Bruine Kuikendief (Circus aeruginosus). ¼ v. d. ware grootte.

Bruine Kuikendief (Circus aeruginosus). ¼ v. d. ware grootte.

Bezuiden den 57en breedtegraad ontbreekt de Bruine Kuikendief in geen der landen van Europa; men treft hem hier aan in alle gewesten, die de eischen bevredigen, welke hij aan zijn verblijfplaats stelt. Bovendien ontmoet men hem geregeld in geheel West-Azië, in noordelijke richting tot ongeveer op de breedte van het Altaï-gebergte; verder oostwaarts wordt hij steeds zeldzamer; aan den Amoer en in China krijgt men hem slechts zeer zelden te zien. Op den trek doorreist hij het vasteland van Zuid-Azië en ook een groot deel van Afrika. Meer dan eenige andere Kuikendief is hij aan de lage landen gebonden; moeras en water zijn volstrekt noodig voor zijn bestaan; men mag gerust zeggen, dat hij beide nooit uit het oog verliest. In ons vaderland vindt men hem van Maart tot September in moerassige, met riet begroeide streken overal. In vele van deze gewesten is hij de meest talrijke van alle Roofvogels. Soms overwintert hier een enkel exemplaar.

Door levenswijze en aard is de Bruine Kuikendief een onedele Roofvogel. Wegens zijn zwakken lichaamsbouw kan hij geen ander dan krachteloos wild jagen, dat hij op den grond of in een schuilhoek van het moeras overvalt en in den echten zin van ’t woord vermoordt. Angstvallig ontwijkt hij den mensch; behendig weet hij zich in veiligheid te stellen door in het riet of naar ontoegankelijke gedeelten van het moeras te vluchten; op deze wijze ontkomt hij, zonder eigenlijk schuw te zijn, in de meeste gevallen aan zijne vervolgers. Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit water- en moerasvogels en hun kroost, zoowel wanneer dit nog in den eitoestand verkeert, als na het verlaten van de eischaal. Alleen wanneer hij geen Vogels kan krijgen, behelpt hij zich met Amphibiën, Visschen en Insecten. Dat hij een even behendige als kwaadaardige nestenzoeker is, weten de oude Vogels zeer goed; zij trachten hem daarom op allerlei wijzen van hunne nesten verwijderd te houden en vervolgen hem met jammerlijk geschreeuw en woedende snavelhouwen. De Wilde Ganzen, Eenden en andere Zwemvogels bedekken hunne eieren, wanneer zij deze voor een tijd moeten verlaten, met nestmateriaal en trachten ze hierdoor voor de oogen van den Bruinen Kuikendief te verbergen.

Alleen in den paartijd verloochenen deze Roofvogels hun tragen aard, hun als ’t ware kruipend leven, alleen dan verlaten zij het moeras en het rietveld om onder allerlei vreemdsoortige kapriolen hoog in de lucht rond te stoeien, alsof zij toonen willen, wat zij van ’t vliegen verstaan. Een paar van deze Vogels, die overigens zoo verborgen leven, dat men ze bijna gedurende het geheele jaar niet opmerkt, kan in de maand April een geheele streek verlevendigen.—Het nest wordt op moerassige plaatsen, tusschen riethalmen of struiken, van riet en andere waterplanten gebouwd; het rust veelal onmiddellijk op het water. Op zijn vroegst in de laatste dagen van April, meestal niet voor de eerste dagen van Mei, vindt men er het voor het broeden noodige aantal eieren in, in den regel 4 of 5, zelden 6. Zij hebben een oneffene of althans doffe, glanslooze schaal van groenachtig witte of blauwgroene kleur.

Van alle Kuikendieven is de Bruine zonder eenigen twijfel de schadelijkste.


Een afzonderlijke onderfamilie vormen de Gierbuizerden (Polyborinae), Amerikaansche Roofvogels, welker kenmerken gelegen zijn in een betrekkelijk langen snavel, welks bovenhelft aan den wortel recht loopt, aan de spits zwak gebogen is en vóór den korten haak geen tand bezit, voorts in voeten met een hoogen en dunnen loop, korte vleugels, een langen en breeden staart en een hard vederenkleed, dat de teugels (in enkele gevallen ook de keel en het voorste deel van ’t voorhoofd) onbedekt laat, terwijl het op den achterkop uit spitse veeren bestaat.

Deze merkwaardige Vogels vervangen in hun vaderland niet slechts de Gieren, maar ook de Raven, Kraaien en Eksters. Men ontmoet ze in Zuid-Amerika overal, van het zeestrand tot in de hooge bergstreken der Andes. „De Gierbuizerden,” zegt D’Orbigny, „zijn voor alle bewoners van deze gewesten, op welken trap van beschaving zij ook verkeeren, de indringendste parasieten. Trouwe metgezellen van den wilden nomade, begeleiden zij hem van den eenen woudzoom tot den anderen, langs de oevers der rivieren of door de vlakte en zetten zich neer dicht bij de plek, die hij tot tijdelijke verblijfplaats kiest. Waar men zich ook voor eenigen tijd moge vestigen en een hut bouwen, steeds zal de Gierbuizerd zich op het dak neerzetten en als ’t ware de eerste zijn, die de woning in bezit neemt; steeds is hij gereed om zich te ontfermen over de weggeworpen overblijfselen van het voedsel van den eenzamen kolonist. Overal waar een vereeniging van menschelijke woningen, een gehucht of een dorp, ontstaat, ziet men de Gierbuizerden verschijnen; zij vatten post in de nabijheid en zwerven onophoudelijk rond tusschen de huizen, die een overvloed van gemakkelijk verkrijgbaar voedsel beloven. De onvermoeide werkzaamheid van den Gierbuizerd schijnt nog toe te nemen, wanneer de tot hoogere beschaving geraakte mensch aanvangt landerijen te ontginnen en zich met een groot aantal huisdieren omgeeft. Zijn kostwinning is nu verzekerd; hij schroomt niet zijn bedrijf uit te oefenen te midden van het dorp, waar hij zijn voordeel doet met de achteloosheid der bewoners, nu eens door jonge hoentjes te rooven, dan weer door het vleesch, dat te drogen hangt, te stelen. Evenals de Gier, moet ook hij de gevolgen van de nalatigheid der bewoners van dorpen en steden afwenden door het verslinden van krengen en drek.” Twee soorten van deze onderfamilie houden steeds de wacht bij de hutten der bewoners van de steppen en woudzoomen, andere zwerven met dezelfde bedoeling om de woningen in ’t gebergte, weer andere houden zich op in de uitgestrekte wouden, eenige eindelijk treft men langs de zeekust aan.

De vliegende Gierbuizerden zijn op een afstand kenbaar aan den vierhoekigen vorm der uitgespreide vleugels, welker slagpennen schijnbaar alle even ver reiken.


De Chimachima (Ibycter crotophagus), die het geslacht der Schreeuwbuizerden vertegenwoordigt, is vuilwit van kleur; een streep, die zich van het oog naar den achterkop uitstrekt, de rug, de vleugels en de staart zijn donkerbruin, de staartveeren hebben op witachtigen grond smalle, zwartbruine dwarsbanden en een breede, zwartbruine spits. Het mannetje en het wijfje verschillen weinig in kleur. Lengte van het mannetje 38, van ’t wijfje 40, staartlengte 16 à 17 cM.

De Chimachima is over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid: in Brazilië overal veelvuldig, in Guyana hoofdzakelijk beperkt tot de steppe, vooral tot uitgedroogde moerassen, in Chili algemeen, op Chiloë buitengewoon talrijk, niet ongewoon aan de kust van Patagonië en van Vuurland. Het liefst houdt hij zich op in opene, vlakke gewesten, vooral in veeweiden. Op Chiloë zit hij op alle daken en volgt iederen ploeg. Geregeld ontmoet men hem ook aan de zeekust, in ’t gebergte daarentegen boven een zekere hoogte niet meer. Met vasten tred beweegt hij zich op den bodem; zijn vlucht is niet zeer snel, daar zijn zweven door tamelijk vele vleugelslagen wordt afgebroken. In hooge mate twistziek ligt hij met zijne soortgenooten voortdurend overhoop, hoewel hij met andere, niet tot zijn orde behoorende Vogels in tamelijk goede verstandhouding leeft. Hij vreet, naar Darwin bericht, alles, zelfs het brood, dat met het aanveegsel buitenshuis geworpen is, ook rauwe aardappelen, die hij niet slechts bij de huizen wegsteelt, maar ook uit den grond haalt, kort nadat zij gepoot zijn. Van alle Vogels verlaat hij het geraamte van een kreng het laatst; men ziet hem dikwijls in de borstkas van een Koe of van een Paard als in een kooi. Wormen en insectenlarven zijn hem gedurende een deel van ’t jaar als spijs zeer welkom, zoo ook de Luizen en andere Insecten of maden, die de huisdieren kwellen. In de moerassen verzamelt hij Slakken en Amphibiën; aan de kust vergast hij zich op de zeedieren, die door de golven op het strand worden gespoeld. Op Vogels en Zoogdieren schijnt hij geen jacht te maken. In zijn maag vond men maden en Wormen, Slakken en Visschen, nooit echter overblijfselen van Vogels. Hij wordt lastig door zijn diefachtigheid en driestheid, nog veel lastiger echter door zijn fijn, schelklinkend, dikwijls herhaald gefluit, dat soms met recht oorverdoovend mag heeten.


De Falkland-Chimango (Ibycter australis) onderscheidt zich o.a. door donkerder kleur en aanzienlijker grootte van de vorige soort; hoewel hij met deze eenige gewesten gemeenschappelijk bewoont, wordt hij veelvuldiger aangetroffen aan de zuidelijke spits van het vasteland, en is buitengewoon talrijk op de Falkland-eilanden, die het middelpunt van zijn verbreidingskring schijnen uit te maken. Zijn voedsel bestaat voor een groot deel uit het vleesch van doode dieren. Op sommige eilanden moet voornamelijk de zee in zijn onderhoud voorzien. „Deze Roofvogels,” zegt Darwin, „zijn alles behalve schuw; zij komen in de onmiddellijke nabijheid van de huizen en zoeken er allerlei afval op. Bij het door de jagers gedoode wild verschijnen weldra een aantal Chimango’s, die, op den grond zittend, geduldig wachten op hetgeen er voor hen overschiet. Dikwijls vallen zij ook gewonde dieren aan: een aangeschoten Aalscholver, die naar den oever was gevlucht, werd hier oogenblikkelijk aangevallen door verscheidene Chimango’s, die door snavelhouwen zijn dood verhaastten. De officieren van een oorlogschip, dat in den winter bij de Falkland-eilanden gestationeerd was, vermeldden verscheidene staaltjes van de buitengewone vermetelheid en roofgierigheid van deze Vogels. Zoo overvielen zij een Hond, die in de nabijheid van een der leden van het gezelschap lag te slapen. Op de ganzenjacht hadden de jagers groote moeite om de Chimango’s van het door hen gedoode wild af te houden. Dikwijls loerden verscheidene van deze Vogels voor een konijnengat en vielen gezamenlijk op het Konijn aan, zoodra het zijn hol verliet. Voortdurend vlogen zij om het schip heen; zoolang het in de haven lag, was een nauwgezet toezicht noodig om te verhoeden, dat zij het leer van het touwwerk scheurden, of het vleesch en het wild van het achterdek van het schip stalen.” Op den grond loopen zij opmerkelijk snel, bijna zoo vlug als Fazanten; hun vlucht is echter log en plomp; zij bewegen zich daarom meer loopend dan vliegend. De robbenvangers noemen hen „Kraaien” wegens hun geschreeuw.

*

Carancho (Polyborus brasiliensis). ⅙ v. d. ware grootte.

Carancho (Polyborus brasiliensis). ⅙ v. d. ware grootte.

Tot de Eigenlijke Gierbuizerden (Polyborus) behoort de Carancho, Caracara of Traro (Polyborus brasiliensis). Deze bereikt een lengte van 70 bij een vlucht van 125 cM., de vleugel is 38, de staart 20 cM. lang. De veeren van den boven- en achterkop, die als een kuif opgericht kunnen worden, zijn donker bruinachtig zwart, die van den rug zwartbruin met witte dwarsstrepen, de vleugels donkerbruin; de achterste groote dekveeren en de schouderveeren hebben lichte dwarsstrepen; de wangen, de kin, de keel en de onderhals zijn wit of geelachtig wit; de zijden van borst en hals zijn op dezelfde wijze gestreept als de rug; de buik, de schenkels en de stuit zijn effen zwartbruin; de slagpennen zwartbruin aan den wortel en de spits, in ’t midden echter wit met fijne, donkere dwarsbanden, stippels en driehoekige randvlekken op de buitenvlag, de stuurpennen wit met zeer smalle, lichtbruinachtige dwarsbanden en een breeden, zwartbruinen eindband. Het oog is grijs of roodachtig grijs, de snavel licht blauwachtig, de voet oranjegeel.

Paarsgewijs bewonen deze Vogels alle vlakke gewesten van Zuid-Amerika, vooral de steppen en schraal bezette wouden. In de oerwouden vindt men ze evenmin als in het gebergte. Buitengewoon talrijk komen zij voor in moerassige landstreken.

Hun voedsel bestaat uit allerlei dierlijke stoffen. In de steppen maken zij, evenals onze Buizerden, jacht op Muizen, kleine Vogels, Amphibiën, Slakken en Insecten; aan ’t zeestrand gebruiken zij ’t geen door de golven wordt aangevoerd. De Prins Von Wied vond in hun maag overblijfselen van Insecten, vooral van Sprinkhanen, die in de Braziliaansche vlakten zoo talrijk zijn. Azara leerde hen kennen als vervolgers van Nandoes, van lammeren en van hertkalveren. „Als een schapenkudde,” verhaalt hij, „niet door een goeden Hond bewaakt wordt, gebeurt het soms, dat de Carancho de pasgeboren lammeren bij levenden lijve begint te verslinden en hen de darmen uit de lichaamsholte rukt. Als een van deze vogels vreest, dat zijn kracht niet voldoende zal zijn voor het overmeesteren van een buit, roept hij 4 of 5 van zijne kornuiten te hulp; vooral hierdoor wordt hij gevaarlijk.” Op krengen treft men hem geregeld aan. „Een dier, dat in de vlakte sterft,” zegt Darwin, „verschaft eerst een gastmaal aan den Gallinazo, daarna pikt de Carancho de beenderen schoon. Langs de wegen in de woestijnachtige vlakten van Patagonië ziet men dikwijls een vrij groot aantal van deze Vogels bezig met het verslinden van de lijken der dieren, die van honger en dorst omgekomen zijn.” Bij het landvolk is de Carancho zeer gehaat, omdat hij het vleesch, dat te drogen ligt, met de grootste brutaliteit wegsteelt, tot afwisseling echter ook zeer gaarne jonge Hoenderen rooft of andere zwakke en zelfs sterke huisdieren lastig valt. Dikwijls ziet men hem op den rug van een Paard of van een Muildier staan, zoekend naar parasieten, maar tevens bezig met het wegpikken van de korsten hunner wonden; het arme dier blijft met ingezakten rug en hangende ooren rustig staan, daar het zich tegen den Vogel toch niet verweren kan. Jachtgezelschappen, die met Honden en Paarden uittrekken, worden over dag voortdurend begeleid door eenige Carancho’s; deze nemen de geschoten Vogels dikwijls voor de oogen van de schutters weg. Ook andere Roofvogels vliegen zij na, met het doel hun een zooeven gevangen buit af te troggelen. Op hun beurt worden zij zelve ook door allerlei Vogels gekweld en vervolgd. Zelfs met hunne naaste verwanten twisten zij aanhoudend.—Bij ’t schreeuwen legt de Carancho den kop geheel op den rug en brengt het ratelend geluid „traaa” voort, licht hem vervolgens weer op en roept „rooo” met een krijschende, heesche stem. Zijn geschreeuw herinnert eenigszins aan het knarsend geluid van twee stukken hout, die met geweld op elkander geslagen of gewreven worden. Het is op grooten afstand hoorbaar en maakt een zeer onaangenamen indruk.

De broedtijd is verschillend al naar de landstreek, waar de Carancho woont. In Paraguay nestelt hij in den herfst, in Middel-Amerika gedurende de lentemaanden. De horst is groot en plat, van rijsjes vervaardigd, inwendig bekleed met fijne wortels, gras en mos; men vindt hem zoowel op zeer hooge, als op lage boomen. De eieren ten getale van drie, hoogstens 4, dikwijls slechts 2, zijn zeer verschillend van kleur en teekening, meestal echter op geelachtigen grond bruin en bloedrood gevlekt. De jongen komen in een wit donskleed ter wereld, worden door hunne ouders met de grootste zorgvuldigheid opgevoed, bijgestaan, zoolang zij hulp behoeven, kort daarna echter verstooten of althans met onverschilligheid behandeld.

Audubon beschrijft het leven van een uit het nest genomen Carancho-paar in de kooi. Het mannetje toonde zich dikwijls heerschzuchtig jegens zijn zuster en liet zelden een gelegenheid voorbijgaan om haar door herhaalde en hevige slagen te kwellen, hetgeen van weerszijden aanleiding gaf tot een luid geschreeuw. Jegens hun verzorger waren de Carancho’s volstrekt niet vriendschappelijk gezind. Als men ze met de hand aanvatte, verweerden zij zich zoo hevig met den snavel en de klauwen, dat men wel genoodzaakt was ze los te laten. Zij aten doode zoowel als levende dieren, Ratten, Muizen en verschillende soorten van Hoenderen. Even behendig als Arenden en Valken droegen zij hun buit in de klauwen weg. Bij ’t „kroppen” hielden zij hun voedsel met de klauwen vast en slikten de losgescheurde stukken spiervleesch met huid en haren of veeren zonder nadere voorbereiding door. In de tweede lente verwisselden zij hun kleed tegen dat van de oude vogels; de volle schoonheid van deze verkregen zij echter eerst later.


Tusschen de Valkvogels, die nu afgehandeld zijn, en de Gieren verdient het geslacht der Baardgieren (Gypaëtus) een plaats. Zij onderscheiden zich van alle andere Roofvogels zoozeer door hun in ’t oog vallend gerekten lichaamsbouw, dat zij als vertegenwoordigers van een afzonderlijke onderfamilie beschouwd worden. Hun romp is krachtig, de kop groot en lang, de vleugel zeer lang en spits, de zeer lange, uit 12 pennen samengestelde staart trapvormig of wigvormig; de groote en lange snavel heeft ongetande zijranden en loopt uit in een scherpen haak; de snavelrug is bij den wortel zadelvormig; de korte, betrekkelijk zwakke loop draagt middelmatig lange, zeer zwakke teenen, die met dikke, hoewel weinig gekromde en tamelijk stompe nagels gewapend zijn. Borstelachtige haarveeren omgeven den snavelwortel, bedekken de washuid aan weerszijden en vormen aan het achterste deel van den ondersnavel een naar onderen gerichten „baard” van zwarte kleur. De kop is bekleed met korte, dons- of borstelvormige, de hals daarentegen met groote, eenigszins opgerichte veeren; het vederenkleed van den romp ligt iets gladder tegen het lichaam aan; de loop is geheel bevederd; de veeren van de schenkels zijn sterk verlengd, vormen een „broek”, die tot op de teenen reikt.

In den regel worden alle Baardgieren der aarde als leden van één soort beschouwd. Die van Abessinië en Zuid-Afrika onderscheiden zich van de overige door hun minder ver bevederden loop. In levenswijze en gewoonten stemmen alle Baardgieren overeen.


De Baardgier of Lammergier (Gypaëtus barbatus) is 1 à 1.15 M. lang en heeft 2.4 à 2.6 M. vlucht; de vleugellengte bedraagt 79 à 82, de staartlengte 48 à 55 cM. De eerstgenoemde afmetingen gelden voor het mannetje, de andere voor het wijfje. In het volkomen kleed zijn het voorhoofd, de kruin en de zijden van den kop geelachtig wit, met een door de borstelvormige veeren gevormde, donkere teekening; de achterkop en de achterhals zijn fraai roestgeel. De veeren van den rug en den staartwortel zijn, evenals de bovendekveeren van vleugel en staart, donkerzwart met witachtige schaften en een geelachtige vlek aan den top. De slagpennen en stuurpennen zijn zwart met aschgrauwe binnenvlag en hebben witachtige schaften. De geheele onderzijde is hoog roestgeel, het donkerst aan den voorhals. De borst draagt een krans van witachtig gele veeren met zwarte vlekken. Een zwarte teugelstreep loopt van den snavelwortel door het oog en buigt zich aan den achterkop om; zij bereikt die van de andere zijde niet geheel en vormt dus slechts een onvolledigen krans. Het oog is zilverwit, de buitenste oogkring menie-rood, de washuid blauwachtig zwart, de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet loodkleurig grijs.

De Lammergier is ver verbreid. In Europa bewoont hij de Alpen en de hooge gebergten van Zevenburgen, in kleinen getale ook den Balkan en de Pyreneeën, benevens alle hooge gebergten van de drie zuidelijke schiereilanden en eindelijk den Kaukasus. In Azië strekt zijn gebied zich uit over alle hooge gebergten, van den Altaï tot aan de Chineesche rand- en middel-gebergten en van deze zoowel als van gene tot aan den Sinaï, de gebergten van Zuid-Arabië en de Himalaja. In Zwitserland broedt hij sedert eenige jaren waarschijnlijk niet meer. Hij bewoonde hier min of meer geregeld de hoogste gebergten van Bern, Grauwbunderland, Tessino en Wallis. De laatste Lammergier van Zwitserland, was vermoedelijk die, welke bekend stond onder den naam van „’t oude wijf”, zich ophield in de Lötschenthaler Alpen (van Wallis) en op den Hochgleifen nestelde. Dit oude wijfje werd in den winter van 1887 vergiftigd gevonden en bevindt zich nu opgestopt in ’t museum te Lausanne. In de Duitsche en Oostenrijksche Alpen is de Lammergier bijna of geheel uitgeroeid; het is mogelijk, dat hij enkele van deze bergketenen nog bezoekt en zich daar tijdelijk ophoudt. Op het Balkan-schiereiland ontbreekt hij in geen der hooge gebergten; zoo is het ook in Spanje, met uitzondering van Galicië en Leon. Het hier voorkomende ras bewoont ook den noordrand van Afrika.

Lammergier (Gypaëtus barbatus).

Lammergier (Gypaëtus barbatus).

Meer dan eenig ander lid van zijn familie, misschien zonder andere uitzondering dan de Kondors, mag men den Lammergier beschouwen als een bewoner van den hoogsten gordel van het gebergte. Tot vermijding van misverstand moet hier bijgevoegd worden, dat hij wel is waar van de hooge streken houdt, maar toch de lage volstrekt niet vermijdt. Om storm en boos weer, om ijs en sneeuw bekommert hij zich niet, maar ook de hitte, die in den regel in de lagere gedeelten van de zuidelijke gebergten heerscht, hindert hem niet merkbaar; bij zijn snelle beweging zullen zelfs heete luchtlagen hem afkoeling verschaffen; ten allen tijde kan hij trouwens een hinderlijk hooge temperatuur ontgaan en zich baden in de zuivere lucht van de koude hoogte. In Spanje, waar hij in alle hooge gebergten volstrekt geen ongewone verschijning is, nestelt hij ook op bergruggen van 200 à 300 M. hoogte. Hetzelfde geldt voor Perzië. Naar mij gebleken is, leeft hij paarsgewijs of eenzaam, hoogstens in kleine vluchten. Ieder paar bewoont een gebied van vele vierkante kilometers oppervlakte en doorkruist dit iederen dag; het doet dit zelfs op eenigszins regelmatige wijze. In streken waar hij zich ophoudt, zal men hem dus stellig opmerken.

In de morgenuren ziet men hem zelden of nooit; eerst ongeveer 1½ uur na zonsopgang begint hij in zijn gebied rond te zwerven; niet later dan 5 uur ’s avonds begeeft hij zich naar zijn slaapplaats. Het mannetje en het wijfje vliegen op een niet al te grooten afstand van elkander langs de voornaamste richtingslijnen van het gebergte, gewoonlijk niet hooger dan ongeveer 50 M. boven den bodem. Zij volgen de lengteas van het gebergte, keeren soms terug bij den top van een buiten de richting liggenden berg en zoeken dan de andere zijde af. Over dwarsdalen, die door den hoofdketen heenbreken, vliegen de Vogels heen op dezelfde hoogte, waarop zij zich tot dusver bevonden; zelden doorzoeken zij deze meteen; boven ketelvormige dalen blijven zij daarentegen meestal een geruimen tijd kringen beschrijven. Een Lammergier, die een inspectiereis maakt, laat zich niet licht ergens door ophouden. Menschen schuwt hij in ’t geheel niet, dikwijls zweeft hij hun bij ’t zoeken van buit op een afstand van weinige meters voorbij. Ook bij het rondzwerven vliegt de Baardgier buitengewoon snel; zonder merkbare beweging van de vleugels maken zijne veeren dan een luid hoorbaar geruisch. Om deze reden en wegens zijn sierlijke houding kan men hem onmogelijk met een anderen Gier of met een Arend verwarren.

Bij het vliegen laat hij zijne blikken naar alle zijden waren; zoodra hij iets ontdekt heeft, begint hij onmiddellijk boven dit voorwerp schroeflijnen te beschrijven; zijn metgezel volgt dit voorbeeld onverwijld; beide vliegen nu dikwijls langen tijd boven één plek rond, voordat zij hun tocht voortzetten. Indien het gevonden voorwerp van eenig belang blijkt te zijn, dalen zij langzamerhand verder naar beneden, zetten zich eindelijk op den grond neer en loopen nu als Raven naar den gezochten buit. Steeds kiest de Lammergier hoog gelegen plaatsen uit om zich neer te zetten, het liefst uitstekende rotspunten of althans rotsterrassen. Blijkbaar valt het opvliegen hem zwaar en acht hij het daarom wenschelijk zich bij den aanvang van den tocht op een zekere hoogte te bevinden; van hier kan hij zonder vleugelslag verder komen, want, zoodra hij zweeft, is de geringste luchtstrooming voldoende om hem tot iedere gewenschte hoogte te doen opstijgen. Gewoonlijk moet hij, wegens de lengte van zijn staart, bij ’t zitten den romp een horizontalen stand geven. Op rotsen, waar zijn staart hem niet hindert, zit hij tamelijk rechtop. Hij gaat betrekkelijk goed, stappend en niet huppelend.

Als men een geloofwaardigen Spaanschen jager vraagt, wat de Lammergier eet, zal hij stellig geen jacht-, spook-, roof- en moordgeschiedenissen vertellen, gelijk de Zwitser van zijn „Gierarend”; hij zal eenvoudig zeggen, dat de „Beenderenbreker” (Quebrantahuesos) aas, Konijnen, Hazen en nog andere kleine Zoogdieren eet, hoofdzakelijk echter beenderen, die hij verbrijzelt door ze van een aanzienlijke hoogte naar beneden te laten vallen. Als ik naar den Vogel vroeg, die Geiten en Schapen, kinderen en Honden rooft en verslindt, noemde men mij nooit den Lammergier, maar steeds den Steenarend. Van dezen, maar alleen van hem, had men evenveel staaltjes van roofzucht te verhalen, als bij ons in omloop zijn over den Lammergier. Deze wordt in Spanje als een zeer onschadelijken Vogel beschouwd. Geen herder vreest hem, geen veefokker weet iets van rooverijen, waaraan hij zich zou hebben schuldig gemaakt. Iedereen verzekert echter, dat hij geregeld met de Gieren op het aas aanvalt en, zooals reeds gezegd is, beenderen naar beneden werpt om ze te verbrijzelen. Er is dan ook werkelijk geen reden om te betwijfelen, dat hij op deze wijze groote beenderen stuk maakt. Zeearenden en andere Roofvogels en ook Raven en Meeuwen, doen, volgens de verzekeringen van de nauwgezetste onderzoekers, precies hetzelfde. De Lammergier draagt zijn Spaanschen naam dus te recht.

Van den Abessinischen Lammergier bericht Von Heuglin, „dat zijn voedsel bijna uitsluitend bestaat uit beenderen en anderen afval van slachterijen, dat hij verongelukte dieren en lijken van menschen verslindt, maar slechts in geval van nood zelf jaagt; want het gelukt hem zelden een Haas of een verdwaalde of gewonde Geit te vangen. Gedurende den veldtocht van Koning Theodorus tegen de Galla begeleidden deze Vogels bij dozijnen het leger.”

„Het woord Lammergier,” zegt Krüper, „wekt onwillekeurig de voorstelling van den stoutmoedigsten van alle Roofvogels; een rilling bevangt ons bij het hooren van zijn naam, zoo vreeselijk zijn de verhalen, die over hem in omloop zijn. Is de Lammergier werkelijk voor menschen en vee zoo verschrikkelijk? Brengt hij zooveel schade teweeg? Of kreeg hij zonder zijn schuld den slechten naam, dien hij in wetenschappelijken werken en hoofden heeft? In Arkadië, waar de gebergten niet zeer hoog zijn, begint zijn gebied in de onmiddellijke nabijheid van de zee. Wat rooft deze gevaarlijke buurman dan daar in de vlakte? Zoekt hij daar lammeren, Geiten of misschien zelfs Runderen, om ze te verslinden? Men ziet hem soms op vrij geringe hoogte aan den voet van een met veel kreupelhout begroeiden berg rondvliegen, met naar beneden gerichten kop het terrein bespiedend; plotseling daalt hij neder en verdwijnt. Stellig heeft hij op dit oogenblik een buit gegrepen. Is het een Geit?—Neen, het is maar een Schildpad, die dienen zal om zijn eigen honger te stillen of die aan zijne jongen goed zal smaken. Om het vleesch van den Schildpad te kunnen verkrijgen, werpt hij haar van boven neer op een rots, waardoor zij verbrijzeld wordt. De Engelsche reiziger Simpson, die den Lammergier in Algerië heeft waargenomen, is van dezelfde meening; hij verhaalde mij dat elk van deze Vogels op een bepaalde rots de buitgemaakte schildpadden te pletter laat vallen. Den 14en Mei 1861 bezocht ik de horst van een Lammergier. Aan den voet van den rotswand lagen een groot aantal Schildpadden benevens verscheidene beenderen.”

„Mergpijpen,” zegt Simpson, „zijn de lekkernijen, die het meest in den smaak van den Lammergier vallen. Bij ’t einde van den maaltijd, nadat andere Gieren het vleesch van het geraamte van een dood dier hebben afgevreten, komt hij de beenderen verslinden, die vooraf stuk gebroken worden, wanneer het niet mogelijk is op een andere wijze het merg te verkrijgen.”—„Deze Vogel,” zegt ook Gurney, „verzwelgt groote beenderen. De maag van het exemplaar, dat ik (op de zuidoostkust van Afrika) schoot, was er mede gevuld. De beenderen waren ongetwijfeld doorgeslikt zonder eenig vleesch er aan; zelf heb ik gezien, dat de Lammergier een afgekloven bonk opnam. Het grootste been, dat ik in zijn maag vond, was een runderwervel, die 10 cM. lang, 7 cM. breed en 5 cM. dik was. Tusschen de beenderen vond ik een groote hoeveelheid haar van Klipdassen, waaruit blijkt, dat de Lammergier ook zulke dieren rooft, waarschijnlijk, terwijl zij zich over dag buiten hun hol door de zon laten koesteren.”—Hij vangt, volgens Adams, „Marmotten, maar bepaalt zich niet uitsluitend tot een levenden buit, want men ziet hem ook op zijn gemak langs de hellingen van den berg zweven om aas en ander afval te zoeken. In de maag van een Vogel, die door mij in het gebergte van Kasjmir gedood werd, vond ik verscheidene lange beenderen en een hoef van een Steenbok.”

Deze talrijke, bijna volkomen overeenstemmende mededeelingen wekken twijfel aan de juistheid van de uit Zwitserland afkomstige berichten over de spierkracht, de vermetelheid en de roofzucht van den Lammergier. Zij voeren tot het besluit, dat deze Vogel een evenknie is op vergroote schaal van den in vele opzichten zoo nauw met hem verwanten Aasgier: een zwakke, lafhartige, zoomin lichamelijk als geestelijk begaafde Roofvogel, die slechts nu en dan een zwak, levend Gewerveld Dier buit maakt, maar gewoonlijk zich voedt met beenderen en ander afval van dieren. Wij mogen echter niet verzwijgen, dat de Lammergier volgens enkele nauwgezette onderzoekers soms met goed gevolg groote dieren en zelfs kinderen aanvalt. Waarschijnlijk zijn deze feiten echter zeldzame uitzonderingen.

Onze bekendheid met de voortplanting van den Lammergier werd in den laatsten tijd door verscheidene onderzoekers aanmerkelijk vermeerderd. Zij zijn het er vrij wel over eens, dat deze Vogel, evenals zoovele andere leden van zijn familie, herhaaldelijk van hetzelfde nest gebruikt maakt en in zuidelijke streken zonder eenig bezwaar te midden van de Echte Gieren een broedplaats kiest. In den regel is dit een ruim hol van een meestal ontoegankelijken rotswand. In Januari, op zijn laatst in de eerste dagen van Februari, begint het wijfje te leggen. In verreweg de meeste gevallen vond men niet meer dan één ei in het nest. Het is groot en afgerond; de grofkorrelige schaal is op vuil-witachtigen grond met kleine en groote, soms zeer groote, aschgrauwe of roodgrijze vlekken en okergele, bruinroode of roodbruine stippels en vlekjes geteekend, die van onderen of in het midden van het ei dichter opeengehoopt zijn. Hoe lang de broedtijd duurt, is niet bekend, wel, dat in het begin van Maart, op zijn laatst in April, in Zwitserland zoowel als in het zuiden van Spanje en in het noorden van Afrika, pas geboren jongen gezien zijn. In de Pyreneeën vond mijn broeder een horst op een vooruitstekende rotspunt, die door het eenigszins overhangende gesteente min of meer tegen de zonnestralen beschut was; het nest lag weinig meer dan 15 M. boven den voet van den laatsten rotskam en was dus betrekkelijk gemakkelijk te bereiken. De middellijn van het onderste deel van het nest bedroeg ten naastenbij 1.5 M., die van de ongeveer 12 cM. diepe nestholte 60 cM., de hoogte 1 M. De onderbouw bestond uit lange takken, welker dikte afwisselde tusschen die van een kinderarm en van een duim; hierop volgde een dunne laag van twijgen en takjes tot begrenzing van de nestholte. Het bovenste deel van het nest was van soortgelijke, maar iets fijnere bestanddeelen vervaardigd en van binnen zorgvuldig bekleed met stukken bast en met haar van Runderen en Paarden. In de nabijheid van het nest waren alle rotsterrassen met een sneeuwwitte korst van drek bedekt.—Een dergelijke horst, die Krüper in Griekenland vond, was van dikke takken gebouwd; de wand was geheel doorweven (en de nestholte van binnen glad gevoerd) met haren van verschillende dieren, vooral van Geiten. In het nest zat een jong van drie weken, wiens disch voorzien was met beenderen, een geheelen ezelsvoet, Schildpadden, enz. Niet ver vandaar waren zijne beide ouders; deze lieten af en toe een fluitend geluid hooren. Hoewel zij ook op andere wijze hun bezorgdheid toonden, blijkt het echter niet, dat zij den onderzoeker van hun nest lastig gevallen hebben. Ook Salvin zegt, dat alle Lammergieren, die hij bij het nest zag, terwijl de jongen er uitgenomen werden, zich op een bescheiden afstand hielden en geen aanval op den mensch waagden.

De indruk, dien men van den gevangen Lammergier verkrijgt, stemt volkomen overeen met hetgeen van zijn leven in de vrije natuur bekend is. Een jong gevangen Lammergier werd aanvankelijk met stukjes vleesch grootgebracht; later at hij vleesch van allerlei Zoogdieren en ook beenderen, nooit echter wilde hij Vogels of stukken van deze, die men hem toewierp, aanroeren. Jegens zijn meester en bekende personen was hij zeer tam en gemeenzaam; vreemdelingen trachtte hij te bijten. Hij was gewoon water te drinken, maar vond het zeer onaangenaam, als hij in ’t water gezet en gewasschen werd. Tot gezelschap kreeg hij een volwassen, vrouwelijke Lammergier, die vleugellam geschoten was. De beide gevangenen konden zeer goed met elkander overweg. Ook het oude wijfje versmaadde het vleesch van Vogels en was niet te bewegen om er het kleinste stukje van te eten. Een Kauw, die in hetzelfde hok werd opgesloten, had niet den minsten last van zijne lotgenooten; deze lieten zich zelfs allerlei stoutigheden van haar welgevallen en waren zoo goedaardig mogelijk. Bij dit gezelschap kwamen later nog een jonge Steenarend en twee jonge Krenggieren, zonder dat de vrede verstoord werd. Aan de goede verstandhouding kwam echter dadelijk een einde, toen aan het gezelschap een Havikarend werd toegevoegd.

Girtanner merkt op, dat Lammergieren, die jong gevangen zijn, zich gunstig onderscheiden van hunne soortgenooten, die eerst op lateren leeftijd hun vrijheid verloren. Deze zijn traag, dom en koppig; nooit verliezen zij hun wantrouwen jegens den mensch; de jongen daarentegen zijn niet slechts veel beweeglijker, maar toonen ook veel meer bevattingsvermogen, zijn naar geest en lichaam zelfstandiger, gaan met hunne verzorgers vertrouwelijker om en stellen ons daarom in staat een juister inzicht te verkrijgen in het leven der Lammergieren in vrijen toestand. Een jonge Lammergier, die 7 maanden lang door Baldenstein verzorgd werd, gaf zijn verlangen naar een bad zeer duidelijk te kennen door op den grond te gaan liggen, de vleugels te bewegen, alsof hij wilde zwemmen en met den staart heen en weer te vegen. Toen er een tobbe met water in zijn kooi werd gezet, sprong hij er dadelijk in en herhaalde alle bewegingen, die hij zooeven op den grond vertoond had, met blijkbaar welgevallen in het water, dook bijna geheel onder en maakte zich door en door nat. Als hij door zijn meester te erg geplaagd werd, viel hij dezen spelenderwijs aan, zonder hem leed te doen; steeds bleek uit al zijne handelingen een innige gehechtheid aan den persoon, die hem verzorgde en dien hij als zijn weldoener had leeren kennen. Een buitengewone uitspanning was het voor hem om, terwijl hij op tafel stond en den kop even hoog kon houden als het hoofd van zijn meester, met dezen te stoeien, hem den snavel in den baard of bij den pols in de mouw te steken; door een als „giech” klinkend geluid gaf hij dan zijn behagelijke gemoedstemming te kennen. Baldenstein kon hem intusschen naar welgevallen streelen, zonder dat hij ooit eenigen argwaan toonde. Tegenover vreemden gedroeg hij zich geheel anders.—Een andere jonge Lammergier, die door Amstein getemd was, vloog, toen deze bezig was hem uit te schilderen en hem daarom voor zich had geplaatst, van tijd tot tijd op den schouder van zijn meester, dien hij met den snavel streelde, alsof hij wel begreep, dat men iets met hem voor had en alvast het spel beginnen wilde. Dat evenwel Lammergieren, zelfs die, welke gewoonlijk een goedaardig karakter toonen, soms zeer boos kunnen worden, merkte Salis op bij een exemplaar, dat reeds een jaar lang in zijn bezit was en sedert geruimen tijd met een Havik dezelfde kooi bewoonde. De goede verstandhouding was verstoord door een twist over een stuk vleesch. Met fonkelende oogen en overeindstaande halsveeren pakte de Lammergier den Havik met de klauwen in de borst en ging, terwijl zijn kameraad, doodelijk gewond, stuiptrekkend op den grond lag, bedaard weer aan ’t eten, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.

De schade, die de in vrijheid levende Lammergier den mensch veroorzaakt, is gering, althans niet te vergelijken met die, welke de Steenarend teweegbrengt. In de zuidelijke landen, waar hij gemakkelijk aan den kost kan komen door het opzoeken van aas en beenderen, Schildpadden en andere kleine dieren, vergrijpt hij zich slechts bij uitzondering aan de bezittingen van den mensch; in andere gewesten is hij zoo zeldzaam geworden, dat reeds hierdoor zijne rooverijen van geen beteekenis zijn. Van een noemenswaard voordeel, dat de mensch aan hem te danken heeft, kan trouwens evenmin sprake zijn, tenzij men het van veel belang mocht achten, dat de Toearegs dezen bij hen veelvuldig voorkomenden Vogel ter wille van zijn vleesch en vet dooden, om het vleesch als voedsel en het vet als geneesmiddel tegen den beet van vergiftige Slangen te gebruiken.

Van de jacht op dit dier en van de wijze waarop men het vangt, valt niet veel te berichten. Als het toeval den jager niet begunstigt, of het ontdekken van een horst hem de jacht gemakkelijk maakt, moet hij er niet tegen opzien dagen achtereen in de nabijheid van een aas op de loer te liggen. Met een goed geplaatste vossenklem kan het beoogde doel spoediger bereikt worden; de klem moet dan echter goed vastgemaakt zijn, zoodat de Vogel haar niet kan losrukken en medevoeren. Gevaar levert de jacht in ’t geheel niet op. Zelfs, als hij gewond is, denkt de Lammergier er niet aan, zich tegen den mensch te verweren, gelijk de Vale Gier in een dergelijk geval steeds doet.


De Gieren (Vulturinae), die door ons als een onderfamilie van de Gier-valkvogels worden aangemerkt, zijn de grootste van alle Roofvogels. Hun snavel is langer of althans niet korter dan de kop, grootendeels recht, slechts kort vóór de spits van den bovensnavel haakvormig naar beneden gebogen, hooger dan breed en met scherpe zijranden voorzien; de washuid is groot en neemt een derde, bij zwakkere Gieren zelfs de helft van de lengte van den snavel in. Bij eenige soorten komen huidwoekeringen aan den hals voor. De pooten zijn krachtig, de teenen echter zwak, de nagels kort, weinig gebogen en altijd stomp, zoodat de voeten als middelen van aanval of verdediging weinig te beteekenen hebben. De vleugels zijn buitengewoon krachtig, maar tevens breed, meestal zeer afgerond, omdat de vierde slagpen gewoonlijk de langste is. De middelmatig lange staart is afgerond of sterk trapvormig en uit stijve veeren samengesteld. De slokdarm verwijdt zich tot een krop van aanzienlijke grootte, die in gevulden toestand als een zak aan de voorzijde van den hals zichtbaar wordt.

De begaafdheden van de Gieren zijn voor een deel hoog, hoewel eenzijdig, ontwikkeld. Zij hebben een achtelooze houding, zitten op den grond zeer laag, dragen de vleugels een weinig van het lichaam verwijderd en besteden aan het in orde brengen hunner veeren slechts zelden eenige zorg; hun meestal stappende gang is niet zeer bevallig, maar tamelijk licht; zij vliegen langzaam, maar met buitengewone volharding. Hunne zintuigen wedijveren in scherpte met die der andere bevederde roovers. Daarentegen schijnen hunne geestvermogens gering te zijn. Zij zijn schuw, zelden echter werkelijk voorzichtig,—oploopend en hartstochtelijk, maar niet ondernemend en nog veel minder stoutmoedig,—gezellig, maar volstrekt niet vredelievend, integendeel geneigd tot bijten en boosaardig, tevens echter lafhartig; hun geest verheft zich niet eens tot list. Zelden worden zij werkelijk gehecht aan een ander wezen. Altijd gedragen zij zich ruw en plomp. Zij onderscheiden zich door een merkwaardige neiging om een onderneming, die zij eens begonnen zijn, door te zetten. Men noemt hen traag, omdat zij soms uren achtereen met de grootste kalmte bewegingloos op één plaats blijven; men zou echter van hen, die het grootste deel van den dag vliegend doorbrengen, ook wel het tegendeel kunnen beweren. Hun aard is een mengelmoes van de meest verschillende en schijnbaar tegenstrijdige eigenschappen. Men zou geneigd zijn, hen voor bedaarde en stille Vogels te houden, hoewel uit een nauwkeurig onderzoek blijkt, dat zij tot de hartstochtelijkste van alle Roofvogels gerekend moeten worden.

Eerst door het nagaan van de wijze waarop de Gieren hun voedsel verkrijgen, worden hunne eigenaardigheden voor ons verstaanbaar. De naam Roofvogel verliest bij hen een deel van zijn beteekenis. Weinige Gieren (en ook deze waarschijnlijk slechts bij uitzondering) vallen levende dieren aan met de bedoeling om ze te dooden; gewoonlijk zamelen zij eenvoudig op, wat door een gunstig toeval voor hen beschikbaar is. Zij verslinden lijken en afval.

Vogels, die zich op deze wijze voeden, kunnen slechts de warme of gematige aardgordels bewonen. Het rijke zuiden is vrijgeviger dan het noorden; het verschaft ook aan de Gieren zooveel als zij voor hun onderhoud behoeven. Met uitzondering van Australië en Amerika worden alle werelddeelen door Gieren bewoond. Eenige soorten komen in nagenoeg gelijken getale in Europa, Azië en Afrika voor, of zijn, zoo zij hier of daar ontbreken, door nauw verwante vormen vervangen. Men ontmoet ze in de heete, door de zon geblakerde vlakten zoowel als in het gebergte. Van een vaste standplaats kan bij hen trouwens bijna geen sprake zijn. Hunne ontzaglijke vliegwerktuigen stellen hen in staat om een uitgestrekter gebied te doorkruisen dan eenige andere Roofvogel en hun eigenaardige kostwinning noodzaakt hen er toe. Alleen in den voortplantingstijd bindt de zorg voor hun gebroed hen aan een bepaald gewest, gedurende het overige deel van het jaar leiden zij in meerdere of mindere mate een zwervend leven. Plotseling verschijnen zij in grooten getale in streken, waar men dagen en weken achtereen geen enkele van hun soort waarnam om even plotseling, als zij gekomen zijn, te verdwijnen. Slechts enkele Gieren vermijden de nabuurschap van menschelijke woningen; andere komen juist hier gemakkelijker aan den kost dan in gewesten, waarover de mensch om zoo te spreken zijn heerschappij nog niet heeft uitgestrekt. Geregeld ontmoet men deze Roofvogels in de steden en dorpen van Zuid-Azië en Afrika.

Om de levenswijze van de Gieren aanschouwelijk te maken, zullen wij eenige van deze Vogels handelend laten optreden.

Aan den zuidelijken zoom van de woestijn ligt een gestorven Kameel. De vermoeienissen en ontberingen van de reis hebben zijne krachten gesloopt; den vorigen dag heeft de drijver hem zijn last afgenomen om hem onbeladen naast zijne bevrachte kameraads te laten loopen; toch heeft hij de Nijloevers niet wedergezien, maar is, volkomen uitgeput, voor altoos ter aarde gestort. Zijn meester, die duidelijk droefheid liet blijken over het verlies, dat de dood van dezen dienaar hem veroorzaakt, heeft den Kameel onaangeroerd laten liggen, omdat zijn geloof hem verbiedt, iets, hoe weinig dan ook, te gebruiken van dieren, die gestorven en niet volgens de wettelijke voorschriften gedood zijn.

Den volgenden morgen ligt het lijk nog ongeschonden op het vale zand, zijn sterfbed. Daar verschijnt een Raaf boven den naastbijgelegen bergtop. Haar scherpzichtig oog bespeurt het aas; schreeuwend schiet zij met versnelde vleugelslagen er op toe en vliegt eenige malen in een kring boven het gevallen dier, voordat zij neerstrijkt en op een niet te grooten afstand van den buit den bodem betreedt, gaat er vervolgens snel op af en loopt verscheidene malen, voorzichtig toekijkend, om den buit heen. Andere Raven volgen haar voorbeeld; weldra is een talrijk gezelschap van deze nergens ontbrekende Vogels op het lijk verzameld. Nu komen ook andere liefhebbers aanvliegen. De overal tegenwoordige Egyptische Wouw en de nauwelijks minder veelvuldige Krenggier beschrijven boven het aas kringen in de lucht, een hongerige Arend nadert, verscheidene Kropooievaars draaien op duizelingwekkende hoogte volgens schroeflijnen rond boven de ook voor hen aanlokkelijke spijs. Nog altijd laten de voorsnijders van het gerecht op zich wachten. Wel wordt er door het reeds aanwezige gezelschap hier en daar aan het op den grond liggend lijk geknaagd; de dikke lederhuid is echter voor de zwakke snavels dezer Vogels veel te stevig; het is hun onmogelijk zich groote stukken van den buit toe te eigenen. Slechts het eene naar boven gerichte oog heeft een Krenggier uit zijn kas kunnen scheuren. Allengs echter is de tijd gekomen, waarin ook de groote leden van de Gieren-familie uit vliegen om voedsel te zoeken. Het is 10 uur geworden; hun slapen en droomen heeft lang genoeg geduurd; achtereenvolgens hebben alle hun slaapplaats verlaten. Eerst vlogen zij laag, langs het gebergte; daar zij er echter niets eetbaars vonden, verhieven zij zich in de lucht en bereikten een onafzienbare hoogte. Hier vliegen zij nu in kringen rond, al verder en verder; de eene volgt den anderen, althans met de oogen; alle rijzen of dalen tegelijkertijd; ieder keert zich op ’t zelfde oogenblik als zijn voorganger naar deze of gene zijde. Van de hoogte waarop de Gier zich bevindt, kan hij een verbazend groot gebied als ’t ware met één blik overzien en zijn oog is zoo verwonderlijk scherpzichtig, dat hem bijna niets ontgaat. Bij ’t opmerken van het gewemel daar beneden, verkrijgt hij hiervan dadelijk een heldere voorstelling en komt tot de overtuiging, dat daar het gezochte maal te vinden is. Na eenige spiraalwindingen in dalende richting is hij in staat het geval van naderbij te onderzoeken. Zoodra hij zekerheid heeft gekregen, legt hij plotseling de kolossale vleugels tegen het lichaam aan en stort zich in suizenden vaart 100, misschien 1000 M. ver naar beneden en zou zich te pletter vallen, indien hij niet te rechter tijd de vleugels half uitbreidde, ten einde de snelheid van den val te verminderen en zijn richting te wijzigen.

Op den eerst aangekomen gast volgen zonder voorbehoud alle overige feestgenooten, die zich binnen bepaalde grenzen bevinden. Het naar beneden schieten van den eersten Gier is voor al zijne verwanten een sein tot den maaltijd. Zij snellen nu van alle kanten toe en verspillen geen tijd meer aan een nader onderzoek. Men hoort in den loop van één minuut herhaaldelijk het suizende gedruisch, dat zij bij het naar beneden storten maken. De uit alle richtingen afdalende lichamen, die onder ’t vallen schielijk grooter worden, zijn Vogels, welker vlucht bijna 3 M. bedraagt, en die men kort te voren niet eens als stipjes aan ’t zwerk kon waarnemen. Niets zou thans deze dieren kunnen tegenhouden. Zoodra zij aan den rijk voorzienen disch gezeten zijn, schuwen zij geen gevaar meer en laten zich niet eens door het verschijnen van een jager verdrijven. Onmiddellijk na hun aankomst op den bodem ijlen zij met horizontaal naar voren gerichten hals, opgeheven staart en half uitgespreide, over den grond slepende vleugels op het aas toe. Nu toonen zij zich den naam van Gieren waardig, want begeeriger, gulziger Vogels dan zij, kan men zich niet voorstellen. Zij hebben geen ander doel voor oogen dan het bevredigen van hun honger; voor andere overwegingen zijn zij niet vatbaar. Het kleinere gepeupel wijkt vol eerbied voor hen uit; tusschen de leden van even sterke soorten ontbrandt een hevige strijd. Het kost moeite om een duidelijke voorstelling te verkrijgen van hun werkzaamheid; het dooreenkrioelen, dringen, twisten, vechten, dat er mede gepaard gaat, laat zich bijna niet beschrijven. Met twee of drie snavelhouwen verscheuren de diksnavelige Gieren de lederhuid van het aas; eenige andere snijden de spierlagen door; zoodra de buikwand geopend is, steken de Vogels, die met een zwakkeren snavel gewapend zijn, den langen hals zoo ver mogelijk in de lichaamsholte om bij de ingewanden te komen. Met gulzige haast wroeten zij hierin rond; de eene tracht intusschen telkens den anderen te verdringen of hem den loef af te steken. De lever en de longen worden zelden in haar geheel losgerukt, maar bij stukken binnen de lichaamsholte verslonden; de darmen daarentegen worden naar buiten gesleurd, door een moeielijk te beschrijven achteruit huppelen al verder en verder uitgetrokken en vervolgens, na een woedenden strijd tusschen de vele mededingers, bij stukken verzwolgen. Ook nu nog storten zich voortdurend hongerige Gieren van boven af te midden van hunne reeds smullende verwanten, met het vaste voornemen om zoo mogelijk enkele slempers van den kostelijk voorzienen disch te verdrijven en hun plaats in te nemen; dit geeft aanleiding tot nieuwen strijd, tot een hervatting van het tieren, bijten en woedend kijven. De zwakkere gasten zitten, terwijl de groote heeren feestvieren, watertandend op een afstand, vol aandacht voor hetgeen er aan de tafel voorvalt; daar zij reden hebben om te verwachten, dat de feestelingen hun nu en dan, natuurlijk zonder opzet, in de verwarring van ’t gevecht een brok zullen toewerpen. Niet zelden zweven ook Arenden en Wouwen, beurtelings hoog en laag, boven het schransende gezelschap en storten zich, alsof zij op een vliegenden buit willen neerschieten, te midden van het feestgewoel, grijpen met de klauwen een door de Gieren losgescheurd stuk vleesch en vliegen er mede omhoog, voordat de beroofden tijd hebben kunnen vinden om zich op hunne belagers te wreken.

Een klein Zoogdier wordt door zulk een vraatzuchtige bende binnen weinige minuten met huid en haar verslonden; zelfs van een Rund of van een Kameel blijft na één enkelen maaltijd weinig over. De verzadigde dischgenooten verwijderen zich niet dan schoorvoetend van de feestplaats.

Niet overal en altijd komt het beloop van een Gierengastmaal met de bovenstaande beschrijving overeen. Reeds in Zuid-Europa en nog vaker in geheel Afrika komen telkens, als Gieren in de nabijheid van bewoonde plaatsen een kreng hebben op te ruimen, nog andere hongerige klanten op het aas af. In alle zuidelijke landen bestaat het voedsel van de Honden gedeeltelijk uit aas; de echte Paria-honden kunnen zich werkelijk alleen dan eens volkomen zat vreten, als zij een kreng vinden. Verderop in het binnenland van Afrika nemen behalve de Honden ook de Maraboes aan de smulpartij deel. Zij laten zich zelfs door de Gieren niet verdrijven, maar steken met hunne wigwormige snavels naar rechts en naar links onder de schare, totdat zij een plaats hebben gevonden, die hun aanstaat.

Hoewel de Gieren, wanneer de honger hen kwelt, nu en dan ook op levende dieren, vooral op ziek vee, aanvallen, geven echter alle soorten, naar het schijnt, aan aas of althans aan beenderen boven ieder ander voedsel de voorkeur. Hoewel zij krengen van Zoogdieren het hoogst schatten, versmaden zij de lijken van Vogels, Amphibiën en Visschen niet. In Indië verslinden zij ook de lijken van menschen, die de Hindoes aan den heiligen Ganges toevertrouwen, of die de Parsen op de „torens van het zwijgen” te Bombay neerleggen, gelijk door Garbe, Haeckel en anderen beschreven wordt. De kleinere soorten zijn minder vraatzuchtig dan de groote. Enkele kunnen zich, naar ’t schijnt, geruimen tijd zonder aas redden; sommige voeden zich met beenderen, andere hoofdzakelijk met drek van menschen en dieren en maken tevens jacht op Insecten en kleine, niet al te behendige Gewervelde Dieren.

Na den maaltijd verwijderen de Gieren zich niet gaarne van den disch, liefst blijven zij uren lang in de nabijheid zitten en wachten hier het begin van de spijsvertering af. Geruimen tijd later begeven zij zich naar de drinkplaats en brengen ook hier weer verscheidene uren door. Zij drinken veel en baden zich zeer dikwijls. Weinige Vogels hebben trouwens meer dan zij behoefte aan een zorgvuldige reiniging; want, als zij van tafel gaan, zijn zij bedekt met vuil en afval, vooral de langhalzige soorten zijn dikwijls overal met bloed bevlekt. Wanneer ook de schoonmaakkuur naar behooren afgeloopen is, brengen zij gaarne eenige uren op de traagst mogelijke wijze door; zij buigen de pooten in het spronggewricht zóó, dat de geheele loop op den grond rust en breiden de vleugels uit om zich flink door de zon te laten verwarmen, of gaan plat op het zand liggen. Eerst in de namiddaguren begeven zij zich op weg naar hunne slaapplaatsen.

Vóór het opvliegen doen zij snel achtereen eenige tamelijk hooge sprongen; hierop volgen verscheidene langzame slagen met de breede vleugels. Op een zekere hoogte gekomen, reppen zij zich bijna zonder vleugelslagen voort; door wijziging van den stand der vliegwerktuigen dalen zij langs een weinig hellend vlak naar beneden of laten zich door den hun te gemoet stroomenden wind weer opheffen. Zonder eenige merkbare inspanning, bereiken zij op deze wijze volgens een schroeflijn stijgend, de verbazende hoogten, waarop zij vliegen, wanneer het doel van de reis veraf ligt; met schijnbaar in rust verkeerende vleugels bewegen de Gieren zich dan zeer snel door de lucht.

Vroeger dacht men, dat de Gieren door den reuk het gezochte aas vinden. Daar zij echter ook neerstrijken op aas, dat nog volkomen versch is en volstrekt geen dampen verspreiden kan, die voor het reukzintuig waarneembaar zijn, daar zij zelfs bij krachtigen wind uit alle richtingen komen aanvliegen, zoodra één van hen een lijk heeft opgespoord, terwijl zij op een bedekt aas eerst dan verschijnen, als het door de Raven en Krenggieren gevonden is en het gewemel dezer Vogels hun aandacht getrokken heeft, bestaat er goeden grond voor de bewering, dat het oog hen tot hun eigenaardige levenswijze in staat stelt.

Vóórdat de lente in hun vaderland aanvangt, begeven de Gieren zich naar hun nest, in Europa dus in de eerste maanden van het jaar. Alleen die, welke hier zelden voorkomen, bouwen een afgezonderd staande horst; alle overige soorten nestelen koloniesgewijs. Op een voor dit doel geschikten rotswand of in een woud, dat aan de gestelde eischen voldoet, is iedere bruikbare plaats bezet. Eenige soorten nestelen uitsluitend op rotsen, andere slechts op boomen, nog andere op den vlakken bodem. De meeste dulden in hun broedkolonie Vogels van geheel verschillenden aard, b.v. Zwarte Ooievaars, zonder deze eenigszins lastig te vallen. De op boomen staande horst stemt over ’t geheel genomen met die van andere Roofvogels overeen. De eieren (1 of 2) zijn rondachtig van vorm en grofkorrelig van schaal en hebben op grijsachtigen of geelachtigen grond donkerder vlekken, punten, stippels en vegen. Het met wollig dons bekleede jong is in de hoogste mate leelijk en hulpbehoevend en wordt eerst na verscheidene maanden zelfstandig.

De Gieren worden door verscheidene tegenstanders lastig gevallen, door weinige in gevaar gebracht. Woekerdieren storen hun rust; Arenden, Valken, Kraaien en andere gevleugelde kwelgeesten plagen hen zooveel zij kunnen; het aas wordt hun door Maraboes en Honden betwist. De mensch treedt tegen de groote Gieren, welker nut hij overal erkent, slechts dan vijandig op, als zij van het pad der deugd afwijken en, in plaats van doodgravers te blijven, voor een enkele maal beunhazen in het bedrijf van andere Roofvogels. De meeste soorten echter beschouwt hij met een soort van heiligen schroom. Een ware vriendschap acht men hun niet waardig; in de „Erfstellingen van rijke en welgezinde Mahomedanen” worden zij, in den tegenwoordigen tijd althans, niet meer bedacht. Voor den aan zielsverhuizing geloovenden Indiër, die door hen de lijken zijner dooden laat verslinden, zijn zij ongetwijfeld heilige wezens. De bewoner van Centraal-Afrika laat hen eenvoudig begaan, hoewel hij wel degelijk nu en dan het een of ander misdrijf op hun rekening stelt.