Hoofdstuk III.

St. Benedictus.

Wij hebben gezien, hoe Cassiodorus, nadat hij ongeveer dertig jaren verscheidene vorsten als raadsman en vertrouwde gediend had, zich aan de wereld onttrok en het laatste gedeelte van zijn leven in een klooster op de afgelegen, zuidelijke kust van Calabrië doorbracht. Dit is een van de vele gevallen, waardoor de sterke aantrekking bewezen wordt, die in deze vroegere tijden van de Kerk door het kloosterleven werd uitgeoefend.

Men zal zich herinneren, dat de wilde buitensporigheden van de Egyptische en Oostersche kluizenaars, in Italië een beweging veroorzaakten, die, getemperd door den niet zoo prikkelbaren aard van de Westersche en Noordsche rassen, een uitgebreiden groei van het kloosterleven tengevolge had. Begunstigd door de Kerk, die gewonnen was door de argumenten van Anastasius en had ingezien, dat het verstandig was van de nieuwe religieuze geestdrift partij te trekken, verspreidde het monasticisme zich met groote snelheid tot de uiterste grenzen van het Westersche Rijk, en zelfs buiten die grenzen, in Ierland en Wales, waar eenige bekende kloosters de centra van het zendingswerk en intellectueel leven vormden, totdat de Engelsche Kerk bijna geheel uitgeroeid werd door de heidensche Angelen. In Italië waren er in alle standen velen, die verlangden naar de heerlijke eenzaamheid en rustige contemplatie, die vermoeid waren door de eindelooze verschrikkingen en gevaren van den oorlog en de eindelooze godsdiensttwisten, die geen voldoening vonden voor hun hooger gevoel van geloof, hoop en naastenliefde in de vormelijke onderwerping aan een Kerk, die niets anders scheen te eischen dan een bijgeloovigen eerbied voor zekere diepzinnige, dikwijls onbegrijpelijke uitspraken en voor de wonderdadige krachten van oude beenderen en dergelijke fetischen. Alle vormen van het monnikwezen berusten op verkeerd geleide instincten, wier vrije uitoefening in het gewone leven door het Christendom rijkelijk wordt bevorderd. De meest onnatuurlijke van deze vormen was zeker het tragische en tevens belachelijke verschijnsel van het oostersche kluizenaarsleven. Het westersche kloosterwezen had meer zin en wanneer wij in aanmerking nemen de staatkundige, kerkelijke en maatschappelijke toestanden van dien tijd en de bijna algeheele afwezigheid van eenigen uitweg voor religieuze, intellectueele en philanthropische geestdrift, kunnen wij het zich onttrekken aan zulk een onbevredigende wereld niet afkeuren, vooral, wanneer de idealen van eenzaamheid en eigen redding gepaard gaan met die van godsdienstige broederschap en hard werken (hetzij handenarbeid of geestelijk werk), en nog minder, wanneer later zelfverloochenende hulpvaardigheid in de ellende van anderen, St. Franciscus en zijn eerste volgelingen inspireert.

Cassiodorus stichtte een kluis voor eenzamen en een kloostergemeenschap, wier leden hun tijd wijdden aan godsdienstoefeningen, contemplatie en intellectueel werk. In de Benedictijner-kloosters werd handenarbeid als noodzakelijker beschouwd dan intellectueele arbeid, doch overigens is het groote verschil, dat er tusschen Benedictus en Cassiodorus als stichters bestaat, niet terstond duidelijk. Maar Benedictus was niet alleen de oprichter van kloosters; hij was de stichter van de eerste groote monnikenorde van het westersche Christendom en is de “patriarch” van vier andere belangrijke Benedictijner Orden.1 Of de oprichting van monnikenorden, welke in hetzelfde jaar plaats vond, waarin Justinianus de laatste philosophen uit Athene verdreef, een zegen voor het menschdom was of niet, behoeft hier niet besproken worden. Dat het, zoowel ten goede als ten kwade, op de evolutie van de Europeesche beschaving van grooten invloed is geweest, is ontwijfelbaar en dit verleent een bijzondere waarde aan de feiten, die samenhangen met de stichting van de Orde, die zoo snel bijna alle groepen van monniken in West-Europa in haar organisatie opnam2 en die, als wij de vroege, half georganiseerde Augustijnen uitzonderen, gedurende zeven eeuwen,—dus tot den tijd van St. Franciscus en St. Dominicus—de eenige Orde van het westersche Christendom was.

Het leven van St. Benedictus is uitvoerig en met vele fantastische toevoegsels verteld door Gregorius den Groote, die volgens sommigen juist op den dag geboren is, waarop de heilige stierf (21 Maart, 543). Benedictus was in 480 te Norcia, een kleine stad in de Umbrische bergen ten Westen van Spoleto, geboren. Toen hij ongeveer vijftien jaar was ging hij om te studeeren naar Rome, dat toen onder Odovacar stond; maar het leven, dat zijn mede-studenten leidden, werd hem zoo ondragelijk, dat hij zich terugtrok in de eenzaamheid van de Apennijnen, dicht bij de bronnen van den Arno. Zijn voedster volgde hem daarheen; haar overdreven zorg voor het veraangenamen van zijn leven, de lastige bewondering van het landvolk voor zijn heilig wezen en zijn vroeg ontwikkelde gave van wonderdadigheid dwongen hem te vluchten. Hij zocht een schuilplaats in een hol of kloof in de rotsen bij Subiaco aan den Boven-Anio—ongeveer 23 K.M. ten zuiden van Vicovaro, het Varia van Horatius, dat niet ver van zijn Sabijnsch landgoed in de Digentia vallei ligt.

Bij Subiaco leefde hij een tijd als kluizenaar; zijn voedsel werd hem verschaft door een monnik en later door schaapherders, die het aan een touw in zijn grot lieten zakken. Maar soms moest hij zijn schuilplaats verlaten, wanneer het ten minste in deze periode was, dat hij gewoon was zich te straffen voor zijn verliefde gedachten aan een Romeinsche schoone door zich naakt in een doornboschje te rollen, dat sinds dien tijd rozen droeg, de rechtstreeksche voorouders, zegt men, van die, welke nu aan den bezoeker van den kloostertuin getoond worden.3

Ten slotte bewoog het heilige leven van Benedictus de monniken van Vicovaro hem tot hun abt te kiezen. Maar zijn Regel bleek te streng voor hun losbandige gemeenschap. Zij trachtten hem te vergiftigen; toen hij echter den hem aangeboden beker zegende, viel deze uit de hand van den moordenaar, een gebeurtenis, die op vele Benedictijner schilderstukken wordt voorgesteld. Daarna trok hij zich met vele discipelen terug naar de “Heilige Grot”, die wat hooger op den heuvel ligt dan zijn eerste hol4; hij bewerkte, dat in de omstreken twaalf kloosters werden gebouwd; daartoe behoorde ook het klooster, dat later aan zijn zuster Scholastica gewijd is; in de 11e en 13e eeuw is er veel bijgebouwd en het is nu een der schoonste merkwaardigheden van Subiaco. In dit gebouw werd in 1465 de eerste Italiaansche drukpers opgesteld. Benedictus schijnt meer den nadruk gelegd te hebben op het ontwijken van het kwaad dan op het weerstand bieden daaraan. Eenige geestelijken, die afgunstig waren op zijn succes, huurden vrouwen om de zeden van zijn monniken te bederven en zijn aardsch Paradijs te verstoren. In een plotselinge vlaag van walging verliet hij zijn twaalf kloosters en ging wederom een rustiger schuilplaats zoeken. Op zijn tocht bereikte hij Cassinum, ongeveer halfweg Rome en Napels. Boven de stad, die aan den Rapido, een zijrivier van den Liris ligt, verheft zich de Monte Cassino, een kale kalksteenen bergrug, ongeveer 1700 voet hoog. Hier stond nog een tempel en een heilig bosch met standbeelden en altaren gewijd aan Apollo en Venus; het landvolk bracht nog offers aan deze goden—of demonen. Benedictus preekte het Christendom voor dit “bedrogen volk” en haalde hen over den tempel en de altaren af te breken en het bosch om te hakken; op die plaats bouwde hij een kapel voor Johannes den Dooper en Martinus van Tours. Daarna stichtte hij (529) nog hooger op den berg een klooster, dat gedurende meer dan dertien eeuwen als het voornaamste van het westersche Christendom geëerd werd en dat in het Donkere Tijdperk van de Europeesche Geschiedenis het voornaamste toevluchtsoord was voor oude kunst en wetenschap en binnen zijn muren veiligheid bood aan menigen vorst, krijgsman en geleerde, die de wereld moede was.

Van Monte Cassino heeft men het gezicht over de heerlijke vallei van den Liris bekend uit Horatius—

Non rura, quae Liris quieta

Mordet aqua, taciturnus amnis.

In het westen ligt Aquinum, de geboorteplaats van Juvenalis en den doctor Angelicus; naar het noorden krijgt men een kijkje over de zee en het land van Minturnae, Caieta en Sinuessa, namen, die de herinnering wekken aan Horatius en Vergilius, en aan de dagen, toen Rome over de wereld heerschte. En dan denkt men aan het lange Donkere Tijdperk, dat op den val van Rome volgde en men tracht zich voor te stellen hoe van deze zelfde muren, door Benedictus gebouwd, menschen neerzagen op de verwoestende benden van ontelbare indringers—Goten, Byzantijnen, Longobarden, Saracenen, Noormannen, Duitschers, Franschen en Spanjaarden—op elkaar volgend in een bijna onafgebroken reeks, gedurende ongeveer duizend jaar.

22. S. Clemente, Rome.

22. S. Clemente, Rome.

Deze plaats en de komst van Benedictus zijn beschreven door Dante of liever door den heilige zelf; want Dante ontmoet hem in de sfeer van Saturnus, onder de contemplatieve zielen; deze, op sterren gelijkend, gaan de groote gouden ladder, die, als de Jacobsladder, van de aarde naar den hoogsten hemel reikt, op en af. “Die berg”, zegt St. Benedictus, “op welks zijde Cassino ligt, werd van oudsher bezocht door het bedrogen, slecht gezinde volk; en ik ben het, die het eerst hier den naam naar boven droeg van Hem die de waarheid aan ons op aarde bracht; en zoo groote genade van God straalde over mij, dat ik de naburige steden van dien vervloekten dienst aftrok, die eens de wereld verleidde”. Dan klaagt Benedictus over de ontaarding van zijn Orde en spreekt met lof en sympathie over St. Romualdus van Ravenna, den stichter (c. 1000) van de gereformeerde of Witte Benedictijnen, de Camaldolesi.5 Romualdus herstelde en verscherpte den oorspronkelijken “Nieuwen Regel” van Benedictus; de 73 artikelen, die berustten op de leeringen van St. Paulus en gedeeltelijk ontleend waren aan den Oosterschen Regel van St. Macarius, schreven gemeenschap van goederen, volstrekte gehoorzaamheid, volkomen gelijkheid en handenarbeid voor, loochenden elk verschil van stand of ras, en verboden het nietsdoen (otiositas) als een vijand van de ziel, volgens het beginsel dat laborare est orare.

Tegen het einde van zijn leven voegde zich bij St. Benedictus zijn zuster, St. Scholastica, die zich op eenigen afstand van het klooster, in een kluis vestigde. Op de Benedictijner schilderstukken vindt men haar afgebeeld, biddend, dat haar broeder, die haar bezocht en wilde teruggaan, zou worden tegengehouden—een gebed, dat vervuld werd door de plotselinge uitbarsting van een hevigen storm. Andere schilderijen stellen Benedictus voor, terwijl hij naar een vogel kijkt, die hemelwaarts vliegt; de vogel stelt de ziel van zijn zuster voor, die twee dagen na het zoo even vermelde bezoek stierf.

Ongeveer 542 bezocht de Gotische koning Baduila (Totila) St. Benedictus. Men zegt dat de heilige hem heeft herkend, ofschoon hij zich vermomd had, hem streng heeft berispt wegens zijn verwoestingen, en hem zijn dood heeft voorspeld, die echter eerst tien jaar later plaats vond. Kort daarna, in Maart 543, stierf Benedictus zelf. Zijn stoffelijk overschot, evenals dat van zijn zuster, ligt onder het hoogaltaar van de kloosterkerk van Monte Cassino. Deze kerk (herbouwd in de 17e eeuw) heeft bijna niets, wat ouder is dan de elfde eeuw, uit welken tijd, naar men meent, de bronzen deur, een Byzantijnsch werk, is. Op het plein van de kerk staan oude zuilen; er is wel beweerd dat dit zuilen waren van den tempel van Apollo of Venus (zie p. 167). Het klooster is meermalen afgebroken. In 589, slechts zestig jaren na de stichting, werd het verwoest door de Longobarden. Toen vluchtten de monniken naar Rome en bleven daar 130 jaar. In 883 werd de plaats genomen en verbrand door de Saracenen en de monniken ontsnapten naar Capua en Teano; maar reeds in 886 was hun abdij (Badia) herbouwd. Evenals andere kloosters in Italië, is ook dit geseculariseerd (1866) en een nationaal monument geworden. Toch bevat het nog een seminarium en wordt bewoond door ongeveer veertig monniken. De librije, vroeger wereldberoemd, bezit nog menig kostbaar manuscript. In den tijd van Dante schijnt die zeer veronachtzaamd te zijn, zooals men kan zien uit een verhaal6, dat Benvenuto, de Dante-commentator geeft van een bezoek, dat Boccaccio aan die librije had gebracht; hij vond “de bewaarplaats van zoo groote schatten zonder eenige deur of andere afsluiting, gras voor de vensters, en alle boeken en planken vol stof. Uit sommige boeken waren heele bladen gescheurd, van anderen de randen afgeknipt. Bedroefd en weenend ging hij heen; in het klooster kwam hij een monnik tegen en vroeg hem, waarom die kostbare boeken zoo verminkt waren. Deze antwoordde, dat eenige monniken, om een paar dukaten te verdienen, er bladen uitscheurden om psalmboekjes voor jongens te maken; en van de randen maakten zij breviaria, die zij aan vrouwen verkochten. Pijnig dus, o, geleerde, uw hersenen om boeken te schrijven!”


1 Camaldulensers, Vallombrosiërs, Kartuizers, Cisterciënsers. St. Macarius en St. Basilius hadden reeds een orde in het Oosten gesticht en ofschoon St. Augustinus (van Hippo) juist een halve eeuw voor de geboorte van St. Benedictus stierf en men zeide, dat hij een gemeenschap had samengesteld, bestond er geen Augustijner Orde voor de 9e eeuw, toen Leo III de geestelijkheid, die niet tot een orde behoorde, samenbracht in een orde onder den zgn. Augustijner Regel. Later deelden Innocentius IV en Alexander IV alle kluizenaars en onafhankelijke broederschappen bij dezelfde orde in. Om dit tot stand te brengen werd een wonder noodzakelijk geacht en St. Augustinus verscheen dan ook in een visioen en dreigde de weerspannigen met den geesel.

2 Karel de Groote bevond, dat er geen andere monniken dan Benedictijnen in zijn rijk waren.

3 Een andere lezing van de legende verzekert, dat de braamstruiken en doornboschjes, ijverig verzorgd, nog in den tijd van St. Franciscus bestonden; bij zijn bezoek aan Subiaco (1216) veranderden zij in rozen!

4 De Sacro Speco heeft rotswanden versierd met de oude frescós, voornamelijk uit de 13e eeuw. In een van de zij-kapellen van de aangrenzende kerken is een oud portret van St. Franciscus zonder stigmata of nimbus, dus waarschijnlijk uit de tijd voor 1228.

5 Waarschijnlijk zoo genoemd naar het land of huis (Campo of Ca’ Maldoli), dat door een graaf van dien naam aan Romualdus is gegeven.

6 Zie Dante, con il commento di T. Casini, Parad. XXII. 75.