Kuifarend (Spizaëtus occipitalis). ⅓ v. d. ware grootte.

Kuifarend (Spizaëtus occipitalis). ⅓ v. d. ware grootte.

Ongeveer in dezelfde gewesten ontmoet men een verwanten, doch veel kleineren Havik, dien wij wegens zijn lange kuif Kuifarend (Spizaëtus occipitalis), zullen noemen. Bij deze is de grondkleur van het vederenkleed zeer donkerbruin, de buik donkerder, de borst lichter, de loop vuilwit, de binnenzijde van den schenkel witachtig; de bovenzijde vertoont een koperachtig purperbruinen weerschijn. De wortelhelft van de handpennen is op de binnenvlag wit, op de buitenvlag bruinachtig wit, de eindhelft donkerbruin, op de binnenvlag met twee donkere dwarsbanden; de wortelhelft van de armpennen is wit, de eindhelft bruin; de staartpennen zijn op de buitenvlag bruin, op de binnenvlag bijna wit met drie breede, zwartbruine dwarsbanden en een breeden eindband van gelijke kleur; de kleine dekveeren langs den rand van ’t handgedeelte van den vleugel zijn wit, de overige zwartbruin. Het oog is hooggeel, de snavel hoornblauw, aan de spits donkerder, aan den wortel lichter, de washuid lichtgeel, het onbevederde deel van den voet stroogeel. Totale lengte 50 à 52, vlucht 120 à 130, vleugel 33 à 35, staart 18 à 20 cM.

De Kuifarend is een van de meest algemeen verbreide, zoo niet de algemeenste van alle Afrikaansche Ruigpoothaviken. In de wouden van het Boven-Nijl gebied komt hij tamelijk veelvuldig voor. Hier ziet men hem in een mimosa-top dicht bij den stam rustig zitten en hoogst ernstig met zijn kuif spelen. Nu eens fronst hij het voorhoofd, sluit de oogen half en zet daarna de kuif op, zoodat zij loodrecht omhoog staat, dan weer spreidt hij de verschillende veeren zijwaarts uit en verheft intusschen de overige veeren van zijn kleed eenigszins; soms legt hij de kuif glad neer op den rug. Met deze belangrijke bezigheid kort hij zich uren achtereen den tijd. Hij is dan een volslagen toonbeeld van traagheid, een zeer weinig belovende Roofvogel. Zoodra deze droomer echter een buit bespeurt, leert men hem van een andere zijde kennen. Het zien van een Muis, een Veldrat, een Aardeekhoorntje, een kirrend Duifje, van een vlucht Wevervogels misschien, wordt gevolgd door bliksemsnelle bewegingen; met korte, snelle vleugelslagen draait hij zich behendig tusschen de dichtste struiken door, jaagt den waargenomen buit ijverig na en vangt hem bijna altijd. In aard en gewoonten komt hij nog het meest met onzen Havik overeen. Hij is even driest en roofgierig als deze en in verhouding tot zijn grootte ongeveer de beste roover van het woud. Alleen de Apen zijn veilig voor zijne aanslagen en voor die van de overige groote Valkvogels der Oude Wereld. Bij dieren, die gelijk de Apen van deze gewesten onderling in een geregeld verband staan, elkander steunen en helpen, zouden zij trouwens slechte zaken maken.

De Kuifarend wordt niet al te zelden levend naar Europa gebracht en kan bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi worden gehouden; hij is taai en weinig gevoelig voor den invloed van het klimaat.


De Sperwerarenden (Morphnus), die in Zuid-Amerika de Ruigpoothaviken vervangen, vereenigen in zich de grootte, de kracht en de fiere houding der Arenden en de gestalte der Haviken. Hun romp is dik, de kop groot, de snavel eenigszins langwerpig, laag en betrekkelijk zwak; de bovensnavelspits is scherp haakvormig naar beneden gebogen, de zijrand weinig naar beneden gekromd, de loop minstens dubbel zoo lang als de middelste teen en slechts weinig onder het spronggewricht bevederd, overigens met gordelvormige schilden bekleed; de teenen zijn kort maar niet zwak en met krachtige, dikke en spitse klauwen gewapend; de vleugel is kort, de staart breed en lang.


De meest bekende soort van dit geslacht is de Sperwerarend (Morphnus guianensis), die 70 cM. lang is en 150 à 154 cM vlucht heeft (vleugel 40 à 42, staart 30 cM.). Het opmerkelijk losse, uilachtige vederenkleed heeft zich aan den achterkop verlengd tot een 15 cM. lange kuif. Bij den volwassen Vogel zijn de kop en de keel donkerbruin, de nek, de rug en de overige bovendeelen, de vleugels, de onderhals en de borst groenachtig zwart, de bovendekveeren van den staart met onregelmatige, witte dwarsbanden en eindzoomen geteekend. In de jeugd is de kleur veel lichter: de kop, de hals, de borst, de buik en de schenkels zijn dan wit.

De Sperwerarend is over het grootste deel van Zuid-Amerika verbreid; hij houdt zich op in de wouden langs de kust, zoowel als in de oasen der steppen, het liefst echter aan de oevers van rivieren. De doode toppen van hooge boomen dienen hem tot rustplaats; uren achtereen ziet men hem hier zitten zonder eenige andere beweging dan het oprichten van zijn prachtige kuif. Hij maakt vooral op Zoogdieren en Vogels jacht, volgens de berichten der jagers het liefst op Apen. Zijn horst bevindt zich in een boomtop.


De kolossaalste van alle Zuid-Amerikaansche Haviken, de Harpij (Thrasaëtus harpyia of Harpyia destructor), de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht, gelijkt eenigszins op de vorige soort; haar snavel is echter veel hooger en krachtiger, heeft een sterk afgeronden rug en een scherpen zijrand, die onder het neusgat uitgesneden is en daarvóór een stompen tand vormt. Ook hare andere wapens, de klauwen, zijn zeer krachtig, krachtiger dan bij eenigen anderen Roofvogel, de teenen zeer lang en met buitengewoon groote, dikke en sterk gebogen klauwen gewapend; de achterteen is 4 cM. lang; zijn klauw heeft, langs de kromming gemeten, een lengte van 8 cM.; de middelste voorteen is 8 cM. lang, met den klauw 12 cM. De loop is aan de achterzijde tot aan het spronggewricht naakt, van voren tot op het midden bevederd, op de naakte gedeelten met groote, plaatvormige schubben bekleed. Het vederenkleed is rijk en zacht, bijna zooals dat der Uilen, in den nek verlengd tot een lange en breede kuif, die opgericht kan worden. De kop en de hals zijn grijs, de verlengde nekveeren, de geheele rug, de vleugels, de staart, de bovenborst en de zijden van den romp leikleurig zwart, de stuurpennen met drie witte banden geteekend; de onderborst en de stuit zijn wit; hetzelfde geldt van de overige onderdeelen en van de schenkels; gene zijn zwart gestippeld, deze met zwarte golflijnen geteekend. De snavel en de klauwen zijn zwart, de pooten geel; het oog is roodgeel. Totale lengte 1 M. (vleugel 54, staart 34 cM.).

Van Mexico tot het midden van Brazilië en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan ontbreekt de Harpij in geen enkel groot woud. In het gebergte bewoont zij echter slechts de diepste en heetste dalen: in het eigenlijke bergland treft men haar niet aan. Overal waar zij voorkomt, is zij wel bekend en sedert onheugelijke tijden in hoog aanzien. Vele wonderlijke berichten zijn over haar in omloop. Een van de eerste beschrijvers van de voortbrengselen van Amerika, Fernandez, verhaalt, dat de Harpij bijna zoo groot is als een Schaap, om onbeduidende redenen den mensch aanvalt, zelfs wanneer zij getemd is, voortdurend een woesten en gemelijken aard toont, maar toch gemakkelijk voor de jacht afgericht kan worden. Voorts verzekerde men, dat een enkele snavelhouw van de Harpij voldoende is om den schedel van een mensch te verbrijzelen. Door berichten uit lateren tijd werden deze overdrijvingen tot de juiste maat teruggebracht.

De Harpij bewoont binnen de reeds genoemde grenzen vochtige, waterrijke wouden, bij voorkeur rivieroevers. Zij komt overal voor, maar is nergens veelvuldig, waarschijnlijk wegens de felle vervolging, die zij te verduren heeft, omdat hare veeren sinds overouden tijd door de Indianen als opschik gebruikt en op zeer hoogen prijs gesteld worden. Buiten den paartijd ziet men haar steeds eenzaam, als ’t ware uit vrees voor de concurrentie van haar echtgenoot bij de uitoefening van haar bedrijf. Evenals de Havik, ziet men haar niet vaak op hooge boomen zitten, tenzij op de onderste takken. Van hier stijgt zij in korten tijd, bij rukken, doch pijlsnel vliegend, in de eerste plaats loodrecht omhoog, beschrijft eenige minuten lang kringen in de lucht en stort zich, als zij het geluk heeft een buit op te merken, met geweld hierop neer.

Harpij (Thrasaëtus harpyia). ⅙ v. d ware grootte.

Harpij (Thrasaëtus harpyia). ⅙ v. d ware grootte.

Uit verschillende berichten blijkt, dat de Harpij geen enkel warmbloedig Gewerveld Dier versmaadt, voor zoover het niet door grootte of weerbaarheid tegen hare aanvallen beveiligd is. Eenige onderzoekers hellen over tot de meening, dat zij uitsluitend op Zoogdieren en wel vooral op Apen en Luiaards jacht maakt; Tschudi heeft evenwel opgemerkt, dat zij ook ijverig Vogels vangt. „Geen Roofvogel,” zegt hij, „wordt door de Indianen zoo zeer gevreesd als de Harpij. Haar grootte, haar moed en haar vermetelheid maken haar inderdaad tot een der gevaarlijkste vijanden van de Peruaansche landlieden; waar zij zich ook moge vertoonen, wordt zij daarom met de grootste woede vervolgd. In vele boschstreken is het den Indianen gladweg onmogelijk pluimvee of kleine Honden te houden, daar de onverzadelijke Roofvogel ze met bewonderenswaardige stoutmoedigheid wegsleept. Wij hebben gezien, dat een Harpij op een hen stootte en haar medevoerde, hoewel de Indiaan, aan wien de hen toebehoorde, zich op nauwelijks drie schreden afstands bevond. In de wouden verschaffen de talrijke Sjakoehoenderen en Tinamoes haar een overvloed van voedsel; bovendien echter richt zij onder de Eekhoorns, Buidelratten en Apen een groote slachting aan. Als een troep van de laatstgenoemde dieren, vooral van Kapucijner-apen, de lucht krijgen van de nabijheid van een Harpij, beginnen zij jammerlijk te huilen, vluchten alle, indien het mogelijk is, in een boom en trachten zich in het dichte gebladerte te verschuilen. Klaagtonen uiten is het eenige, wat deze weerlooze dieren kunnen doen, als een vijand ze aanvalt.”

De horst van de Harpij staat op een zeer hoogen boom, is zo groot als het nest van een Jabiroe of Reuzenooievaar en wordt, volgens de berichten der Indianen, jaren lang gebruikt.

A. d’Orbigny verhaalt, dat de Harpij door de Indianen zeer dikwijls uit het nest genomen, grootgebracht en in gevangenschap gehouden wordt, met het eenige doel om de veeren, waarop zoo veel prijs gesteld wordt, op een gemakkelijker wijze te verkrijgen dan dit door het dooden van den ouden Vogel kan geschieden. De Indiaan, die een levende Harpij bezit, staat in hoog aanzien bij zijne stamgenooten. De zorg voor de voedering van den Vogel is aan de vrouwen opgedragen, die hem moeten meenemen bij de zwerftochten van den stam in de wouden. Zoodra de gevangen Harpijen haar volkomen kleed verkregen hebben, begint haar lijden, want haar eigenaar trekt haar tweemaal per jaar de veeren van den staart en van de vleugels uit om zijne pijlen er mede te versieren of er een hoofdtooi van te maken. Deze veeren zijn een van de belangrijkste ruilartikelen van de Indianen; sommige stammen, die als bekwame jagers van Harpijen bekend staan, verwerven daarmede al wat een Indiaan begeerlijk voorkomt. In Peru valt den gelukkigen jager nog een extra-belooning ten deel. „De Indiaan, die het geluk heeft een Harpij te dooden,” zegt Tschudi, „gaat er mede bij alle hutten langs en krijgt van de bewoners een premie in den vorm van eieren, Hoenderen, maïs en dergelijke producten.” De wilden en de Europeanen, die bij den Amazonenstroom wonen, beschouwen het vleesch, het vet en den drek van dezen Vogel als uitmuntende geneesmiddelen.

Verscheidene malen reeds zijn levende Harpijen in de Europeesche dierentuinen, vooral te Londen, Amsterdam en Berlijn, te zien geweest. Het zijn fiere, statige Vogels. De wijze waarop zij zich in de kooi gedragen, wordt verschillend beschreven; de volgende mededeeling van Pourlamaques vinde hier een plaats: „Het Museum te Rio de Janeiro kreeg een jonge Harpij, die nauwelijks kon vliegen; dit dier is nu 8 jaar oud en evenaart een Kalkoenschen haan in grootte. Soms houdt zij zich in haar kooi zeer kalm, met opgeheven kop stijf om zich heen ziende, en ziet er dan werkelijk statig uit; meestal echter loopt zij onrustig op de zitstokken heen en weer. Zoodra de een of andere Vogel voorbijvliegt, krijgt haar gelaat onmiddellijk een woeste uitdrukking; zij maakt dan levendige bewegingen en schreeuwt geweldig. In haar woede is zij sterk genoeg om de ijzeren staven van haar kooi te buigen. Ondanks haar langdurige gevangenschap is zij niet tam geworden, heeft niet eens voor haar oppasser genegenheid opgevat en hem integendeel eens een niet onbeduidende wonde aan den schouder toegebracht. Jegens vreemde toeschouwers is zij wild; ieder die haar onvoorzichtig nadert, loopt gevaar door haar aangevallen te worden. Over plagerijen met wandelstokken en parapluies wreekt zij zich onmiddellijk door het voorwerp, dat men haar toesteekt, met de klauwen te grijpen en woedend stuk te breken. Tegen dieren toont zij een toomelooze woede. Zoo trok zij eens een teef, die onvoorzichtig in de nabijheid van haar kooi kwam, onmiddellijk naar binnen en scheurde haar in stukken; hetzelfde deed zij met een jong Stekelvarken. Ook hare soortgenooten valt zij aan. Toen men een tweede levende Harpij in de kooi bracht, namen beide dadelijk een vijandige houding aan. De oudste begaf zich naar den hoogsten zitstok en breidde de vleugels uit, de kleine nieuweling maakte zich op dezelfde wijze gereed tot den strijd. De oppasser wierp een kip in de kooi, welke prooi door den kleinen Vogel, die half razend was van honger, onmiddellijk gegrepen werd. Dadelijk viel nu de groote Harpij op haar soortgenoot aan, ontrukte dezen het Hoen en vloog er mede op haar zitstok. De jongste roover liet een schreeuw hooren, waggelde, een bloederig slijm vloeide hem uit den snavel en hij viel dood neer. Bij de ontleding bleek, dat zijn hart getroffen was.

„Deze Vogel heeft een onverzadelijken honger en is zoo roofgierig, dat hij alle dieren, viervoetige, zoowel als gevleugelde, die hij vermeesteren kan, overvalt en met huid en haren of veeren verslindt. Hij heeft een ontzaglijk groote hoeveelheid voedsel noodig. Toen hij nog klein was, at hij op één dag een big, een Kalkoen, een Hoen en een stuk rundvleesch. Hij wijst niets af; buitengewone lekkernijen legt hij soms eenige uren ter zijde. Aan levende dieren geeft hij de voorkeur boven doode. Als de prooi vuil of bedorven is, werpt hij haar eerst in zijn drinkbak om haar te zuiveren. In weerwil van zijn spierkracht is hij bij den aanval voorzichtig. Sterke Vogels pakt hij met zijne klauwen zóó bij den snavel aan, dat zij geen weerstand kunnen bieden. Gedurende het vreten schreeuwt hij luid en slaat intusschen met de vleugels. Dit geschreeuw is zeer doordringend en zelfs oorverdoovend; in niet opgewonden toestand piept hij als een kuiken.”


Onze Sperwer wordt beschouwd als het type van een naar hem benoemd geslacht (Accipiter), welks leden over alle werelddeelen verbreid zijn en zich kenmerken door een slanken romp, een kleinen kop met een slanken snavel, die in een zeer scherpen haak eindigt, korte vleugels, een langen, recht afgesneden staart en een zeer langen, zwakken loop met dunne, lange teenen, welke met uiterst scherpe klauwen gewapend zijn. De kleur en teekening van het vederenkleed bieden bij de ouden en de jongen weinig verschil aan.

De Sperwers munten uit door vermetelheid en behendigheid bij het uitoefenen van het rooversbedrijf; zij behooren tot de meest begaafde leden der familie.


De Sperwer, in Zuid-Holland Vinkenvalk, Vinkendief of Vinkensperwer, bij Nijmegen Stervalk, bij Haarlem Koekoeksveeren, in Noordbrabant Schietvogel, in Limburg Spelver genoemd (Accipiter nisus), is een van de kleinste soorten van zijn geslacht. Zijn lengte bedraagt 32, de vlucht 64, de vleugellengte 20, de staartlengte 15 cM. Het wijfje is 8 à 9 cM. langer en heeft 12 à 15 cM. vlucht. Bij de volwassen Vogels is de geheele bovenzijde zwartachtig aschgrauw, de onderzijde wit met roestroode golflijnen en schaftstrepen van roestroode kleur; deze is bij het mannetje gewoonlijk helderder dan bij het wijfje; de staart heeft 5 of 6 zwarte dwarsstrepen en een witten zoom aan de spits. De snavel blauw, de washuid geel, de iris goudgeel, de voet lichtgeel.

De Sperwer bewoont het geheele Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, van den Amoer tot Madeira. Hij broedt, naar het schijnt, in alle landen van Europa, van Lapland en Noord-Skandinavië tot Griekenland, en is ook in het grootste deel van Middel-Azië vermoedelijk standvogel. In den herfst trekt hij de Vinken achterna en verhuist uit sommige streken van Europa tot naar Noord-Afrika, uit enkele gewesten van Azië tot in Indië. Bosschen, zooals hij ze wenscht, worden het meest in Europa gevonden; daarom is hij in ons werelddeel veelvuldiger dan in Azië, hoewel men hem ook hier ontmoet in elk gebied, dat de door hem gestelde eischen eenigermate bevredigt. Allerlei bosschen verschaffen hem een woonplaats; aan die, welke door akkers omgeven zijn, geeft hij de voorkeur, vooral wanneer zij in bergstreken voorkomen. Wel verre van den mensch te schuwen, zal hij zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van dorpen en steden vestigen, deze, althans in den herfst en den winter geregeld bezoeken en zelfs in kleine boomgaarden te midden van steden zijn bedrijf uitoefenen. Wanneer zijn jacht in zulke oorden gelukkig is geweest, ziet men hem er dagelijks op bepaalde uren verschijnen; soms zal hij zich niet eens de moeite geven de hier gevangen prooi ver weg te dragen, maar haar op een verborgen plekje, in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen verslinden. Hier te lande werd de Sperwer in kleinen getale broedend aangetroffen in de provinciën Limburg, Noordbrabant, Gelderland, Utrecht, Overijsel en Friesland. Deze exemplaren zwerven na den broedtijd rond en kunnen als standvogels beschouwd worden. Andere komen in vrij grooten getale als wintergasten uit het noorden.

De driestheid gaat bij den Sperwer gepaard met merkwaardige tegenwoordigheid van geest, list en geveinsdheid. Hij is een type van een zwervenden gauwdief of struikroover en onderscheidt zich door zijne handelingen zeer van alle overige Europeesche Valkvogels, met uitzondering alleen van zijn in Zuidwest-Europa voorkomenden, kortteenigen verwant (Accipiter brevipes) en van den Havik. Beter dan eenige andere Roofvogel verstaat hij de kunst om zijne booze bedoelingen te verbergen. Reeds Naumann merkte op, dat de Sperwer soms, om de kleine Vogels te bedriegen, als een Gaai vliegt. Hij is de meest gevreesde vijand van alle kleine Vogels; niet zelden trouwens waagt hij zich ook aan grootere. Alle Vogels, die niet grooter zijn dan een Patrijs en niet kleiner dan een Goudhaantje, hebben, naar het schijnt, van zijne aanvallen te lijden; kleine Zoogdieren worden evenmin gespaard. Aan moed en roofzucht ontbreekt het den Sperwer stellig niet; daar hij jacht maakt op ieder wild, dat hij meent te kunnen vermeesteren; schijnbaar zonder doel valt hij soms zelfs weerbare dieren aan. „Eens”, verhaalt Naumann, „wandelde ik in mijn boschje en keek een Reiger na, die op zijn gemak dicht bij de boomen langs vloog. Plotseling schoot uit de dichte kroon van een der laatste boomen een Sperwer naar buiten, die den verschrikten Reiger onmiddellijk bij den hals te pakken had; beide tuimelden onder afgrijselijk geschreeuw naar beneden. Dadelijk snelde ik toe; tot mijn spijt werd ik te vroeg opgemerkt door den Sperwer, die, hierdoor verschikt, den Reiger losliet, waarna deze rustig zijn weg vervolgde. Ik zou wel eens hebben willen weten, hoe deze ongelijke strijd afgeloopen zou zijn, als ik niet storend tusschen beide was gekomen. Zou de kleine, doldrieste roover werkelijk den Reiger overwonnen en gedood hebben?”

Sperwer (Accipiter nisus). ½ v. d. ware grootte.

Sperwer (Accipiter nisus). ½ v. d. ware grootte.

Alle kleine Vogels kennen en vreezen dezen gevaarlijken vijand in hooge mate. De Musschen kruipen uit benauwdheid in muizengaten; alle trachten zich zoo goed mogelijk te redden en toonen hierbij soms een niet geringe schranderheid. Eenige beschrijven kleine kringen om boomtwijgen of boomstammen, krijgen zoodoende een kleinen voorsprong op den Sperwer, die hen, hoe behendig hij ook is, toch niet zoo snel kan volgen en sluipen dan bliksemsnel te midden van de dichte struiken. Andere laten zich bij het verschijnen van den roover plat op den grond vallen, waar zij zonder beweging blijven liggen en dan dikwijls over ’t hoofd gezien worden, kortom ieder neemt het redmiddel te baat, dat hem het geschiktst voorkomt. De behendigste vogeltjes vervolgen luid schreeuwend den geweldenaar, trekken hierdoor de aandacht van andere Vogels en nopen hen voorzorgsmaatregelen te nemen. Vooral de Boerenzwaluwen verijdelen op deze wijze dikwijls de jacht van den Sperwer. Deze begeeft zich met zijn buit naar een verborgen plekje, waar hij hem, na het uitplukken der groote veeren, op zijn gemak verslindt. De tot ballen saamgeklonterde beenderen, veeren en haren spuwt hij later weer uit. Jonge nestvogels, vooral die, welke in nesten op den bodem uitgebroed zijn, behooren tot zijn liefste spijzen; de eieren worden echter evenmin versmaad.

De Sperwer laat slechts zelden, gewoonlijk niet anders dan bij de horst, zijn stem hooren. Deze bestaat uit de snel opeenvolgende klanken „ki ki ki”, die, naar het schijnt, tot waarschuwing dienen, of uit het langzamere geroep „kèk kèk”.

De horst staat in het kreupelhout of in bosschen met opgaande boomen, zelden hoog boven den grond, maar steeds zooveel mogelijk verborgen, bij voorkeur op naaldboomen, dicht bij den stam. Tusschen den 10den Mei en den 20sten Juni vindt men in het nest 3 à 5 middelmatig groote eieren, die gewoonlijk op krijtwitten, meer of minder grijsachtigen of roodachtigen grond met roodbruine, leemroode en grijsblauwe, groote en kleine vlekken en stippels bezaaid zijn. De beide ouders brengen een overvloed van voedsel aan hunne jongen; dit kan echter alleen door het wijfje op een behoorlijke wijze voor hen gereed gemaakt worden. Men heeft opgemerkt, dat jonge Sperwers, welker moeder gedood was, bij een ruim voorzienen disch verhongerden, omdat hun vader de spijs voor zijn kroost niet geschikt kon maken.

De grootste soorten van Edelvalken en de Havik vreten den Sperwer zonder complimenten op, wanneer zij hem te pakken kunnen krijgen; de kleinere Vogels toonen hun haat minstens door hem te vervolgen. Te recht wordt deze buitengewoon schadelijke Roofvogel door den mensch niet gespaard, maar zonder mededoogen gedood. Toch is de Sperwer nog in den tegenwoordigen tijd bij vele volken van Azië een hooggeschatte jachtvogel. Ook in Europa werd hij voor het vluchtbedrijf gebruikt; het mannetje diende zelden voor dit doel; het wijfje echter werd afgericht voor de vlucht op Kwartels en allerlei kleine Vogels, gelijk thans nog dikwijls geschiedt in de zuidelijke gedeelten van den Oeral. Ook in Perzië en Indië jaagt men nog met Sperwers.


Onze Havik, Duivenvalk of Patrijzenvalk, in ’t Oud-Friesch Hauck geheeten (Astur palumbarius), beantwoordt geheel aan het type van de groep, die zijn naam draagt. Van den Sperwer verschilt hij door een meer gedrongen lichaamsbouw, een langeren snavel, een meer afgeronden staart en dikkere pooten. Hij is een groote, forsch gebouwde Roofvogel: het mannetje heeft 55 cM. lengte en 1.1 M. vlucht (vleugel 31, staart 22 cM.); het wijfje is 12 à 15 cM. langer en heeft 15 à 18 cM. meer vlucht (vleugel 39 cM.). In het volkomen kleed zijn de bovendeelen zwartachtig grijsbruin en meer of minder aschkleurig blauw getint, de onderdeelen wit, elke veer met bruinzwarte schaftstrepen en golflijnen. De snavel is hoornzwart, de washuid lichtgeel, het oog hooggeel, de voet geel. In het jeugdkleed zijn de bovendeelen bruin, elke veer met roestgele kanten en vlekken, de onderdeelen roestroodachtig, later witachtig roestkleurig met bruine, overlangsche vlekken. De snavel en het oog, de voet en de washuid zijn bij de jongen lichter van kleur dan bij de volwassenen.

Havik (Astur palumbarius). Jong mannetje. ¼ v. d. ware grootte.

Havik (Astur palumbarius). Jong mannetje. ¼ v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Havik omvat het grootste deel van Europa en van Middel-Azië; in de hiertoe behoorende landen komt hij volstrekt niet overal voor, en niet in alle door hem bewoonde gewesten even veelvuldig. Hier te lande broedt hij in alle eenigszins uitgestrekte bosschen van Limburg, Noordbrabant, Utrecht, Gelderland en Friesland; hij is hier standvogel, maar zwerft in het winterhalfjaar rond. In de boschrijke streken van Duitschland is hij een gewone verschijning; daar waar geen toezicht gehouden wordt op de jacht, neemt hij eerder toe dan af, terwijl in andere districten het tegendeel voorkomt. Uit oorden, waar hij zich eens gevestigd heeft en de voorwaarden voor zijn bestaan verwezenlijkt vindt, laat de Havik zich moeielijk verdrijven. Hij verlangt een met dicht houtgewas begroeide streek om veilig te kunnen rusten en zich gemakkelijk op zijn buit te kunnen storten, maakt bijna geen verschil tusschen naaldhout en breedbladige boomen en geeft de voorkeur aan bosschen, die met akkers en weiden afwisselen; in groote wouden komt hij echter veelvuldiger voor dan in kleine. In het koude jaargetijde zwerft hij rond; de jonge Vogels, die in noordelijke streken zijn uitgebroed, verlaten deze geregeld in den winter.

De Havik, een eenzaam levende, ongezellige klant, wiens verkeer met zijn echtgenoote tot den paartijd beperkt blijft, is een hoogst onstuimige, drieste, snelle, sterke en tevens listige en schuwe Roofvogel. Zijn vlucht is altijd snel, doch wordt bij het stooten zoozeer bespoedigd, dat zij aanleiding geeft tot een ruischend geluid; ook laat hij zich dikwijls op zijne wieken drijven en spreidt den langen staart dan gewoonlijk eenigszins uit. Misschien biedt bij geen anderen Valkvogel de vlucht zooveel verscheidenheid van beweging aan als bij den Havik. Hoewel hij een groote snelheid bereikt, maakt hij scherpe en onverwachte wendingen; in ’t eene oogenblik onstuimig voortijlend, toont hij in het andere een voor zulk een grooten Vogel werkelijk verrassende behendigheid. Plotseling snel omhoogstijgend, zweeft hij eenige malen rond, stort eensklaps naar beneden, vliegt zonder eenigszins te aarzelen tusschen dicht bijeenstaande boomen door en bevindt zich nu eens op groote dan weer op geringe hoogte. Op den grond beweegt ook hij zich gebrekkig, gewoonlijk huppelend, slechts zelden stappend. Zijn stem is een krachtig, ver hoorbaar, wanluidend gekrijsch, dat echter niet dikwijls weerklinkt. Het langgerekte „iwieè” geeft boosheid of verdriet te kennen; vreugde over een welgeslaagde jacht wordt aangeduid door „iwieè iwieè”; bij de paring schreeuwt hij „gek gek gek”, „giek giek giek” en later snel achtereen „kjak kjak”; als vrees hem bevangt, laat hij de klanken „wieè wieè” of het zachte „wieswies” hooren.

Men ziet den Havik aan ’t werk en in beweging op iederen tijd van den dag, ook in de middaguren, die door de meeste Roofvogels aan de rust worden gewijd. Tamelijk geregeld doorkruist hij een groot gebied; op plaatsen, waar hij een gelukkige vangst heeft gedaan, keert hij geruimen tijd achtereen iederen dag terug. Zijn verbazingwekkende vraatzucht noodzaakt hem bijna voortdurend te jagen; evenals de Sperwer, is hij zelden werkelijk bevredigd, maar altijd hongerig, althans moordgierig. Hij maakt jacht op alle Vogels, hetzij ze zoo groot zijn als de Trap of het Auerhoen of zoo klein als een Vink, en op alle Zoogdieren, die hij meent te kunnen vermeesteren. Hij stoot op den Haas om hem het leven te benemen, neemt de bijtlustige Wezel van den bodem op, zooals hij het Eekhoorntje van het nest wegneemt, rooft den vliegenden zoowel als den zittenden Vogel, den zwemmenden Vogel zoowel als het loopende Zoogdier en haalt zijn buit zelfs uit schuilplaatsen te voorschijn. Ontzetting maakt zich soms meester van de dieren, die door hem aangevallen worden; dikwijls zijn deze er zoo door bevangen, dat zij roerloos blijven zitten. De roofgierigheid van den Havik wordt slechts door zijn vermetelheid overtroffen; beide zijn echter nog geringer dan zijn moordlust: hij kent geen mededoogen.

Aanhoudend maakt hij jacht op onze huisdieren; een enkel paar Haviken kan binnen weinige maanden de rijkst voorziene duiventil ontvolken. De Duiven slaan, zoodra zij den Havik gewaar worden, ijlings op de vlucht; deze echter schiet in schuins benedenwaartsche richting haar pijlsnel achterna en tracht er een te grijpen, gewoonlijk door van boven af op zijn slachtoffer te stooten. Dit geschiedt met zulk een snelheid, dat het aanleiding geeft tot een ruischen, dat op 100 à 150 schreden afstands hoorbaar is. Als hij er niet in slaagt de Duiven door vervolging buit te maken, neemt hij zijn toevlucht tot list. „Op mijn landgoed in Podolië”, bericht Graaf Wodzicki, „worden vele Duiven gefokt; weldra zagen wij alle duiventillen overvuld. Het groote aantal Duiven lokte weldra alle Haviken en Valken uit den omtrek aan. Men weet, dat deze Vogels elkander niet slechts tegen gevaar waarschuwen, maar ook op een gelegenheid tot rooven attent maken, elkander dus een gastmaal aanbieden. Mijne Duiven werden nu fel vervolgd; hun aantal verminderde sterk; zij durfden niet meer naar den akker vliegen en zochten daarom haar voedsel tusschen de gebouwen. De vermeerderde ervaring van de Duiven, spoorde de Roofvogels tot grootere list aan. De Duiven verlieten hare schuilplaatsen zeer zelden en vlogen altijd dicht bij den grond langs; ook begaven zij zich nooit ver buiten den hof. Toen deze eigenaardige toestand meer dan een week geduurd had, gaven de meeste Roofvogels de jacht op en verlieten de streek; twee sluwe Haviken echter wisten door een verstandige handelwijze iederen dag hun kost te verdienen. De eene zat uren lang met opgezette veeren in een tamelijk verborgen hoek op een stroodak, roerloos, met ingetrokken hals, blijkbaar de houding van een Uil nabootsend. Weldra werden de Duiven gemeenzamer en gingen op hetzelfde dak zitten: de booswicht verroerde zich niet; zoodra echter de Vogels af- en aanvlogen, schoot hij als een pijl uit den boog op hen los en miste zelden zijn buit, waarmede hij telkens in de boomgaard vloog, waarschijnlijk, omdat de ervaring hem geleerd had, dat in dezen tusschen de gebouwen liggenden tuin geen geweer werd afgeschoten. De tweede Havik, nog schranderder, moediger en vindingrijker dan de vorige, kwam iederen dag omstreeks hetzelfde uur aanvliegen, maakte de Vogels zoo verschrikt, dat zij in de duiventil de wijk namen en begon daarna een formeele drijfjacht. Hij ging n.l. op het invliegplankje zitten, liep om het hok heen, nam daarna met uitgespreide vleugels plaats op de eene zijde van de duiventil en trommelde, steeds op dezelfde plaats ronddansend, zoolang tegen de planken, dat eindelijk een Duif haar woning verliet, die hij dan onmiddellijk nazette”.

Zoogdieren vervolgt de Havik met even onvermoeide volharding als Vogels. „Jonge Hazen,” zegt Brehm, de vader, „overmeestert hij zonder moeite, op de oude echter maakt hij jacht volgens een goed overwogen plan. Als Lampe zich door de vlucht tracht te redden, stoot de Havik herhaaldelijk met den snavel op hem neer en grijpt den Haas eerst dan met de klauwen aan, wanneer het slachtoffer door bloedverlies afgemat is, waarna hij hem langzamerhand met den snavel en de klauwen om ’t leven brengt.” Als de gelegenheid gunstig is, bepaalt de Havik zich trouwens volstrekt niet tot één enkel slachtoffer; hij begint met zoovele Vogels te dooden, als hij vangen kan en eet ze daarna op zijn gemak op.

Waarschijnlijk is de reden van de ongezelligheid van den Havik te zoeken in zijn ongeloofelijke roofgierigheid. Bij gevangen exemplaren werd dikwijls opgemerkt, dat zij de leden van hun eigen gezin niet sparen. De sterkste Havik vreet zijn zwakkeren soortgenoot op, zelfs wanneer deze zijn echtgenoot, zijn kind, zijn vader of zijn moeder is.

Een onbeschrijfelijke haat wordt den Havik betoond, zoodra hij zich laat zien. Vooral de Kraaien, die gedurende hun rust waarschijnlijk soms het slachtoffer worden van zijn roofzucht, vervolgen hem onvermoeid en vallen hem met ware doodsverachting aan. „Een Havik”, verhaalt Brehm Sr., „die door drie Kraaien werd vervolgd, trachtte nu en dan een van zijne belagers te grijpen; zij wisten hem echter zoo behendig te ontwijken, dat het hem nooit gelukte er een te verwonden. Nadat zij zóó een poos met den Havik rondgevlogen hadden, zag deze op een afstand van 300 schreden Duiven op een dak; onmiddellijk ijlde hij er heen en schoot in schuinsche richting 160 M. ver naar beneden, maar kwam zonder Duif terug. De Kraaien waren, naar het schijnt, geheel verbluft over zijn „stooten”. Zoolang hij zweefde, konden zij hem zeer gemakkelijk bijhouden, toen hij echter begon te stooten, was geen hunner in staat om hem te vergezellen. Eerst toen hij weer omhoogsteeg, begonnen zij opnieuw hem te plagen. Zij zaten hem nogmaals eenigen tijd na; plotseling begon hij in een niet zeer schuinsche, bijna loodrechte richting te stooten, legde zoo een afstand van 200 M. af, ving een Duif en vloog met haar weg. De Kraaien bemerkten hem echter zeer spoedig en bestookten hem van zoo nabij, dat hij zijn buit moest laten varen en iedere poging om een anderen te krijgen moest opgeven.”

De horst wordt op de oudste en hoogste boomen van het woud, meestal op dikke takken dicht bij den stam gebouwd. In de laatste helft van April of in het begin van Mei is de tijd van het broeden gekomen; het nest bevat dan 2, 3 of 4 groote eieren, die op groenachtig witten grond in geringe mate met gele vlekken geteekend en dikwijls geheel ongevlekt zijn. Het wijfje broedt met groote zelfverloochening en verlaat het nest niet, zelfs wanneer zij herhaaldelijk gestoord wordt; zij vliegt soms niet eens op, wanneer er met hagel op het nest wordt geschoten. Beide ouders trachten iederen aanval op hun horst af te weren en toonen dan een moed, die soms in doldriftige vermetelheid ontaardt. Men heeft opgemerkt, dat zij met woede toeschieten op iemand, die in den boom klimt, waarin zich hun nest bevindt; zelfs is het herhaaldelijk voorgekomen, dat een Havik gedurende den broedtijd, zonder eigenlijk lastig te zijn gevallen, op menschen en zelfs op Paarden aanviel. De jongen groeien schielijk; zij vreten trouwens ongeloofelijk veel; beide ouders hebben volop werk om den honger van hun kroost te bevredigen. De horst wordt dan een ware slachtplaats. De beide volwassen Vogels brengen er al wat zij vinden, zelfs geheele nesten met de daarin aanwezige jongen, vooral van Lijsters en Merels.

Wegens de onberekenbare schade, die de Havik aanricht en die zeer dikwijls den mensch direct treft, wordt deze arglistige roover overal ijverig vervolgd.

In gevangenschap gedraagt de Havik zich even afschuwelijk als in de vrije natuur. Zijn woestheid en kwaadaardigheid, zijn onverdraagzaamheid en moordzucht wekken in de hoogste mate onzen afkeer. Jong uit het nest genomen jongen werden vroeger door onze valkeniers veelvuldig voor het vluchtbedrijf afgericht en voornamelijk gebruikt voor de vlucht op Patrijzen, Fazanten en Konijnen; dit jachtbedrijf kon gemakkelijker uitgeoefend worden dan de hooge jacht met den Valk, daar de Havik steeds in de laagte vliegt, zoodat men ook in bosschen kan jagen en niet te paard behoeft te zijn. Door alle Aziaten, die zich met de valkerij bezig houden, wordt de Havik ook thans nog hooggeschat. In Indië is hij de meest gezochte van alle jachtvalken. Voor een goed afgericht wijfje betaalt men gewoonlijk 20 à 50, voor een mannetje 10 à 30 ropijen.


In Afrika wordt de plaats van onze Haviken ingenomen door verwante Vogels, die men Zanghaviken (Melierax) heeft genoemd. Zij onderscheiden zich van hunne Europeesche neven door een slankeren lichaamsbouw, een zwakkeren snavel, iets langere vleugels, een afgeronden staart en voeten, welker hoogere en slankere loop betrekkelijk kortere teenen en klauwen draagt.

*

De grootste soort van dit geslacht, de eigenlijke Zanghavik (Melierax musicus), bewoont Zuid-Afrika, een kleinere, weinig van hem verschillende vorm, de Sprinkhanenhavik (Melierax polyzonus), Middel-Afrika. Levaillant bericht, dat de Zanghavik op alleenstaande boomen zich ophoudt, Hazen, Patrijzen, Kwartels, Ratten, Muizen en andere dieren rooft, een groot nest bouwt en hierin 4 zuiver witte, rondachtige eieren legt. Volgens hem bezit de mannelijke Zanghavik de gave van het gezang en draagt een tamelijk uitvoerig liedje, zij het dan ook op een vreemdsoortige wijze, geruimen tijd achtereen voor. Bij den Sprinkhanenhavik, die ik dikwijls heb nagegaan, was van gezang geen sprake: een tamelijk lang gerekt gefluit was al wat hij ten gehoore bracht. In de kooi gedragen deze Haviken zich geheel anders dan hunne inheemsche verwanten; zij zijn bedaard en stil, blijven, evenals de Edelvalken, uren lang op dezelfde plaats zitten, leeren, evenals deze, hun verzorger spoedig kennen en worden, wanneer zij geruimen tijd met hem omgegaan hebben, zeer gemeenzaam. Ons klimaat verdragen zij niet lang.

*

De Kuikendieven (Circus) zijn middelmatig groote, slank gebouwde Valkvogels met kleinen, zwakkelijken romp, een fijnen, zwakken, sterk gekromden snavel met langen haak en stompen tand, zeer lange, slanke voeten met korte teenen, groote en lange, maar tamelijk smalle vleugels, een middelmatig langen, breeden staart en een zacht, als zijde glinsterend vederenkleed. In den vleugel steken de derde en de vierde slagpen voorbij de overige uit; de eerste daarentegen is opmerkelijk kort. De veeren van het aangezicht vormen een sluier.

Onze Blauwe Kuikendief, in Gelderland Elsebusch of Blauwe Stootvogel, in Noordbrabant Elsepuist, in Groningen Blauw Schild, in Friesland Blauwe Valk of Blauwe Hanenschrobber genoemd (Circus cyanus), is een van de fraaiste Valkvogels van ons werelddeel. De geheele bovenzijde van het oude mannetje, met uitzondering van den bruin en wit overlangs gestreepten nek, heeft een licht aschkleurig bruine, de onderzijde een witte kleur. Bij het oude wijfje is de bovenzijde vaalbruin; de veeren van achterkop, achterhals en bovenvleugel hebben roestgeelachtige randen; de onderzijde heeft op roestgeelachtigen grond bruinachtige, overlangsche vlekken; de staart is met bruine en roestgele banden geteekend. De iris, de voet en de washuid zijn citroengeel, de snavel is hoornzwart. Totale lengte 48, vlucht 113 cM. (vleugel 36, staart 21 cM.)

Het verbreidingsgebied van den Blauwen Kuikendief is tamelijk uitgestrekt. Hij bewoont geheel Middel-Europa en bovendien een groot deel van Middel-Azië, bezoekt op den trek alle landen van Noord-Afrika tot aan den evenaar en eveneens geheel Zuid-Azië, zoover het de eischen bevredigt, die hij aan een behaaglijk leven stelt. In noordelijke richting vormt de 55e breedtegraad ongeveer de grens van zijn verbreidingsgebied. Hij is een kenmerkende Vogel voor de vlakten, vooral voor die met onderling afwisselende velden, weiden en waterplassen. In Nederland ontmoet men hem van Maart tot October. Enkele exemplaren blijven den winter over. In lage, moerassige streken is hij niet zeldzaam. Broedend heeft men hem waargenomen in Drenthe, Friesland, Overijsel, Gelderland en Noordbrabant.


In Zuid-Rusland, de Donau-laaglanden, Turkije en Griekenland, het zuiden van Middel-Azië en Noord-Afrika ontmoet men, in plaats van den Blauwen Kuikendief, den Steppenkuikendief (Circus macrurus), die zeer zeldzaam ook hier te lande aangetroffen wordt. Het oude mannetje onderscheidt zich door de bleekere of loodkleurig grijze, op den rug witte kleur, de duidelijk aschgrauw gestreepte staartwortel- en staartveeren en de zwarte vleugelspitsen, het oude wijfje door de bruine veeren met lichtroestkleurige kanten van de bovenzijde en van de borst, alsmede door de roodgele, roestkleurig overlangs gevlekte veeren van de onderdeelen; de jonge Vogels hebben een ongevlekte, roestgele onderzijde.


Tusschen de beide genoemde soorten van Kuikendieven bestaat slechts een onbeduidend verschil in zeden en gewoonten; wij kunnen ons daarom in het nu volgende overzicht tot den Blauwen Kuikendief bepalen. Als deze in de laatste dagen van Maart bij ons teruggekeerd is en zich weer in zijn broedgebied gevestigd heeft, leidt hij een zoo geregelde levenswijze, dat men hem hier stellig niet voorbij zal zien. In schommelende vlucht, wankelend en schijnbaar onvast van beweging, dicht bij den bodem langs voortijlend, nu eens zwevend met boven het lichaam opgeheven vleugels, dan weer door flauwe vleugelslagen zijn vaart bespoedigend, volgt hij zijne gewone wegen, bij voorkeur langs een boschje, een beek of een sloot, ook wel langs een reeks van struiken, laat zich herhaaldelijk op den bodem vallen, alsof hij bij iedere nederdaling een slachtoffer grijpt, rijst echter meestal zonder iets gevangen te hebben weer omhoog, zet zijn vlucht als vroeger voort en keert eindelijk langs een wijden boog naar het uitgangspunt van zijn zwerftocht terug.

De Blauwe Kuikendief bouwt zijn horst op een slordige wijze, dit geschiedt steeds op den grond, soms op een lagen doornstruik, op jonge houtkappingen of in het jonge koorn, in het hooge gras van moerassige weiden en zelfs tusschen riet en andere moerasplanten, hier echter altijd op een droge, met biezen begroeide plek. Eigenlijk is het nest eenvoudig een verwarde hoop van droge rijsjes, gras- en riethalmen, aardappelstengels, mistkluiten en dergelijke stoffen, die eerst met de pooten opgenomen en op haar plaats gelegd, vervolgens bijna zonder medewerking van den snavel samengevoegd en van binnen met mossen, haren van dieren, veeren en andere op dezelfde wijze aangesleepte, zachte materialen slordig bekleed worden. De eieren ten getale van 4 of 5, zelden 6, gelijken nog het meest op die van Uilen; zij zijn groenachtig wit van kleur, meestal zonder eenige teekening; indien deze aanwezig is, bestaat zij eenvoudig uit enkele kleine, roodachtig grijze of geelbruine, ronde vlekjes. De jongen zien er allerliefst uit in hun dicht, aan de oppervlakte grijsachtig getint jeugdkleed; in het nest zitten zij met de koppen bij elkaar, drukken zich bij de komst van een vreemd wezen plat op den bodem neer en blijven in deze houding, alsof zij dood zijn, totdat de vijand hen grijpt of zich weder verwijderd heeft; intusschen houden zij zich stil, hoewel zij anders hun geschreeuw, dat aan ’t piepen van jonge kuikens herinnert, duidelijk genoeg laten hooren. Aanvankelijk zwerven zij in gezelschap van hunne ouders door het broedgebied en krijgen van deze onderricht en opleiding voor de jacht; weldra echter wordt de lust om hun eigen gang te gaan in hen levendig en voordat er 3 weken voorbijgegaan zijn, leiden zij hetzelfde leven als de volwassen Vogels. Het valt niet te ontkennen, dat de fraaie, lichtblauwe Vogel, vooral in het voorjaar, als hij boven de groene akkers zweeft, een sieraad van de vlakte genoemd mag worden. Evenmin mag men over ’t hoofd zien, dat hij door het verslinden van Muizen en Insecten, vooral Sprinkhanen, ons groote diensten bewijst, door het wegvangen van Hagedissen en Kikvorschen, die na de Muizen waarschijnlijk zijn voornaamste voedsel uitmaken, ons op zijn minst genomen geen nadeel berokkent. Wegens de vele overtredingen, waaraan hij zich schuldig maakt, kan hij echter geen aanspraken doen gelden op onze bescherming. In weerwil van zijn schijnbare zwakkelijkheid is hij een even drieste als gevaarlijke vijand van alle dieren, die hij vermeesteren kan. Vele kleine Zoogdieren, voor zoover zij niet grooter zijn dan een Ziesel of een jonge Haas, alle jonge, nog weerlooze Vogels, die in een nest op den bodem geboren zijn, de halfwassen Fazanten en Patrijzen zoowel als de Boschzangers, hebben zijne roofgierige klauwen te vreezen. Hoewel Vogels, die hun volkomen kleed reeds bezitten en tot vliegen in staat zijn, hem gemakkelijk kunnen ontkomen, kost het medenemen van het broedende wijfje hem in sommige gevallen niet meer moeite dan het ontvoeren van de halfvolwassen Vogels uit hun nest of het rooven van de eieren.

Met de Kraaien leeft de Blauwe Kuikendief in voortdurenden strijd; van moedige, kleine Vogels, vooral van Zwaluwen en Kwikstaarten, heeft hij veel te verduren. Bovendien wordt hij lastig gevallen door parasieten, die op en in zijn lichaam leven. De eierenzoeker is voor hem de gevaarlijkste mensch, want den jager weet hij in de meeste gevallen te ontkomen. Met den Ooruil lokt men in den regel slechts jonge Vogels aan, tenzij in de nabijheid van de horst. Vallen leiden gewoonlijk ook niet tot het gewenschte doel, met uitzondering misschien van een zorgvuldig verborgen sprenkel, die op behoorlijke wijze met een lokaas voorzien is. De uitkomst van de jacht is dus steeds eenigszins twijfelachtig.

In de kooi houdt zelfs de oud gevangen Kuikendief zich veel rustiger dan alle tot andere geslachten behoorende Valkvogels. Om hem in ’t leven te houden moet men zijn disch met allerlei kleine dieren voorzien, om hem groot te brengen het voedsel bovendien vooraf stuk maken.


De Aschgrauwe Kuikendief (Circus pygargus) bewoont ten deele dezelfde gewesten als de vorige soort en vervangt haar in andere. Hij heeft een minder duidelijken sluier, is veel slanker en een weinig kleiner: totale lengte 44, vlucht 125 cM.; de vleugels zijn naar evenredigheid langer en puntiger, de staart langer (vleugel 48, staart 23 cM.). Het oude mannetje, dat ongetwijfeld de fraaiste van onze Kuikendieven is, heeft den kop en de bovenborst blauwachtig aschgrauw, welke kleur op den nek en den rug, wegens de donkere vederzoomen, die hier duidelijk op den voorgrond treden, in donker aschgrauw overgaat; de onderborst, de buik en de verlengde schenkelveeren zijn wit, doch met smalle, roestroode schaftstrepen zeer fraai geteekend. De handpennen zijn zwart, de armpennen licht aschkleurig blauw met een zwarten band, de achterste armpennen bruingrijs, de beide middelste staartveeren aschgrauw, de overige lichter, de beide buitenste roestbruinachtig, alle met zwarte dwarsbanden. De iris is bij de oude Vogels levendig hooggeel, bij de jongen bruin, de snavel blauwzwart, de washuid geel, de zeer hooge en dunne voet waskleurig geel.

Het verbreidingsgebied van den Aschgrauwen Kuikendief is niet minder uitgestrekt dan dat van zijne reeds genoemde verwanten; deze Vogel behoort echter meer in het oosten dan in het westen van het noordelijke faunistische Rijk der Oude Wereld thuis. In Nederland houdt hij zich van April tot October op; hij werd broedende gevonden in droge streken van Noord- en Zuid-Holland, Noordbrabant, Gelderland, Overijsel, Drente en Friesland, waar hij gewoonlijk in open bosschen en in de duinen nestelt. In Duitschland behoort hij tot de minder veelvuldige soorten van zijn geslacht, hoewel hij op voor hem geschikte plaatsen niet ontbreekt. Hij houdt van uitgestrekte weiden of van moerassen, die in den zomer grootendeels droog zijn, vestigt zich daarom bij voorkeur in de nabijheid van rivieren en vooral in laaglanden, die gedurende den winter bij hoogen waterstand blank staan.


De laatste soort van dit geslacht, die wij te beschrijven hebben, is de Bruine Kuikendief, Klem, Kiekendief, Wouw of Rietwouw, op Texel Schor, in Noordbrabant Koop, in Friesland Hanenbijter, Hanenschrobber, Muizenbijter, Hanemosk, in ’t Friesch Hoanskribber genoemd (Circus aeruginosus). De kleur van het kleed loopt niet slechts bij de mannetjes en wijfjes en bij de jongen en volwassenen, maar ook in de verschillende tijden van ’t jaar vrij sterk uiteen. Bij het oude mannetje hebben de veeren van het voorhoofd en de kruin bruingele randen, overigens zijn de bovendeelen koffiebruin; de veeren van voorhals en voorborst zijn geelbruin gevlekt, die van de overige onderdeelen roestrood, aan den top lichter, de handpennen zwartbruin, een deel van de armpennen en de groote vleugeldekveeren fraai aschgrauw, de stuurpennen lichter grijs en met een roodachtig waas. De kleur van het oude wijfje is minder levendig en biedt minder afwisseling aan dan die van het oude mannetje; vooral het aschgrauw van den vleugel en den staart is zelden aanwezig; de staart is van boven gezien grijsbruin, de kop geelachtig wit met donkere schaftstrepen, een vlek aan weerszijden van den nek, de schouders, de (weinig ontwikkelde) sluier en de borst zijn eveneens lichter van kleur. Bij den jongen Vogel, die over ’t geheel genomen op het wijfje gelijkt, heeft effen donkerbruin de overhand; de bovenkop, de nek en de keel zijn geelachtig. Het oog is bij de ouden geel, bij de jongen bruin; de pooten en de washuid zijn geel. Totale lengte 55, vlucht 136, vleugel 43, staart 24 cM. Het wijfje is 3 à 4 cM. langer en heeft 7 à 9 cM. meer vlucht.