Veel is reeds gezegd over hetgeen men bij gebrek aan een juistere benaming gewoonlijk godsdienst of religie noemt; vele toestanden en invloeden van den godsdienst zijn, zooals wij zagen, in het ingewikkelde web van de middeleeuwsche Italiaansche geschiedenis geweven. Wij zullen niet trachten die draden verder te ontwarren, dan in het verhaal is gedaan, maar hier toch wijzen op de merkwaardige ontwikkeling van het godsdienstig leven in den loop van de dertiende eeuw.
In den tijd van de groote ketterij, toen de menschen hun medemenschen veroordeelden en vermoordden wegens de een of andere ijdele formule, die het onbegrijpelijke moest bepalen, waren er natuurlijk vele sekten van de Christelijke Kerk, die met verontwaardiging de meening verwierpen, dat Rome de eenige bewaarplaats van de orthodoxie was; en aan den anderen kant vinden wij onder hen, die zich den naam “Katholiek” aanmatigden, vele, zelfs Keizers en Patriarchen, die de geestelijke Suprematie van den Paus krachtig verdedigden.
Na de overwinning van het Roomsche Katholicisme in het Westen moesten de ketters, d. w. z. zij, die een andere dogmatische opvatting huldigden dan Rome, zich eenige eeuwen lang verborgen houden; maar weldra hooren wij toch van een steeds toenemende verontwaardiging en vijandigheid, die veroorzaakt wordt door den groei van de wereldlijke macht en de onverzadelijke eerzucht van de Pausen. Deze vijandige stemming was niet het gevolg van ketterij of verschil in godsdienstige opvattingen, maar van staatkundige beweegredenen; dikwijls ging een groote eerbied voor den Paus gepaard met een hevigen haat jegens hem als politieken tegenstander. Zoo klaagt, zelfs in de veertiende eeuw, Dante bitter over de mishandeling en den dood van zijn grooten vijand, Bonifacius VIII; bij wijze van profetie zegt hij, daar de handeling van zijn gedicht drie jaren voor het gebeurde te Anagni plaats grijpt: “Ik zie, in zijn stedehouder, Christus worden gevangen genomen; ik zie hem andermaal bespot worden; ik zie, dat edik en gal vernieuwd worden en dat hij tusschen nieuwe boosdoeners wordt gedood1”. En nog vreemder dan deze vereeniging van eerbied en haat was in vele gevallen de algeheele afwezigheid van de zedelijke waardeering, een volslagen onvermogen om, zelfs bij een verafschuwden staatkundigen vijand, in te zien, dat de begeerte naar wereldlijke macht, om niet te spreken van afzichtelijke ondeugden en misdaden, onvereenigbaar was met het bezit van en de macht over apostolische gaven en met de aanspraken van den Paus om op aarde de Vicarius te zijn van den heiligen en vriendelijken Stichter van het Christendom.
Maar ofschoon dit zonderlinge, bijgeloovige gevoel ten opzichte van het Pausdom gedurende langen tijd onuitroeibaar scheen te zijn, had er toch een groote, zij het ook langzame, verandering in den stand van zaken plaats door de opkomst van de republieken en de verlichting, die dergelijke middelpunten van wetenschap verspreidden als de Universiteiten van Bologna, Salerno en Parijs2. De Donkere Eeuwen van bijgeloof, waarin men, zonder acht te slaan op het vraagstuk der zedelijkheid, zooals sommigen nu nog doen, eerbied betoonde aan het traditioneele religieuze gezag, begonnen langzamerhand plaats te maken voor het licht van de rede en een juister begrip van de leer van Christus; het Christendom begon zich in zedelijken zin te ontwikkelen; en toen de Roomsche Kerk haar handen begon te bezoedelen met het bloed van hen, die zich aan haar doctrinaire leiding wilden onttrekken, bleef de vijandschap tegen het Pausdom niet langer op politieke gronden rusten, maar werd nu ook gesteund door de moreele verontwaardiging. “Het edelste gevoel van de menschheid”, zegt Gregorovius, “kwam in opstand tegen de afschuwelijke schanddaden, die in naam van den Christelijken godsdienst werden gepleegd, en diep was de ontroering en het medelijden met hen, die leden door de heldhaftige verdediging van hun gewetensvrijheid.” Ook Green, die een vernietigend verslag geeft van den toestand van de Anglikaansche Kerk en het gebruik, dat Rome daarvan in dit tijdperk maakt, vertelt ons, dat “de oude eerbied voor den Heiligen Stoel langzamerhand verdween voor een algemeen gevoel van wrok”. Maar zulke uitdrukkingen zijn veel te zwak om de algemeene stemming weer te geven, die er in Italië in dit opzicht heerschte na den kruistocht van Paus Innocentius tegen de Albigenzen.
De ontaarding van het geestelijke, wanneer het in aanraking komt met het stoffelijke, wordt ons door alle groote dichters en wijsgeeren in levendige beeldspraak duidelijk gemaakt. De meest treffende illustratie van een dergelijke ontaarding in de geschiedenis der menschheid wordt gegeven door de tegenstelling tusschen het leven en de leer van Christus en het zoogenaamde Christendom van later dagen. Maar in de menschelijke natuur gloeit een onuitbluschbaar deeltje van het goddelijke vuur, of iets, dat als een spiegel de stralen van het hemelsche licht opvangt, en te midden van de grillige maskerade en de afschuwelijke vertooning van een wereld van vleesch en duivel, die ons voorbijtrekt, wanneer wij de kronieken van de middeleeuwsche kerk van Rome lezen, ontdekken wij hier en daar in den eindeloozen en woeligen optocht eenige menschelijke gezichten, waarop het geloof schittert aan Christus’ eigen Evangelie van reinheid en zelfverloochenende liefde. Zonder twijfel werden vele van hen, die den moed bezaten om zoo te handelen als zij voelden, door hun geestdrift en overdrijving op gevaarlijke wegen geleid en dan volgde er dikwijls een grove ontaarding van hun verheven leeringen. Maar dat was onvermijdelijk.
Dat de schaamtelooze losbandigheid en hebzucht van de geestelijken en het pauselijke hof, en ook andere schandelijke ondeugden, reeds in vroege tijden bij een zekere sekte van de Kerk verontwaardiging wekten, blijkt uit vele gegevens. Een van de eerste algemeene protesten tegen deze misbruiken werd geuit door de monniken van de Fransche Abdij van Cluny, die in 910 door Fra Berno gesticht is. Deze poging tot inwendige hervorming was eerst alleen gericht tegen de slechte levenswijze van den clerus, vooral van de ontaarde Benedictijner monniken, en ofschoon het misschien onverstandig was het coelibaat der geestelijkheid als een der voornaamste beginselen aan te nemen, heeft de hervorming van Cluny toch zeer zeker een buitengewoon goeden invloed uitgeoefend, niet alleen in de provincies, maar ook te Rome, waar Odo, de leerling van Berno, begunstigd werd door den republikeinschen leider Alberik en in staat werd gesteld verschillende kloosters te hervormen. Maar de Pausen, die (evenals later het geval was met de Franciskaner Orde) de populairiteit van deze neiging tot hervormen weldra bemerkten, veroverden, om zoo te zeggen, Cluny en gebruikten de hervormers van Cluny als hun zendelingen om de leer van de geestelijke suprematie en de wereldlijke macht van het Pausdom te verbreiden. Zoo was Hildebrand, de latere Paus Gregorius VII (1073–1080), de groote tegenstander van Hendrik IV, een Cluniacenser monnik; en de moreele geestdrift, waarmee de eerste stichters van Cluny waren bezield, ontaardde in sekte-geest en partijhaat, zooals men kan waarnemen bij den beroemden St. Bernard van Clairvaux, die het ascetische kloosterleven weder opwekte, maar die, ofschoon hij zelf een oprecht hervormer van zedelijke misbruiken was, zich fanatiek verzette tegen alle onderwijs in de Heilige Schrift; en hij gaf niet alleen zijn stem ten gunste van den zwakken Innocentius II tegen den Cluniacenser Paus, Anacletus, maar vervolgde ook heftig Abelard, den philosophischen reformator van Parijs en zijn leerling, den ongelukkigen Arnold van Brescia, die te Rome op bevel van den Engelschen Paus Hadrianus werd opgehangen en verbrand.
Een treffend bewijs van het verlangen, dat ook bij de geestelijken zelf en in het algemeen bij het volk bestond, om terug te keeren tot den eenvoud en de bezieling van het vroege Christendom is de buitengewone populariteit, die verschillende boeken hebben verworven, die een werkelijk Christelijke levenswijze voorschreven en het aanbreken van een tijdperk van vrede en broederschap voorspelden. Het boek de Imitatione Christi, of misschien het oorspronkelijke, volgens hetwelk Thomas à Kempis in de vijftiende eeuw zijn boek geschreven heeft, moet volgens E. Renan en eenige anderen in dezen tijd (c. 1200) ontstaan zijn. Een dergelijk werk, zeer zeker van deze periode, was het Evangelium aeternum van den abt Joachim3 van Floris in Calabrië († 1202). Het boek bevatte commentaren op de Apocalypsis en andere gedeelten van den Bijbel; de schrijver trachtte het Oude en het Nieuwe Testament met elkander in overeenstemming te brengen en haalt de Heilige Schrift aan om de aanstaande komst (in het jaar 1260) van het rijk des Geestes te bewijzen.
Gelijktijdig met deze pogingen tot inwendige hervorming waren verschillende bewegingen van minder rechtzinnigen aard. Er was een sekte van Bulgaarsche Christenen, die zich de Katharoi, d. w. z. de reinen of Puriteinen noemden. Zij schijnen de gewoonten van de Essaeërs4 verbonden te hebben met een Oostersch of Manichaeësch5 geloof in twee elkander beoorlogende beginselen, den geest van het Kwade en den geest van het Goede, de macht van het Licht en de macht van de Duisternis, Ormuzd en Ahriman van Zoroaster of Zarathustra6. Dergelijke stelsels, gepaard met een krachtige opwekking tot reinheid en armoede, drongen in Provence en Midden-Frankrijk door en werden door velen met geestdrift ontvangen, in het bijzonder door de Albigenzen, de bewoners en naburen van Albi, een stad aan de Tarn. Deze Albigenzen of Albigeois had men waarschijnlijk ongemoeid gelaten, indien zij alleen het geestelijke leven hadden gepreekt en uitgeoefend, zelfs al grensden hun theoriën in verband met de leer over de macht der Duisternis aan hetorodoxie; maar zij verklaarden, hetgeen zeer begrijpelijk doch misschien onverstandig was, den oorlog aan de verdorvenheid en de weelde van de Roomsche geestelijken en het pauselijke hof, en richtten aldus zooals wij zullen zien, zichzelf te gronde.
Een andere sekte werd te Lyon gesticht door Pierre Valdez (Petrus Waldus). Deze Waldenzen, of les pauvres de Lyon, waren van orthodox standpunt beschouwd, kwaadaardiger ketters dan de Albigenzen, want zij ontkenden, dat de Kerk van Rome in den waren zin de Kerk van Christus was, en gingen, evenals de latere hervormers deden, van het gezag van den Paus en de overlevering in hooger beroep bij den Bijbel. Bovendien verwierpen zij, zooals later de dissenters, de apostolische opvolging en sommige van hen gaven de verkiezing der geestelijke herders in handen van de leeken.
In Italië zelf maakte de dogmatische ketterij, d. w. z. het verwerpen van de onfeilbaarheid van Rome in dogmatische aangelegenheden, een tijdlang slechts weinig vorderingen, maar er was een sterke en uitgebreide beweging tegen de wereldlijke macht van de Kerk (niet alleen onder haar staatkundige tegenstanders) en ten gunste van een krachtige hervorming, met het oog op de weelde en onzedelijkheid van de geestelijken, terwijl reinheid en zelfs armoede werden toegejuicht als de eenige middelen, waardoor de Kerk haar geestelijken invloed kon herwinnen.
Een belangwekkend voorbeeld van deze beweging wordt gegeven door de Pataria (de wijk der voddenrapers) te Milaan. De Patarini of Paterini aanvaardden met trots, evenals de Geuzen in den tachtigjarigen oorlog, de hoonende benaming. In den beginne, gedurende de stormachtige periode, die volgde op den dood van Aribert, den Aartsbisschop van Milaan, in 1045, was de Pataria, de anti-keizersgezinde volkspartij aldaar, in vijandschap met den adel en de hoogere geestelijkheid en om die reden (maar om geen andere) ook een vijand van de onafhankelijkheid der Ambrosiaansche kerk, die gesteund werd door de Milaneesche prelaten en aristocraten. Aldus hebben wij weder een van die merkwaardige verwikkelingen die in de geschiedenis van Italië zoo herhaaldelijk voorkomen, een “onrechtzinnige” volkspartij, die op de hand is van het Pausdom en bedrogen wordt met ijdele beloften van hervorming. Maar dit duurde niet heel lang. De Patarini, die weldra inzagen, dat Rome de ware vijand van hun godsdienstige reformatie was, verbraken het verbond met den Paus en openbaarden zich als een kettersche7 sekte, die het voorwerp van hevige aanvallen werd van den kant van de Pausen en die “honden des Heeren”8, de Dominicanen.
De opkomst van de Albigenzen is reeds beschreven. Hun vernietiging vond plaats in het jaar 1205. Paus Benedictus III, die, zooals wij gezien hebben, er in slaagde bijna alle vorsten van Europa onder zijn heerschappij te brengen, had besloten geen ketters in het Westersche Christendom te dulden. Eerst, zegt men, hoopte hij zijn doel te bereiken door redeneering en zond daarom predikers naar Languedoc. Bij hen sloot zich de beroemde Dominicus (Domingo van Calahorra in Oud-Castilië) aan, die na zijn terugkeer van een zending in Denemarken, in het Zuiden van Frankrijk was gekomen en zich dadelijk met heilige geestdrift gewijd had aan het werk der bekeering; en toen Paus Innocentius, die inzag dat zijn verklaring van het Christelijke evangelie geenerlei uitwerking had, zijn toevlucht besloot te nemen tot het vuur en het zwaard en zijn Inquisiteurs en gezanten zond, gewapend met de volmacht om het afschuwelijk gespuis uit te roeien, werd uit de edelen van Zuid-Frankrijk, zooals Villari zegt, door deze pauselijke boden een leger van kruisvaarders samengesteld, die, opgehitst door het opruiende prediken van Dominicus en zijn fanatieke metgezellen (waaronder zich de ellendige en meedoogenlooze Bisschop Folquet van Toulouse bevond) en aangevoerd door den bloeddorstigen Simon de Montfort, zich op de weerlooze bevolking wierpen en vele van de bloeiendste streken van Provence en Midden-Frankrijk in een woestijn veranderden.
59. Cosmati-Tombe in S. Maria sopra Minerva, Rome.
In hoeverre Dominicus zelf deze gruwelen goedkeurde of er toe aanzette, of er zelfs een werkzaam aandeel in had, is onzeker; het staat echter vast, dat de Inquisiteurs van Toulouse hem vereerden met den titel van “Kettervervolger”9 en dat de geheele inrichting van de Inquisitie kort na zijn dood werd toevertrouwd aan de Dominicaner broeders. Maar of wij het recht hebben om, zooals sommige schrijvers doen, te verzekeren, dat hij buitengewoon en duivelachtig onmeedoogend was, dat hij zonder eenige ontroering keek naar de rookende puinhoopen van Beziers, waar op bevel van den abt Arnold twintig duizend menschelijke wezens werden vermoord, is in hooge mate twijfelachtig. Hij was zeker volstrekt niet onbewogen. Zijn gemoed werd waarschijnlijk diep ontroerd door hetgeen hij de liefde tot God en de menschen noemde, door een innig verlangen om de zielen van zijn medemenschen te redden van datgene, wat hij met volkomen oprechtheid even verschrikkelijk achtte als de hel zelf, vrijheid van gedachte. Laten wij geen inquisitie over zijn karakter houden, ofschoon wij nauwelijks in staat zijn zonder te huiveren de Spaansche Kapel of de S. Maria Novella zelf binnen te treden en een vreemde droefheid ons hart binnendringt, wanneer wij staan voor Angelico’s wondere “Kruisiging” in het klooster S. Marco.
“In de latere jaren van zijn leven”, zegt Villari, “had Innocentius de krachten wel willen beteugelen, die de bijna volkomen verwoesting van een geheele landstreek hadden bewerkt. Maar het was te laat. Het bloed had gevloeid en het volk was te gronde gericht. De vluchtelingen uit Provence overstroomden Italië. Zij wekten medelijden op door de verhalen van hun ellende, en haat tegen hem, die de eerste oorzaak was geweest van hun wreed lijden. Aldus droegen ze bij tot de scheiding tusschen het Pausdom en die klassen, waarmede de Pausen zich vroeger steeds hadden verbonden in hun strijd tegen de Keizers. Sinds dien tijd begon de verhouding van het Italiaansche volk jegens het Pausdom een zeer belangrijke wijziging te ondergaan”.
In 1215 werd Dominicus te Rome door den Paus gehuldigd wegens zijn ijverige werkzaamheid en de instelling van de predikheeren, en toen kort daarna Innocentius stierf, werd de Dominicaner Orde door Honorius III plechtig bekrachtigd. Drie jaren later (1219) werd het centrum van de Orde gevestigd te Bologna en voordat Dominicus daar in 1221 was gestorven, hadden de predikheeren reeds hard gewerkt om de ketterij in Noord-Italië uit te roeien; maar Italië was bijna even erg met ketterij besmet als met Languedoc het geval was geweest. De Patarini waren in Milaan buitengewoon talrijk. In Ferrara, Verona, Rimini, Florence en andere steden was de vijandige stemming tegen de geestelijkheid zeer sterk. In Viterbo waren de ketters talrijk genoeg om hun Graaf te kiezen. In Assisi werd een ketter tot Podestà benoemd.
Een paar maanden waarschijnlijk, voordat Dominicus te Rome was aangekomen, had een andere beroemde Orde de goedkeuring van Innocentius verworven10. Francesco Bernadone van Assisi en zijn klein aantal vrome volgelingen werden eerst met eenigen argwaan aan het pauselijk hof ontvangen en ongetwijfeld ook met een zekere hoonende vroolijkheid. Franciscus kwam geen toestemming vragen om ketters te mogen uitroeien, maar hij verzocht slechts, dat het hem zou worden toegestaan een vereeniging te stichten van menschen, die zouden trachten te leven naar de voorschriften en het voorbeeld van Christus. Zulk een fantastisch doel wekte geen belangstelling bij den Paus en de kardinalen, maar, zooals verhaald wordt, een droom11, die te juister tijd kwam, bracht Innocentius tot nadenken en het nadenken gaf hem de overtuiging, dat hij wellicht dezen vorm van religieuze geestdrift voor zijn eigen plannen zou kunnen gebruiken. De geschiedenis van St. Franciscus van Assisi, hoe hij afstand deed van alle wereldlijke idealen, hoe hij zich wijdde aan de armoede en aan een nederig en Christelijk leven om de menschheid en alle wezens, groot en klein te dienen,—de bouw van de kleine kapel, de Portiuncula, de stichting van de bedelorde, de orde der Clarissen en die der Minderbroeders, het bezoek aan den Sultan van Egypte, het heerlijke en rustige heengaan van de heilige ziel—dit alles is uitvoerig en met gevoel door vele schrijvers verhaald, zoodat het niet noodig is het hier te herhalen. Evenmin zal het noodig zijn te trachten het feit te verklaren, dat het doel en de idealen van deze twee menschen, Franciscus en Dominicus, een zekere uitwendige gelijkenis vertoonen, daar hun beider stelsels oorspronkelijk het beginsel van armoede erkennen en zij beiden grooter voorstanders zijn van den omgang met menschen dan van de afzondering in kloosters. Dat een dergelijke uitwendige gelijkenis kan bestaan ondanks een diepgaand verschil in het werkelijke wezen der dingen is een onwankelbare waarheid. In dit geval wordt het verschil misschien het best aangeduid door de zeer eenvoudige woorden van Villari: “Domenico andò a predicare la crociata contro gli Albigesi, infiammando gli animi ad una sanguinosa persecuzione degli eretice. Francesco invece si sarebbe sottoposto ad ogni tormento piuttosto che far soffrire una qualunque creatura”12. Terwijl Dominicus den bloedigen en meedoogenloozen kruistocht tegen de Albigenzen aanmoedigde en leidde, bezocht Franciscus de ziekenhuizen, verzorgde de melaatschen, hielp steenen aandragen voor den bouw van kerken, terwijl hij verzen bedacht, die overvloeiden van liefde voor alle levende wezens en van dankbaarheid voor de pracht en de schoonheid der natuur13.
Een aanwijzing van dit grondige verschil wordt verstrekt door het feit, dat Franciscus, naar men vertelt, toen hij Dominicus te Rome had ontmoet, geweigerd heeft zijn Orde met die van de Dominicanen samen te smelten. Ongetwijfeld zag hij maar al te goed in, met welken geest de stichter van die Orde bezield was. Beide Orden, zooals ook het geval was met de veel oudere Benedictijner Orde, weken weldra ver van de Regels van hun stichters14 af, zoodat vergelijkingen aan later tijden ontleend geschikt zijn om ons op een dwaalspoor te leiden; maar het feit, dat de Dominicanen steeds aan de zijde van de wereldlijke macht hebben gestaan als handlangers van de tyrannie en de vervolging, schijnt een bewijs te zijn van het essentieele verschil tusschen den geest van Franciscus en dien van Dominicus. Inderdaad hebben de volgelingen van St. Franciscus ook zelf vervolgingen ondergaan. Naar aanleiding van de Christelijke liefde en het menschelijk medegevoel, dat zij ook jegens de “onrechtzinnigen” aan den dag legden, werden zij door Paus Gregorius IX van verraad beschuldigd, die, met de hulp van Frederik II, den vrijdenker en halven Mohammedaan, een krachtigen kruistocht tegen ketters organiseerde; en eenige van deze “ketters”, die omstreeks het jaar 1225 door de Inquisitie veroordeeld en te Rome verbrand zijn, waren waarschijnlijk Franciscaner Minderbroeders.
In de zangen XI en XII van den Paradiso laat Dante den grooten Dominicaner geleerde, Thomas van Aquino, een schitterende lofrede uitspreken op St. Franciscus, en de Franciscaner Bonaventura beschrijft het strijdvaardige karakter van St. Dominicus,
de heilige athleet,
zacht voor de zijnen en grimmig voor zijn vijanden,
wiens aanval het krachtigst werd
waar de weerstand het grootst was15.
De lofrede van den Franciscaner op St. Dominicus schijnt hier en daar, hoewel deze twaalfde zang overstroomt van heerlijke gedachten, toch eenigzins gedwongen en aarzelend, terwijl daarentegen de woorden van Thomas Aquinas, ofschoon hij een Dominicaan en een droge geleerde was, schijnen te trillen van ontroering, als hij het leven van St. Franciscus beschrijft, het opkomen, als het ware, van een roemrijke zon, de bruiloft van Franciscus met zijn bruid, de Armoede16, de stichting van de Orde, “het eindelijke zegel”, de Stigmata, het heengaan van de heilige ziel naar haar geboorteland, den Hemel17. In verzen van wondere welluidendheid geeft Dante ons het eigenaardige verschil tusschen beiden weer:
L’un fu tutto serafico in ardore,
L’altro per sapienza in terra fue
Di cherubica luce uno splendore18.
Gedurende de laatste helft van de dertiende eeuw verspreidde, zooals wij in een ander hoofdstuk zullen zien, een nieuw licht van wetenschap en kunst zonder ophouden zijn glans, totdat de vrijheid van gedachte en Christelijk gevoel zich zoo ver een weg gebaand had, dat, na den dood van den “driedubbelen tyran”, Paus Bonifacius VIII, het middeleeuwsche Pausdom een tijdlang bijna geheel als staatkundige en religieuze macht verdween en als een gewond wild dier gromde in de sombere holte van het groote pauselijke paleis te Avignon.
Terwijl de oude toestanden veranderen, zien wij vele vreemde verschijnselen; want ofschoon het nest was opgeruimd, bleek het nog niet zoo gemakkelijk te zijn het oude bijgeloof uit te roeien. Een van de zonderlingste verschijnselen van de dertiende eeuw was Keizer Frederik II, de half-Oostersche vrijdenker, dikwijls door den banvloek getroffen, die, ofschoon hij een ongeloovige was en aan zijn Siciliaansch hof niet alleen de wetenschap en de losbandige zeden, maar ook den godsdienst van de Saracenen aanmoedigde, een Christelijken kruistocht ondernam tegen de Saracenen van Palestina, zelfs de kroon van Jeruzalem aanvaardde, en daarna, na zijn terugkeer, ijverig de ketters in zijn rijk vervolgde en vele van hen aan Gregorius uitleverde om verbrand te worden.
De merkwaardige toestand van geestelijke opwinding, waarin Italië gedurende dezen overgangstijd verkeerde, blijkt uit het ontstaan van talrijke sekten, van welke sommige een tijdlang een zeer belangrijken invloed uitoefenden, vooral in de vrijsteden van Noord- en Midden-Italië. Zooals natuurlijk was, kwamen er vele vreemde buitensporigheden voor. Hieronder moeten wij in de eerste plaats het optreden der Flagellanten of geeselbroeders rekenen. Een plotselinge springvloed, als het ware, van religieuze hysterie, verhief zich te Perugia en verspreidde zich snel over en buiten geheel Italië. Duizenden en duizenden van waanzinnige, half-naakte boetelingen, mannen, vrouwen en kinderen, trokken in groote benden door het geheele land, huilend en klagend, biddend en psalmen zingend en elkander meedoogenloos geeselend. In elke stad, waar zij kwamen, spraken zij verwenschingen en smeekbeden uit om te trachten een einde te maken aan de staatkundige en godsdienstige veeten; zij bezochten de gevangenissen en poogden de boosdoeners tot berouw te brengen; zij bevrijdden vele gevangenen. Eindelijk werd het civiele gezag ongerust en kondigde strenge straffen tegen deze buitensporigheden af. “De listige regeerders van Milaan”, zegt een kroniekschrijver, “richtten zes honderd galgen op aan hun grenzen en dreigden iederen Flagellant, die in hun gebied kwam, op te hangen.” Na 1260 ongeveer hooren wij niets meer van hen.
Indien wij zoeken naar de oorzaken, die zulke vreemde gevolgen hadden, vinden wij, dat deze zonder twijfel gelegen zijn in het feit, dat de eindelooze ellende van den oorlog en de binnenlandsche veeten de bevolking tot wanhoop hadden gebracht en zij er bovendien langzamerhand van overtuigd werden, dat de Kerk als draagster van het Evangelie van liefde en vrede volkomen schipbreuk had geleden. De eenige groote prikkel, waardoor de Flagellanten tot dergelijke hysterische buitensporigheden werden aangezet en die ook de oorzaak was van de heilige bezieling van St. Franciscus, was het verlangen naar het rijk van Christelijke liefde op aarde. En hoe algemeen dit verlangen in Italië was, kan men afleiden uit vele andere pogingen om vrede te stichten, welke soms van zeer dramatischen en aandoenlijken aard waren. Eens werden (in 1275) de leiders van de verbitterde partijen in Florence overgehaald om bij elkander te komen op de zandige oevers van den Arno en elkander te omhelzen en een eeuwigen vrede te sluiten, welke maar al te spoedig verbroken is. Bij een andere gelegenheid kwam in de vlakte bij Verona een geweldige menigte (sommige schrijvers zeggen 400.000 menschen) bijeen, uit verschillende steden verzameld door een monnik van Vicenza, en tot tranen toe bewogen door de welsprekende woorden van de predikheeren, sloegen zij zich op de borst, jammerden over hun zonden, smeekten om God’s genade en legden plechtige eeden af (welke helaas spoedig volkomen vergeten werden), dat oorlog en partijtwisten voor altijd zouden worden afgeschaft.
1 Purgatorio XX, 86–90.
2 Zooals wij reeds dikwijls gezien hebben, zochten de Pausen, ofschoon zij de natuurlijke vijanden van vrijheid en vooruitgang waren, toch dikwijls een verbond met de Republieken, een feit, dat ons wel tot nadenken brengt, wanneer wij zien, dat juist door de vrijheid en den vooruitgang het afschuwelijke inwendige bederf van het Pausdom aan het licht kwam.
3 Paradiso XII. 140.
4 Een Joodsche sekte, ontstaan in de tweede eeuw v. Chr.
5 Mani, de stichter van het manichaeïsmus, was afkomstig uit een voorname Perzische familie. Zijn leer berust op die van Zoroaster.
6 De leer van het werkelijke bestaan van het Kwaad als een handelend beginsel, is natuurlijk, evenals de leer van de zielsverhuizing en het vagevuur, een zeer geschikte oplossing van zekere intellectueele moeilijkheden en kan lastig door diegenen als ketterij veroordeeld worden, die den Bijbelschen Duivel aannemen.
7 Het woord paterino is in het Italiaansch synoniem geworden met eretico, kettersch.
8 Domini canes.
9 Marteau des hérétiques. (Sabatier).
10 Zooals ook het geval was met de Dominicanen, werd de bekrachtiging van de Franciscaner Orde door den dood van den Paus uitgesteld. Zij ontving, zooals Dante (Paradiso XI. 93) zegt, haar “eerste zegel” van Innocentius in 1214 en werd “met een tweede kroon gekroond” (IX. 97) door Honorius in 1223.
11 Hij zag een armen man, die met zijn schouders de Kerk van het Lateraan, die dreigde in te storten, ondersteunde. Vgl. het fresco van Giotto in de groote kerk van Assisi. [Vertaler].
12 Dominicus ging den kruistocht prediken tegen de Albigenzen en hitste de gemoederen op tot een bloedige vervolging van de ketters. Franciscus daarentegen zou zich liever aan elke marteling onderworpen hebben, dan eenig wezen, hoedanig ook, te doen lijden.
13 Vgl. de heerlijke hymne aan de zon, Cantico delle Creature of Cantico del Sole.
[Vertaler].
14 De lage kerk te Assisi, waaraan men kort na den dood van Franciscus begonnen is, daar hij zijn volgelingen verzocht geen groote kerken te bouwen, en de prachtige S. Maria degli Angeli, die in veel later tijd gebouwd is op de overblijfselen van de kleine Portiuncula, zijn een treffend bewijs hiervan. Zooals Dante (Paradiso, XII, 117) zegt, traden de latere volgelingen van St. Franciscus in zijn voetsporen, maar “de teenen op de hielen zettend” d.w.z. in omgekeerde richting.
15 Paradiso XII, 56, 57 en 101, 102.
16 Na zijn bekeering bestond de geheele bezitting van St. Franciscus in éen stel monnikskleeren.
17 “De éen was gansch van serafijnen-aard in zijn (weldadigen) gloed, de ander door wijsheid op aarde een glans van het licht der cherubijnen.” Seraphim wordt verklaard door calefaciens, verwarmend, en cherubim door copia cognitionis, overvloed van kennis.
18 Ik kan niet nalaten een paar woorden aan te halen uit het met zooveel gevoel geschreven werk van Paul Sabatier over St. Franciscus. “Son humilité est d’une sincérité qui s’impose; elle est absolue, sans que l’on songe à la trouver exagérée.” [Vertaler].