Zeearenden (Haliaëtus).

Zeearenden (Haliaëtus).

„Nu kunt ge u overtuigen van de wreedheid van den vreeselijken vijand der bevederde schepselen. Overeind staande op zijn weerloos slachtoffer, kromt hij de krachtige teenen, balt ze samen en drukt de scherpe klauwen diep in het hart van den stervenden Vogel. Zijn blijdschap geeft hij lucht door een juichkreet op het oogenblik, dat hij de laatste stuiptrekkingen van zijn buit waarneemt. Het wijfje heeft tot dusver van haar zitplaats iedere beweging van haar gade nageoogd. Daar zij overtuigd was, dat de kracht en de dapperheid van haar gemaal volkomen toereikend waren voor de te vervullen taak, is zij hem niet te hulp gekomen. Thans echter zweeft zij naar den overkant, waar hij zich met den buit bevindt; gezamenlijk wentelen zij dezen om, zoodat de borst van den ongelukkigen Zwaan naar boven gericht is en beginnen hun maal.”

Alle Zeearenden dragen dezen naam te recht. In de eerste plaats zijn zij kustvogels; slechts bij uitzondering althans verwijderen zij zich van het water. In het binnenland komen de volwassen Zeearenden bijna niet anders voor dan aan de oevers van groote stroomen of groote meren; de jongen daarentegen ontmoet men dikwijls op groote afstanden van de zee; zij zwerven in den tijd, die aan hun eerste paring voorafgaat, d. i. gedurende verscheidene jaren, zonder bepaald doel en vasten regel door de wijde wereld en vertoonen zich op deze reizen ook in het binnenland; zooveel mogelijk volgen zij steeds den loop van groote stroomen of rivieren. Ook in ons vaderland merkt men bijna niet anders dan jonge exemplaren op en wel uitsluitend in het koude jaargetijde, van November tot Februari. Vooral bij sneeuw en strenge koude worden zij meer binnenslands geschoten of gevangen, in sommige jaren menigvuldiger dan in andere. Bij voorkeur houden zij zich op in streken, waar bosschen, liefst van naaldhout, aan waterrijke vlakten grenzen, zooals in de Friesche gemeenten Opsterland, Doniawerstel en Gaasterland. Het eenige oude voorwerp, van welke vangst men kennis draagt, werd niet in den winter, maar in Juli (1864, bij Haarlem) gevangen” (Albarda). Het volk geeft aan deze soort niet zelden den naam van „Konings- of „Keizersarend”.

Daar de oude Zeearenden het roovershandwerk beter verstaan dan de jonge, verlaten zij veel minder dikwijls dan deze hun woonplaats.

Buiten den broedtijd leeft de Zeearend tamelijk gezellig, meer op de wijze van de Gieren dan van de Arenden. Gunstig gelegen wouden of rotsen dienen als plaatsen van vereeniging of van rust. In het midden van den zomer brengt hij gaarne den nacht door op kleine eilanden, vooral op klippen; in de wouden, die langs de kust of verder binnenwaarts gelegen zijn, slaapt hij ook wel op hooge boomen. Hij begeeft zich zeer laat te rust en begint reeds vroeg in den morgen, meestal vóór zonsopgang, zijn jachtgebied te doorkruisen. Als hij zeer spoedig een buit vindt, „kropt” hij in de voormiddaguren en rust, na het schoonmaken van zijn snavel en het lesschen van zijn dorst, gedurende eenige middaguren, brengt zijne veeren in orde, doet ook wel een slaapje en vangt ’s namiddags een tweeden jachttocht aan, die voortduurt, totdat het tijd is om te gaan slapen.

Evenals de Steenarend, maakt ook de Zeearend jacht op alle dieren, die hij overmeesteren kan; van zijne pooten, die door het grootendeels onbevederd blijven van den loop voor het visschen een bijzondere geschiktheid hebben, bedient hij zich op zeer verschillende wijzen. De Egel is zoomin door zijn stekelkleed, als de Vos door zijn gebit tegen deze gevleugelden vijand beveiligd, de Wilde Gans maakt hij buit ondanks haar voorzichtigheid, den Duiker in weerwil van zijn geschiktheid om onder den waterspiegel te verdwijnen. De Vogels, die zich door duiken trachten te redden, loopen meer gevaar dan die, welke niet duiken. Deze stijgen bij ’t ontwaren van den algemeen gevreesden roover zoo snel mogelijk omhoog en ontsnappen; gene vertrouwen dikwijls te veel op de doelmatigheid van hun schuilplaats, wachten den Arend rustig af, duiken en achten zich veilig, hoewel de booze vijand weet, dat zij weldra weer aan de oppervlakte moeten komen. Zij ontvlieden misschien twee- of driemaal den doodelijken klauw—als zij voor de vierde maal boven komen en, op het punt van te stikken, een oogenblik langer aan den waterspiegel blijven dan gewoonlijk, worden zij gegrepen. De Zeearend paart aan vermetelheid en het bewustzijn van zijn kracht een groote mate van hardnekkigheid. Het is voorgekomen, dat hij herhaaldelijk een aanval deed op een Vos, ofschoon Reintje zijn huid goed wist te verdedigen. Dat het kleinvee dikwijls veel te lijden heeft van dezen Arend, is boven allen twijfel verheven, zoo ook, dat hij soms op kinderen aanvalt.

Ook hij bezoekt geregeld de vogelbergen van het noorden en pakt hier onbeschroomd de Zeevogels uit hunne nesten weg. Voorts vangt hij Eidereenden, rooft jonge Zeehonden, hoewel hun moeder dichtbij is en vervolgt de Visschen tot in het water. Soms mislukt hem deze jacht. Lenz deelt hiervan het volgende voorbeeld mede: „Een Zeearend zweefde, zoekend naar buit, boven den Havel en ontdekte een Steur, waarop hij onmiddellijk „stiet”; de vermetele roover had echter te veel van zijne krachten gevergd: de Steur was te zwaar en kon niet boven het water opgeheven worden; daarentegen was de Visch niet sterk genoeg om den Arend naar de diepte te sleuren, maar schoot, terwijl deze met uitgespreide vleugels op hem zat, als een pijl uit den boog over den waterspiegel heen; beide dieren te zamen maakten den indruk van een zeilend schip. Eenige lieden, die getuigen waren van dit vreemdsoortig schouwspel, begaven zich in een boot en vingen zoowel den Steur als den Arend; deze had de klauwen zoo stevig in zijn tegenstander vastgehaakt, dat hij niet los kon komen.”

In begaafdheid staan alle Zeearenden bij de echte Arenden achter; gene kunnen zich misschien beter op den bodem redden en beheerschen, zooals reeds opgemerkt werd, tot op zekere hoogte ook den waterspiegel; hun beweging mist echter de behendigheid en sierlijkheid, waardoor de vlucht van de echte Arenden zich in zoo hooge mate onderscheidt.

In den voortplantingstijd, die in Maart begint, heeft de Zeearend, om zijn wijfje te behouden, met ieder voorbijtrekkend mannetje een zwaren strijd te voeren, die, als de uitslag ongunstig is, hem misschien op het verlies van zijn gemalin komt te staan. De horst is een kolossaal werkstuk, met een middellijn van 1,5 à 2 M., bij een hoogte van 30 à 100 cM. of meer. Ook dit nest wordt door het paar vele malen gebruikt en door jaarlijksche herstellingen in den loop der tijden aanmerkelijk opgehoogd. Stokken van een arm dikte vormen den grondslag, dunnere takken den bovenbouw van de horst; de zeer ondiepe nestholte is met fijne twijgen bedekt en met droge grassen, mossen en dergelijke stoffen bekleed.

Tegen het einde van Maart, zelden vroeger, meestal nog iets later, is het leggen afgeloopen; de eieren (2, hoogstens 3) zijn betrekkelijk klein en hebben een dikke, oneffene, grofkorrelige schaal, van verschillende kleur; soms zijn zij kalkwit en zonder eenige vlekken, soms op witten grond met meer of minder talrijke, roodachtige, bruine en donkerbruine vlekken bedekt. Beide ouders sleepen voor hunne jongen een overvloed van voedsel aan, hun vermetelheid bij het jagen neemt toe in dezelfde reden als de grootte van hun kroost; tengevolge van hun ijverigen arbeid begint de horst hoe langer hoe meer op een echte slachtplaats te gelijken, waar men de overblijfselen van de meest verschillende dieren, vooral echter van Visschen en Watervogels, aantreft. Zoodra zij den buit hebben gegrepen, begeven zij zich er regelrecht mede naar hun horst; zij doorvliegen dan een afstand van 4 à 5 K.M. zoo schielijk, dat zij met nog levende Visschen bij hun hongerig kroost aankomen. In gunstige omstandigheden duurt het 10 à 14 weken, voordat de jongen het nest verlaten, na het uitvliegen keeren zij echter nog dikwijls naar hun geboorteplaats terug. Eerst tegen den herfst scheiden zij zich van hunne ouders.

In de kooi gedraagt de Zeearend zich aanvankelijk woest en gaat zelfs zijn oppasser te lijf; weldra echter wordt hij tam en treedt met den mensch in een echt vriendschappelijke verhouding. Hij begroet zijn meester, zoodra hij hem in ’t oog krijgt, met een luid, vroolijk geschreeuw en weet hem nauwkeurig te onderscheiden van alle overige menschen.

Het grootste lid van dit geslacht en van de Arenden in ’t algemeen, is de Zeearend met witte schouders (Haliaëtus pelagicus). Deze bewoont Kamtsjatka, doch komt zuidelijk tot Jedo voor. In den zomer houdt hij zich aan de oevers van rivieren op en voedt zich nagenoeg uitsluitend met visch. Behalve aan zijn buitengewoon hoogen snavel en wigvormigen staart is hij in ’t volkomen kleed zeer kenbaar aan zijn purper-zwartbruine kleur, die echter op den staart en diens dekveeren, op de schenkelveeren en het voorste gedeelte der vleugels door zuiver wit vervangen is. Men ziet hem zeer zelden levend in Europa. Ruim 50 jaar geleden heeft de Gouverneur-Generaal Baron Van der Capellen er één overgebracht. Zelfs opgezette voorwerpen behooren onder de groote zeldzaamheden.

De Schreeuw-zeearend (Haliaëtus vociferus) is een van de fraaiste Valkvogels, een waar sieraad van de door hem bewoonde gewesten. Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de hals, de nek en de bovenborst benevens de staart schitterend wit, de mantel en de slagpennen blauwachtig zwart, de vleugelrand (d.w.z. alle bovenste vleugeldekveeren van het elleboogsgewricht tot aan het handgewricht) en de onderdeelen prachtig bruinrood, de oogkring, de washuid en de voeten lichtgeel, de met hoorn bekleede deelen van den snavel blauwzwart. Totale lengte 68 à 72, vleugel 50, staart 15 cM.

De Schreeuw-zeearend is over het grootste deel van de keerkringsgewesten van Afrika verbreid, van ongeveer 18° N.B. tot Kaapland. Veelvuldig houdt hij zich op in de oerwouden van Soedan; deze moet men bezoeken om hem in al zijn luister te leeren kennen. Een paar Schreeuw-zeearenden op een met slingerplanten oversponnen, boven den stroom gebogen boom, levert een prachtig schouwspel op. Hoewel het oog van den natuuronderzoeker in deze streken verwend wordt door de prachtig gekleurde Vogels, die hier voorkomen, deze Roofvogel wekt steeds zijn bewondering.

In levenswijze en gewoonten komt de Schreeuw-zeearend met zijn verwanten overeen. Hij leeft in den regel paarsgewijs. Ieder paar beheerscht een gebied van ongeveer 3 KM. middellijn en doorkruist het in de morgenuren; om te spelen stijgen de Vogels ’s middags omhoog, beschrijven hier halve uren achtereen kringen in de lucht en brengen intusschen een krijschend geluid voort, dat op grooten afstand hoorbaar is. Bij het schreeuwen worden hunne bewegingen zoo onstuimig, dat zij soms in de lucht over den kop schijnen te tuimelen.

Het voedsel van den Schreeuw-zeearend bestaat uit Visschen en aas. Op de Visschen stoot hij, evenals de Vischarend, van boven uit de lucht, om hen duikend tot diep in ’t water te vervolgen; door krachtige vleugelslagen verheft hij zich daarna met zijn buit op logge wijze naar de oppervlakte. Het op het land liggende of op het water drijvende aas wordt door hem medegenomen. Dat hij ook groote Schelpdieren uit het water haalt en op de rotsen te pletter laat vallen, vernam Hartmann van de Soedaneezen. De buit wordt in den regel naar een eiland vervoerd en dicht bij den waterkant verslonden. Livingstone heeft meermalen opgemerkt, dat de Schreeuw-zeearend de Pelikanen zoolang plaagt, totdat zij de door hen gevangen Visschen uitbraken en aan hem afstaan. Daarentegen wordt ook hij soms beroofd. Een wijfjes-Schreeuw-zeearend had een grooten Visch uit het water gelicht en was bezig dezen te verslinden op een zandbank in de Blauwe Nijl, die tegenover onze standplaats gelegen was. Met behulp van een uitmuntenden verrekijker kon ik zien, hoe hij het vel van den Visch afrukte en de prooi vervolgens zeer zorgvuldig verscheurde. Gedurende dit bedrijf verscheen een Krokodilwachter, die, den Arend naderend, een deel kwam eischen van diens maal. Het was aardig, te zien, hoe de kleine, moedige tafelschuimer te werk ging. Bliksemsnel liep hij naar den disch, nam schielijk een paar brokken weg, ging onmiddellijk terug en verslond zijn buit op veiligen afstand van den Arend. Deze keek nu en dan, schijnbaar met een zekere goedaardigheid, naar zijn dischgenoot om en maakte geen vijandige bewegingen. Toch ben ik overtuigd, dat de Krokodilwachter het alleen aan zijn vlugheid en behendigheid te danken had, dat hij ongemoeid werd gelaten. Zijn ambt bij den Krokodil zal hem wel geleerd hebben, hoe men zich aan de tafel van groote heeren moet gedragen.

Van den gevangen Schreeuw-zeearend valt ongeveer hetzelfde op te merken als van zijne verwanten, die in dergelijke omstandigheden verkeeren. Spoedig wordt hij tam en begroet zijn meester met luid gekrijsch. De ervaring heeft geleerd, dat hij geen nadeel lijdt door ons ruw klimaat en in diergaarden jaar in jaar uit in de buitenlucht kan blijven.

*

De Vischarenden (Pandion) verschillen in sommige opzichten zoozeer van hunne verwanten, dat verscheidene dierkundigen ze van alle overige Grijpklauwvogels afscheiden en in een afzonderlijke groep vereenigen, waaraan zij de rang van een onderorde toekennen. Deze gelijkt op die van de Gieren der Nieuwe Wereld door het gemis van de bijveder en van den krans van veeren, die bij de overige Roofvogels de stuitklier omgeeft. De buitenteen kan, evenals die der Uilen, sterk naar buiten en zelfs naar achteren gekeerd worden. De andere kenmerken der Vischarenden wettigen hun plaatsing tusschen de Arenden in engeren zin en de Kuikendieven.

De door gestalte en levenswijze evenzeer in ’t oog vallende Vischarend (Pandion haliaëtus) heeft een betrekkelijk kleinen, maar krachtig gebouwden romp, een middelmatig grooten kop, een tamelijk korten, in een langen haak eindigenden snavel, welks kromming reeds aanvangt daar, waar hij met een washuid bedekt is; de pooten zijn dik, nauwelijks verder dan het spronggewricht bevederd; de voet is buitengewoon krachtig; de korte teenen dragen scherpe, zeer sterk gekromde nagels, die geen spoor van scherpe kanten aan de benedenzijde vertoonen en hier geheel afgerond zijn. Kenmerkend voor den Vischarend is bovendien zijn glad aanliggend vederenkleed. De kop en de nek zijn op geelachtig witten grond zwartbruin overlangs gestreept; alle hier aanwezige veeren loopen spits uit; de veeren van de overige bovendeelen zijn bruin met lichteren rand; de staartveeren hebben bruine en zwarte dwarsbanden. De onderdeelen zijn wit of geelachtig wit; op de borst vormen bruine veeren een vlek of een halsband; van het oog tot het midden van den hals loopt een donkere band. Het oog is hooggeel, de washuid en de voet zijn loodkleurig grijs, de snavel en de klauwen glanzig zwart. Totale lengte 53 à 56, vlucht 156 à 164, vleugel 50 à 52, staart 18 à 19 cM.

De Vischarend is een van de weinige Vogels, die letterlijk overal voorkomen. Wel hebben sommige onderzoekers voorgesteld de Amerikaansche, Aziatische en Australische Vischarenden van de onze te scheiden, door nauwkeurige vergelijking van de leden der dus gevormde soorten komt men echter tot de overtuiging, dat er volgens de hedendaagsche zienswijze voor deze scheiding geen voldoende redenen bestaan. Als broedvogel bewoont de Vischarend gedurende den zomer alle landen van Europa: van Lapland, Finland en Noord-Rusland tot het uiterste zuiden; enkele exemplaren bewonen ook eilanden, zelfs kleine eilanden, die eenzaam te midden van den Oceaan gelegen zijn. In Azië ontmoet men hem bij alle groote stroomen, zoowel van het noorden als van het zuiden; hier blijft hij, evenals in sommige gedeelten van Afrika, gedurende het geheele jaar wonen. In Amerika komt hij overal voor, waar het binnenwater gedurende een behoorlijk deel van ’t jaar open blijft; van hier tot in Zuid-Brazilië ontbreekt hij nergens. In Australië eindelijk treft men hem op geschikte plaatsen eveneens allerwege aan. In het noorden is onze Vischarend een zomergast, in het zuiden, naar het schijnt, een zwerfvogel. Deze eigenaardigheden staan in nauw verband met de eenzijdigheid van zijn jachtbedrijf. Hij voedt zich bijna uitsluitend met Visschen, gebruikt slechts in den hoogsten nood Amphibiën en versmaadt iederen anderen buit.

In Nederland wordt de Vischarend gedurende de wintermaanden, doch soms ook des zomers hier en daar, bij meren en plassen gevonden.

Tamelijk laat op den dag verlaten het mannetje en het wijfje achtereenvolgens de horst en vliegen, zich steeds zeer nauwgezet aan een bepaalden weg houdend, naar het dikwijls ver afgelegen water, waar zij Visschen vangen. De lange vleugels stellen den Vischarend in staat om over groote afstanden met gemak te vliegen. Eerst zweeft hij op een aanzienlijke hoogte; boven den waterspiegel gekomen daalt hij en begint nu zijn jacht op Visschen. Zoolang er een nevel boven het water hangt, blijft hij weg, omdat hij door den nevel verhinderd wordt zijn buit op te sporen. Kringen beschrijvend, komt hij nader, overtuigt zich door zorgvuldig rond te kijken, dat geen gevaar hem bedreigt, daalt nu naar beneden, vliegt op een hoogte van ongeveer 20 M. boven het water heen en weer, blijft ook wel gedurende eenigen tijd „staan”, „bidt” als een Torenvalk boven de plaats waar hij een Visch heeft opgemerkt, die hij in ’t oog wil houden en schiet daarna met wijd uitgespreide, gestrekte teenen in eenigszins scheeve richting, met groote snelheid en behendigheid op het water neer, verdwijnt onder de oppervlakte, werkt zich echter schielijk weer naar boven, verheft zich door eenige veerkrachtige vleugelslagen tot op den waterspiegel, schudt nu met eenige trillende bewegingen zoo goed mogelijk het water uit zijne veeren en verlaat vervolgens de plas voor zoover deze een geringen omgang heeft, om ’t even of zijn moeite al dan niet met succes bekroond werd. In ’t gunstige geval heeft hij de klauwen van beide voeten met zooveel kracht in den rug van een Visch geslagen, dat hij niet in staat is ze onmiddellijk weer los te maken; de Basjkieren geven hem daarom den karakteristieken naam van „ijzeren klauw”. Niet al te zelden geraakt hij bij dit bedrijf in levensgevaar of vindt zelfs den dood, wanneer hij een Visch heeft gegrepen, die hem te zwaar is, en door dezen medegetrokken wordt naar de diepte. Van den door hem gevangen buit verslindt hij slechts de beste stukken, al het overige laat hij liggen; eenige van de schubben worden mede verzwolgen, nooit echter de ingewanden. Slechts in den grootsten nood maakt hij op ander wild jacht.

Tegenover andere dieren van zijn soort is de Vischarend verdraagzaam. Met Vogels die tot andere soorten behooren, bemoeit hij zich niet; waarschijnlijk zelfs acht hij zich gelukkig, als zij hem met vrede laten. De Vischarend is bij alle Zwemvogels zoo goed bekend, dat zij niet de minste vrees voor hem gevoelen; zij beschouwen hem in zekeren zin als hun collega en dulden hem derhalve zonder eenige tegenstribbeling in hun nabijheid. Daarentegen heeft hij van andere Roofvogels veel te lijden.

Naast den Vischotter is de Vischarend de grootste vijand van een geregelde exploitatie van het vischwater; door alle eigenaars van visscherijen wordt hij daarom meer gehaat dan eenige andere Roofvogel.

*

De Wespendieven (Pernis) hebben een slanker gebouwd lichaam dan de overige leden van hun familie; hun snavel is lang, laag, zwak en slechts bij de spits sterk gekromd; de voet heeft een korten loop, waarvan de onderste helft onbevederd is, en middelmatig lange teenen, gewapend met lange, zwakke, weinig gekromde nagels; in den vleugel is de derde slagpen de langste; hoewel de vleugels lang zijn, reiken hunne spitsen niet tot aan den top van den langen, afgeronden staart; de teugel is niet met borstelvormige, maar met korte, stijve, schubvormige veeren bekleed; het vederenkleed is harder en ligt dichter tegen het lichaam aan dan bij de verwante Valkvogels. In elk van de drie rijken der Oude Wereld komt één soort van dit geslacht voor.

De Wespendief, in Zuid-Holland ook wel Bijenarend genoemd (Pernis apivorus), bereikt een lengte van 59 à 62 en een vlucht van 135 à 140 cM.; de vleugel is 40, de staart 23 cM. lang. De kleur van het vederenkleed wisselt sterk af; soms is het effen bruin met uitzondering van den blauwachtig grijzen kop van het mannetje en van den staart, die met drie groote en verscheidene kleine, bruine banden geteekend is; bij andere voorwerpen zijn de bovendeelen bruin, de onderdeelen daarentegen in meerdere of mindere mate wit gevlekt of wit en met bruine schaftvlekken en dwarsstrepen geteekend. Behalve de genoemde komen nog vele andere kleurverscheidenheden voor. De kleur van het oog wisselt af van zilverwit tot goudgeel, de snavel is zwart, de washuid goudgeel, de voet citroengeel.

De Wespendief bewoont nagenoeg geheel Europa; men ontmoet hem nog in Middel-Skandinavië en in Finland; in alle landen (misschien met uitzondering van Oost-Rusland, waar deze Vogel meer algemeen schijnt te zijn) komt hij echter slechts hier en daar en in kleinen getale voor. Bovendien broedt hij in Siberië. Zijn winterreis strekt zich door West- en Middel-Afrika tot in het Kaapland uit. In Nederland ontmoet men hem van April tot October in alle provincies, doch meest in kleinen getale; broedend werd hij gevonden te Sint-Oedenrode (Noordbrabant), Vorden (Gelderland), Heino (Overijsel) en Beetsterzwaag (Friesland) (Albarda).

„De Wespendief,” zegt Naumann, „is een zeer onedele, lafhartige Roofvogel; geen van de inheemsche leden zijner orde kan in dit opzicht met hem vergeleken worden. Goedaardigheid en vreesachtigheid, gepaard gaande met domme koppigheid zijn de grondtrekken van zijn karakter. Hij is schuw, vliegt langzaam en log, meestal dicht bij den grond langs. Zijne handelingen verraden een zeer groote traagheid. Op roof loerend, ziet men hem uren lang op dezelfde plaats zitten, meestal op grenssteenen en afgezonderd te midden van ’t veld staande boomen. In tegenstelling met andere Roofvogels, is hij tamelijk goed ter been en vervolgt daarom zeer dikwijls te voet de Insecten, die hem tot voedsel dienen. Zijn stem klinkt als „kiekiekiek”, welke geluiden haastig, vele malen achtereen herhaald worden, en soms verscheidene minuten lang zonder tusschenpoozing weerklinken.”

Wespendief (Pernis apivoris). ⅕ v. d. ware grootte.

Wespendief (Pernis apivoris). ⅕ v. d. ware grootte.

Niet zonder reden draagt de Wespendief zijn naam, daar Wespen en andere Vliesvleugelige Insecten werkelijk een voornaam deel van zijn maal uitmaken. Naumann houdt hem echter voor een erge nestenberoover en zegt, dat hij, behalve Muizen, Ratten, Hamsters enz., ook wel eens jonge Hazen doodt. Soms noodt hij zichzelf te gast bij den Havik, m. a. w. wacht zoo lang in de nabijheid van den etenden roover, totdat deze wegvliegt en neemt dan de overblijfselen van het maal voor lief. In ’t laatst van den zomer eindelijk eet hij, naar men zegt, ook roode en zwarte krakelbessen en andere dergelijke in ’t bosch groeiende vruchten. „Soms”, zegt Altom, „is zijn krop gevuld met aardrupsen en kleine grasrupsen, soms met larven en poppen van Wespen of liever nog Hommels, soms met kleine, naakte Spanrupsen, soms met Kikvorschen; voorts heeft men er wel eens een geheel broedsel van nestvogels in gevonden; vooral van Lijsters schijnt hij veel te houden.”

Alle onderzoekers, die de Insecten hebben nagegaan, die in de maag van den Wespendief gevonden worden, maken de opmerking, dat de Vogel nooit zal nalaten om de Angeldragende Vliesvleugeligen (de Wespen, Hommels en Bijen), die hij verzwelgt, vooraf den angel af te bijten. Hij weet deze dieren zoo behendig aan te vatten, dat zij dwars in zijn bek komen te liggen en dat bij het snelle sluiten van den snavel de spits van ’t achterlijf waaraan de angel zich bevindt, wordt afgebeten, zoodat dit stukje ter lengte van eenige mM. op den grond valt; indien het werd doorgeslikt, zou de angel een doodelijke verwonding van den mond, de keel enz. kunnen veroorzaken. Alle Insecten worden steeds op deze wijze verminkt; nooit was er onder de overblijfselen van het voedsel in de maag één angel te vinden. Bij ’t vangen van zijn prooi beschutten hem zijn dicht vederenkleed en de harde schilden, die den voet bedekken.

Onmiddellijk na zijn terugkomst in het broedgebied begint de Wespendief een horst te bouwen of het reeds vroeger gebruikte nest te herstellen. Alleen wanneer het niet anders kan, bouwt hij zelf; veel liever neemt hij bezit van de woning, die in ’t vorige jaar een Buizerd of een Wouw tot broedplaats diende, of zelfs van een oud kraaiennest, dat hij, voor zoover dit hem noodig voorkomt, opknapt. Het wijfje legt twee eieren, die zeer verschillend kunnen zijn van vorm en kleur. Soms zijn zij rondachtig, soms eivormig; de schaal is meer of minder glanzig en op geelwitten of bruinrooden grond lichter of donkerder gemarmerd, soms gelijkmatig, soms op de eene helft donkerder dan op de andere. Het mannetje en het wijfje lossen elkander bij ’t broeden af; het eene voedt het andere met het gebroed van Wespen en Hommels; met dit doel worden de raten naar het nest gesleept en hier dikwijls in groote hoeveelheid opeengehoopt. De jongen worden aanvankelijk gevoederd met rupsen, Vliegen en andere Insecten; de ouders braken deze spijs, die in den krop wordt meegenomen, voor hun kroost uit, voorzien het later met raten en wespennesten, welker cellen met larven en poppen gevuld zijn, nog later met jonge Kikvorschen, Vogels, enz.

In de gevangenschap is de Wespendief, volgens Behrends, een zeer gezellige huisgenoot: „Een mannetje, dat vliegen kon, was reeds na weinige weken met de menschen en ook met de Honden, die hij had leeren kennen, in hooge mate gemeenzaam, ja zelfs aan hen gehecht; tegenover vreemde Honden nam hij echter dadelijk een aanvallende houding aan, zette de veeren overeind en ging op den vijand los. Voor één hondje had hij een bijzondere genegenheid opgevat. De Vogel ging, wanneer zijn vriend zich had neergevleid, tusschen diens pooten zitten en speelde met hem of plukte met den snavel in zijn vacht, wat deze zich goedwillig liet welgevallen. Hij liep binnenshuis en daarbuiten vrij rond en schreeuwde, als hij een deur gesloten vond, uit al zijn macht zoolang, totdat zij geopend werd. Hij luisterde naar den naam „Hans”, doch kwam, na geroepen te zijn, slechts als hij goed geluimd of hongerig was.”

„Een wijfje, dat gevangen werd, toen het reeds volwassen was, hield zoo veel van jonge Wespen, dat het duidelijke bewijzen van opgewondenheid gaf, zoodra men haar een wespennest voorhield; zij schoot er begeerig op toe en slikte er groote stukken van door. Ledige wespennesten scheurde zij, naar de bewoners zoekend, in flarden. Overigens waren wittebrood en melk haar lievelingsspijzen. Jegens huisdieren was zij buitengewoon verdraagzaam. Vermakelijk was het, te zien, hoe zij met deze, n.l. met twee Guineesche Biggetjes, een Spreeuw, een Goudpluvier en twee Kwartels, uit één schotel at.”


De Bastaardwouwen (Elanus) zijn over alle werelddeelen, met uitzondering van het onze verbreid; ook hier zijn zij echter geen volslagen vreemdelingen, daar één soort herhaaldelijk naar Europa is afgedwaald en zelfs in Vlaanderen geschoten werd. De vijf soorten van dit geslacht gelijken veel op elkander. De kop is groot en rondachtig, de romp gedrongen, de snavel kort en betrekkelijk hoog, sterk gekromd en met een langen haak voorzien, de zijrand van den bovensnavel flauw benedenwaarts gebogen; de loop is aan de voorzijde voor meer dan de helft bevederd, korter dan de middelste voorteen en dus zeer krachtig; de teenen zijn met sterk gekromde, buitengewoon spitse klauwen gewapend; de vleugel, welks spits gevormd wordt door de tweede slagpen, is zeer lang; in rust steekt hij uit voorbij den korten, flauw uitgesneden staart; het vederenkleed is zeer overvloedig, buitengewoon fijn, losbaardig en, evenals dat der Uilen, zoo zacht als zijde.


De Zwartvleugelige Bastaardwouw (Elanus melanopterus) is aan de bovenzijde fraai blauwachtig aschgrauw; het voorhoofd en de onderdeelen zijn wit, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren zwart, de slagpennen en de middelste stuurpennen meer of minder donker aschgrauw, de overige stuurpennen grootendeels wit. Het oog is prachtig hoogrood, de snavel zwart, de washuid, evenals de voet, oranjegeel. Totale lengte 35, vlucht 78, vleugel 30, staart 14 cM.; het wijfje is iets grooter.

Reeds in Syrië is de Bastaardwouw niet zeldzaam, in Egypte is hij algemeen. Van hier te beginnen verbreidt hij zich over geheel Afrika en dwaalt (zooals reeds gezegd werd) niet al te zelden naar Europa af. In Indië komt hij overal voor, waar het terrein voor zijn wijze van jagen geschikt is.

De levenswijze van den Bastaardwouw komt in vele opzichten met die der Buizerden, in andere met die der Wouwen en Uilen overeen. Zijn vlucht verschilt van die der meeste Roofvogels, doordat hij de vleugels hoog houdt, d. w. z. de vleugelspitsen aanmerkelijk boven den romp verheft; den zittenden Vogel herkent men terstond aan zijn schitterende kleur, die onder den helderen hemel van zijn vaderland in de stralen van de zon reeds op grooten afstand in ’t oog valt. In Egypte kiest hij gewoonlijk tot standplaats de staken van de schepemmers, waarmede de boeren hunne akkers besproeien en wordt daarom wel „Schepemmervalk” genoemd. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk, ja zelfs bijna uitsluitend, uit Muizen; soms eet hij ook Sprinkhanen. Jonge nestvogels versmaadt hij natuurlijk ook niet; Woestijnhagedissen vallen hem eveneens ten buit; zelfs vergrijpt hij zich aan Vleermuizen, die overigens niet anders dan door enkele Uilen tot prooi worden gekozen.

De Bastaardwouw is niet minder lieftallig dan fraai. In Egypte vertrouwt hij den mensch, omdat deze hem hier nooit aanleiding tot wantrouwen geeft. Zonder schroom ziet men hem te midden van de arbeidende landlieden opvliegen of neerstrijken; onbezorgd bouwt hij zijn horst op oranjeboomen, hoewel de tuinman er iedere week vruchten van plukt.

Bastaardwouwen, die jong uit het nest genomen zijn, worden even tam als onze Toren- en Boomvalken in dezelfde omstandigheden; maar ook zij, die oud of na verwonding gevangen werden, worden spoedig gemeenzaam en maken tegen hun meester geen gebruik van hunne scherpe wapenen; hoogstens openen zij nu en dan dreigend den snavel, zonder te bijten. Reeds na verloop van weinige dagen nemen zij hun oppasser het voedsel uit de hand.


De Wouwen (Milvus) zijn middelmatig groote slank gebouwde Valkvogels met zwakken, flauw gekromden, ver gespleten snavel en korten, aan de voorzijde weinig bevederden loop; de vleugels zijn naar verhouding zeer groot, de staart is lang en gaffelvormig, het vederenkleed los, uit groote, afstaande veeren samengesteld.


De merkwaardigste van alle Wouwen is ongetwijfeld de Koningswouw of Milaan, die ook wel zonder nadere aanduiding Wouw wordt genoemd en in Groningen onder den naam van Zwaluwstaart bekend is (Milvus ictinus, regalis of milvus), een indrukwekkende Vogel van 65 à 72 cM. lengte, 140 à 150 cM. vlucht, 50 cM. vleugellengte en 38 cM. staartlengte (langs de buitenste, langste veeren gemeten). Van zijne Europeesche verwanten, en van de andere Wouwen in ’t algemeen, onderscheidt hij zich door zijn ongeveer 10 cM. diep gegaffelden staart. Bij het volwassen mannetje zijn de kop en de keel wit, alle veeren in ’t midden met een zwartbruine schaftstreep geteekend, de veeren van den kop met licht roestkleurig waas, de achterhals, de nek, de buik, de borst en de verlengde schenkelveeren, die over den loop naar beneden hangen, roestrood, de handpennen zwart, met roestbruin waas aan de oppervlakte en met donkere, smalle dwarsbanden geteekend, de middelste staartpennen roestrood, de buitenste zwartachtig, bij de spits met vuilwitten zoom, de onderzijde van de slag- en stuurpennen wit met smalle, zwartachtige dwarsbanden. De iris is zilverkleurig, op hoogen leeftijd lichtgeel, de snavel aan den wortel geel, bij middelmatig oude Vogels blauwachtig, aan de spits altijd zwart, de washuid geel, evenals de voet.

Deze Vogel, die door Schiller „koning der lucht” werd genoemd, bewoont alle Europeesche vlakten, van ’t zuiden van Zweden tot Spanje en van hier tot Siberië. In de herfst- en wintermaanden ontmoet men hem in alle provinciën van Nederland, hoewel in zeer kleinen getale. Een enkele maal werd in Juni een exemplaar met broedplek waargenomen; dat hij hier broedt, is echter niet gebleken. In Noord-Duitschland, waar hij in den regel in het begin van Maart verschijnt en tot de eerste dagen van October blijft, nestelt hij waarschijnlijk overal. In zachte winters overwinteren enkele voorwerpen in hun vaderland. De bergstreken van Duitschland bezoekt hij slechts op den trek; bij troepen van 50 à 200 stuks zoekt hij zijne winterkwartieren op; zijn reis strekt zich door Noordwest-Afrika tot aan de Kaapverdische eilanden uit.

1) Zwartbruine Wouw (Milvus migrans); 2) Koningswouw (Milvus ictinus). ⅕ v. d. ware grootte.

1) Zwartbruine Wouw (Milvus migrans); 2) Koningswouw (Milvus ictinus). ⅕ v. d. ware grootte.

De Koningswouw is alles behalve een koninklijke Vogel, daar hij traag, tamelijk log en afschuwelijk lafhartig is. Zijn naam wijst op de rol, die hij vroeger speelde bij het vluchtbedrijf. De jacht met den Valk op den Koningswouw, waarbij beide strijders zich hoog in de lucht verheffen, levert een grootsch schouwspel op; vorsten en grooten waren er zeer op gesteld. Het was een kostbaar vermaak, daar de Koningswouw in vele streken in ’t geheel niet of hoogst zelden aangetroffen wordt, zoodat het veel moeite kostte het noodige aantal exemplaren te vangen en naar het jachtveld te vervoeren, waar zij te gelijk met den Valk werden losgelaten.

De Koningswouw vliegt langzaam, maar kan deze beweging buitengewoon lang volhouden; zijn zacht zweven wordt soms wel een kwartier lang door geen enkelen vleugelslag afgebroken en intusschen slechts door den breeden staart geregeld; schijnbaar zonder eenige inspanning verheft hij zich tot een ontzaglijke hoogte, waar het oog van den mensch hem bijna niet volgen kan; even gemakkelijk legt hij, dicht bij den bodem langs vliegend, of op grootere hoogte, een grooten weg af. Op den grond beweegt hij zich gebrekkig, meer springend dan stappend. De houding van den zittenden Vogel is merkwaardig, doordat hij den hals zooveel mogelijk intrekt en de kop dan tusschen de schouders schijnt te staan. Zijn verstand is ontegenzeggelijk niet geringer dan dat van eenigen anderen inheemschen Valkvogel. Meer dan een zijner familiegenooten wijzigt hij zijn gedrag in overeenstemming met de omstandigheden; zonder fout onderscheidt hij den jager van den landman; oorden waar hij onaangename ervaringen opdeed, vermijdend, wordt hij elders een even drieste en indringende bedelaar als zijne verwanten. Zijn stem, een verre van liefelijk, langgerekt geluid, dat aan lachen en mekkeren herinnert, klinkt ongeveer als „hi-hi hi-è-è”.

Het voedsel van den Koningswouw bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels, die nog niet vliegen kunnen, Hagedissen, Slangen, Kikvorschen en Padden, Sprinkhanen, Kevers en Regenwormen. Van het boerenerf rooft hij de jonge kuikens weg, noopt den ganzenhoeder tot vermeerderde waakzaamheid, verbittert den jager door het vervolgen van jonge Hazen en Patrijzen en jaagt door onbeschaamd bedelen den Edelvalk een buit af. Hoewel hij zich aan al deze misdrijven schuldig maakt, is het twijfelachtig of men hem onder de schadelijke Vogels moet rangschikken. Op de door Muizen geteisterde akkers ziet men ook hem verschijnen; weken lang heeft hij hier een gemakkelijke jacht en volop voedsel. Met het oog op zijne verdiensten als verdelger van Muizen en schadelijke Insecten, zou het onbillijk zijn hem enkele jonge Hazen of Ganzen te misgunnen. Indien hij minder brutaal was en door zijn onbeschaamd bedelen niet de Edelvalken dwong meer te rooven, dan zij voor hun eigen gebruik noodig hebben, zou men hem een eereplaats moeten aanwijzen onder de natuurlijke beschermers onzer veldvruchten.

Korten tijd na zijn terugkomst begint de voortplantingsperiode. De Koningswouw broedt zooveel mogelijk in dezelfde streek als het vorige jaar, maar maakt niet altijd van dezelfde horst gebruik. Als hij geen verlaten Kraaien- of Valkennest vindt, gaat hij zelf aan ’t bouwen. Zijn nest verschilt van dat van andere Valkvogels door de binnenbekleeding, waarvoor hij gaarne allerlei lompen en stukken papier opzoekt, die niet altijd van de schoonste soort zijn.

De eieren (2 of 3, zeer zelden 4) gelijken zeer veel op die van den gewonen Buizerd, maar zijn in den regel iets grooter. De grondkleur, wit met een zwak groenachtige tint, is voorzien van een teekening van bonte, druppelvormige vlekken en grove krieuwels van donker roodbruine kleur.

Bij behoorlijke verzorging wordt de Koningswouw in de gevangenschap weldra tam.


Nog zeldzamer dan de Koningswouw is in ons vaderland de Zwartbruine Wouw (Milvus migrans). In verschillende maanden (September, Juni, April, Mei) werden op verschillende plaatsen (Harderwijk, Voorhout, Vogelenzang, Zandpoort) enkele voorwerpen, meest mannetjes, gevangen. De lengte van dezen Wouw bedraagt 55 à 58, de vlucht 136 à 145, de vleugellengte 44 à 47, de staartlengte 26 à 29 cM. De eerste afmetingen gelden voor het mannetje, de laatste voor het wijfje. Alle deelen van het vederenkleed zijn aanmerkelijk donkerder dan bij den Koningswouw. De kop, de nek, de kin, de boven- en onderkeel zijn op grijsachtig witten grond met smalle, overlangsche, zwartbruine strepen geteekend, de bovendeelen overigens bijna effen donkerbruin, de onderdeelen iets lichter met donkere schaftvlekken; de staart is bruin en slechts 3 of 4 cM. diep gegaffeld; hij heeft 9 à 11 donkerbruine dwarsbanden en een lichten, vaalgrijzen zoom aan den top. Het oog is bruingrijs, de snavel hoornzwart, de washuid geel, de voet oranjegeel.

Het verbreidingsgebied van dezen Wouw is, evenals dat van al zijne verwanten, tamelijk beperkt. In Middel-Duitschland behoort hij tot de zeldzame Vogels, in de Mark, vooral in de nabijheid van de Havelmeren, in Pommeren, Mecklenburg, aan den Boven-Rijn en in het Beneden-Main-gebied is hij veelvuldiger, in Neder-Oostenrijk, Hongarije, de Donau laaglanden, een groot deel van Rusland en ook in Italië en Spanje een geregelde verschijning, die op geschikte plaatsen overal en zelfs gezellig nestelt. In Duitschland komt hij in Maart en vertrekt in October naar Zuid-Europa, waar hij overwintert. Het liefst houdt hij zich op in wouden, langs rivieren, vooral zulke, die bij groote stroomen en moerassen gelegen zijn. De hooge boomen heeft hij trouwens voor geen ander doel noodig dan om er te nestelen en te slapen. In den loop van den dag vliegt hij voortdurend boven en tusschen de struiken en langs het water rond. Voor zijn levenswijze is een vlakke, waterrijke streek een vereischte.

Buitengewoon fraai is de beweging van dezen Vogel vooral, wanneer hij spelend boven den waterspiegel van een grooten stroom vliegt, hetgeen hij dikwijls een kwartier of langer achtereen doet.

Gewoonlijk begint het wijfje in het laatst van April te broeden op 3 of 4 eieren, welke sprekend gelijken op die van den Koningswouw; op geelachtigen of grijsachtigen witten grond zijn zij bruin gemarmerd en met vlekken bezaaid.

Algemeen wordt de Zwartbruine Wouw als een der schadelijkste Roofvogels beschouwd. De meeste schade richt hij ongetwijfeld aan door zijn bedelen bij andere Roofvogels, die zoolang lastig gevallen worden, totdat zij hem den pas gevangen buit toewerpen, en hierdoor gedwongen zijn om meer dieren te vangen dan zij voor hun eigen gebruik noodig hebben. Zelf rooft hij trouwens al wat hij krijgen kan en benadeelt den wildstand zoowel als het pluimvee; dit nadeel is evenwel alleen gedurende de laatste dagen van de voortplantingsperiode van eenige beteekenis. Bij nauwgezette overweging van het nadeel en het voordeel, die hij ons aanbrengt, zal het blijken, dat de balans weinig of niet doorslaat.

In de kooi is deze Wouw, evenals zijne verwanten, een aangename huisgenoot. Hij stelt geringe eischen en berust spoedig in het verlies van zijn vrijheid, vat na korten tijd een groote genegenheid voor zijn verzorger op, begroet hem met vroolijk geschreeuw, als hij hem van verre ziet en toont zijn gehechtheid op allerlei wijzen. Met andere Roofvogels van zijn grootte kan hij zeer goed overweg. Hij is te lafhartig om hen aan te vallen, maar verslindt zonder eenige aarzeling het lijk van den kameraad, waarmede hij jaren lang vreedzaam samenwoonde.


De Egyptische Wouw (Milvus aegyptius) is de veelvuldigste Afrikaansche vertegenwoordiger van zijn geslacht; van de inheemsche Wouwen verschilt hij vooral, doordat zijn snavel geel is in plaats van zwart. Hij is een van de meest karakteristieke bewoners van het Nijlgebied. Meer dan een zijner verwanten rekent hij er op, dat de mensch hem met voedsel zal voorzien. Hij is de brutaalste, indringendste Vogel, die ik ken. Als bedelaar van beroep houdt hij zich overal op, waar menschen wonen. Niets ontgaat aan zijn scherpzichtig oog. Door nauwkeurig acht te geven op de handelingen der menschen, heeft hij een beter inzicht in hunne werkzaamheden gekregen, dan bij eenigen anderen Vogel of zelfs bij eenig ander dier gevonden wordt. Nooit zal hij verzuimen het Schaap, dat naar de slachtplaats wordt geleid, te volgen, hoewel hij zich in andere gevallen niet om den herder bekommert; den terugkeerenden visscher vliegt hij te gemoet, maar let niet op hem, als hij ter vischvangst uitzeilt. Hij verschijnt boven of zelfs op het schip, waar een dier geslacht wordt, toont groote belangstelling in de werkzaamheden van den kok in de vaststaande of drijvende woning van den reiziger, is de eerste bezoeker van de plek, waar deze halt maakt, de eerste, die op den afval aanspraak maakt. Voor hem is geen stuk vleesch veilig. Wee den onvoorzichtigen boodschapper, die ouder gewoonte het korfje of den houten bak met het gekochte vleesch op zijn hoofd van de slagerij naar huis draagt, hij loopt groot gevaar zijn geld tevergeefs uitgegeven te hebben. In Habesch was onze kok bezig met op een kist, die op de binnenplaats stond, een Haas stuk te snijden; in ’t zelfde oogenblik, dat hij omkeek naar iemand, die hem riep, zag hij een van de stukken van den Haas reeds in de klauwen van den gauwdief, die de gunstige gelegenheid niet ongebruikt voorbij had laten gaan. Op gelijke wijze als zijne verwanten bedelt ook deze Wouw andere Roofvogels hun buit af en vangt hij verschillende kleine, in ’t wild levende of tamme dieren.


Vechtarend (Spizaëtus bellicosus). ⅙ v. d. ware grootte.

Vechtarend (Spizaëtus bellicosus). ⅙ v. d. ware grootte.

„Door het geheel bevederd zijn van de zijden van den kop”, schrijft Reichenow, „onderscheiden de Havikachtigen (Accipitrinae) zich van de Gierbuizerden. Door het bezit van een langen loop nevens een langen staart en korte of middelmatig lange vleugels verschillen zij daarentegen van de Buizerden. Alleen de Ruigpoothaviken en Harpijen, die in deze onderfamilie de hoogste plaats innemen, vormen een uitzondering op den regel, daar hun loop weinig of niet langer is dan de middelste teen; toch zijn deze Vogels ook reeds aan hun langen staart gemakkelijk te herkennen van de kortstaartige Buizerden. De loop is steeds onbevederd, behalve bij de Ruigpoothaviken.

„De Kuikendieven, welker levenswijze en lichaamsvorm vele eigenaardigheden aanbiedt, buiten beschouwing latend, kan men van de levenswijze van alle leden der onderfamilie een algemeen overzicht geven, geldig zoowel voor den kleinsten Sperwer als voor den Harpij, die alle Roofvogels in kracht overtreft. Alle Haviken voeden zich met levende dieren, die zij zelf vangen en dooden, in tegenstelling met de Buizerden (in de uitgestrektste beteekenis van ’t woord), die ook met doode dieren, met aas, tevreden zijn. De wijze, waarop de Haviken het roovershandwerk beoefenen, verraadt een grootere veelzijdigheid dan bij eenig ander lid der orde voorkomt; zij stooten even behendig op een vliegenden of loopenden als op een zwemmenden of zittenden buit, vangen hun prooi niet minder flink in ’t open veld dan in het dichte woud. Daarom verschilt hun wijze van jagen aanmerkelijk van die der Buizerden en Valken. Terwijl deze in de open lucht kringen beschrijven, of op zekere hoogte blijven staan bij het zoeken van buit en op dezen plotseling pijlsnel neerschieten, brengen de Haviken bij het overrompelen van hun slachtoffer veel meer list in praktijk. Hierdoor zijn zij in staat met evenveel succes te jagen als de Roofvogels, die in de open lucht op hun slachtoffer stooten, welke vaardigheid de Valken en sommige Buizerdachtigen, vooral de Arenden, in veel hoogere mate bezitten. Soms glijden zij in snelle vlucht langs woudranden en omheiningen, doen plotselinge wendingen om boschjes en gebouwen heen, schieten door het kreupelhout naar open plekken in het woud en verschijnen op deze wijze eensklaps, onverwacht op de speelplaatsen hunner niets kwaads vermoedende slachtoffers, die zij zonder inspanning na een vlugge zwenking grijpen. Een andere maal loeren zij als echte struikroovers van uit de kroon van een boom, waarin zij zich verborgen hebben, op een voorbijvliegenden of -loopenden buit, waarop zij zich plotseling neerstorten. Deze wijze van jagen treft men bij de Sperwers zoowel als bij de Harpijen aan; ook de Kuikendieven toonen zich hierdoor waardige leden derzelfde onderfamilie. Als standplaats voor hun horst kiezen de Haviken verborgen plaatsen, nooit vrije, van verre zichtbare boomtoppen; in het dichte, hoogstammige woud of in moeielijk doordringbaar onderhout bouwen zij hun nest op lage takken en dicht bij den stam. De eieren zijn zuiver wit of op witten grond roodbruinachtig gevlekt.”


De Ruigpoothaviken (Spizaëtus) zijn slank gebouwde Haviken met betrekkelijk korte vleugels, langen staart en hooge, krachtige voeten; bovendien zijn zij gemakkelijk te herkennen aan een meer of minder duidelijke kuif op den achterkop.


Het grootste en sterkste lid van dit geslacht, de Vechtarend (Spizaëtus bellicosus), een kolossale Vogel van 80 à 86 cM. lengte, met vleugels van 60 à 65 en een staart van 31 à 34 cM., bewoont Afrika. Op de bovenzijde is bruinachtig aschgrauw de hoofdkleur, op den kop gemengd met zwartbruin (de kleur van de schaft van iedere veer); op den mantel hebben alle veeren lichte randen, waardoor een band over den vleugel ontstaat, gevormd door de topranden der grootste vleugeldekveeren. Een witachtige band strekt zich boven de oogen langs tot den achterkop uit en loopt hier in den korten, breeden kap te niet. De geheele onderzijde is wit met blauwachtig waas, bijna zonder vlekken. De groote slagpennen zijn op de buitenvlag zwart, op de binnenvlag afwisselend licht en donker gestreept, de onderste vleugeldekveeren zuiver wit. Het oog is grijsbruin, de washuid groenachtig blauw, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.

De Vechtarend kiest een alleenstaanden boom tot rustplaats, omdat hij zeer voorzichtig is en gaarne zien wil, wat er in zijn omgeving voorvalt. Deze boom is het uitgangspunt voor de zwerftochten van het vogelenpaar, dat steeds trouw vereenigd blijft en in zijn uitgestrekt gebied geen soortgenoot en ook geen andere Roofvogels duldt. De gewone buit van den Vechtarend bestaat uit Hazen en kleine Antilopen; stellig worden ook de talrijke soorten van wilde Hoenderen niet door hem gespaard. Uit zijn geheele voorkomen blijkt, dat hij voor de Afrikaansche dieren een even gevaarlijke vijand is als onze Steenarend voor de Europeesche. Geen der overige Zuid-Afrikaansche Roofvogels evenaart den Vechtarend in kracht en geschiktheid voor ’t roovershandwerk. Hij is onbeperkt heerscher in zijn rijk; kracht en vermetelheid gaan bij hem gepaard en maken hem tot een vreeselijken vijand van alle weerlooze dieren. Zijn vlucht gelijkt volkomen op die van den Arend, maar is lichter en sneller. Van zijn stem wordt bericht, dat zij soms scherp en doordringend, soms heesch en dof klinkt.

„De Vechtarend”, schrijft Levaillant, „is wel geschikt om de belangstelling te wekken van ieder, die hem in de kooi ziet; hij is dan zeer aantrekkelijk en schijnt zijn woestheid geheel afgelegd te hebben. Uit zijn buitengewone tamheid en gemeenzaamheid blijkt een welgemeende vriendschap voor den mensch; hij antwoordt althans telkens, wanneer men hem roept. Zijn stem is merkwaardig klankrijk en welluidend, en toch zacht en week, juist het tegendeel van hetgeen men opmerkt bij andere Arenden, welker geschreeuw, gelijk bekend is, niet op welluidendheid kan bogen; door „glioek glioek” zou men dit geluid misschien nog het best kunnen weergeven.”