongeveer de grootte van een Woudduif hebben, worden hier te lande gewoonlijk Talingen genoemd. Men vat ze dikwijls samen in een ondergeslacht van dien naam (Querquedula), gekenmerkt door de kuifvormig verlengde veeren van den achterkop en de spits toeloopende, soms zeisvormig verlengde schouderveeren. Van de vier Europeesche soorten van deze groep zijn er twee inheemsch. De kleinste, de 32 cM. lange Wintertaling—naar de stem ook wel Krik of Krikje, in Friesland Piepteling genoemd (Anas crecca)—onderscheidt zich o.a. door het bezit van 16 pennen in den staart van den (38 cM. langen) Zomertaling—vroeger ook Schijftaling, bij Oirschot Schuim- of Schiemeendje, in Friesland Schiertaling genoemd (Anas querquedula)—, die 14 stuurpennen heeft. De eerste wordt daarom ook wel tot een afzonderlijk ondergeslacht, dat der Krikeenden (Nettion), gerekend. De Wintertaling heet zóó, omdat hij in Nederland van Augustus, totdat de vorst invalt en in Maart en April in ontelbare menigte voorkomt. Hier en daar werd hij in onze streken broedend aangetroffen. Minder zelden, doch geenszins veelvuldig vindt men bij ons, vooral in kleistreken, nesten van den Zomertaling. Deze vertoeft in Nederland gewoonlijk van April tot September en brengt er slechts in enkele gevallen den winter door. Voor den kooiker is hij van weinig belang. De Wintertalingen daarentegen worden in groote menigte gevangen, eenige jaren geleden b.v. in een eendenkooi onder Anjum (Friesland) 1500 stuks op één dag (Albarda).

De Wintertalingen zijn nog bonter van kleur dan hunne in dit opzicht niet misdeelde verwanten. Hun „spiegel” is goudgroen: bij het wijfje van voren en van achteren wit begrensd, bij het mannetje van voren door een fluweelzwarten, van onderen door een smallen, witten, van boven door een breeden, deels witten, deels roestkleurigen band omgeven. De spiegel van den Zomertaling is kleiner, bij ’t wijfje dof grijs, bij ’t mannetje met groenachtigen weerschijn, bij beide van voren en van achteren wit, van boven grijs gezoomd. Goudgroen is ook de kleur van een teugelstreep, die zich in ’t prachtkleed van den mannelijken Wintertaling van ’t oog tot aan den achterhals uitstrekt en welks witte zoom zich ook vóór het oog, langs den mondhoek tot aan de kin voortzet. Wit is deze streep bij den Zomertaling waar zij een scheiding vormt tusschen het zwartbruin van kruin en bovenhals en het bruinrood met fijne witte streepjes van het voorhoofd en de zijden van kop en hals. Bij den Wintertaling zijn de kop en de bovenhals levendig kaneelrood, de achterhals, de mantel en de zijden van de borst op aschgrauwen grond met zwarte, dwarse golflijnen geteekend. De overige, deels witte, deels geelachtige onderdeelen zijn bij hem minder sterk gevlekt dan bij zijn verwant. Meer verschil biedt de vleugel aan: bij den Zomertaling zijn de achterste schouderveeren zeisvormig verlengd, blauwachtig grauwzwart met witte schaft en breeden, witten zoom, de kleine en middelste vleugeldekveeren licht blauwachtig grijs. Ook bij den Wintertaling zijn de schouderveeren spits; haar lengte is echter geringer, bovendien zijn zij aschgrauw met zwarte schaft; de kleine vleugeldekveeren zijn bruingrijs. Daar de laatstgenoemde veertjes hun bij beide soorten verschillende kleur in ’t zomerkleed nagenoeg onveranderd behouden, kan men ze, althans de mannetjes, hieraan en aan den spiegel ook ’s zomers onderscheiden. Het zeer bescheidene zomerkleed vertoont overigens bij de Talingen onderling en bij de Eenden in ’t algemeen betrekkelijk weinig verschil; in den zomer en den herfst wordt hierdoor het onderscheiden van de soort en van mannetjes, wijfjes en jongen bemoeielijkt.

De Wintertaling bewoont als broedvogel het noorden van beide halfronden tot op IJsland en in Kamtsjatka; vooral in Siberië is hij talrijk, hoewel zijn broedgebied zich hier minder ver noordwaarts uitstrekt. In Europa reikt het zuidwaarts tot op onze breedte. Op den trek doorreist deze soort geheel Europa en Azië en een deel van Noord-Amerika; in grooten getale bezoekt zij Noord-Afrika. De Zomertaling broedt in geheel Middel-Europa en Middel-Azië, doch niet verder noordwaarts dan het zuiden van Zweden. Op den trek komt hij in Afrika tot op 10° N.B.

In hoofdzaak komen beide soorten in levenswijze en gewoonten overeen; wij bepalen ons daarom tot het beschrijven van den Zomertaling. Deze kiest tot verblijf- en broedplaats bij voorkeur zoetwaterplassen, die grootendeels of althans langs den oever met dichtbijeenstaand riet, met biezen enz. begroeid zijn, ondiepe, met drijvende planten bedekte bochten hebben en te midden van moerassige weilanden gelegen zijn. Hij vestigt zich ook wel in allerlei andere broeklanden en moerassen: bijzonder gaarne bewoont hij echter een diep in ’t woud verborgen stouwwater of een door boomen overschaduwden, door den lenteregen gevormden plas. Van hier uit bezoekt hij ’s nachts alle watervergaarplaatsen in de buurt, zelfs de kleinste, voorzoover zij ondiep, modderig en rijk aan planten zijn; niet minder gaarne begeeft hij zich naar overstroomde landerijen of naar weiden met talrijke bevloeiings- of afwateringskanalen. Hier, altijd gedekt, verricht hij zijne dagelijksche of liever nachtelijke bezigheden. Zijn voedsel verschilt in zoover van dat der andere Eenden, dat hij, behalve dierlijke stoffen en malsche uitspruitsels, ook vele zaden, vooral die van het mannagras en dergelijke, op vochtigen grond groeiende grassen eet. Zijn stem is een zwak, hoog gekwaak, dat als „kwek” of „knèèk” klinkt; in den paartijd hoort men van het mannetje het ratelende „klerrree”; de snel opeenvolgende klanken „jèk jèk jèk” duiden opgewondenheid aan. Het verschil in aard van de Talingen en de andere Eenden schijnt grooter dan het is. Het vertrouwen op hun vaardigheid in ’t wegkruipen en duiken, maakt hen minder schuw dan hunne verwanten; toch zijn zij niet minder schrander dan deze, zooals blijkt uit het allengs afleggen van alle vrees op plaatsen, waar zij geen gevaar hebben te duchten.

Bij het kiezen van een plaats voor het nest houdt het wijfje zich niet aan een vasten regel; soms nestelt zij in of dicht bij het water, soms op eenige honderden meters afstand van den waterkant. Het nest gelijkt op dat van andere Eenden; de eieren (9 à 12, soms nog meer) zijn iets grooter dan die van de Houtsnip, langwerpig eivormig, fijnschalig, bruingeelachtig wit. De broedtijd duurt drie weken.

De reeds genoemde en allerlei andere soorten van Eenden worden hier te lande veelvuldig gevangen in zoogenaamde „eendenkooien”4. Deze bestaan uit een eenzamen ver van alle gedruisch gelegen vijver, door houtgewas omgeven en in gemeenschap staande met een gekromde sloot, die naar achteren allengs nauwer wordt; het oeverhout wordt als een gewelf boven de sloot saamgevlochten, of deze wordt door deknetten van boven afgesloten. Lokeenden verleiden de wilde Vogels om in den vijver neer te strijken en in de sloot op te zwemmen, waar zij geen gevaar bespeuren, omdat de slootkanten voorzien zijn met staande rietmatten, waarachter de kooiker zich schuil houdt. Een hiervoor afgericht hondje, dat langs den waterkant loopt, drijft de Eenden door voortdurend keffen steeds verder, totdat zij eindelijk, den plotseling verschijnenden kooiker achter zich ziende, al vluchtend in een groot, sterk, fuikvormig net aan ’t einde van de sloot geraken.


De Krak of Krakeend (Anas strepera) vertegenwoordigt een ondergeslacht van dien naam (Chaulelasmus), dat zich van het vorige onderscheidt door den betrekkelijk kleineren en smalleren snavel, de langere, iets meer aan den dag komende zeefplaatjes en de grootere lengte van de beide middelste stuurpennen (zoodat de vleugels de spits van den staart onbedekt laten). Zij houdt, wat grootte betreft (lengte 52 cM.), ongeveer het midden tusschen een Wintertaling en een Eend en wordt daarom door de Amsterdamsche poeliers Halve Eendvogel genoemd. Zij heet ook wel Krust, Kreets of Kreest; in Groningen noemt men haar Roepereend, in Friesland Grijpvogel, in Limburg Kraakeend. De laatste en de vier eerste namen dankt zij aan haar stem. De totale indruk van de kleur van ’t vederenkleed is grijs, daar het op witachtigen grond met een tallooze menigte van fijne en grovere, zwarte streepjes en vlekken geteekend is; alleen de bovendekveeren van den vleugel steken hierbij af door hun levendige, deels roestroode, deels bruinzwarte en zwarte kleur. Deze Vogel vertoeft in ons land van Maart tot October en broedt in kleinen getale aan dicht begroeide poelen. Op den trek komen hier exemplaren van de in Noord-Europa gelegen broedplaatsen, waarvan eenige bij ons overwinteren. Naar het schijnt, vermindert hun aantal gaande weg (Albarda).


Veel sterker verlengd dan bij de leden der vorige soort zijn de middelste staartveeren bij het geslacht der Langstaarteenden (Dafila), dat zich bovendien kenmerkt door den zeer slanken romp, den buitengewoon langen hals, den langwerpigen kop en den zeer smallen, zwak gewelfden snavel, welks mondspleet langer is dan de kop.


De Pijlstaart, te Amsterdam Langhals, in Limburg Gaffelstaart genoemd (Dafila acuta), heeft den kop, de kin en de keel purperbruin; een van boven smalle, naar onder breeder wordende streep op het midden van den achterhals en den nek is zwart met groenen weerschijn; de mantel en de zijden, de onderrug en de staartwortel zijn op aschgrauwen grond met uiterst fijne, zwarte, dwarse golflijnen geteekend, de borst, de buik en een streep aan de zijden van den hals zijn zuiver wit, de handpennen donker bruingrijs; de spiegel is groen, van boven door een bruinachtig goudkleurigen, van onderen door een zwarten, wit gezoomden band begrensd; de lange, spits toeloopende achterste schouderveeren zijn wit met breede, zwarte schaftstreep; de beide middelste staartveeren loopen spits toe en steken ver voorbij de overige uit; gene zijn zwart, deze gaan naar buiten van zwart door grijs in wit over; de onderdekveeren van den staart en de stuit zijn zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwachtig, de voet grijs. In ’t zomerkleed is de bovenzijde grootendeels donkerbruin, de onderzijde licht roodachtig bruin met donkerbruine vlekken, de staart wigvormig zonder verlengde middelpennen, evenals bij ’t wijfje. Lengte van ’t mannetje in ’t prachtkleed 64, van den staart 22 cM.

De Pijlstaart broedt in alle landen, die tusschen de kusten van de Noordelijke IJszee en 50° N.B. gelegen zijn; hij trekt tot aan Middel-Afrika, de zuidkust van Azië en Middel-Amerika. Hier te lande broeden enkele paren aan de meertjes onder Vlijmen en Engelen (Noordbrabant). In zeer grooten getale bezoeken de Pijlstaarten ons op den doortrek in Maart en April en van September tot November; zij zijn dan veelvuldig op Wadden en de groote veenplassen te vinden. Als broed- en verblijfplaatsen kiezen zij steeds groote, afgelegene, vrije, zonnige, met allerlei moeras- en waterplanten begroeide meren en moerassen; zij schuwen plassen te midden van bosschen en struikgewas. Wegens hun slanke gestalte herinneren deze Vogels bij ’t staan zoowel als bij ’t gaan en bij ’t zwemmen in vele opzichten aan de Zwanen. Hun stem, een eentonig, hoog, kwakend, als „krok” klinkend geluid, wordt in den paartijd door het mannetje tot „kluuk” verzacht, of bij vermeerderde opgewondenheid tot „aankluuk ère”. Als wild wordt deze Vogel hooggeschat.


De door snavelvorm en bonte kleur zeer opmerkelijke Slobeend, in Groningen Lepelbek, in Friesland Slob, in Limburg Slobbereend genoemd (Spatula clypeata), vertegenwoordigt het geslacht der Lepelbekeenden (Spatula). Dit is kenbaar aan den snavel, die in lengte den kop overtreft, en van den wortel tot aan de spits sterk in breedte toeneemt, zoodat hij hier dubbel zoo breed is als daar; de mondspleet is langer dan de loop; de zeefplaatjes in het voorste derde deel van den bovensnavel zijn aan den rand tot lange, fijne, loodrecht naar onderen gerichte puntjes uitgegroeid. De kop en de bovenhals hebben een donkergroenen metaalglans; het onderste deel van den achterhals, de bovenrug en de korte schouderveeren zijn zwart met lichtgrijzen zoom, de lange, spitse, achterste schouderveeren wit met zwarte schaftstreep, de onderhals en de krop wit, de bovenste vleugeldekveeren eveneens wit, de overige lichtblauw; de metaalglanzig groene spiegel is van voren door een breede, witte streep begrensd; de onderrug en de staartwortel zijn zwartachtig groen, de borst en de buik kastanjebruin, de onderdekveeren van den staart zwart, de handpennen bruingrijs, de middelste stuurpennen bruin met witte kanten; het wit neemt toe op de verder buitenwaarts gelegen stuurpennen. Het oog is goudgeel, de snavel zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 50 cM.

De gematigde aardgordel is het vaderland van de Slobeend; in het hooge noorden komt zij zeldzamer voor. In Europa vindt men haar van Zuid-Noorwegen af overal; in Amerika bewoont zij alle Vereenigde Staten tot aan Canada. Van hier trekt zij gedurende den winter tot naar Mexico, van Europa tot in Noord- en Middel-Afrika, van Middel-Azië tot Zuid-China, Indië en Australië. In Nederland ontmoet men haar van Maart tot October; zij broedt in het riet en aan begroeide waterkanten, zoowel in de zandstreken als op de klei, waar zij zich in polder- en molensloten ophoudt. Een klein getal blijft aan de kust den winter over. Ook in Oost-Pruisen, Polen en Denemarken is deze soort zeer gemeen, in Middel-Duitschland hier en daar woonachtig, in Zuid-Europa gedurende den winter zeer talrijk.

Hoewel het bekend is, dat de Slobeend zich met allerlei kleine ongewervelde dieren, met Insecten en hunne larven, met eieren van Visschen en Amphibiën, met jonge vischjes, zoetwaterslakken enz. voedt en ook malsche, plantaardige stoffen niet versmaadt, kunnen gevangen exemplaren moeielijker in ’t leven gehouden worden dan alle overige Eenden; zij verkwijnen en sterven dikwijls bij de overvloedigste voeding, zonder dat men tot dusver heeft kunnen vinden, welke voedingsstof haar door het verblijf in de gevangenschap onthouden wordt.


De prijs der schoonheid komt toe aan de Carolina-eend (Lampronessa sponsa), een over geheel Noord-Amerika verbreide en daar menigvuldig voorkomende Vogel, die tegenwoordig op onze eendenvijvers voor goed geacclimatiseerd is. Zij vertegenwoordigt het geslacht der Pronkeenden (Lampronessa), kenbaar aan den snavel, die korter is dan de kop, naar voren slechts weinig smaller wordt en voorzien is met een sterk gekromden nagel, die de geheele breedte van de spits inneemt; de voeten zijn kort en krachtig, de vleugels middelmatig lang, smal en spits; de staart is lang, dik, breed, sterk afgerond en uit 16 pennen samengesteld. Het vederenkleed is prachtig, dicht, glanzig, aan den achterkop tot een lange, naar achteren overhangende kuif verlengd; aan den wortel van den bovensnavel en bij het oog komt een naakte streek voor.

Slobeend (Spatula clypeata). ¼ v. d. ware grootte.

Slobeend (Spatula clypeata). ¼ v. d. ware grootte.

De bovenkop en de wangstreek tusschen oog en snavel zijn glanzig donkergroen, de zijden van den kop en een groote vlek aan de zijde van den hals purpergroen met blauwachtigen weerschijn; de goudgroene kuifveeren zijn fraai geteekend met twee smalle, witte strepen: de eene ligt boven het oog, de andere begint bij het oog en is naar achteren gericht. De zijden van bovenhals en bovenborst zijn op fraai kastanjebruinen grond als ’t ware met fijne, witte droppels bespat; de groenachtig purperblauwe schouderveeren, handpennen en stuurpennen hebben een fluweelachtig zwarten weerschijn; de veeren tusschen de schouders, het achterste deel van den rug en de bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, eenige van de zijdelings verlengde, smalle dekveeren van den staart roodachtig oranje, de onderdekveeren van den staart bruin. De kin en de keel, een band om den bovenhals, het midden van de borst en de buik zijn wit, de flanken op geelachtig grauwen grond met fijne, sierlijke, zwarte golflijnen geteekend, eenige langere veeren echter zwart, met breeden, witten zoom. Het oog is hoogrood, de snavel witachtig, in het midden geelachtig, aan den wortel donker bruinachtig rood, aan de spits zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 45 cM.

Men vindt de Carolina-eend in de Vereenigde Staten overal, van Nieuw-Schotland tot aan de zuidkust; zij bezoekt op den trek geregeld Middel-Amerika en West-Indië.

Fraai is haar gestalte, prachtig haar kleed, niet minder lieftallig haar aard. Zij bezit alle eigenschappen, die ons in een Zwemvogel kunnen behagen. Aan het leven in de gevangenschap geraakt zij spoediger gewoon dan eenige andere Eend. Zelfs oud gevangen exemplaren schikken zich spoedig in de veranderde omstandigheden, beschouwen hun oppasser als een welwillend verzorger en luisteren reeds naar zijn stem, kort nadat zij hun vrijheid verloren. Eerder dan alle andere Eenden kan men haar vrije beweging veroorloven. Bovendien plant zij zich geregeld in de gevangenschap voort, wanneer haar slechts een geschikte gelegenheid om te broeden wordt verschaft.

In de vrije natuur voedt de Carolina-eend zich met graanvruchten en zaden, met malsche topspruitjes van verscheidene waterplanten en graansoorten, met Wormen, Slakken en Insecten, ook wel met kleine Amphibiën en andere Gewervelde Dieren; in gevangen staat is zij tevreden met zaad en visch, maar raakt langzamerhand gewoon aan alle spijzen, die de mensch gebruikt.

In de meeste gevallen is de Keizerspecht de bouwmeester van de woning, die alle wenschen van deze Eend bevredigt; soms moet zij zich met een verlaten hol van een Voseekhoorn, bij uitzondering zelfs met een rotsspleet behelpen. Het wijfje glipt met verwonderingwekkend gemak door de ingangsopeningen van verschillende holen, hoewel deze voor haar veel te klein schijnen. Meesterlijk verstaat zij de kunst om een holte tot nest in te richten. Dit wordt dan vele jaren achtereen door het paar gebruikt.

Van September tot in het begin van den winter is het vleesch van deze Eenden voortreffelijk van smaak; zij worden in dien tijd overal vervolgd en bij duizenden op de markt gebracht. Boven al hare uitheemsche verwanten munten zij uit door schoonheid; daar bovendien haar voortplanting geen bezwaren oplevert, geeft men te recht in eendefokkerijen aan haar de voorkeur.

De Duikeenden of Zeeëenden (Fuligulinae) kenmerken zich o.a. door korte pooten, die grootendeels onder de huid van den romp verborgen en dus ver naar achteren geplaatst zijn. Hierdoor staan zij met een opgerichte houding en hebben een gebrekkigen gang, maar kunnen des te beter zwemmen en duiken. De scheen is tot op het hielgewricht bevederd, de loop korter dan de middelste voorteen en sterk zijdelings samengedrukt; de lange voorteenen zijn door groote zwemvliezen vereenigd; de achterteen is met een zwemvliesje voorzien, daar zijn van weerszijden samengedrukte zool, zich tot een vrij naar beneden hangenden huidzoom heeft uitgebreid. De romp is kort, breed en plomp, meer ineengedrongen dan bij de Zwemeenden, de hals kort en dik, de kop groot, de snavel middelmatig lang, gewoonlijk breed, met korte zeefplaatjes voorzien, aan den wortel dikwijls gezwollen; de vleugels zijn kort en bol; de staart is middelmatig lang of kort, maar breed. Het vliegen vermoeit haar meer dan de andere Zeefsnaveligen, hoewel zij na eens een zekere hoogte te hebben bereikt, zich met snelle vleugelslagen tamelijk vlug voortbewegen.

In verband met haar vaardigheid in ’t duiken houden deze Eenden meer van open en diep water dan van een ondiepen of met planten begroeiden plas. De meeste bewonen de zee, doch zoeken in den voortplantingstijd het zoetwater op; andere brengen hier nagenoeg haar geheele leven door. Een enkele, bovenwaartsche stoot van de roeiwerktuigen en het gelijktijdig uitbreiden van den staart naar beneden is voldoende om haar met den kop vooruit naar onderen te doen schieten. Zij kunnen niet, gelijk de Duikers, een door haar waargenomen buit onder water vervolgen, maar duiken min of meer loodrecht naar den bodem en komen na een afwezigheid van eenige minuten bijna precies op de plaats vanwaar zij verdwenen, weer boven. Zij zoeken haar voedsel op den bodem van ’t water en kunnen een niet onbelangrijke diepte bereiken, deze bedraagt voor de in zee levende soorten, naar uit den aard van haar voedsel blijkt, soms ongeveer 100 M. Slechts weinige Duikeenden gebruiken bij voorkeur plantaardige spijzen, de meeste voeden zich met Tweekleppige Schelpdieren en andere Weekdieren, met Wormen, Schaaldieren, Visschen enz., gedurende hun verblijf in ’t zoetwater ook met Insecten. Het van den bodem opgezochte voedsel wordt onmiddellijk, reeds gedurende het duiken, verzwolgen. Zij kwaken niet gelijk de Zwemeenden, maar brengen ratelende of langgerekte geluiden voort. Wat hare zintuigen en geestvermogens betreft, schijnen zij ongeveer op gelijke hoogte te staan met hare verwanten.

Meer dan de overige Zeefsnaveligen nestelen zij gezellig en vormen soms echte volkplantingen. Niet zelden leggen twee wijfjes, die soms zelfs tot verschillende soorten behooren, hare eieren in ’t zelfde nest, broeden gemeenschappelijk en houden zich gezamenlijk bezig met het opvoeden en verzorgen der jongen zonder tusschen het eigen kroost en de vreemde kinderen onderscheid te maken. Vele stelen elkander de eieren af en rollen ze naar hare eigene nesten of lokken de jongen, die pas uit den dop komen, tot zich om ze te verzorgen. De eieren gelijken veel op die van de Zwemeenden, maar zijn meer afgerond en hebben een steviger schaal.

Verscheidene Duikeenden leveren door het dons, waarmede zij haar nest voeren, een belangrijk product; ook zijn sommige als wild zeer gezocht; van de meeste heeft het vleesch (ten gevolge van de eigenaardige voedingswijze) een onaangenamen, tranigen of sterken smaak, waardoor het, voor gastronomen althans, oneetbaar wordt.

Carolina-eend (Lampronessa sponsa). ¼ v. d. ware grootte.

Carolina-eend (Lampronessa sponsa). ¼ v. d. ware grootte.

De eereplaats onder de Duikeenden komt toe aan de Eidereenden (Somateria). Behalve door haar aanzienlijke grootte onderscheiden zij zich door haar zijdelings samengedrukten, in lengte den kop evenarenden, levendig gekleurden snavel, die bij enkele soorten aan den wortel knobbelvormig gezwollen is en steeds van hier tot aan de spits onmerkbaar in breedte en hoogte afneemt. De snavelrug verdeelt zich van achteren in twee takken, die ver tusschen de veeren van het voorhoofd doordringen; op de zijden van den bovensnavel reikt de bevederde huid tot onder de eenigszins naar voren verschoven neusgaten. De groote, onduidelijk begrensde nagel beslaat de geheele breedte van de bovensnavelspits.


De Eidereend (Somateria mollissima) heeft den bovenkop, den hals, den rug en de bovendekveeren van den vleugel wit, de bovenborst wit met roodachtige tint, het voorhoofd en de slaapstreek, den onderrug en den buik zwart, de wangen zeegroen; de slagpennen en stuurpennen zijn bruinachtig zwart, de veeren, die den spiegel vormen, donker fluweelachtig zwart. Het oog is roodachtig bruin, de snavel groenachtig geel, de voet olijfgroen. De lengte bedraagt 63 cM. Het wijfje is kleiner, haar roestkleurig kleed is aan den kop en den hals met bruine, overlangsche vlekken, overigens met zwarte, halvemaanvormige dwarsvlekken geteekend; haar spiegel is bruin met witten rand; de onderdeelen zijn donkerbruin met zwarte golflijnen.