Hoofdstuk IV.

Justinianus.

Gedurende de eerste acht jaren van zijn regeering had Justinianus bijna geen rechtstreeksch verband met Italië en ofschoon na 535 ongeveer dertig jaren lang de geschiedenis van het ongelukkige land voornamelijk werd gemaakt door de wanhopige worsteling van Goten tegen Byzantijnen en door een korte Byzantijnsche overheersching, zijn toch de annalen van het Byzantijnsche hof volstrekt niet zoo belangrijk voor een schrijver over Italië, als voor iemand die het bestaan van het zgn. Romeinsche Keizerrijk1 nagaat, van den val van Rome in 476 tot het theoretisch verdwijnen van den echten keizerlijken titel, doordat een vrouw dien te Constantinopel wederrechtelijk aannam, en het herleven van dien titel in den persoon van Karel den Groote—of voor iemand, die de lotgevallen volgt van de zgn. Byzantijnsche Keizers tot de inneming van Constantinopel door de Turken.

Het zal dus voldoende zijn, als wij een kort verslag geven van Justinianus’ persoonlijkheid en omgeving, en vooral van zijn invloed op de wetgeving en de bouwkunst.

Men zal zich herinneren, dat Justinianus, een boer uit Dardanië van lage afkomst, als jongen zijn oom Justinus naar Constantinopel vergezelde, hoe ten slotte Justinus tot keizer werd uitgeroepen en den troon aan zijn neef naliet. Ongeveer tien jaren voordat hij den keizerlijken diadeem ontving, werd Justinianus tot Consul benoemd door zijn oom, die nu meer dan zeventig jaar oud was. Het was teekenend voor het streven van den jongen man naar den volksgunst, dat deze gebeurtenis gevierd werd door schitterende vertooningen, niet van gladiatoren, want die waren reeds lang, zelfs te Rome, afgeschaft en te Constantinopel nooit toegestaan, maar door even afschuwelijke gevechten met wilde dieren. Toen eigende hij zich een groot aandeel in de regeering toe, en in 527, toen hij, vijf en vijftig jaar oud, tot Augustus werd uitgeroepen, gaf Justinus hem de teugels van de regeering geheel in handen, en stierf kort daarna.

Eenige jaren voor zijn verkiezing tot Consul had Justinianus een hartstochtelijke genegenheid opgevat voor een vrouw, Theodora, wier loopbaan, zooals Procopius, of wie de auteur van de Anecdota moge zijn, die beschrijft, een merkwaardig voorbeeld geeft van onbeschrijfelijke zedeloosheid gepaard aan eigenschappen, die in staat bleken haar de devote liefde te verzekeren van een goeden, hoewel zelfgenoegzamen, man, en blijkbaar de berusting en onderworpenheid, zoo al niet den eerbied van het volk, ofschoon van dat volk eerbied werd geeischt voor een Keizerin, die vroeger als een losbandige tooneelspeelster gewoon was geweest met ongeloofelijke schaamteloosheid haar persoon bloot te stellen aan het gelach en de toejuichingen van een stampvol theater.

Als wij den schrijver van de Anecdota mogen gelooven, was Theodora de dochter van een Cypriër, die buffet-houder was in den Byzantijnschen Circus. Op tamelijk jeugdigen leeftijd vergezelde zij een hoogen ambtenaar naar Egypte; wegens haar onzedelijkheid door hem verstooten, bracht zij eenige jaren in het Oosten door en keerde ten slotte naar Constantinopel terug, waar zij blijkbaar een meer ingetogen leven begon, misschien met het doel zich een echtgenoot te verschaffen. Dit doel bereikte zij, want Justinianus, die als Patricius, misschien reeds Consul, de invloedrijkste man was in het Oostelijk Keizerrijk, werd niet alleen doodelijk verliefd op haar, maar was zoo vast besloten haar te huwen, dat hij na den dood van Justinus’ gemalin, die door haar opvoeding als eenvoudig Dardaansch meisje een zeer strenge rechter was, zijn oom overreedde een wet te laten aannemen om zulke huwelijken te erkennen; en weldra vierde hij bruiloft (c. 525). Bovendien, toen hij als Keizer werd gekroond, liet hij niet alleen door den patriarch een keizerlijken diadeem op haar hoofd zetten, maar liet haar op den troon plaats nemen, als een gelijke en onafhankelijke collega in de regeering; en de bestuurders van de provincies moesten een eed van trouw afleggen aan Justinianus en Theodora. Bezield door den hartelijken eerbied, dien hij gedurende de vier en twintig jaren van zijn huwelijk niet verloochende, gaf hij zelfs de eer van vele zijner wetten “aan zijn wijze raadsvrouw, zijn geëerbiedigde gemalin, die hij als een geschenk van de Godheid had ontvangen”.

Toch wordt zij, niet alleen door den auteur van de Anecdota, maar door verschillende orthodoxe schrijvers, als een helsche demon beschreven. Zij wordt van de gemeenste misdaden beschuldigd, van den moord op haar eenigen zoon (die, in het Oosten achtergelaten, later in Constantinopel zijn rechten wilde doen gelden) en op verscheidene aanzienlijke personen, waarvan sommige, naar men zegt, zijn omgekomen in haar geheime onderaardsche kerkers en folterkamers. Zij werd ook, wat men veel erger vond, beschuldigd van kettersche neigingen en van een zoo brutale onbeschaamdheid, dat zij zelfs den Paus tegensprak en het hem soms zeer lastig maakte. Maar wij moeten er bijvoegen, dat zij rijkelijk geld heeft geschonken voor liefdadige doeleinden, b.v. de stichting van een groot toevluchtsoord voor Magdalena’s. Kloosters en hospitalen werden ruim door haar gesteund en vele kerken—o.a. de S. Vitale te Ravenna en de S. Sofia te Constantinopel—hadden groote verplichtingen aan haar. Bovendien, wat haar fouten ook mogen geweest zijn, wij kunnen niet ontkennen, dat zij moed bezat, en dat haar moed bij het beruchte Nika-oproer2 haar heer van een laffe vlucht en misschien van een schandelijken dood weerhield. Zij verzocht hem te vluchten, als hij dat wenschte, maar weigerde het zelf te doen en verklaarde liever als een Keizerin te willen sterven.

Theodora was, volgens de Anecdota, bleek en opvallend mooi, met schitterende, doordringende oogen. Haar gestalte was niet groot, maar zij was uitstekend geproportioneerd en haar bewegingen waren buitengewoon bevallig. Merkwaardig is, dat zij op het Ravenna-mozaïek boven al hare hofdames uitsteekt, zelfs boven de aanwezige geestelijken.

Welken roem Justinianus ook moge verworven hebben, volgens zijn tijdgenooten of volgens Dante, door de overwinningen van zijn legers in Afrika en Italië—overwinningen, waarvan hem de eer toch niet toekomt, daar zijn ondankbare verwaarloozing en nog ondankbaarder jaloezie de gunstigste kansen voor zijn besten generaal bedierven—het staat vast, dat hij door zijn wetten of liever door de codificatie van de Romeinsche wet de dankbaarheid van het nageslacht verdient.

In den Paradiso (VII, 6) zegt Dante, dat zich boven het hoofd van Justinianus een tweevoudig licht verheft nl. de roem van den krijgsman en den wetgever. In den zesden canto geeft Justinianus aan Dante een prachtige beschrijving van het zegevierend voortschrijden van den Romeinschen Adelaar van de dagen van Aeneas tot Karel den Grooten en spreekt aldus over zichzelf: “Ik was Caesar en ik ben Justinianus (d. i. hier zonder aardschen titel), die van de wetten het overtollige en nuttelooze heb afgenomen. En voordat ik mij tot dit werk zette, geloofde ik, dat er in Christus slechts éen natuur was, (dus hij was een Monophysiet), en met dat geloof was ik tevreden; maar de gebenedijde Agapetus heeft mij met zijn woorden tot het ware geloof gebracht. Zoodra ik mij tot de Kerk begaf, behaagde het God mij te bezielen voor deze hooge taak en ik wijdde mij er geheel aan; de wapenen droeg ik aan Belisarius op, die door de rechterhand van God zoo duidelijk werd geholpen, dat het een teeken was, dat ik moest rusten”. Rusten deed hij zeker, wat den oorlog betrof, en hij was er tevreden mee te oogsten, waar anderen zaaiden, maar zijn arbeid op ander gebied verdient erkenning.

Het Corpus Juris, dat door zijn gevolmachtigden werd samengesteld, wordt nog steeds beschouwd als de voornaamste bron voor Romeinsch recht, zooals het in Europa wordt toegepast. Deze gevolmachtigden, onder leiding van een zekeren Tribonianus, een Pamphylischen geleerde met een literairen aanleg, zooals die van Pico Mirandola of Bacon, stelden gedurende de jaren 530–33, den geweldigen Codex van de keizerlijke Constitutiones (edicten, decreten enz.) in 12 boeken op, de Pandectae (“al-bevatters”—een compendium van ongeveer 2000 deelen van oude wetten en senatus-consulta van Rome, samengevat in 50 boeken en een meer beknopt handboek, de Institutiones. Als aanvulling van deze geweldige massa wetten, die binnen zes jaren wederom gepubliceerd werden, vaardigde Justinianus in later jaren (535–65) zeer vele Novellae (nieuwe wetten) uit, waardoor hij zijn Code vergrootte of veranderde om zijn afpersingen of die van Theodora te wettigen; en hierin verliet hij zich vooral op de medewerking van Tribonianus. De drie hoofdwerken zijn geschreven in een merkwaardig Latijn van de zilveren eeuw. De Novellae zijn voornamelijk in het Grieksch. Een copie van het Pandecten-handschrift, die misschien dateert uit Justinianus’ regeering en zeker niet later ontstond dan in de zevende eeuw, is een van de schatten van de Laurentiaansche Bibliotheek te Florence. Men zegt, dat alle andere bestaande manuscripten van dat werk daarvan afgeleid zijn. In 1137 werd het van Amalfi gehaald door de vloot van de Pisanen en nadat Pisa door de Florentijnen in 1406 was genomen, werd het naar Florence overgebracht. De prachtige band van dat handschrift werd in 1783 gestolen door den Groothertog Leopold en voor 30 goudstukken verkocht.

Volgens Dante begon Justinianus, terwijl hij bezig was met dit wetgevend werk, zich vrij te maken van kettersche dwalingen en over te hellen tot de orthodoxe Kerk. Het was Paus Agapetus, door wiens invloed dit tot stand kwam; het gebeurde in 535, in hetzelfde jaar, waarin het Oost-Gotische Italië door Justinianus’ Byzantijnsche troepen van het noorden en door Belisarius en zijn Afrikaansche veteranen van het zuiden werd aangevallen. Weldra was de werkzame geest van den Keizer, die steeds bezig was te formuleeren en zijn formulae aan de wereld op te leggen, zoo geheel verdiept in dogmatische vraagstukken, dat hij zich om niets meer bekommerde, noch om den treurigen toestand van Italië, dat door oorlog, hongersnood en pest geteisterd werd, noch om de grieven en ellende der Byzantijnsche provincies, die uitgezogen werden door de ondragelijke belastingen, noodig om de enorme uitgaven van den staat te dekken. De hooge wetgever, wiens wetten van zoo weinig nut waren voor zijn eigen volk, was nu bezield door de eerzucht om de hoogste Christelijke leeraar van zijn eeuw te worden: “Onze voornaamste zorg”, schrijft hij omstreeks dezen tijd, “is gericht op de ware dogmata van het Geloof”.

Daar hij met bijzonderen nadruk de theorie van het goddelijk recht der monarchen op zichzelf toepaste, meende hij, dat zijn macht hem rechtstreeks door den hemel was opgedragen en geenszins door bemiddeling van het leger, den Senaat, of het volk, en als vicarius van de Godheid voelde hij zich gemachtigd de besluiten van Synoden en Pausen te negeeren en slechts het gezag te erkennen van een algemeen Concilie, dat door hem zelf was bijeengeroepen. Een dergelijke gedragslijn, krachtig nagevolgd door Belisarius, die een Paus afzette, en door Narses, die onwillige bisschoppen naar Constantinopel verscheepte, moest wel de heftigste oppositie uitlokken van den kant der geestelijkheid.

23. S. Vitale, Ravenna.

23. S. Vitale, Ravenna.

De toestand werd erger, toen Justinianus ontdekte, dat een eeuw vroeger drie bisschoppen in de besluiten van het Concilie van Chalcedon (451) drie verklaringen heimelijk hadden ingevoegd, die een duidelijk kettersche gezindheid verrieden. Hevig verontwaardigd, matigde Justinianus zich het recht van excommunicatie aan en sprak in naam van de Drieëenheid den banvloek uit over die drie clausules. Maar noch orthodox noch heterodox toonde in deze aanmatiging van pauselijke bliksems te willen berusten. Ten slotte ontbood de vertoornde Keizer Paus Vigilius naar Constantinopel. Deze Paus was, na den dood van den goeden ouden Agapetus en nadat zijn opvolger door Belisarius was afgezet, op den Heiligen Stoel geplaatst door den invloed van Theodora, die veel verwachtte van zijn neiging tot het Monophytisme, een vorm van ketterij die door haar begunstigd werd; maar hij stelde haar teleur, ondersteunde den ultra-orthodoxen ijver van haar bekeerden echtgenoot en kondigde te Constantinopel, waar hij kort vóór, of na haar dood (1 Juli, 548) kwam, een veroordeeling af van de drie beruchte clausules.

Maar de storm, die deze daad bij de Katholieken in het Westen veroorzaakte, dwong hem die afkondiging te herroepen en zich te verzetten tegen de aanspraken van den Keizer op geestelijke macht. Het gevolg was, dat hij op een eiland in de Zee van Marmora gevangen werd gezet; eerst in het zesde jaar van zijn ballingschap (554) kreeg hij verlof naar Italië terug te gaan, nadat hij nog eens den banvloek over de kettersche clausules had uitgesproken. Doch hij bereikte Italië niet, want hij stierf op zijn reis, te Syracuse. Zonder twijfel hadden de onderwerping van Vigilius en de vriendelijke gevoelens van Justinianus jegens den volgenden Paus—den “diaken” Pelagius—een tijdlang een gunstigen invloed op de betrekkingen van den Keizer tot de Roomsche Kerk en een gevolg hiervan was blijkbaar de zgn. Pragmatieke Sanctie, een decreet, dat het burgerlijk en kerkelijk gezag in Italië moest beschermen tegen de militaire macht en aan de Kerk eenige belangrijke judicieele voorrechten gaf.

Deze ellendige godsdiensttwisten, die ons misschien onbelangrijk lijken, waren van grooten invloed op de regeering van Justinianus. De vijandigheid, die tusschen de verschillende Christelijke sekten heerschte, was heviger dan de verbittering van de Kerk tegen het Heidendom was geweest en men kon geen politieke eenheid verwachten zonder overeenstemming in leerstellige vraagstukken. Dat Justinianus naar een dergelijke eensgezindheid streefde, kan niet betwijfeld worden, maar, evenals Zeno met zijn Henotikon, bereikte hij slechts een verwijding van de kloven; en vooral de kloof tusschen het Oosten en Westen werd verbreed, waardoor een paar geslachten later de heftige en langdurige strijd over den beeldendienst ontstond. Bovendien had Justinianus’ religieuze manie een zeer belangrijken en misschien verderfelijken invloed op Italië, want het deed hem de welvaart en de verdediging van de onlangs veroverde diocese schandelijk verwaarloozen en het was aldus een van de oorzaken, waardoor de weg voor de Longobarden gebaand werd.

In zijn boek over de bouwwerken van Justinianus beschrijft en vermeldt Procopius een groot aantal kerken, aquaeducten, hospitalen, bruggen en andere gebouwen, die door den Keizer of onder zijn auspiciën zijn opgericht, niet alleen in Constantinopel, maar ook in Klein-Azië, Syrië, Palestina, Egypte en andere deelen van Afrika. Het boek is blijkbaar niet lang na den dood van Theia en den terugkeer van Procopius in Constantinopel geschreven, en voordat de Byzantijnsche heerschappij in Italië weer hecht gevestigd was. Dit verklaart waarschijnlijk het feit, dat er geen Italiaansche gebouwen in worden vermeld.

In en rondom Constantinopel bouwde en herbouwde Justinianus ongeveer vijf en twintig kerken, waarvan vele rijk versierd waren met marmeren beelden en mozaïeken. De meesten waren waarschijnlijk in den nieuwen Byzantijnschen stijl, die den ouden basiliek-stijl begon te verdringen en van dezen was de voornaamste de groote kathedraal, gewijd aan de Heilige Wijsheid (Hagia Sophia) van God en algemeen bekend als de Sofia-kerk.3) Door Constantijn was een basiliek van denzelfden naam op dezelfde plaats gebouwd. Die was verbrand bij het tumult, dat door de verbanning van den patriarch Chrysostomus ontstond, en een tweede gebouw, een basiliek met houten dak, was eveneens vernield bij het Nika-oproer. De Sofia-kerk van Justinianus bestaat nog, d.w.z. het gebouw zooals het door hem hersteld is na een aardbeving, waarbij een groot deel van den ouden koepel was ingestort. Het plan van deze prachtige kerk (thans een moskee) werd ontworpen door Anthemius van Tralles, éen der vijf broeders, die allen even beroemd waren, ieder in hun beroep. Haar luister, die door Turksch fanatisme gedeeltelijk is verborgen of ontsierd, wordt zeer juist beschreven door Justinianus’ uitroep: “Ik heb U overtroffen, o Salomon!” Over den bouwstijl van de Sofia-kerk zullen wij later nog spreken.

Onder de vele andere kerken door Justinianus in Constantinopel opgericht was een nieuw gebouw in Byzantijnschen stijl op de plaats van de oude Constantijnsche Kerk van de Heilige Apostelen. Het is verdwenen, doch naar dit voorbeeld is de St. Marcus’ kathedraal met de vijf koepels te Venetië gebouwd, en dus is de herinnering daaraan blijven bestaan. Aan Justinianus moet ook worden toegeschreven de Byzantijnsche kerk van St. Sergius en St. Bacchus, die zooals de S. Vitale te Ravenna, in het midden achthoekig is, met acht bogen, waarop een groote koepel rust. Deze S. Vitale is ook een beroemde, nog bestaande kerk, die in nauwe betrekking staat met den naam van Justinianus. Zij is ouder dan de St. Sophia (waaraan men in 532 begon); het is een Byzantijnsche kerk, en gelijkt zoozeer op de kerk van St. Sergius en St. Bacchus, dat zeer waarschijnlijk het ontwerp voor Theoderik’s kerk te Ravenna en misschien zelfs de werklieden afkomstig waren van Anthemius en een ander oosterschen architect; en toevallig was de man, die de leiding had van den bouw van de S. Vitale4), Aartsbisschop Ecclesius, juist een jaar, voordat men aan de kerk begon, te Constantinopel; want Koning Theoderik zond in 525 gezanten naar het oostersche hof, en onder dezen was, behalve Paus Johannes, ook Ecclesius. Zijn houding te Constantinopel beviel den Ariaanschen monarch blijkbaar beter dan die van den ongelukkigen Paus, want kort na zijn terugkeer en waarschijnlijk vóor Theoderik’s dood begon hij deze prachtige Byzantijnsche kerk, die, trots vele herstellingen toch nog iets van haar oorspronkelijken luister behouden heeft. Van bijzondere schoonheid zijn de marmeren zuilen, met de fijnbewerkte kapiteelen en onbeschrijfelijk rijk zijn de mozaïeken.

Sommige van deze mozaïeken zijn geplaatst tijdens het leven van Ecclesius († 534), want hij wordt er op voorgesteld zonder nimbus. Dit apsis-mozaïek, zooals de groep engelen in de S. Apollinare Nuovo, onderscheidt zich sterk van de andere door zijn eenvoudige en indrukwekkende grootheid, die wij ook in de oudere mozaïeken te Ravenna en te Rome vinden. De andere kenmerken zich door den pronkerigen opschik en onartistieke uitvoering, die men gewoonlijk bij Byzantijnsche mozaïeken aantreft. Deze behooren tot de periode, die volgt op de inneming van Ravenna (540) door Belisarius, en waren zonder twijfel bekostigd door Justinianus en Theodora, die ruim hadden ingeschreven voor de versiering van de S. Vitale. Het is dus zeer belangrijk, dat onder deze latere mozaïeken de portretten van den Keizer en de Keizerin voorkomen en uit den nimbus, waarmede beiden zijn versierd mogen wij misschien afleiden, dat de mozaïeken voltooid zijn na 548, toen Theodora stierf, of zelfs na Justinianus’ dood in 565. Justinianus wordt afgebeeld met een gouden bakje vol juweelen of geld, dat hij de kerk aanbiedt; hij is vergezeld van den Aartsbisschop Maximianus, die het gebouw in 547 heeft gewijd. Theodora5, omgeven door haar hofdames, brengt als haar offer een grooten beker en is op het punt de kerkdeur binnen te gaan, waarbij de doopvont staat.

Nog éen kerk, S. Apollinare in Classe moet hier in verband met Justinianus vermeld worden, want het is zeer waarschijnlijk dat hij persoonlijk belang had bij de voltooiing van die kerk, daar zij tusschen 535 en 538 gebouwd is door den opvolger van Ecclesius en, evenals de S. Vitale, door Maximianus gewijd is. De stad en de haven van Classe zijn, zooals wij reeds verteld hebben, geheel verdwenen en deze groote basiliek van S. Apollinare staat nu, evenals de oude Grieksche tempels te Paestum, bijna geheel verlaten; misschien is er geen indrukwekkender gebouw in de wereld. Uitwendig bezit het geen schoonheid die met een Griekschen tempel of noordelijke kathedraal kan vergeleken worden, ofschoon men den ouden klokketoren, die in zwijgende waardigheid tusschen de met waterlelies bedekte poelen en de drassige velden van het eenzame moerasland zich verheft, niet licht zal vergeten; maar inwendig is deze basiliek een van de heerlijkste en prachtigste, die bestaan.

Het Rijk van de Longobarden

Het Rijk van de Longobarden

c. 568–c.700


1 In de Middeleeuwen nam men algemeen aan, dat het Romeinsche Keizerrijk nog steeds bestond.

2 Men leze het levendig verslag van de 4 partijen of race-clubs van den Romeinschen Circus (wit, rood, groen, blauw) en de onlusten ontstaan door de moorddadige veeten tusschen die partijen, bij Gibbon XL, 2, en de commentatoren op Juvenal. Sat. XI. 193 sq., verzen die, mutatis mutandis, nog heden van toepassing zijn. De uitroep “Nika” beteekent “Overwin!”

3 Het Parthenon te Athene was reeds als kerk aan de Hagia Sophia gewijd.

4 Op een van de groote mozaïeken wordt hij voorgesteld met een model van de kerk in zijn hand.

5 Haar diadeem is rijk bezet met groote parels en edelgesteenten, zooals de latere Keizerskroon (zie fig. 19). Het haar met de lange oorhangers en den breeden kraag, maniakon, alles rijk voorzien van juweelen, vervangen volgens de nieuwe mode den breeden en zwaren gouden halsketting.