Hoofdstuk III.

Venetië en andere steden.

Wij hebben gezien hoe in het begin van de 8e eeuw de steden onder de Byzantijnsche suprematie zeer ontevreden werden. Te Rome had de Exarch zich onder het bed van den Paus moeten verbergen om aan een woedende menigte te ontsnappen en de wreedheden te Ravenna door den Oost-Romeinschen Keizer Justinianus II bedreven hadden hevige verontwaardiging en een algemeenen opstand onder de steden van het noordelijk Exarchaat en de Pentapolis verwekt. Deze opstand had de Byzantijnsche macht in Italië zeer geschokt, en wij kunnen nu, omstreeks 730, nadat de twisten over den beeldendienst de kloof tusschen het Oosten en Westen hadden verbreed, Rome en het Exarchaat als feitelijk autonoom beschouwen. Doch de autonomie van het Exarchaat duurde kort. Het viel weldra in de macht van de Longobarden, die Ravenna innamen. In 734 echter heroverden de Venetianen, op verzoek van den Paus, de stad en gaven die weder aan het Keizerrijk, een bewijs, dat Venetië reeds machtig en onafhankelijk was. Een paar jaren later (752) veroverden de Longobarden onder Astulf die geheele streek van Italië en maakten aldus voor altijd een einde aan het Exarchaat, behalve als geografischen naam, waardoor die streek wordt aangeduid in de Donaties van Pepijn en Karel den Groote.

Eenige eeuwen moesten toch nog voorbijgaan, voordat de vreemde overheersching zou plaats maken voor de opkomst van de Republieken, die zulk een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van Italië; maar reeds in de 7e eeuw, te midden van de algemeene verbrokkeling, veroorzaakt door de gedeeltelijke verovering van het land door de Longobarden, door de verbittering tusschen Rome en Constantinopel, en door het verdwijnen van de Byzantijnsche macht in Italië, hadden verscheidene groote steden een zekere mate van zelfbestuur verworven. Dit was vooral het geval met Rome en Venetië.

Te Rome schijnt, niettegenstaande de snel toenemende macht van de Pausen, een republikeinsche geest in dezen tijd de overhand te hebben gehad, ofschoon de regeeringsvorm eenigszins oligarchisch1 was. De geschiedenis van Rome in deze periode is reeds uitvoerig door ons verhaald. Zij bestaat voornamelijk uit oproeren en twisten, politieke en kerkelijke, die geen herhaling behoeven, daar zij niet meer van belang zijn, terwijl hetgeen bij voortduring belangrijk is, zooals de persoonlijkheid van Gregorius den Groote en de twee Leo’s, reeds veel van onze aandacht gevergd heeft, evenals de verschillende vraagstukken over Romeinsche architectuur. Derhalve zullen wij nu tot Venetië overgaan, dat het oudste en meest treffende voorbeeld geeft van een onafhankelijke Italiaansche stad.

Eeuwen lang voor den tijd van Attila werden de eilanden bij Venetië bezocht door visschersvolk en tijdelijk ook bewoond; op sommige van die eilanden hadden rijke Romeinen hun villa’s gebouwd; want oudtijds hadden de Veneti of Heneti, in het nauw gebracht door de Kelten, zich onder bescherming gesteld van Rome en toen het noorden van Italië (Gallia Cisalpina of Togata) een Romeinsche provincie was geworden, werd het Venetiaansche gebied, met zijn steden Patavium (Padua), Aquileia, en Altinum een deel van het Keizerrijk. In vroegere tijden, voordat Venetië bestond, werden de eilanden, die nu Torcello en S. Giorgio Maggiore heeten, dikwijls door de Romeinsche patriciërs gekozen als geschikte plaatsen voor hun zomerverblijven en het strand (litus) van Gradus (thans de lido van Grado) was reeds, naar het schijnt, aan het vasteland verbonden door een dam en bezat reeds zijn weiden en wijngaarden. Toen Attila op Venetië losstormde en Aquileia plunderde, vonden dus de vluchtelingen, die naar Grado, op de eilanden en lidi van de lagunen samenstroomden, nog iets meer dan verlaten modder. Deze vluchtelingen schijnen twaalf nederzettingen te hebben gesticht. Grado werd als toevluchtsoord gekozen door de bewoners van Aquileia, Heraclea (dat eerst de voornaamste stad was van Venetia maritima, maar later is verwoest) werd bezet door het volk van Belluno, Torcello en Burano door de menschen van Altinum, Malamocco en Rivoalto (de Rialto) door de Paduanen. In 466 kwamen de vertegenwoordigers van de twaalf nederzettingen te Grado bijeen en kozen twaalf Tribunen2.

In hoeverre Venetië onder de Gotische heerschappij kwam, is onbekend. Wij vernemen, dat de Goten het tijdens Baduela’s (Totila’s) regeering bezetten, maar het is onzeker, of Theoderik het ooit bij zijn gebied heeft ingelijfd, ofschoon wij lezen, dat Cassiodorus, de minister van den Gotischen koning en zijn opvolgers, aan de Tribuni maritimorum in het jaar 537 (of misschien een Interdictio vroeger, dus in 523) een dringend schrijven richt, dat zij niet moeten vergeten over zee of liever over de “rivieren” van de lagunen zekere bijdragen bestaande in olie en wijn van Istria naar Ravenna te brengen. Of dit nu als handel werd bedoeld dan wel als een verplichting aan den bondsheer Theoderik of Vitiges, is niet geheel duidelijk, doch ondanks den ietwat bevelenden toon van den brief geeft deze het bewijs—misschien wel het vroegste bewijs—dat de Tribunen van het maritieme Venetië officieel erkend waren en dat de Bond reeds in deze vroege tijden een zekere mate van zelfbestuur bezat. Het is daarom wel de moeite waard eenige passages uit den brief3 te laten volgen:

“Wij hebben orders gegeven, dat Istria wijn en olie, waarvan de oogst dit jaar overvloedig was, naar de koninklijke residentie te Ravenna zal sturen. Betoont gijlieden nu, die aan de stranden van de Provincia ontelbare schepen bezit, dezelfde toewijding in het doorzenden van voorraden, die zij betoonen in het verschaffen..... Gij hebt het voordeel, dat er voor u nog een tweede weg openstaat, die steeds veilig en rustig is; want, wanneer de woedende winden de zee onbevaarbaar maken, is er voor u nog een prachtige weg door de geulen. Uw vrachtschuiten, met touwen getrokken, behoeven de rukwinden niet te vreezen; en, hoe dikwijls zij ook in aanraking komen met de grond, zij worden er niet door beschadigd. Wanneer men het op een afstand ziet en geen kanaal of rivier ontwaart, zou men denken dat gij over de weilanden vaart...... Het is een genoegen aan uw woonplaatsen te denken, zooals ik die eens heb gezien. Venetië, het hooggeroemde4, waar vroeger de nobiles zoo gaarne vertoefden, grenst in het Zuiden aan Ravenna en de Po, terwijl het in het Oosten geniet van het heerlijke Ionische (Adriatische) strand en zijn afwisselend getij. Hier hebt gij, als de watervogels, uw huizen gebouwd. Te midden van de wijde watervlakten hebt gij de woonplaatsen, die de natuur u heeft verschaft, door uw eigen arbeid stevig gemaakt; door gevlochten en samengeknoopte wilgeteenen hebt gij den grond in een vaste massa veranderd, die de zware branding van de ondiepe zee niet kan wegrukken”. Daarna beschrijft hij hun rijkdom van visch en zout, en spoort hen nog eens aan hun schepen in orde te brengen en gereed te houden, “die daar aan uw muren gemeerd liggen”.

Gedurende en na de herovering van Italië door de Byzantijnen was de verhouding tusschen Venetia maritima en het Oost-Romeinsche Keizerrijk vriendschappelijk, doch men bemerkt niets van onderhoorigheid. Toen in 538 Narses uit het oosten werd gezonden om met Belisarius samen te werken, hielpen de Venetianen hem om zijn troepen over te voeren met hun schepen en er wordt verteld (maar het wordt ook tegengesproken), dat hij hen van zijn kant Byzantijnsche bouwmeesters stuurde, die op den Rivoalto de basiliek van S. Teodoro oprichtten, de oudste kerk van Venetië, die later afgebroken werd om plaats te maken voor de S. Marco, toen het gebeente van den heilige in 828 uit Alexandria werd gebracht.

Met de hulp van de Byzantijnen was de Venetiaansche confederatie een tijdlang in staat zich te verdedigen tegen de Longobarden en zij bezat in deze periode een tamelijk groote onafhankelijkheid door haar zeemacht5; de bevolking nam ook zeer toe door de vluchtelingen van de steden6 op het vasteland en een groot staatkundig voordeel verkregen de eilanders in 580 door de vlucht van den Patriarch van Aquileia naar Grado; want aldus kreeg de confederatie een kerkelijk Hoofd, erkend door den Paus. In 584 werd er een soort van Parlement ingesteld, bestaande uit Tribuni majores. Doch onder deze gemeenten braken twisten uit, en zij werden voortdurend bedreigd door de Longobardische hertogen van Friule. Zij besloten dus zich tot éen staat te vereenigen. In 697 riep de Patriarch, blijkbaar zonder daartoe gemachtigd te zijn door den Keizer of den Exarch, een Parlement te Heraclea bijeen, de eerste Doge werd gekozen en met het hoogste gezag bekleed; deze Dogen, wier zetel eerst te Heraclea was gevestigd, regeerden bijna onafgebroken elf eeuwen over de Venetianen. Zij werden voor hun leven gekozen en bezaten een bijna koninklijk gezag. Alle openbare ambten hingen van hen af. In hun handen was de investituur van bisschoppen en patriarchen; de kerkelijke Synode en het Parlement (Arengo) konden zij naar hun goedvinden bijeenroepen en ontbinden; de Arengo bleef tot 1423 het eenige belangrijke democratische element in de Venetiaansche staatsinrichting.

33. Cappella Palatina, Palermo.

33. Cappella Palatina, Palermo.

De eerste Doge van het maritieme Venetië was Paoluccio Anafesto. Hij werd gedood bij een burgertwist en opgevolgd door Marcello, zijn Magister equitum. Tijdens de regeering van den derden Doge, Orso, maakten de Longobarden, zooals wij reeds gezien hebben, zich meester van het Exarchaat en namen Ravenna in. De Byzantijnsche Exarch vluchtte naar de Venetiaansche eilanden en haalde, gesteund door de brieven van Paus Gregorius III, den Doge en den Arengo over om Ravenna voor het keizerrijk te heroveren. Deze stoutmoedige onderneming werd met goed gevolg uitgevoerd (734), hetgeen bewijst, dat de Venetianen niet alleen een vloot bezaten, die krachtig genoeg was om de haven, Classe, te nemen, maar ook een leger, dat in staat was de sterke stad zelf te veroveren7.

Doch binnenlandsche twisten bedreigden wederom de jonge staat. De pro-Byzantijnsche partij vermoordde den Doge, Orso, die aan het hoofd stond van de nationalisten en vijf jaren lang (737–41) werd de titel van Doge opgeschort en het bestuur uitgeoefend door jaarlijksche Magistri militum onder het hooge toezicht van den Exarch van Ravenna. Daarna bracht een tweede revolutie den zoon van Orso, Diodato, op den troon, terwijl de ongelukkige Magister blind werd gemaakt, abbacinato, op de wreedaardige, Byzantijnsche manier (zie p. 15). De nieuwe Doge werd niet, zooals gewoonlijk, te Heraclea gekozen, maar te Malamocco8, dat nu (742) residentie werd.

Onder Astulf (c. 752) veroverden de Longobarden, zooals wij zagen, het geheele Venetiaansche vasteland en maakten een eind aan het Byzantijnsche Exarchaat; maar blijkbaar onderwierpen zij de maritieme Venetianen niet met geweld, want wij vernemen, dat zij een vriendschappelijk en onafhankelijk verbond met hen hadden. Doch toen Pepijn en de Franken kwamen, en vooral toen Karel Pavia veroverde, Koning Desiderius gevangen nam en een einde maakte aan de Longobardische heerschappij, moesten de Venetianen een andere politiek volgen. In die crisis werden zij bestuurd door den wijzen en krachtigen Doge Galbaio en het schijnt (indien wij een oude inscriptie op een looden plaat in het Britsch Museum mogen vertrouwen) dat vier en twintig Venetiaansche galeien de Po en de Ticino opvoeren om Karel bij de belegering van Pavia te helpen en dat de gevangen Longobardische koning een tijdlang door de Venetianen vastgehouden werd.

Doch deze Frankische politiek leidde tot een vernieuwing van de binnenlandsche twisten en ook met de Franken zelf ontstonden er moeielijkheden, daar de Venetianen uit Ravenna en de Pentapolis werden verdreven wegens hun gehechtheid aan den slavenhandel, die Karel door een wet had afgeschaft. De veeten tusschen den Doge en Patriarch, tusschen Heraclea, Jesolo en de andere steden van de Venetiaansche Confederatie eindigden weldra met den moord op den Patriarch, de volkomen verwoesting van Heraclea en Jesolo, de verbanning van den Doge Galbaio en zijn zoon, dien hij reeds als opvolger had aangewezen, en de verkiezing van een Frankischen partijganger, Obelerio. Maar de andere partij, die de Byzantijnsche heerschappij begunstigde en waarbij zich de verdreven bewoners van Heraclea aansloten, kreeg op haar beurt de overhand en bracht een verbond met den Oost-Romeinschen Keizer tot stand. Dit deed den Frankischen monarch besluiten een einde te maken aan de voortdurende moeilijkheden, die de woelige en oproerige eilandbewoners hem veroorzaakten. Hij stuurde zijn zoon Pepijn, den koning van Italië, met een sterk leger en een groote vloot om hun versterkte plaatsen te veroveren. Toen werd Obelerio, die aanried zich te onderwerpen, door de woedende Venetianen afgezet en een bewoner van Heraclea, Agnello Partecipazio werd gekozen, niet als Doge, maar als militaire kommandant. De Franken namen weldra Grado, Brondolo, en Chioggia. Daarna vielen zij de lidi van Pellestrina en Malamocco aan en namen na hevige gevechten Malamocco zelf in; doch onderwijl hadden de eilanders zich teruggetrokken en versterkt op den Rivoalto, en nadat Pepijn zes maanden lang tevergeefs beproefd had hen vandaar te verjagen, gaf hij, ontmoedigd door hun tegenstand, door het labyrint van ondiepe lagunen, en door de gevaarlijke moerasdampen, die door de hitte in den herfst opkwamen, de onderneming op en trok af. Kort daarna stierf hij te Milaan, waar men zijn tombe in de S. Ambrogio kan zien, en Karel achtte het verstandig het maritieme Venetië als een vrijstaat onder het protectoraat van het Oostelijke Keizerrijk te erkennen.

In 811 werd Agnello Partecipazio, dien sommige schrijvers Particiaco noemen, tot Doge gekozen en in 813, of misschien vroeger, bracht hij den zetel der regeering over naar den Rivoalto of Rialto; de stad op de oevers van dezen “Diepen Stroom” heette voortaan Venetia of Venezia en werd erkend als het centrum van de Venetiaansche staat. Hier kreeg Partecipazio, de elfde Doge van den Venetiaanschen confederatie en de eerste Doge, die te Venetië regeerde, een paleis, dat op de plaats stond, waar zich thans het hertogelijke Paleis bevindt.

Over de andere steden, Florence, Pisa, Pavia, Milaan, Monza, Genua enz. vinden wij slechts weinige opmerkingen bij de oudste kroniekschrijvers. Hier en daar is reeds vroeger melding van deze steden gemaakt. Napels evenwel verdient eenige aandacht. Het beroemt er zich op veel ouder te zijn dan Venetië, zelfs ouder dan Rome, want men zegt dat het omstreeks 900 v. Chr. onder den naam Parthenope, door de Grieken van Cymae (Cumae) gesticht is. De oudste geschiedenis van Napels is onbelangrijk, want de eerste gelegenheid, waarbij de stad een rol speelde in de geschiedenis van Italië was in 535 n. Chr. toen de Goten haar hardnekkig tegen Belisarus verdedigden, totdat hij haar eindelijk innam door een list, bijna even vernuftig als die van het houten paard; hij liet n.l. 600 man door de galerijen van de aquaeducten (“voorloopers” van de groote Serino-aquaeducten) kruipen, waardoor zij de stad binnendrongen en de poorten openden. Acht jaren later werd Napels door de Goten onder Baduela hernomen. Na den slag op de helling van den Vesuvius en den dood van Theia (553) viel het natuurlijk in de handen van de Byzantijnen; en men zal zich herinneren, dat Narses zijn residentie daar in 567 vestigde, toen hij zijn ontslag als veldheer had gekregen.

Door de Longobarden werd Napels niet veroverd. Het werd eng ingesloten door den Hertog van Benevento in 581, toen de Longobarden Campanië verwoestten en het klooster van Monte Cassino plunderden; maar het bood met goed gevolg weerstand, voornamelijk door de hulp van de Byzantijnsche vloot en gedurende de 7e en de eerste helft van de 8e eeuw bleef het trouw, ofschoon de Keizers, die werden bezig gehouden door de Saracenen op Sicilië, er zich weinig mee bemoeiden; het werd toen bestuurd door Byzantijnsche Rechters en Kommandanten en later door Byzantijnsche Hertogen en nam geen deel aan den opstand van Ravenna en de Pentapolis tegen de Byzantijnsche heerschappij. Ten slotte verklaarde omstreeks 760 de Hertog van Napels, Stephanus II de stad onafhankelijk. De officieele taal was van Grieksch Latijn geworden; de munten, behalve in sommige gevallen, waarin het oude type werd bewaard, droegen den beeldenaar van St. Januarius in plaats van dien van den Keizer; de zoon van Hertog Stephanus werd als mederegent aangenomen, een daad, waardoor een soort van dynastieke regeering werd ingeleid; en eindelijk nam de Hertog zelf, die weduwnaar was geworden, het prachtige besluit in zijn eigen persoon de hoogste burgerlijke en geestelijke macht te vereenigen; nadat hij de tonsuur had aangenomen werd hij te Rome tot Bisschop van Napels gewijd. Onder de volgende Hertogen verdedigde de stad zich dapper tegen de Saracenen en hield het een tijdlang tegen de Noormannen uit; maar in 1134, na een langen en heldhaftigen tegenstand, werd zij door Roger, den koning van Sicilië, ingenomen en werd aldus aan haar zelfbestuur een einde gemaakt.


1 In dezen tijd had Rome zijn hertog, die het bevel had over het leger en de burgerlijke macht deelde met de optimates. Het pauselijk gezag werd tegelijk met de oligarchische en republikeinsche macht grooter en overtrof het bijna.

2 De zgn. stoel van Attila (fig. 27) is misschien de sella curulis van den tribunen van Torcello geweest.

3 Cassiodorus XII. epist. 24.

4 Dit heeft betrekking op Heneti, dat eenigszins lijkt op αἰνετός (geprezen).

5 Toen Longimus, de opvolger van Narses, de eilanden bezocht om van hen als onderdanen van den Keizer hulp te vragen, weigerden zij dien eisch te erkennen, maar zonden gezanten met Longinus naar Constantinopel en aanvaardden in ruil voor belangrijke handelsprivileges als een ijdelen vorm de souvereiniteit van den Keizer.

6 Een van deze, Altinum, werd door de inwoners verlaten wegens een voorteeken, dat hen deed denken aan Attila en Aquileia:—duiven en andere vogels verlieten de stad en droegen hun jongen mede.

7 Hiervoor ontving Orso van den Keizer den titel “Hypatos” (Zijne Hoogheid).

8 Het oude Malamocco, thans door de golven verzwolgen, lag ergens aan het tegenwoordige kanaal door den Lido, dat nog Il porto di Malamocco heet.