Er had in 589 een groote overstrooming van den Tiber plaats, gevolgd door een hevige uitbarsting van de pest, die reeds vele jaren vroeger Europa had geteisterd. Paus Pelagius was een van de vele duizenden slachtoffers te Rome. Als zijn opvolger werd met algemeene stemmen Gregorius gekozen. Deze was geboren in 540, toen Belisarius Ravenna innam of een weinig later, toen Baduela de Gotische heerschappij in Italië weer deed herleven. De juiste datum is niet bekend, maar sommigen zeggen, dat het dezelfde dag (21 Maart, 543) was, waarop de groote Heilige stierf, dien hij bijzonder vereerde en wiens leven hij heeft beschreven, St. Benedictus. Zijn familie was van den senatorenstand en zeer vermogend. Zijn ouders, vurige Katholieken, lieten hem theologie en philosophie studeeren1, maar hij schijnt, evenals St. Ambrosius, een politieken loopbaan gekozen te hebben, want als jong man was hij reeds Prefect of Praetor van Rome. Doch weldra kreeg zijn religieuze neiging de overhand, en hij gebruikte een groot deel van zijn vermogen om zes kloosters op Sicilië te stichten en een zevende te Rome, terwijl hij voor dat doel zijn voorvaderlijk paleis2 op den Coelischen Heuvel afstond, waar nu de kerk van S. Gregorio Magno staat. Hier leefde hij eenige jaren zeer sober, en werd, toen hij ongeveer 36 jaar oud was, diaken, waarschijnlijk daartoe bewogen door Paus Benedictus I, die hem de wijding gaf. Sinds dien tijd schijnt hij veel belangstelling te hebben gehad in zendingswerk; en zijn geestdrift werd geprikkeld of misschien zelfs het eerst opgewekt door die schoon-lokkige Engelsche jongelingen, die als slaven werden ten toon gesteld, wier schoonheid hem volgens Beda den uitroep ontlokte: “Non Angli, sed Angeli”.
Beda, die een van Gregorius’ oudste biografen is, verzekert ook, dat hij een zendings-expeditie ondernomen heeft om de Angel-saksers te bekeeren; maar na een reis van drie dagen gaf hij zijn voornemen op en keerde naar Rome terug. Dit gebeurde op aandrang van zijn vrienden of naar aanleiding van het volgende voorval, indien het waar is; en waarom zou het niet waar zijn? Men heeft reden om het te gelooven; want ondanks zijn vastberaden en flink karakter was Gregorius kinderlijk bijgeloovig3. Gedurende de middagrust sprong een sprinkhaan op den vermoeiden zendeling, die het vriendelijk diertje met zijn Latijnschen naam, locusta, aansprak en daarna zoo getroffen was door de overeenstemming met de woorden “loco sta!” (“blijf op uw plaats staan”), dat hij het voorteeken aannam. Na zijn terugkeer werd hij door Paus Pelagius gekozen als zijn nuntius of secretaris (apocrisarius) te Constantinopel, en bij den dood van den Paus in 590 werd hij, daar hij juist in dien tijd te Rome was, aangewezen om hem op te volgen. De verkiezing van een Paus moest in die tijden nog bekrachtigd worden door den Oost-Romeinschen Keizer en men zegt, dat Gregorius hem dringend geschreven heeft zijn toestemming te weigeren; maar de brief werd onderschept en een vlucht mislukte, zoodat Gregorius ten slotte toegaf en dadelijk, nog voordat de keizerlijke bekrachtiging was aangekomen, zijn krachtig karakter toonde door plechtige processies te houden om den toorn van den Hemel af te wenden en een einde te maken aan de pest.
Er was bevolen, dat alle prelaten, priesters, monniken, nonnen, en een groote menigte burgers, met zwarte sluiers en kappen en verdeeld naar de vier wijken van de stad, hun hoofdkerken zouden bezoeken, die alle zwart gedrapeerd waren en dan zouden opgaan naar de basiliek van de Moeder Gods (S. Maria Maggiore). De straten waren vol van eindelooze processies van smeekelingen, die brandende kaarsen en fakkels droegen, treurzangen en Kyrie Eleisons zongen, terwijl nu en dan een zwarte gedaante, getroffen door de doodelijke pest, ter aarde stortte.
29. De Schenking van Constantijn aan Silvester.
Toen nu de grootste processie de St. Pieter naderde en Gregorius zelf juist het midden van de brug bereikt had, verscheen er in de lucht, zwevend boven het mausoleum van Hadrianus, de gedaante van een engel met een vlammend zwaard; en men zag, dat hij het zwaard in de scheede stak, om te beduiden, dat de pest tot stilstand was gebracht. Men hoorde hemelsche stemmen het Regina coeli zingen en Paus Gregorius antwoordde door het Ora pro nobis aan te heffen. Hierom kreeg de Moles Hadriani den naam Engelenburg (Castel Sant’ Angelo). Het is onzeker, wanneer er het eerst een standbeeld van den engel is opgericht. Men zegt, dat Paus Bonifacius IV, de opvolger van Gregorius, een kapel heeft gebouwd boven op de Moles en die genoemd heeft “S. Angelus inter Nubes.” Een marmeren beeld, dat ongeveer 1550 door Montelupo is gemaakt, werd waarschijnlijk in 1740 vervangen door de tegenwoordige bronzen figuur, het werk van een Vlaamschen kunstenaar.
Gedurende het eerste gedeelte van zijn pontificaat was Paus Gregorius een zeer hevige en openlijke vijand van de Longobarden. In zijn brieven worden de Italiaansche steden steeds aangespoord den barbaren en ketters weerstand te bieden en dringt hij er zelfs op aan, dat de geestelijken de wapenen zullen opnemen. Niet minder ijverig was hij in het verdedigen van de Italianen tegen de Byzantijnsche verdrukking, zooals wij kunnen zien in zijn brieven aan Keizerin Constantina, waarin hij den ellendigen toestand van het volk op Sicilië en Sardinië (waar de heidensche beeldendienst blijkbaar nog steeds bestond) en de schaamtelooze afpersingen en onrechtvaardige handelingen van de Byzantijnsche ambtenaren beschrijft. Doch de voornaamste reden tot zorg gaven hem de Longobarden. Men zal zich herinneren, hoe Agilulf, die door Theodelinda in hetzelfde jaar, waarin Gregorius Paus werd, tot haar koninklijken gemaal was gekozen, in 593 naar het Zuiden marcheerde en het Romeinsche gebied verwoestte, hoe Gregorius zijn publieke voordrachten over Ezechiël afbrak en al zijn energie gebruikte om de stadsmuren weer op te bouwen en strijdkrachten te organiseeren, zoodat hij ten slotte niet meer wist “of hij een geestelijke was of een wereldlijk vorst.” Aldus wordt hij door zijn vurig patriotisme en zijn krachtige werkzaamheid erkend als het civiele hoofd van Rome; hij leidt de onderhandelingen en verbreekt of sluit verdragen met Longobardische koningen en hertogen en Byzantijnsche Exarchen.
Zijn vaderlandsliefde werd geëvenaard door zijn godsdienstijver. Niet slechts had hij als Christen zulk een afschuw van het heidendom, dat men hem verdacht van de vernietiging van vele oude monumenten en veel literatuur, maar als katholiek had hij misschien nog meer afkeer van alle vormen van ketterij. De bekeering van de heidensche Angel-saksen was een van zijn vroegste idealen en in 596, toen hij nog slechts zes jaren paus was, zond hij zendelingen onder leiding van St. Augustinus den jongere naar koningin Bertha, de Frankische katholieke gemalin van Ethelbert, koning van Kent4. In een brief aan den Bisschop van Alexandrië beschrijft Gregorius deze onderneming aldus: “Daar het volk van de Angelen, dat in den meest afgelegen hoek van de wereld leeft, nog steeds hardnekkig volhardt in de vereering van blokken en steenen, kwam de gedachte bij mij op hun een monnik te sturen om onder hen, als God het zoo wilde, te preeken; en toen met mijn goedkeuring de bisschoppen van Germanië dezen gewijd hadden, hielpen zij hem om dat volk daar aan het einde van de wereld te bereiken.” Dan vertelt hij van mirakelen, die de wonderen van de Apostelen evenaren, en van de bekeering van de 10.000 Angelen. Ofschoon men het uitroeien van de oude Engelsche Kerk moet betreuren, kan men toch niet ontkennen, dat de zending van Gregorius de beschaving van de Romeinsche wereld weder in Brittannië heeft gebracht, hetgeen volgens onze meening een weldaad was.
Een ander zendingswerk, dat door zijn gunstigen afloop Gregorius groote vreugde bracht, was de bekeering van de Longobarden, d.w.z. hun bekeering van Arianisme tot orthodox Katholicisme. Evenals Bertha en Ethelbert, was ook de Longobardische koningin een goed katholiek, daar zij een Beiersche prinses was, en door toedoen van Theodelinda was Gregorius aan het eind van zijn leven op goeden voet met den Longobardischen koning en in staat een invloed uit te oefenen, die ten slotte bewerkte, dat het geheele Longobardische volk gereinigd werd van de Ariaansche besmetting. Agilulf bleef waarschijnlijk een ketter tot zijn dood, ofschoon Paulus Diaconus het ontkent. Misschien was de koning geen zeloot en wilde hij liever jegens beide partijen verdraagzaam zijn. In ieder geval, toen zijn opvolger, de kleine Adelwald, werd geboren (602) stond hij toe, dat deze als Katholiek gedoopt zou worden. De brieven, die Paus Gregorius bij deze gelegenheid aan Koningin Theodelinda schreef zijn op zichzelf zeer belangrijk en verdienen bovendien hierom onze belangstelling, omdat ten minste éen van de geschenken, die hij aan zijn klein petekind zond, herkend kan worden op het oude relief, dat men nog kan zien boven den ingang van de kathedraal van S. Giovanni te Monza, die oorspronkelijk gebouwd is door Theodelinda5.
“De brief, dien gij mij uit de omgeving van Genua stuurt” schrijft Gregorius, “maakt mij deelgenoot in uw vreugde door mij ervan te verwittigen, dat U door de genade van den Almachtigen God een zoontje is geboren en ook, dat hij, hetgeen u tot eer strekt, bij de Katholieke kerk is ingeschreven ... Ik bid, dat God u moge bewaren en mijn kleine Adelwald moge opgroeien in Zijn liefde.” Nadat hij daarna heeft verteld, hoe pijnlijk hij door de jicht geplaagd wordt, voegt hij erbij, dat hij aan den kleinen Adelwald zendt “eenige relieken, nl. een kruis met een stukje hout van het Heilige Kruis van den Heiland, en een afschrift van het Heilige Evangelie in een Perzisch étui. En aan mijn kleine dochter, zijn zuster, stuur ik drie ringen, twee van hyacint en een van onyx ....”
Ongeveer een jaar later (14 Maart, 604) maakte de jicht, waaraan hij vier jaren lang steeds meer geleden had, een einde aan zijn leven. Die plaag was misschien de male di fianco, dien hij gekozen had, in plaats van twee dagen in het Purgatorium, als een straf voor de gebeden, waarmede hij Trajanus had doen herrijzen om hem te doopen, zoodat de heidensche Keizer, in strijd met de wetten van het noodlot, in den hemel was toegelaten.6
Relief boven het portaal van de Kathedraal te Monza.
Hodgkin zegt in zijn Italy and her Invaders, dat Gregorius grooter is als Romein dan als Heilige. Zeker is er veel in zijn karakter, zooals het uit zijn leven en geschriften blijkt, dat onze bewondering en sympathie heeft, maar er zijn trekken, die geen van beide opwekken. Een van deze is zijn neiging tot plomp bijgeloof, en een ander zijn blinde onverdraagzaamheid jegens klassieke literatuur en kunst. “Men neemt algemeen aan”, zegt Gibbon, “dat Gregorius de tempels bestormde en de beelden van de stad verminkte, dat op bevel van dien barbaar de Palatijnsche bibliotheek in asch is gelegd en dat in het bijzonder het werk van Livius het doel van zijn fanatieke aanvallen was. De geschriften van Gregorius zelf toonen zijn onverzoenlijken afkeer van de monumenten van het klassieke genie en hij kritiseert hevig de profane kennis van een bisschop, die de Latijnsche dichters bestudeerde en in één adem de lofzangen op Jupiter en die op Christus uitsprak.” Er is, zooals Gibbon toegeeft, geen stellig bewijs, dat hij werkelijk de vandalismen bedreven heeft, waarvan hij beschuldigd wordt, maar hij was blijkbaar trotsch op zijn onbekendheid met het Grieksch en ofschoon hij niet het barbaarsche Latijn schreef, dat een beetje later door Leo III, Stephanus III en anderen uit dien tijd gebruikt werd,7 had hij toch een fanatieken afkeer van het heidensche classicisme, zooals blijkt uit zijn toornig schrijven aan den Gallischen bisschop, waarop Gibbon doelt (in uno ore cunt Jovis laudibus Christi laudes non se capere) en uit zijn verzekering, dat “het zeer ongepast is, dat de woorden van het hemelsch orakel zouden onderworpen zijn aan de wetten van den grammaticus Donatus”.
Een vreemd en lastig te verklaren feit moet nog vermeld worden, ofschoon men het gaarne zou willen verzwijgen. In 602 werd Keizer Mauricius te Constantinopel onttroond door een overweldiger, Phocas8, die met monsterachtige onmenschelijkheid zijn slachtoffer vermoordde, nadat hij zijn kinderen voor zijn oogen geslacht had. Gregorius, die een tijdlang, toen hij nuntius van Paus Pelagius was, aan het hof te Constantinopel geleefd had, was zeer bevriend geweest met den Keizer en zijn familie; maar toen Phocas zich beschermend tot Gregorius richtte, schreef de Paus, in plaats van hem verontwaardigd van zich te stooten, een slaafschen en vleienden brief (die nog bestaat), waarin hij zijn vermoorden vriend verzaakte en zich verheugde in de verwachtingen, die hij koesterde van dat monster ten opzichte van de kerk.
Zijn werken zijn talrijk: Epistolae, Dialogi, Homiliae, Libri Morales, Cura pastoralis enz. en ook praktische handboeken, die aanwijzingen geven voor den dienst in de Kerk. De Roomsche Kerk volgt nog steeds bij de mis voornamelijk het voorschrift van Gregorius, dat verschilt van den regel van St. Ambrosius, die te Milaan in gebruik is. Gregorius voegde ook vier toonschalen bij de vier authentieke schalen van St. Ambrosius. De muziek, die gebaseerd is op deze acht toonladders is bekend als het Gregoriaansche koraalgezang. Een van de prachtigste motieven van Wagner’s Parsifal, het Graal-motief is rechtstreeks genomen van een Gregoriaanschen toonschaal.
Als theoloog schijnt hij niet altijd onfeilbaar geweest te zijn, indien wij mogen gelooven, wat Beatrice aan Dante vertelde, toen zij in het Paradijs hem de cirkels en de hierarchiën der engelen verklaarde. Gregorius, zeide zij, durfde op dit punt af te wijken van Dionysius den Areopagiet, maar “zoodra hij zijn oogen in den hemel opende, lachte hij over zichzelf”—
...... sì toste come gli occhi aperse
In questo cielo, di sè medesmo rise.
1 Hij verklaart, dat hij geen Grieksch kende: quamvis Graecae linguae nescius. Ep. VII.
2 Een kleine kamer van het oorspronkelijke paleis is nog over, en in een kapel de marmeren tafel, waaraan hij dagelijks twaalf arme menschen spijzigde, en eens, zonder het te bemerken, een engel als dertiende.
3 Gregorius zelf vertelt ons, hoe de duivel (of de Booze Geest van het Arianisme) in een kerk verscheen in de gedaante van een zwart varken en groote ontsteltenis verwekte. Hij schreef veel over relieken en mirakels en was een groote autoriteit op het gebied van het Hellevuur. Sommigen zeggen, dat hij het Purgatorium heeft uitgevonden. Hij geeft in allen ernst het verhaal, dat Theoderik door booze geesten in de Etna wordt geworpen. Uit Palestina bracht hij den arm van den H. Lukas, en dien van den H. Andreas naar Rome en hij geloofde even stellig in de regen-brengende kracht van het “kleed van den H. Johannes”, dat in tijden van droogte buiten de deur van het Lateraan werd geschud, als een Kaffer in den hocus-pocus van een regendokter. Dante-lezers zullen zich de vreemde legende herinneren van Keizer Trajanus, die na 500 jaren door Gregorius’ gebeden in het leven wordt teruggeroepen om gedoopt te worden.
4 Evenals Agilulf weigerde Ethelbert de goden van zijn vaderen te verzaken.
5 Zie de teekening; beneden zien wij den Doop en verschillende Heiligen; boven biedt de koningin den Heiligen Johannes een Kroon aan. Links knielt zij en achter haar zijn drie kronen—een daarvan is misschien de beroemde ijzeren Kroon (zie fig. 19) en een ander de kroon van de Koningin, die nog in haar schatkamer te Monza is, waar ook de Hen en de Kuikens (zie fig. 20), bekers, enz. zijn, hetgeen men, tegelijk met een voorstelling van het kruis van Gregorius, kan zien aan den rechterkant op het relief. De figuren op de basis lijken Romeinsch, waarschijnlijk van een oud monument.
6 Dante, Purg. X en Par. XX. De legende wordt verteld door Paulus Diaconus en door Brunetto Latini (Dante’s leermeester en vriend, dien hij in de Hel plaatste!).
7 Op Leo’s Triclinium (p. 216) lezen wij bone boluntatis en bictoria donas, hetgeen bijna ongeloofelijk schijnt op een werk, dat zich in een eetzaal van ontwikkelde prelaten bevindt. Opschriften en munten van 800 en later vertoonen dikwijls een dergelijke spelling en laten zien hoe snel het Latijn verbasterde.
8 Voor Phocas en zijn zuil zie fig. 21 en de verklaring.