Formeel was de terughoudendheid der bankiers in het doen van terugbetalingen weinig minder bedenkelijk dan de beurssluiting was geweest. Het was ook een daad van eigen richting, maar met dit verschil dat hier de Regeering en de Nederlandsche Bank vooraf in de zaak waren gekend en dat de heeren wisten in den geest van beide te handelen, door te doen gelijk zij deden. Ter moreele rechtvaardiging van hun daad van eigen richting, die gelijk stond met het zich eigenmachtig toekennen van een beperkt moratorium, behoeft niet uitsluitend een beroep te worden gedaan op het: „nood breekt wetten”. Het algemeen belang wees in de eerste dagen van Augustus in de richting, welke de bankiers uit eigen lijfsbehoud insloegen.

Niet alleen zouden verschillende bankiers en commissionnairs in effecten anders gevaar hebben geloopen, individueel hun betalingen te hebben moeten staken, hetgeen tot een débacle in de financieele wereld zou hebben geleid, waarvan het effect een nog grootere stoornis in het crediet, een nog hooger oplaaien van algemeen wantrouwen zou zijn geweest. Tegenweer was in dit geval, al gold ook hier dat „charité bien ordonnée commence par soi-même”, uit dien hoofde tevens in het algemeen belang. In de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 zeide ik hieromtrent: „Daardoor wordt verkregen dat het beschikbaar kredietmiddel ook beschikbaar blijft alleen en uitsluitend voor hen bij wie en voor zoover er werkelijk behoefte aan bestaat, en wordt tegengegaan, voor zoover het eenigszins kan, elke poging om nu van de abnormale toestanden van dezen tijd gebruik te maken om later door speculatie rijk te worden. Of dit in alle opzichten gelukken zal, dat kan niemand zeggen, maar ik wil dit toch constateeren, dat evengoed de groote bankiers als de organisatie van het bankwezen in de provincie met de Regeering eens van zin niet alleen, maar eensgezind handelen om alle dergelijke pogingen van het kredietwezen misbruik te maken en zich te verrijken ten koste van het geheele volk, tegen te gaan zooveel het kan en daarmede te gelijk in de werkelijke kredietbehoeften te voorzien, zoover het maar eenigszins mogelijk is.”

Toen er, gelukkig spoedig, ontspanning kwam, volgden de provinciale bankiers, na overleg met de Regeering, dezelfde gedragslijn die door de Rijkspostspaarbank werd aangenomen. Den 15den Augustus berichtte het bestuur van den Provincialen Bond aan zijne leden, dat het in strijd zou zijn met de bedoelingen van den genomen maatregel, indien betalingen werden geweigerd, noodig voor de verplichtingen of de voortzetting van het gewone bedrijf der cliënten. Spoedig daarna ging het bij de uitbetaling van deposito’s en rekening-courant saldo’s weer geheel normaal in zijn werk.

Zooals ik reeds met een enkel woord aanstipte, waren de Amsterdamsche bankiers nog spoediger dan hun collega’s in de provincie in staat, hun terughoudendheid bij het voldoen aan opvragingen, die geen voldoend economisch motief hadden, te laten varen. Het syndicaat van de groote bankiers dat zou gevormd worden, tot een bedrag van ten minste ƒ 200 millioen, indien de Regeering bereid was de boven behandelde maatregelen te nemen tot versterking van de positie van de Nederlandsche Bank, kwam reeds tot stand voordat die maatregelen door de wet waren bekrachtigd. Men herinnert zich dat op 30 Juli laat in den avond de directie van de Nederlandsche Bank en de voornaamste bankiers in de vergadering van den Ministerraad waren verschenen. Wat er daarna door de groote bankiers geschiedde, ontleen ik aan het verslag van de Nederlandsche Handel-Maatschappij over het boekjaar 1914:

„Vrijdag den 31sten Juli hadden te onzen kantore wederom uitvoerige besprekingen tusschen de voornaamste bankiers en met de Directie van De Nederlandsche Bank plaats, welke tot diep in den nacht voortduurden.

„Het resultaat van deze besprekingen is geweest, dat den 1sten Augustus in de dagbladen kon worden medegedeeld, dat een steun-syndicaat van ƒ 200 millioen was tot stand gekomen.

„Dit syndicaat, dat zich de medewerking van de reeds bestaande, rechtspersoonlijkheid bezittende „Vereeniging voor den Geldhandel” verzekerde, verschafte aan deze Vereeniging bij De Nederlandsche Bank een crediet van ƒ 200 millioen, ten aanzien waarvan het syndicaat zich voor 20% van de opgenomen voorschotten, tot een maximum van ƒ 40 millioen borg stelde.

„In deze ƒ 40 millioen werd door ons deelgenomen voor een bedrag van ƒ 8 millioen. Verder namen daarin deel de volgende instellingen en firma’s: Rotterdamsche Bankvereeniging, Amsterdamsche Bank, Twentsche Bankvereeniging, B. W. Blijdenstein & Co., Hope & Co., Van Loon & Co., Nederlandsch-Indische Handelsbank, Lippmann, Rosenthal & Co., Incasso-Bank, R. Mees & Zoonen, Wertheim & Gompertz, Adolph Boissevain & Co., Gebrs. Teixeira de Mattos, A. van Hoboken & Co., Internationale Crediet- en Handelsvereeniging „Rotterdam”, Van Eeghen & Co., Wiegman’s Bank, De Wissel- en Effectenbank, Disconto-Maatschappij, Marx & Co.’s Bank, Vermeer & Co. en Nederlandsch-Indische Escompto-Maatschappij.

„Hierdoor werd bereikt, dat de noodige middelen beschikbaar waren, om aan allen, die zakelijke zekerheid konden aanbieden, Zoo noodig hulp te verschaffen.”

Zoowel over de beteekenis van de „Vereeniging voor den Geldhandel”, waarvan het voorzitterschap aan den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij werd toegekend, als over den moreelen steun, welke door de Regeering bij haar wedergeboorte was verleend, bestond misverstand. Men meende dat met den getroffen maatregel de Vereeniging voor den Geldhandel alleen de „haute finance” en den groothandel helpen zou. Al zou het onjuist zijn te ontkennen, dat bij de groote bankiers niet even goed als bij hunne vakgenooten uit de provincie de overweging gold, welke in het zooeven door mij aangehaalde Fransche spreekwoord wordt uitgedrukt, toch had de Vereeniging voor den Geldhandel niet de bedoeling uitsluitend voor het groote bankwezen en den groothandel werkzaam te zijn en verspreidde haar werkzaamheid zich ook inderdaad over veel ruimeren kring. Tot tweemaal toe achtte ik het noodig omtrent de beteekenis dier vereeniging in de Tweede Kamer misverstanden uit den weg te ruimen. Op 3 Augustus zeide ik daaromtrent: „Van het oogenblik af, dat de toestand dreigde zoo kritiek te worden als hij op het oogenblik is, is er van uit de bankwereld verband gezocht en connectie verkregen met de Regeering, en de Regeering heeft zich bij monde van den Minister van Financiën, van den Minister van Justitie en van mij, bereid verklaard om in overleg met de verschillende organen van ons geld- en kredietwezen te treden en aan den toestand, voor zoover het maar eenigszins mogelijk is en zoolang het mogelijk is, het hoofd te bieden. En nu is de voorstelling, alsof door de getroffen regeling alleen zou worden geholpen de groothandel gelukkig niet juist en ik kan er bij zeggen dat, wanneer ik den indruk had gekregen, dat door de zeer bijzondere maatregelen die genomen zijn, door het Koninklijk besluit tot verandering van de dekking der Nederlandsche Bank en tot verandering van het octrooi, alleen de groothandel zou worden geholpen, ik gemeend zou hebben, dat de Regeering niet verantwoord was. Maar om het krediet ook voor den kleinhandel, ook voor den landbouw en de groote en kleine nijverheid zoo goed mogelijk in dezen kritieken tijd in staat te stellen te voldoen aan zijn taak, moet in de allereerste plaats de centrale, de groote kredietorganisatie in staat zijn om aan de verschillende gewettigde aanvragen te voldoen.

„Met bijzonder veel genoegen kan ik hier verklaren, dat er is verkregen overeenstemming tusschen het bestuur van de Nederlandsche Bank, een consortium van groote bankiers en de commissionnairs in effecten in de provincie en de Regeering om een regeling te treffen, waarbij aan alle gewettigde kredietaanvragen in den tegenwoordigen tijd zal worden voldaan, voor zoover dit met de bestaande kredietmiddelen mogelijk is.”

Het misverstand was daarmede echter niet uit den weg geruimd. Een vraag van Dr. Bos gaf mij aanleiding in de vergadering van de Tweede Kamer van 6 Augustus 1914, nadat het ontwerp van wet op de zilverbons zonder mondelinge beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming was aangenomen, nog op te merken: „Men meent dat het syndicaat eigenlijk speciaal is opgericht en speciaal werkt ten gunste van den effectenhandel, van den geldhandel en niet van den goederenhandel en, voor zoover het dan nog voor den goederenhandel zou zijn, alleen voor den groothandel. Laat ik herhalen in eenigszins andere woorden hetzelfde wat ik reeds Maandag gezegd heb, toen ik deze zaak besprak. De Regeering zou ongetwijfeld niet hebben medegewerkt tot het nemen van de zeer buitengewone maatregelen, die genomen zijn om het kredietwezen zoo goed mogelijk in stand te houden, indien zij niet de overtuiging had, dat volstrekt niet alleen de geldhandel, volstrekt niet alleen de groothandel, maar dat èn de goederenhandel èn de geldhandel èn de kleinhandel èn de groothandel, natuurlijk voor zoover het kan, zullen worden geholpen. Er is in dit opzicht inderdaad eenig misverstand ontstaan, en nu is in de advertentie, die hedenmorgen in de verschillende bladen heeft gestaan, een advertentie, die ook een gevolg is van de besprekingen, die reeds weer plaats gehad hebben met het consortium, zoo duidelijk mogelijk door dat consortium aangegeven, dat het inderdaad even goed voor den goederenhandel als voor den geldhandel werkt.

„In die advertentie lees ik het volgende: De ondergeteekenden berichten, dat de voorschotten welke de Vereeniging voor den Geldhandel verstrekt, worden verleend tegen goed te keuren fondsen, ceelen, wissels, promessen, hypothecaire zekerheid, en andere zakelijke waarborgen, aan alle handelaren, industrieelen, particulieren, spaarbanken en andere instellingen, waar ook in Nederland gevestigd, welke onder de bestaande omstandigheden geld behoeven”.

De grief dat de Vereeniging voor den Geldhandel wel wat langzaam te werk ging bij het verleenen van haar hulp, kon ik niet tegenspreken. Ook al werd de noodzakelijkheid van zorgvuldig onderzoek van elke bij haar inkomende aanvraag, een onderzoek dat in nauwe samenwerking met de Nederlandsche Bank moest geschieden, volmondig erkend, had men toch mogen rekenen op een snellere afdoening van zaken dan in werkelijkheid plaats had. Als Minister van Handel heb ik in die dagen op het betrachten van grooteren spoed bij het behandelen der credietaanvragen meermalen aangedrongen, zoowel bij de Vereeniging voor den Geldhandel als bij de Nederlandsche Bank.

Omtrent de wijze waarop de aanvragen behandeld werden, schrijft het Verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15: „De Nederlandsche Bank heeft in haar gebouw lokaliteiten beschikbaar gesteld voor de Vereeniging, alwaar deze een eigen kantoor inrichtte met bijzondere boekhouding. Alle aanvragen om steun moesten bij het Bestuur dezer Vereeniging worden ingediend, waartoe elken werkdag, gedurende de gewone kantooruren door dit Bestuur zitting werd gehouden. Een eerste onderzoek werd dan door het Bestuur van de Vereeniging v. d. Geldhandel naar die aanvragen ingesteld, waarna deze door het Bestuur der Vereeniging met praeadvies werden overgebracht bij de Directie van De Nederlandsche Bank ter verdere zelfstandige beslissing.

„Bij inwilliging van het verzoek stelde De Nederlandsche Bank het geld ter beschikking van de Vereeniging voor de goedgekeurde aanvrage. Als zekerheid voor deze verleende credieten werden in groote verscheidenheid roerende goederen in onderpand genomen, waaronder dikwijls zaken, welke in gewone omstandigheden voor onderpand bij de Bank niet in aanmerking kwamen; bovendien werden ook als onderpand aangenomen onroerende goederen, welke met een hypotheek ter verzekering van het voorschot werden belast, en ook grossen van hypotheek.

„Op deze wijze werd het mogelijk met behulp van De Nederlandsche Bank in werkelijk dringende gevallen ook geld op hypotheek of op beleening van grossen van hypotheek te krijgen, niettegenstaande het bedrijf der gewone hypotheekbanken door de crisis was stop gezet.”

De werkzaamheid van de Vereeniging voor den Geldhandel kreeg intusschen bij lange na niet zulk een omvang als waarop was gerekend. In het verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 wordt hiervan gezegd: „De Vereeniging voor den Geldhandel had tot 31 Maart 1915 voor een bedrag van ƒ 31.867.477,50 aan voorschotten in allerlei richting toegezegd, waarvan was opgenomen ƒ 23.512.306,845 en wederom afgelost ƒ 10.782.431,04; dit cijfer is dus gebleven verre beneden de ƒ 200 millioen, aanvankelijk als maximum voor een hulpverschaffing in die richting gesteld. Deze cijfers op zichzelven geven echter geen juist beeld van de werkzaamheden der Vereeniging; immers zij heeft haar intermediair verleend voor aanvragen tot een belangrijk grooter bedrag, welke evenwel.... zijn teruggebracht bij de gewone bankrelaties. Vooral in dit opzicht heeft de dagelijksche samenwerking van den „Geldhandel” met De Nederlandsche Bank een heilzame uitwerking voor het crediet in Nederland gehad. Zoowel kleine handelaars, scheepswerven, industrieelen, alsook zeer groote groepen van handel, landbouw en industrie hebben van deze samenwerking en voorlichting kunnen profiteeren, om langs normale wegen weder het noodige bedrijfscrediet te verkrijgen, toen voor velen hunner het verloop van de crisis uit andere oorzaken gunstiger bleek te worden dan eerst was verwacht en zij dientengevolge buitengewone credietfaciliteiten als van den „Geldhandel” niet noodig hadden. Verschillende anderen kwamen zelfs in zóó veel beter omstandigheden, dat zij den aangevraagden steun in het geheel niet meer behoefden.”

Hieruit blijkt genoeg, welk een gunstige uitwerking het heeft gehad, dat de vooraanstaande mannen van den geldhandel zonder verwijl, zoodra de crisis losbrak, maatregelen namen om in de credietbehoefte van handel, landbouw en nijverheid te voorzien. Zooals ook de president van de Nederlandsche Bank opmerkt, is de beteekenis van dat initiatief niet slechts af te meten naar den omvang der werkzaamheden van de daaruit voortgekomen organisatie van het crisiscrediet, maar ten minste evenzeer naar den kalmeerenden invloed, dien het enkele feit van het optreden van de Vereeniging voor den Geldhandel heeft gehad. Het werkte als olie op de crisis-golven.

Intusschen had het aanvankelijk een groote schaduwzijde. Het crediet dat verleend werd, kwam den credietbehoevenden op een bij uitstek hooge rente te staan. Toen de crisis was ingetreden, de effectenbeurs was gesloten en het gewone crediet tijdelijk was stop gezet, had dit tot gevolg, dat bij de bepaling der rente voor de credietzaken, welke door de Vereeniging voor den Geldhandel werden afgesloten, uitgegaan werd van de renteberekening der Nederlandsche Bank voor voorschotten in rekening-courant. Daar die Vereeniging het geld voor de credieten, welke zij gaf, zooals werd uiteengezet, van de Nederlandsche Bank ontving, kon zij voor haar eigen renteberekening geen anderen grondslag nemen. Doch ook de Vereeniging voor den Effectenhandel ging dien weg op. Ook zij bepaalde, dat bij de berekening van prolongatierente van de rente der Nederlandsche Bank voor voorschotten en rekening-courant zou worden uitgegaan. Deze was door de directie op 29 Juli eerst tot 6% verhoogd en op 1 Augustus op 7% gebracht. Hierboven werd 2% berekend, bovendien moesten de debiteuren van prolongatieposten nog 1 per mille per maand betalen aan den commissionnair in effecten. Het crediet kwam dus in de eerste weken van Augustus aan de debiteuren op meer dan 10 pct. per jaar te staan. Dat was inderdaad veel te hoog, zelfs de omstandigheden in aanmerking genomen. Van verschillende zijden ontving de Regeering daarover klachten en in de pers werd op deze groote schaduwzijde van de hulp, welke aan de credietbehoevenden werd verleend, met meer of minder scherpte de aandacht gevestigd. Dit gaf mij aanleiding tot het houden van eenige besprekingen zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met den president van de Vereeniging voor den Geldhandel. Bij den laatste werd met goed gevolg aangedrongen op verlaging van het rentesurplus van 2% dat boven de bankrente geëischt werd.

Minder gemakkelijk ging het de directie van de Nederlandsche Bank tot verlaging van haar renteberekeningen te bewegen. Zij stelde zich op het voor normale omstandigheden volkomen juiste standpunt, dat zij in haar rentepolitiek vrij moest zijn en zich niet kon noch mocht laten leiden door overwegingen, ontleend aan de rente, welke voor beursoperaties of voor andere credietzaken door particuliere bankiers of commissionnairs wordt berekend. Het spreekt wel van zelf, dat de Regeering dit standpunt van de Nederlandsche Bank in beginsel volkomen eerbiedigde. Een circulatiebank, die in de eerste plaats heeft te zorgen voor de volstrekte betrouwbaarheid van het door haar uitgegeven papier, heeft in het normale verkeer vooral rekening te houden met de fluctuaties in haar eigen goudvoorraad en met hetgeen vreemde circulatiebanken doen, hetzij om goud tot zich te trekken hetzij om voor tijdelijken overvloed van goud een uitweg te vinden. Voorts zal zij, ook in verband met hare moreele verantwoordelijkheid als centrale credietinstelling, vooral in crisistijd alles doen wat in haar vermogen is, om de speculatie in toom te houden of althans niet onwillekeurig aan te wakkeren.

In normale tijden nemen zulke overwegingen bij de directie der Nederlandsche Bank de allereerste plaats in en moeten zij dit doen. Maar met het uitbreken van den oorlog werden de omstandigheden op eenmaal geheel abnormaal, ook voor de Nederlandsche Bank. Uitvoer van goud was overal verboden; overwegingen ontleend aan de goudfluctuatie waren dien ten gevolge uitgeschakeld. Het hoog houden der rente ter beperking van de speculatie was bovendien in deze crisis niet noodig. Beursspeculaties waren uitgesloten, omdat er geen beurs werd gehouden, en voor zoover er crediet werd verleend, werd er, grootendeels met dagelijksche medewerking van de Nederlandsche Bank zelf, voor gezorgd, dat dit slechts zou geschieden voor de reëele behoeften van handel, landbouw en nijverheid en dat credietoperaties met speculatieve oogmerken niet in aanmerking zouden komen.

Daarentegen was de Nederlandsche Bank in de crisis, veel meer nog dan in normale omstandigheden, het middelpunt geworden van het geheele credietwezen, en leidde dit er o.m. ook toe, dat over heel de linie de bankrente de leiding kreeg. Dit was een even onvermijdelijk gevolg van den toestand als de groote tijdelijke concentratie van het credietwezen zelf. Maar dit bracht voor de Bank de verplichting met zich, andere overwegingen bij de vaststelling der door haar te berekenen rentevergoedingen te doen gelden, dan waaraan zij gewoon is in de eerste plaats waarde te hechten. Zoo iets kost bij een veelhoofdige directie altijd eenige moeite. Bij mijne besprekingen met den president van de Nederlandsche Bank werd vooral op die groote verandering in den toestand door mij de nadruk gelegd, alsook op de fundamenteele wijzigingen in de overwegingen van de Nederlandsche Bank bij de bepaling van haar rentepolitiek, welke daarvan, zoolang de toestand op de credietmarkt bleef, gelijk hij in Augustus 1914 was, het noodzakelijk gevolg moesten wezen. In principe bestond daarover tusschen den heer Vissering en mij niet veel verschil van gevoelen, maar de president van de Bank was wat huiverig voor de aanvaarding van de consequenties, waartoe afwijking van de gewone regelen zou kunnen leiden. Intusschen kostte het niet veel moeite het Bankbestuur tot zijn eerste renteverlaging te brengen, welke den 14den Augustus plaats had en welke 12 pct. bedroeg voor beleeningen en voor voorschotten in rekening-courant. Meer overredingskracht was noodig om haar over te halen tot de tweede verlaging, welke op 20 Augustus volgde en een vol procent over de geheele lijn bedroeg. De rente voor beleeningen was daarmede teruggebracht tot 5% en die voor voorschotten in rekening courant tot 512%.

Nog voordat op grond van de Beurswet de bepaling der prolongatierente in handen van den Minister van Financiën was gesteld, was de Vereeniging voor den Effectenhandel er toe overgegaan, daarvoor het surplus van 2% boven de bankrente in te trekken en, zooals ik reeds opmerkte, had de Vereeniging voor den Geldhandel de marge van 2% voor de door haar bemiddeling afgesloten wordende posten reeds spoedig verlaagd. Ten gevolge van een en ander was de crisis-rentestand in het eind van Augustus tot omstreeks 612% gedaald. Dit gaf mij aanleiding, mij bij de behandeling der Beurswet, zoowel in de schriftelijke stukken als bij de mondelinge beraadslagingen, te verzetten tegen een uit de Tweede Kamer gekomen wensch, dat de Minister van Financiën, zoolang die wet zou gelden, in het algemeen bevoegd zou zijn een maximale rente vast te stellen voor nieuwe credietoperaties. Naar aanleiding van dien wensch en van het door mij daartegenover ingenomen standpunt, werd in het Verslag over de besprekingen tusschen de Commissie van Rapporteurs en mij geschreven: „Voor vordering van hooge renten behoefde naar de meening des Ministers niet gevreesd te worden. Wel is waar werden voor eenige weken hooge renten voor beleeningen gevergd, maar al zeer spoedig zijn, ofschoon er geen wettelijke dwang mogelijk was, die renten tot een in de bestaande omstandigheden matig te achten bedrag teruggebracht.”

Later was bemoeiing van de Regeering met rentebepalingen, buiten de uitvoering der Beurswet, niet meer noodig. Hiertoe heeft zeer medegewerkt de in den loop van 1915 voortdurend toegenomen ruimte van geld. Deze heeft van zelf ook ten gevolge gehad, dat de particuliere banken veel minder op de Nederlandsche Bank behoefden te steunen dan in de eerste weken der crisis en dat de door hen berekende rentevergoedingen konden worden losgemaakt en feitelijk los werden van de bankrente. Reeds in de laatste maanden van 1914 begonnen in den geldhandel meer gewone toestanden terug te keeren. Die beweging heeft zich in 1915 zeer geaccentueerd.

Nog een oogenblik moet ik thans stilstaan bij de uitbreiding der circulatie van bankbiljetten als gevolg van de crisis. De automatische centraliseering van het credietwezen bij de Nederlandsche Bank leidde bij het uitbreken der crisis tot een even plotselinge als ongekende verhooging van de vraag naar bankbiljetten. Op 25 Juli 1914 stond een bedrag aan bankpapier uit van ƒ 310 millioen, op 7 Augustus was dit reeds toegenomen tot ƒ 461 millioen. De reserve aan biljetten bij de Bank was op zulk een ongekende verhooging van de vraag niet berekend. Met groote snelheid werden daarom hulpbiljetten aangemaakt en in omloop gebracht, die later weer door gewoon bankpapier zijn vervangen. De bankbiljetten-circulatie is echter niet slechts in de eerste crisisweken toegenomen, zij is in den oorlogstijd voortdurend stijgende gebleven en bedroeg op 31 Maart 1916 reeds meer dan ƒ 600 millioen. Het is evenwel minder juist hier te spreken van biljettencirculatie. Voor een niet onbelangrijk deel, dat wel niet ver van de ƒ 200 millioen zal afwijken, is de ongekend groote uitgifte van bankbiljetten niet te verklaren uit grootere behoefte aan ruilmiddel dan onder normale omstandigheden, maar uit het vasthouden en wegbergen daarvan. Met de bankbiljetten is het gegaan als met het zilvergeld; een groot gedeelte daarvan is opgepot. Of dit alleen moet worden beschouwd als een uiting van een nog niet geheel overwonnen gevoel van onzekerheid, dan wel of de terughouding ook aan speculatieve overwegingen moet worden toegeschreven, is moeilijk te zeggen. Bij de vasthouding van bankbiljetten zal speculatieve overweging, vooral het gereed staan, als eens bij den vrede groote veranderingen zullen komen in de conjunctuur, een grootere rol spelen dan bij het wegbergen van zilvergeld. Ook dragen zoowel de welvaart, welke de oorlog speciaal onder de boeren gebracht heeft, als de vrees voor het bekend worden van gemaakte oorlogswinsten daartoe bij.

Ware het bedrag aan uitstaande biljetten niet zoo buitengewoon groot geweest en gebleven, dan zou langzamerhand de toestand zich wat de metaaldekking betreft, zoodanig gewijzigd hebben, dat die dekking in stede van beneden 40% te dalen, zooals in den aanvang het geval was, tot zelfs boven 100% zou zijn gestegen. Nu is zij, ondanks de groote uitzetting van de bankbiljettenuitgifte, toch tot bijna 80% geklommen. De groote goudtoevoer is een zoo merkwaardig verschijnsel in het totaal der invloeden van den oorlogstoestand op de economische omstandigheden en wijkt zoozeer af van de vrees voor wegstrooming van goud, die in den aanvang moest worden gekoesterd, dat ik er niet stilzwijgend aan mag voorbijgaan. Hij staat in nauw verband met de groote depreciatie der buitenlandsche valuta tegenover den Nederlandschen gulden, of anders gezegd, met de groote waardevermeerdering van den Nederlandschen gulden tegenover bijna alle buitenlandsche munteenheden in het internationaal verkeer. Beide verschijnselen hebben tot dieper liggende oorzaak de toeneming van Nederlandsche vorderingen op het buitenland, voortspruitende uit verkoop van goederen en van effecten en uit het vervallen van coupons en dividenden van buitenlandsche fondsen, zonder dat die vorderingen door voldoenden verkoop van goederen en effecten uit den vreemde aan Nederland werd gecompenseerd.

Op het Nederlandsch effectenbezit heeft de oorlog in verblijdenden zin gewerkt, in zoover dat een groot deel van de Nederlandsche fondsen, die vóór den oorlog door buitenlanders werden bezeten, naar Nederland zijn teruggevloeid en dat daartegenover veel Amerikaansche fondsen in verband met de groote rijzing daarvan zijn uitgestooten. Daardoor is het belang van de Nederlandsche effectenbezitters bij buitenlandsche ondernemingen kleiner, dat bij Nederlandsche ondernemingen grooter geworden. Mocht dit leiden tot eene blijvende verlevendiging van de belangstelling onzer beleggers in Nederlandsche waarden, dan zou dat een onvermengd voordeel zijn.

De beweging, waarop ik wees, heeft eenerzijds den gulden tegenover den dollar gesteund en er toe medegewerkt, dat de dollar zelfs gedeprecieerd werd, anderzijds de depreciatie van de andere buitenlandsche valuta, inzonderheid van de mark en de kroon eenigszins tegengehouden. Voor verhindering van die depreciatie was de aangewezen factor in het internationaal economisch verkeer in den oorlogstijd bij lange na niet sterk genoeg. Ook de invoer uit den vreemde van enkele hulpstoffen van nijverheid en landbouw, zooals steenkool, kunstmest en dergelijke, was daarvoor niet voldoende. Ware de effectenverkoop naar Amerika niet zoo levendig geweest, dan zou afstand van goud aan Amerika, vooral in verband met de groote aankoopen van graan door de Regeering, niet hebben kunnen uitblijven. Nu kwam zelfs van daar goud naar ons land. De groote toevloeiing van dit edel metaal kwam uit de oorlogvoerende landen, Duitschland en Oostenrijk vooraan, ondanks de credieten welke beide landen hier afsloten om de depreciatie hunner valuta zooveel mogelijk tegen te gaan. Wel was er overal, behalve in Amerika, verbod van gouduitvoer, maar ten gevolge van de aankoopen vooral van land- en tuinbouwproducten in ons land, zonder dat een eenigszins daarmede equivaleerende verkoop van goederen daartegenover stond, was men tegen wil en dank wel verplicht uitzonderingen daarop toe te laten om te verhoeden, dat de waarde van de eigen munt tegenover die van den gulden nog meer zou vallen en daardoor hetgeen men, gedwongen door de omstandigheden, hier koopen moest, dus nog duurder zou te staan komen. De economische aantrekkingskracht voor goud van het groote agio van den Nederlandschen gulden bleek sterker te zijn zelfs dan wettelijke uitvoerverboden. Dit is vooral hierom merkwaardig, omdat men in de oorlogvoerende landen, inzonderheid in Duitschland, zich alle denkbare moeite gaf om, ter versterking van de financieele positie van het land, een zoo groot mogelijken goudvoorraad in de kelders der centrale circulatiebank bijeen te zamelen en te bewaren. De goudtoevloeiing naar ons land bewijst hoe economische krachten, al worden zij nog zoo aan banden gelegd, door staatswetten slechts tot zekere grenzen in toom gehouden kunnen worden.

§ 2. Het middenstandscrediet.

Onder de bevolkingsgroepen, die door het uitbreken van den oorlog zeer werden bedreigd, neemt de kleine handeldrijvende en industrieele middenstand een eerste plaats in. Deze klasse van personen werd van twee kanten getroffen. Door den schok welken het geheele economische leven ontving, verminderde zoowel de koopkracht als de kooplust van een groot deel der bevolking. Dit kon niet nalaten den middenstand te treffen, vooral diegenen onder hen, die onder het volk afname hunner producten vonden, alsmede hen, wier waren in meerdere of mindere mate onder de weeldeartikelen gerangschikt kunnen worden. Bovendien leden zij onder de groote credietcrisis. Als gevolg daarvan konden zij veelal slechts contant betrekken, wat zij onder normale omstandigheden tegen betaling na één of meer maanden hadden kunnen afnemen, terwijl vooral in den eersten tijd hunne vorderingen niet of uiterst slecht binnenkwamen. Hun toestand was door de samenwerking dezer ongunstige oorzaken in den aanvang der crisis bijzonder hachelijk. Aan de eerste dier oorzaken viel rechtstreeks niets te verhelpen; alleen mocht worden verwacht, dat de middenstand er de gunstige terugwerking van zou ondervinden, als het mocht gelukken door het samenstel van maatregelen, welke de Regeering in overleg en in samenwerking met verschillende particuliere personen en organisaties nam, den algemeenen economischen toestand te verbeteren. Die verwachting is uitgekomen. Ook heeft de kleinhandel in sommige weeldeartikelen zich zelfs opmerkelijk snel hersteld als gevolg van het ontstaan van een groep oorlogswinsttrekkers, die, zooals dat met „nouveaux riches” gewoonlijk het geval is, behoefte hadden hun welstand ook uiterlijk ten toon te spreiden. De vermindering der werkloosheid als gevolg van de verbetering der conjunctuur, waartoe ook de verschillende maatregelen, welke op die vermindering gericht waren, het hunne hebben bijgedragen, kwam wat later ook aan den middenstand in de volksbuurten ten goede. In de Nota over den Economischen Toestand in het begin van het jaar 1916 kon dan ook worden vermeld: „De toenemende koopkracht van een groot deel van het publiek oefende een gunstigen invloed uit op den gang van zaken in het winkeliersbedrijf. Dit gold voornamelijk de winkels, die de meer gegoede kringen bedienen. De vermindering der werkloosheid verbeterde den toestand der kleinere winkeliers, die vooral in de eerste maanden der crisis met ernstige moeilijkheden te kampen hadden.” Maar in de Nota betreffende dien toestand in Juli 1915 moest toch nog geschreven worden: „De slechte toestand in tal van groote steden heeft een nadeeligen invloed op den kleinen winkelstand aldaar, die met moeite het hoofd boven water houdt.”

Het lag dus voor de hand dat de Regeering, die overal had te helpen en te steunen om de zaken op gang te houden, ook den handeldrijvenden en den industrieelen middenstand niet vergeten mocht. Trouwens reeds aanstonds bij het begin van de crisis stegen noodkreten uit de organisaties van den middenstand op en namen deze gelukkigerwijze zelven het initiatief om althans in de credietbehoeften der winkeliers te voorzien. De Vereeniging voor den Geldhandel kon deze categorie van handeldrijvenden niet helpen; zij toch verlangde als waarborg voor hare credieten zakelijk onderpand: beleening van effecten, goederen, gronden, gebouwen of grossen van hypotheken. Onder de middenstanders, die crediet noodig hadden, waren velen hierdoor van de hulp die de „Geldhandel” verleende, reeds van meet af aan uitgesloten. Wel werden enkelen geholpen; de meesten echter zouden zich niet eens hebben durven aanmelden bij zulk een lichaam, dat aan de vele credietbehoeften der middenstanders, die bijna altijd kleine bedragen betroffen en wier onderzoek zeer tijdroovend was, ook met den besten wil niet had kunnen voldoen. Hier moest dus op andere wijze raad worden geschaft. De stoot daartoe ging van Amsterdam uit. Het eerste verslag van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank verhaalt haar eigen ontstaan in de volgende woorden:

„Op 6 Augustus 1914 werd op eene door de Algemeene Winkeliersvereeniging te Amsterdam uitgeschreven vergadering overlegd, welke maatregelen men zou kunnen nemen. Op deze vergadering werd op krachtige wijze de wensch naar afdoende hulp aan den middenstand geuit en werd onverwijld naar den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die tezelfder tijd over de te nemen maatregelen confereerde met de Vereeniging voor den Geldhandel, Dr. D. Bos en den Voorzitter van den Middenstandsbond, een telegram gezonden, om aan te dringen op het nemen van doeltreffende maatregelen.

„Ter genoemde conferentie bleek men er van doordrongen, dat het oogenblik was gekomen om afdoende maatregelen te treffen ter regeling van het middenstandscrediet.

„De Regeering bleek bereid den steun, dien zij in den vorm van subsidie van ƒ 10.000.- per jaar tot nog toe aan het middenstandscrediet verleende, te verhoogen en ook de Vereeniging voor den Geldhandel verklaarde zich bereid, na overleg omtrent de te nemen maatregelen, steun te verleenen.

„Een Commissie van voorbereiding onder leiding van Dr. D. Bos nam op zich het ontwerpen van de grondslagen, waarop een goede organisatie zou moeten worden gebaseerd. De samensprekingen te dien einde gehouden met de Nederlandsche Bank en de Vereeniging voor den Geldhandel en eenige vooraanstaande middenstanders, leidden ten slotte tot de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstands-Credietbank. De akte van oprichting werd verleden op 19 September 1914. Het kapitaal bedroeg ƒ 1.000.000.-, waarvan ƒ 200.000.- geplaatst. Verschillende particulieren en groote bankinstellingen gaven door deelname in het kapitaal blijk van hun belangstelling in de zaak van het middenstandscrediet. De Regeering zegde toe te bevorderen, dat voor het jaar 1915 de jaarlijksche subsidie ten behoeve van het Middenstandscrediet tot ƒ 50.000.- zou worden verhoogd, en nam evenals de Vereeniging voor den Geldhandel een zekere garantie voor de Instelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank op zich.

„Met de Instelling is beoogd in ’t leven te roepen een centraal punt voor alle middenstands-credietbanken in den lande. Van haar zal uitgaan een krachtige propaganda ten einde zoo spoedig mogelijk een net van middenstandscredietbanken over het geheele land tot stand te brengen. Zij zal bij de inrichting en ontwikkeling dezer banken organiseerend optreden en leiding geven. Zij zal leiding geven aan pogingen om door het oprichten van inkoop-, verkoop- en productie-vereenigingen den economischen toestand van den Middenstand te verbeteren. Verder is het hare taak de aangesloten banken en instellingen van het noodige crediet te voorzien.”

De garantie der Regeering bestond in een borgstelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank van 50% van de promessen, welke zij van de aangesloten middenstandsbanken in beleening nemen zou tot een—later verhoogd—maximum van één millioen. Ook de Vereeniging van den Geldhandel nam tot 1 Januari 1916 een garantie tegenover de Nederlandsche Bank op zich.

De oprichting werd eveneens door enkele groote banken zooals de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de Amsterdamsche Bank, de Rotterdamsche Bankvereeniging en de Twentsche Bankvereeniging gesteund; de heeren Van Aalst en Mr. F. S. van Nierop namen zitting in het college van commissarissen, daarmede aan hun sympathie met de nieuwe instelling openlijk uiting gevende. Dr. Bos, die steeds met de middenstandsbeweging in nauwe betrekking had gestaan, die ook als voorzitter van de Staatscommissie tot onderzoek van de toestanden in den middenstand van diens nooden en behoeften bijzonder op de hoogte was en die een zeer groot aandeel had in de totstandkoming van de Algemeene Centrale Middenstandsbank, nam het voorzitterschap van het college van commissarissen op zich. De dagelijksche leiding werd in handen gegeven aan bekwame en beproefde voorstanders van de credietcoöperatie voor den middenstand, onder wie in de eerste plaats is te noemen de heer M. H. G. F. Fiedeldy Dop, een der van ouds bekende figuren in de middenstandsbeweging. Met ijver en niet zonder succes werd propaganda voor de zaak gemaakt. De Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank wist op slechts enkele uitzonderingen na de bestaande middenstandsbanken te bewegen, zich bij haar aan te sluiten. Vele nieuwe middenstandsbanken werden opgericht. Op 31 December 1915 waren 72 banken bij haar aangesloten, waarvan ongeveer de helft sedert haar oprichting was tot stand gekomen. Op dien dag beliep het uitstaand crediet der bij haar aangesloten banken ongeveer ƒ 5 millioen, verstrekt aan ten naastenbij 3500 credietnemers. Toch bleef een groot deel der credietbehoeften van den middenstand onbevredigd.

Dit is aan velerlei oorzaken toe te schrijven. In de eerste plaats moesten de bij de Algemeene Centrale aangesloten banken in hare statuten opnemen, dat geen credieten zouden worden verleend dan tegen persoonlijke of zakelijke zekerheid. Hoewel de opneming van deze bepaling getuigde van voorzichtig beleid en noodig was, werd hierdoor toch een breede schare van middenstanders uitgesloten, vooral omdat onze wet verpanding van voorraden zonder dat zij uit het bezit van den pandgever gaan, niet kent. Voorts staat het middenstandscrediet in financieele kringen niet àl te zeer in aanzien. Vooral de banken in de provincie vreezen daarvan concurrentie, hoewel over het algemeen de zaken, welke zij met middenstanders zouden kunnen doen, zelfs als de credietwaardigheid van deze credietzoekenden voldoende zou vaststaan, elk op zich zelf van te weinig beteekenis zijn, om voor hen aantrekkelijk te wezen. Jammer genoeg is het ook niet te ontkennen, dat er middenstandscredietbanken zijn, die zich niet gehouden hebben binnen hun terrein en die, door tevens als gewone effecten- en geldhandelaars op te treden, den bankiers in de provincie rechtstreeks concurrentie aandeden. Doch daarnaast ligt de geringe sympathie van de financieele wereld in de credietcoöperatie zoowel van den middenstand als van den landbouw, in de neiging van onze bedrijfscoöperators om hunne aansprakelijkheid te veel te beperken. Dit is inderdaad een groot gebrek. Ook de Nederlandsche Bank is terecht weinig geneigd promessen van een coöperatieve bank te disconteeren, wanneer de aansprakelijkheid harer leden bij de statuten te zeer beperkt is.

Bij de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank stond men onmiddellijk voor deze moeilijkheid. Stelde men de aansprakelijkheid te ruim, dan zou men geen deelnemers vinden; stelde men haar te eng, dan zou men in financieele kringen niet voor vol worden aangezien en zou de Nederlandsche Bank bezwaar maken, het papier der middenstandsbank te disconteeren. Ter oplossing van deze moeilijkheid heeft men een uitweg gekozen, die wel goed bedoeld, maar weinig practisch was.

Er moest echter rekening worden gehouden met de voorwaarde, die de Nederlandsche Bank en dientengevolge ook de Vereeniging voor den Geldhandel ten aanzien van dit punt aan haar bereidwilligheid tot medewerking verbonden. Daarbij legden zich de oprichters, zij het ook noode, ten slotte neer. Voor de Regeering was er toen geen aanleiding plus royaliste te zijn que le roi. Die conditie toch was zeker bevorderlijk voor de credietwaardigheid der middenstandsbanken, al belemmerde zij haar ontwikkelingsvatbaarheid.

De voorwaarde, waarop ik doel, bestaat hierin dat de bij de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank aangesloten banken in hun statuten moesten opnemen, dat alle credietnemers zich aansprakelijk zouden stellen niet alleen voor de voldoening aan hun eigen verplichtingen, maar bovendien nog tot een bedrag van 20% boven het hun verleende crediet, voor eventueele verliezen door de bank te lijden. Wanneer zulk een verplichting gesteld was telkens voor een kleine groep van elkaar persoonlijk kennende credietnemers, die elkander beoordeelen kunnen, zou daartegen niet het minste bezwaar zijn geweest. Het onderling voor elkaar instaan door kleine groepen van personen, die elkander niet vreemd zijn, is zelfs de kern der crediet-coöperatie. Daarin ligt het geheim der ontwikkeling van de landbouw-coöperatie, welke, omdat zij dorpscoöperatie is, onderlinge aansprakelijkheid vraagt en vragen kan van personen, die door het enkele feit, dat zij dorpsgenooten zijn, elkanders betrouwbaarheid en draagkracht beoordeelen kunnen. Verbindt men daarentegen als voorwaarde aan een credietverleening, dat de credietbehoeftige behalve voor zich zelven bovendien tot een bedrag van een vijfde van het hem verleende crediet nog er voor zal instaan dat anderen, die hij niet kent en van wie hij niets weet, hunne verplichtingen ook zullen nakomen, dan loopt men gevaar juist hen af te stooten, wier medewerking men voor een goede crediet-coöperatie in de eerste plaats noodig heeft, en houdt men, in het algemeen genomen, vooral hen over, die niet te zwaar denken over verplichtingen, welke zij op zich nemen, of die elders niet terecht konden en die nu van den nood een deugd maken. Zal de crediet-coöperatie van den middenstand tot bloei willen komen, dan zal zij zich van die haar in hare ontwikkeling ernstig belemmerende bepaling moeten weten los te maken, zonder aan de waarborgen, welke zij aan de Nederlandsche Bank bieden moet, tekort te doen.

Maar zelfs al gelukt haar dit, en al zou er van den beginne af een regeling zijn getroffen die de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank niet in haar groei belemmerd had, dan zou zij toch de kleine middenstanders niet hebben bereikt. Misschien zullen ook zij langs den weg der coöperatie te helpen zijn, als deze zich in de middenstandskringen werkelijk zal hebben ingeburgerd; thans, nu het meerendeel der middenstanders nog vreemd, zoo niet vijandig daartegenover staat, zou het getuigen van kortzichtige voorbarigheid, daarvan heil te verwachten ook voor het kleine winkeliertje, en het kleine handwerksbaasje, die zelfs hun eigen zaak niet kennen en die verbaasd staan, als men hun vraagt of zij eenige, zij het nog zoo eenvoudige, boekhouding voeren.

Hetgeen door het gemeentebestuur van Amsterdam in overleg met de Algemeene Winkeliersvereeniging ter bevordering van het middenstandscrediet in de hoofdstad is gedaan, is meer aan de kleine middenstanders ten goede gekomen, al heeft het vooral het bouwbedrijf aldaar gebaat. Deze gemeente besloot tot een bedrag van ƒ 1.000.000 zich borg te stellen voor personen uit den middenstand, aan wie door de Credietvereeniging of door de Amsterdamsche Centrale Middenstands-Credietbank crediet werd verleend; doch alleen voor credieten, welke door Burgemeester en Wethouders, bijgestaan door een speciale commissie, waren goedgekeurd. Aangezien het plan van deze Amsterdamsche borgstelling ten behoeve van credietbehoevende middenstanders goed was in elkander gezet, besloot het Rijk, ten einde de uitvoering daarvan te bevorderen, de helft van de eventueele verliezen, welke voor de gemeente uit die borgstellingen zouden voortvloeien, aan haar te zullen vergoeden. Die maatregel, welke als crisis-maatregel bij uitnemendheid, zijn doel niet heeft gemist, is—gelijk ik opmerkte—in hoofdzaak ten goede gekomen aan de bouwers, maar toch zijn ook andere middenstanders en onder hen ook een aantal kleinere daardoor gebaat geworden.

Percentsgewijze is aan den kleinen middenstander nog eenigszins meer ten goede gekomen hetgeen de gemeente ’s Gravenhage deed. Zij gaf tot een bedrag van ƒ 100.000 een voorschot aan de Coöperatieve Middenstandsbank aldaar, met de bedoeling dat dit zou strekken voor credietverleening aan kleine middenstanders binnen de gemeente, die door deze middenstandsbank credietwaardig zouden worden geacht en die als gevolg van den oorlogstoestand een voorschot behoefden. Voor zoover dit hielp, was die hulp, evenals in Amsterdam, plaatselijk. Bovendien geeft het bedrag, dat door de gemeente ’s Gravenhage voor deze hulp werd beschikbaar gesteld, reeds aan, dat zij slechts op bescheiden schaal kon werken.

Toch mocht ook deze breede schaar van kleine neringdoenden en handwerksbazen, die geen of slechts onvoldoende zekerheid konden stellen, niet aan hun lot worden overgelaten, voor zoover zij door den oorlogstoestand in hun bedrijf waren of werden geschaad. Vooral in de gevallen, waarin de achteruitgang van den winkel of het bedrijfje rechtstreeks verband hield met de mobilisatie, doordien de kleine middenstander was opgeroepen voor den militairen dienst en zijn zaak had moeten verwaarloozen, had de Staat niet slechts aanleiding maar zelfs den moreelen plicht, de helpende hand te reiken, om het zaakje weer op de been te krijgen. Niettemin was deze categorie van middenstanders tot in het begin van het jaar 1915 om de zooeven aangegeven redenen feitelijk grootendeels buiten den van staatswege verleenden steun aan het middenstandscrediet gebleven en werden alleen zij, die er het slechtst aan toe waren, zooals in het vorig hoofdstuk werd medegedeeld[12], met kleine giften van het Kon. Nat. Steuncomité geholpen. Op deze leemte werd mijn aandacht gevestigd door de Koningin, in eene audiëntie welke Hare Majesteit mij in het laatst van Januari 1915 verleende en waarin Zij mijn oordeel over enkele economische toestanden en maatregelen vroeg. De vraag van de Koningin, mijn gedachten over deze zaak te laten gaan en Haar, zoo mogelijk, een plan van organisatie van een credietverleening voor te leggen, welke binnen het bereik zou liggen van de kleine en kleinste middenstanders, die onder den oorlogstoestand gebukt gingen, leidde tot het hieronder volgend rapport, dat ik op 1 Februari aan Hare Majesteit indiende en waarvan de opneming mij door Haar welwillend werd toegestaan.

[12] Zie bl. 142/3.

De tijd is gekomen om het noodige voor te bereiden ten einde, na het weer vlot raken van den door den oorlog in menig opzicht vastgeraakten toestand, een aantal onder de kleine ondernemers niet geheel weerloos te doen staan tegenover de gevaren, die hun van de alsdan te verwachten verschuivingen zullen dreigen. Wel is waar is de Europeesche vrede nog niet in het zicht en is er nog niet de minste zekerheid dat Nederland door den loop der omstandigheden, niettegenstaande het optreden der Regeering ter verzekering van onze onafhankelijkheid en van onze neutraliteit, niet toch in den grooten krijg zal worden medegesleept. Deze overweging mag er intusschen niet toe leiden, met het voorbereiden van de noodige weermiddelen tegen economischen ondergang van een aantal kleine ambachtslieden, neringdoenden en boeren te wachten, totdat omtrent den vrede en het lot van ons land in den thans woedenden oorlog zekerheid zal zijn verkregen.

Om gereed te zijn als de economische verschuiving bij den terugkeer tot normale politieke verhoudingen zal beginnen, moeten de vereischte maatregelen, vóór het zoover is, worden genomen. Ook hier geldt dat „gouverner c’est prévoir”. En mocht het verloop der gebeurtenissen zoodanig zijn, dat het onmogelijk wezen zou de beraamde maatregelen in toepassing te brengen, dan zal de daaraan ten koste gelegde arbeid toch wel door niemand als onnut worden aangemerkt.

Hetgeen te doen staat voor den tijd van het los komen van den economischen ijsgang is uit den aard der zaak verwant aan de steunbeweging, die zich uit het door H. M. de Koningin in Augustus 1914 genomen initiatief heeft ontwikkeld. Die verwantschap sluit echter niet uit, dat er wezenlijke punten van verschil zijn. Wel is uit de steunbeweging mede gegroeid, dat het Koninklijk Nationaal Steuncomité, in verbinding met de organisatie van de Directie van den Arbeid en onder de medewerking van personen en instellingen, werkzaam op de verschillende terreinen van het economisch volksbestaan, zich voortdurend op de hoogte houdt van de verschillende takken van nijverheid, handel en landbouw, en belanghebbenden zoowel als Regeering van advies dient omtrent den stand der verschillende bedrijven, de betrekking van de noodige grond- en hulpstoffen voor zoover die van elders moeten komen, de mogelijkheid van het vrij laten uitgaan of de noodzakelijkheid van het binnenslands houden der producten, omtrent de schommelingen in de arbeidsgelegenheid, in één woord omtrent het geheele verloop van het bedrijfsleven in dezen zoo bewogen en zoo bijzonderen tijd. Maar voor zoover het Koninklijk Nationaal Steuncomité meer is dan een adviseerend lichaam, bepaalt zijn werkkring zich er zoo goed als geheel toe, door tusschenkomst van de verschillende plaatselijke steuncomités wekelijksche toelagen in verschillenden vorm te geven aan die gezinnen en personen, die door den oorlogstoestand tijdelijk buiten staat zijn geraakt om in eigen onderhoud te voorzien. Hetzelfde geldt voor de plaatselijke steuncomités zelve. Trouwens het doel waarmede deze organisatie in de zoo moeilijke dagen van Augustus 1914 werd in het leven geroepen, was geen andere, en de taak die deze steunorganisatie heeft te verrichten, is bij uitstek zwaar en gewichtig, en haar werkkring, door het wegdringen van honger en ellende, bij uitstek zegenrijk.

Wat noodig zal zijn in den overgangstijd tot het economisch leven zich weer geheel in den nieuwen toestand zal hebben gevoegd, is ook wel te brengen onder het algemeene begrip steun, maar toch is hier een steun van gansch ander karakter van noode.

Hier geldt het aan kleine bedrijven, die door den oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt, hulp te verleenen bij het zich opwerken tot de te voren bereikte hoogte; en kleine nijveren, wier bedrijf onder dien toestand geheel te gronde ging, in staat te stellen van hun vakkennis en hun ervaring als kleinondernemer gebruik te maken en opnieuw een zaakje in de branche, waarmede zij vertrouwd zijn, te beginnen.

Hier gaat het dus niet om het verstrekken van wekelijksche of maandelijksche toelagen, maar om het verstrekken van kleine credieten voor oprichtings- en bedrijfskapitaal, voor zoover het nieuwe zaakjes betreft, voor aanvulling van verloren kapitaal, voor zoover betreft zaakjes, die niet zijn te gronde gegaan maar verzwakt.

Het terrein dat hier te bearbeiden zijn zal, levert zeker niet minder moeilijkheden op dan hetwelk door de steuncomités bestreken wordt. In de allereerste plaats zal het noodig zijn scherp te onderscheiden tusschen de kleine bedrijven die vóór den oorlog getoond hadden levensvatbaarheid te bezitten, maar door den oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt en die welke reeds te voren ten doode waren opgeschreven, maar welker einde door den oorlogstoestand alleen werd verhaast.

Het zou economisch verkeerd zijn en op een aaneenschakeling van teleurstellingen uitloopen, indien bij het werk dat hier te doen staat, niet zoo zorgvuldig mogelijk tusschen beide groepen van noodlijdende of omvergeworpen zaken werd onderscheiden. Hoe hard het in sommige bijzondere gevallen ook moge zijn, moet de tweede categorie van de hier bedoelde hulp streng worden buitengesloten. De eigenaars van zulke zaakjes moeten hun heil zoeken niet in vruchteloos pogen van nieuw leven te blazen in wat niet levensvatbaar is, maar in het aanbieden van hun dienst als leider, opzichter of arbeider in beter toegeruste en aan de economische eischen beter beantwoordende ondernemingen.

Echter zal men zich bij het maken van die schiftingen moeten wachten voor het te spoedig gereed zijn met zijn oordeel. Het is toch te verwachten, dat na den oorlog de economische bestaansvoorwaarden voor een aantal bedrijven zullen blijken belangrijk te zijn gewijzigd. Waarschijnlijk is, dat over het algemeen gesproken die wijzigingen zullen zijn in het voordeel van het grootere bedrijf en ten nadeele van de kleine zaakjes. Deze verschuiving zal zich echter niet in alle takken van bedrijf in gelijke mate voordoen en in sommige daarvan, zooals bijv. in land- en tuinbouw, wellicht in het geheel niet zijn te constateeren.

Maar deze meer algemeene verschuiving zal doorkruist worden door een aantal plaatselijke veranderingen, die voor bepaalde kleine ondernemingen gunstig kunnen zijn of den druk der algemeene beweging nog kunnen verzwaren.

Bij het oordeel over elk geval zal dus noodig zijn, dat het worde gevestigd onder medewerking niet alleen van deskundigen op het gebied van den bedrijfstak waartoe de aanvrager behoort, maar ook van personen, die de bijzondere voorwaarden, welke afhankelijk zijn van plaatselijke toestanden, beoordeelen kunnen. Bovendien zal het daarbij aankomen op de persoonlijke bekwaamheid en geschiktheid van den aanvrager. Het is toch lang niet uitgesloten, dat in bijzondere gevallen een zaak te gronde ging, omdat de voorwaarden waaronder zij gedreven werd, te ongunstig en te machtig waren om haar er boven op te houden, niettegenstaande de eigenaar daarvan de noodige eigenschappen bezit om onder minder ongunstige omstandigheden zulk een zaak met goed gevolg te kunnen drijven. In zulk een geval zou de aanvrager afgewezen moeten worden, als hij halsstarrig opnieuw onder dezelfde ongunstige omstandigheden als voorheen wilde beginnen, maar zou zijn aanvraag in gunstige overweging kunnen worden genomen, indien hij kon aantoonen, dat de zaak die hij wenscht te beginnen, onder betere voorwaarden zou worden gedreven.

Niet minder groot is de moeilijkheid bij het bepalen van de juiste oorzaak of de juiste oorzaken van het achteruit of te gronde gaan van de zaak van den aanvrager. Het is namelijk met zekerheid te verwachten dat de aanvragers, meerendeels te goeder trouw, den kwijnenden of verloopen toestand van hun zaak op rekening van den oorlogstoestand zullen schrijven, ook in die gevallen, waarin de oorlog daaraan geen of slechts in geringe mate schuld heeft.

Scherp zal de juiste oorzaak van den toestand in den regel wel niet zijn aan te wijzen. In het algemeen zal men zich met benaderende aanwijzingen moeten en kunnen tevreden stellen. Slechts in één categorie van gevallen zal het anders zijn, namelijk waar de achteruitgang of het te gronde gaan der zaak te wijten is aan het gedurende langen tijd ontbreken van het hoofd der zaak of van een der onmisbare medewerkers daarin, als gevolg van de mobilisatie.

Dat er in de laatstbedoelde categorie van gevallen aanleiding voor den Staat is, aan den wederopbouw van die zaken zijn steun te verleenen, behoeft nauwelijks betoog. Waar de eischen der landsverdediging het economisch bestaan van sommige hunner, die daarvoor beschikbaar moesten blijven, voor de toekomst in gevaar hebben gebracht, ligt het op den weg van den Staat dat gevaar zooveel mogelijk af te wenden. Zoolang niet gedemobiliseerd kan worden, wordt toch—voor zoover dat met de eischen der landsverdediging vereenigbaar is—met de eischen ook van het economische leven der bevolking rekening gehouden door het geven van langere verloven en tijdelijke ontheffingen van den dienst aan de militie- en landweerplichtigen wier afwezigheid uit hun bedrijf niet alleen hun eigen economischen toestand schaadt maar bovendien de bron van inkomst van een groot aantal andere gezinnen in de waagschaal stelt. Maar toch kunnen die verloven en ontheffingen slechts in beperkte mate worden gegeven. Zoolang de tegenwoordige toestand duurt, moeten de eischen der landsverdediging voorgaan boven de economische belangen van hen, die daaraan hebben deel te nemen. Dit moge in sommige gevallen hard zijn; het is niet anders. Maar hieruit volgt dat de Staat zich niet kan onttrekken aan den zedelijken plicht er toe mede te werken, dat de economische wonden die door de mobilisatie geslagen werden, zoo goed mogelijk zullen worden geheeld.

In de andere gevallen valt deze grond voor de medewerking van den Staat bij het pogen, het economisch verlies bij de te verwachten verschuiving tot een minimum te beperken, wel is waar weg. Maar er blijft toch over, dat het welslagen van dat pogen van groot algemeen belang is en dat de Staat uit dien hoofde zijn taak niet voorbij schiet, door tot dat pogen het zijne bij te dragen.

Wat nu de steun zelf betreft, die noodig is, deze is—zooals reeds met een enkel woord werd aangegeven—hier van gansch anderen aard dan de hulp, die door de steuncomités wordt verleend aan gezinnen en personen, die anders onder de buitengewone oorlogsomstandigheden gevaar zouden loopen noodlijdend te worden.

Hier gaat het bijna uitsluitend om steun door het vergemakkelijken van de gelegenheid tot het verkrijgen van crediet. Daarin ligt reeds opgesloten, dat zij die op deze wijze geholpen worden, geen giften maar voorschotten ontvangen en verplicht zijn rente en aflossing van die voorschotten uit eigen middelen af te doen.

Ware het nu zóó gelegen, dat er reeds voldoende gelegenheid voor den kleinen middenstand bestaat, zich het onder deze buitengewone omstandigheden noodige crediet te verschaffen, dan ware het noch voor particuliere instellingen noch voor den Staat noodig zich de zaak aan te trekken. Vandaar dat voor het grootbedrijf en voor het grootere middenstandsbedrijf geen bijzondere maatregelen beraamd behoeven te worden. Voor zoover de ondernemingen, die tot deze categorieën behooren, op gezonden grondslag rusten, kunnen zij—vooral na de uitbreiding welke de organisatie van het middenstandscrediet sedert Augustus 1914 heeft ondergaan—als regel op bevrediging hunner credietbehoefte door bestaande credietinstellingen rekenen.

Voor den kleinen middenstand bestaat echter geen organisatie van het credietwezen, die ook maar in de verte voldoende zijn zou voor de behoefte, welke in de naaste toekomst is te verwachten. Het is daarom noodig een organisatie, welke in die leemte voorziet, in het leven te roepen. Daarbij zal het gewenscht zijn, denzelfden weg te volgen, die in Augustus 1914 bij het organiseeren der steunbeweging bewandeld werd, namelijk zooveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande instellingen. Dat wil dus hier zeggen: bij bestaande credietinstellingen en wel inzonderheid bij credietinstellingen ten behoeve van den middenstand.

In de eerste plaats komt hier in aanmerking de in Augustus 1914 onder den drang der omstandigheden, met steun en medewerking der Regeering, opgerichte Algemeene Centrale Middenstandscredietbank, die reeds in sommige plaatsen nieuw opgerichte middenstandscredietbanken in hare organisatie heeft opgenomen en bij welke zich verschillende vroeger reeds bestaande middenstandscredietinstellingen hebben aangesloten. Voorts de R. K. Hanse, die—naar verluidt—zich nog niet bij de centrale Middenstandscredietbank heeft aangesloten, en de centrale instellingen van landbouwcrediet.

Daar deze verschillende credietinstellingen door hunne vertakkingen en verbindingen beschikken over deskundigen in de verschillende takken van bedrijf, alsmede over de telkens noodige plaatselijke kennis en over de middelen ter beoordeeling van de persoonlijke geschiktheid en bekwaamheid der aanvragers, kan langs dezen weg worden voldaan aan de eischen, die boven voor eene behoorlijke vervulling van de hier te verrichten taak werden gesteld.

Aangezien het middenstandscrediet zich niet behoorlijk kan organiseeren zonder de medewerking van de groote bankinstellingen en van de Nederlandsche Bank, ligt het voor de hand in de organisatie der credietverleening voor de buitengewone omstandigheden gedurende den economischen ijsgang na den politieken vrede, ook vertegenwoordigers op te nemen van de Nederlandsche Bank en van de Vereeniging voor den Geldhandel. Wegens het verband met de steunbeweging 1914 mag ook een vertegenwoordiging van het Koninklijk Nationaal Steuncomité niet ontbreken.

Wellicht zal het aanbeveling verdienen ook de drie vereenigingen voor den effectenhandel en de Vereeniging van directeuren van hypotheekbanken, alsmede de Vereeniging tot steun aan miliciens in de zaak te kennen.

Eindelijk is, waar geldelijke steun van den Staat voor het welslagen van de zaak onmisbaar is, een vertegenwoordiging van het Ministerie van Financiën noodig. Hiertoe schijnt ’s Rijks Thesaurier-Generaal het meest aangewezen.

De steun van het Rijk kan tweeledig zijn. In de eerste plaats zal het noodig zijn, dat de Staat—hetzij dan het Rijk alleen, hetzij het Rijk in combinatie met de in elk bijzonder geval daarbij belanghebbende gemeente—wanneer aan de voorwaarden voor de credietverleening is voldaan, het daadwerkelijke verleenen daarvan mogelijk maakt door een deel van het risico voor zijn rekening te nemen. Zonder deze medewerking van den Staat zou het bij plannen maken op het papier blijven en zou het risico voor particuliere instellingen, juist omdat het hier gaat om kleine en zelfs om miniatuur-bedrijven, te groot zijn om op toepassing op eenigszins ruime schaal te kunnen rekenen. Trouwens werd in Augustus 1914 in deze richting reeds gegaan, toen de toenmalige Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel na overleg met zijn toenmaligen ambtgenoot van Financiën aan de Centrale Middenstandscredietbank—behoudens bekrachtiging voor de wet—toezegde de helft van de door haar wegens credieten, in den oorlogstijd verleend, te lijden verliezen tot een maximum van één millioen gulden te zullen dragen.

Evenwel zal thans in die richting verder moeten worden gegaan. Het is in verband met den aard der credieten, die hier gegeven zullen moeten worden, zeer de vraag of de particuliere instellingen zelfs zóóver zullen durven gaan om de helft van het risico daarvan voor hare rekening te nemen. Er zal op moeten worden gerekend, dat zij dit niet zullen aandurven en dat de Staat zich bereid zal hebben te verklaren tot het dragen van „premier risque” tot een voor de verschillende categorieën van gevallen vast te stellen percentage, behoudens afwijking van dat percentage in bijzondere gevallen, waar daartoe een speciale aanleiding bestaat.

Doordien in geval van schade op een post de Staat voor het dragen geheel zou opkomen, zoolang het bedrag het vastgestelde percentage voor het „premier risque” niet zou overschrijden, zou dit het risico der credietverleenende instellingen zeer beperken en de kans op welslagen der zaak zeer verhoogen. Van de zijde van den Staat zal, ten einde een onbeperkte aansprakelijkheid te ontgaan, een maximum moeten worden gesteld, waarboven de toezegging tot het dragen van het „premier risque” niet zou gaan. Hierbij kan òf alleen een algemeen maximum gesteld worden òf daarnevens ook een maximum voor elken post. Dit behoort tot de nader te regelen punten.

Toevallig is er op het oogenblik een plan in voorbereiding tot stichting van een verzekeringsmaatschappij, waaraan de verschillende middenstandscrediet-instellingen deelnemen, en welke ten doel heeft de verliezen door die instellingen op bepaalde posten te lijden, onderling om te slaan. Waarschijnlijk zal het aandeel van den Staat in het risico der hier bedoelde credietverleeningen het eenvoudigst door tusschenkomst van die maatschappij zijn te regelen.

Door deze wijze van steunverleening zal de Staat niet alleen het aantal gevallen waarin aan credietaanvragen uit kleine middenstandskringen kan worden voldaan, aanmerkelijk vergrooten, maar tevens door indirect voor een deel het crediet van den Staat ter beschikking van die aanvragers te stellen, de voorwaarden waaronder het crediet wordt verstrekt, minder bezwarend voor hen maken.

De tweede wijze, waarop de Staat steun verleenen kan, bestaat in het geven van een bijdrage aan den credietnemer om hem te helpen in het opbrengen van rente en aflossing van het hem verleende crediet. Een overeenkomstige steun dus als volgens de woningwet, in sommige gevallen aan woningvereenigingen kan worden verleend. Het zal wel gewenscht zijn, ten einde dezen vorm van steunverleening eenigszins binnen de perken te houden, hem als regel alleen toe te passen op die aanvragers voor wie het zelfstandig opbrengen van het volle bedrag van rente en aflossing te zwaar is en wier bedrijf in het ongereede is geraakt door het vervullen van militie- of landweerplicht.

De wijze van werken van deze organisatie voor middenstandscredieten in verband met achteruitgang door den oorlogstoestand, kan men zich ongeveer als volgt voorstellen.

De commissie welke gevormd zal worden uit de vertegenwoordigers der bovengenoemde vereenigingen en maatschappijen benoemt een kleiner comité van beoordeeling, hetzij geheel uit haar midden hetzij met opneming ook van één of meer personen van buiten af.

De crediet-aanvrager wendt zich tot de middenstandsbank of boerenleenbank te zijner keuze, mits deze instelling deel uitmaakt van één der bij de organisatie aangesloten centrale lichamen. De bank onderzoekt de aanvraag op gelijke wijze als andere bij haar inkomende aanvragen worden onderzocht. Meent zij dat de aanvraag valt onder de categorieën, waarom het hier gaat, dan zendt zij die met de daaromtrent verzamelde gegevens en met een gemotiveerd advies, door tusschenkomst van de centrale instelling waartoe zij behoort, aan het comité van beoordeeling toe. Het comité onderzoekt 1º of de aanvraag valt onder een der categorieën waarvoor deze bijzondere organisatie is ingesteld en, zoo ja, 2º of en in hoever de aanvraag voor inwilliging vatbaar is en tot welk percentage de Staat zich bij voorkeur aansprakelijk kan stellen. Het brengt verslag van zijn onderzoek uit aan den Thesaurier-Generaal, die door den Minister van Financiën wordt gemachtigd uit zijn naam de borgstelling door den Staat te fiatteeren.

Zonder twijfel zullen in dezen opzet bij de nadere uitwerking op verschillende punten veranderingen komen. Ondergeteekende meent echter, dat daarin de hoofdlijnen der zaak voldoende zijn aangegeven, ter beoordeeling van de uitvoerbaarheid van het plan.

’s-Gravenhage, 1 Februari 1915.

TREUB,
Minister van Financiën.

Toen de Koningin mij had te kennen gegeven, dat Zij zich met mijne uitwerking van Haar denkbeeld kon vereenigen, werd het noodige gedaan om de verwezenlijking daarvan voor te bereiden. Daartoe moest in de eerste plaats met de Nederlandsche Bank overeenstemming worden verkregen over een regeling, waarmede deze zich zou kunnen vereenigen. Er werden door mij hoofdpunten voor de in het leven te roepen oorlogscrediet-organisatie voor den kleinen middenstand ontworpen en aan de Nederlandsche Bank ter beoordeeling toegezonden. Nadat als gevolg van de gedachtenwisseling daarover op enkele punten wijzigingen in het plan waren aangebracht, en het voorloopig was gereed gekomen, werd het aan de goedkeuring van Hare Majesteit onderworpen en verzocht ik Haar, evenals Zij bij de oprichting van het Kon. Nat. Steuncomité had gedaan, aan de zaak wijding te willen geven, door de constitueerende vergadering der te vormen organisatie met een korte toespraak te openen. Toen de Koningin zich daartoe bereid had verklaard en de dag, waarop die vergadering zou worden gehouden, was bepaald, werden alle organisaties, die geacht konden worden bij de zaak belang te hebben of daarin belang te stellen, opgeroepen tegen Zaterdag 13 Maart 1915. De uitnoodigingen tot de vergadering gingen uit van de Ministers van Oorlog, van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Financiën, van den president van de Nederlandsche Bank, den president van de Vereeniging voor den Geldhandel en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. De vergadering had plaats in de Rolzaal van het Gebouw der Grafelijke zalen. Zij werd behalve door de genoemde Ministers ook door den Minister van Marine en den Opperbevelhebber alsmede door een groot aantal andere belangstellenden bijgewoond.

Evenals bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité trad Hare Majesteit zonder gevolg de vergaderzaal binnen, waar Zij plaats nam tusschen den Minister van Oorlog en mij. Terstond nam de Koningin het woord tot het uitspreken van de volgende rede: