FANCY!!!

VAN FANCY AAN TINE.

Ik zweef in de buurt van Aldebaran, waar men geen brieven schryft aan Kiezers en Ministers; à bon entendeur salut! Ik ben van te goede familie om saemtewonen met iedereen. Als-i-zich betert, kom ik terug. Intusschen zal ik helpen door hem iemand te zenden. Vrees niet ... wacht tot nieuw-maan!

AAN TINE.

Beste Tine! Ik heb gister ’n genoegelyken avend gehad, en voel me veel beter. Voor ’n dag of drie zat ik te pruilen—heb ik u geschreven dat ik pyn in ’t hart voel?—ik zat te pruilen, en werd aangesproken door ’n artist. O, waren ’t artisten alleen, maar ieder spreekt my aan, en dit is heel vervelend. Gy weet dat ik een hekel heb aan “ieder”. M’nheer, is uwe Max Havelaar?” Ik ben er misselyk van! Lieve Tine, zoodra we geld hebben om te verhuizen, wou ik op Marken of Urk gaan wonen. Vindt ge dit goed?

’t Is wel zonderling dat ieder zich bemoeit met m’n zaken, maar dat niemand ’n hand uitsteekt om me recht te verschaffen. Daarby is my iets in den zin gekomen over publieke executien. Ik bedoel ’t aangapen. In de vonnissen staat: die man moet hangen ... goed! Neen, eigenlyk niet goed ... men moest nooit iemand ophangen. Dooh hoe dit zy, er staat niet in de vonnissen: die man moet, vóór ’t hangen, bekeken worden door Publiek. Dáártegenover zal ik my opponeeren, zoodra ik lid ben van die Kamer in den Haag. Straks zal ik m’n brief aan de Kiezers afmaken. Ik voel me wat beter.

Die man sprak me aan, en stelde voor naar Ristori te gaan.

Ik zei natuurlyk dat ik geen geld had. Daar hyzelf niet ryk was, bood hy aan m’n plaats te betalen, en dit vond ik goed. Gister avond haalde hy me af. Z’n meisje ging ook mee ... en daar zaten we!

Ristori speelde heerlyk mooi in een heerlyk stuk, dat wel leelyk wezen moest, want het was voor haar gemaakt als ’t byschrift naar ’n prentje. ’t Stuk is onwaar, de grootste fout die ik ken ... ja, de eenige fout in alles! Ge weet dat ik hiermee geen party trek voor ’n plat réalisme. Laat anderen dit maar denken. Ik heb geen lust nu een verhandeling te houden over waarheid in poëzie en kunst. Lees ’t maar na—’t ligt by dien roman in m’n koffer, by Fancy—maar ge weet dit alles wel, zonder dat ge ’t naleest.

Maar zie, de heele Ristori met haar maakstuk boezemde my niet zooveel belang in, als de verloofde van dien artist. Ze had iets dat me byzonder aantrok—ik geloof dat ze geleden heef—en bovendien ze vraagde heel hartelyk naar u. Dat nam me zoo in, dat ik aanhoudend op haar lette. Ze kende u uit dat boek over de koffi, en zei dat ze hoopte haren echtgenoot te wezen, wat gy voor my zyt. Ik wenschte dit niet, omdat daartoe veel ellende noodig is, die ’k haar liever spaarde, maar wel komt my voor, dat ze zich inderdaad flink-houden zou in tegenspoed. Daarby had ze iets kalms, iets rustigs, dat ook my kalmer maakte. Ik dacht aan Saul, en David’s harp. Doch ... Saul was gek. En ik? Zeker zou wat muziek ook my goeddoen ... maar geen orkest! Jammer dat muziek zoo duur is. Gaat ge veel naar ’t park? Hier wordt alleen gespeeld voor geld ... als alles hier.

Ik had grooten lust hoftemaken aan dat meisje, omdat ik iets leegs voel, maar die artist zal er tegen zyn, en zyzelf ook, denk ik. Ik heb haar niets byzonders hooren zeggen, maar ik voelde dat ze “hart” had, wat zoo vaak ontbreekt, en dit deed my goed. Ze heeft me verzocht u te groeten, en te zeggen dat ze u heel lief vindt, waarin ze groot gelyk heeft.

Ik kryg voortdurend allerlei brieven. Ik kan ze u niet alle zenden—’t is te duur—maar ’t wordt een kurieuse verzameling. Ooms en tantes die me uitschelden ... stiefmoeders: idem ... vaders: idem! Er schynt ergens ’n uitgever te zyn, die zich in ’t hoofd gehaald heeft dat ik “Minnebrieven” schryf, en die by hem laat uitgeven. Ik zal hem wat muziek aanraden. Maar sedert ’n paar dagen is er ’n nieuwe variëteit opgekomen in de familie van onbegrepen brieven. ’t Schynt dat Publiek nu gaat vertellen dat ik schatryk ben, en ieder vraagt me om—ge raadt het nooit!—ieder vraagt me om ... geld!

Geld ... neen, neen, ge begrypt het niet! ’t Is niet geld dat ik schuldig ben, o neen! onschuldig geld! Men vraagt me om geld als toen ik ...

O god, o god, Tine, waar is de tyd toen ieder ons vraagde om hulp, en toen wy ieder hielpen? O, dat is hard! Dat moest ik kunnen vergeten! Kunt ge ’t u nog voorstellen? Is ’t niet als ’n droom? Wat was ieder rijk, toen wy nog niet zoo arm waren! ’t Verlies van die weelde drukt me toch zwaarder dan ’t gemis vàn muziek.

Allerlei brieven om geld! Een arme kraamvrouw ... een verongelukte brik met nagelaten zwangere vrouwen ... een brand ... een dreigend bankroet ... een dykbreuk ... lust en roeping om ’n negotie te beginnen in aardappelen ... dood van ’n “kostwinner”—zóó noemen ze hier ’n echtgenoot en vader, Tine!—beenbreukige schildersknechts die van een stelling vielen ... Dat komt er van ... wat doen ze er op!

Ik moet weer m’n kamer uit: ik word weggeschilderd! Zeker zult ge ’t krabben hooren in ’t vervolg van m’n brief aan de Kiezers. Kan ik het helpen?

Allerlei brieven, ja ... behalve van den Minister die niet schryft.

Allerlei brieven om hulp! En weet ge wat zy zeggen? “Och, als ge geen geld hebt, schryf dan maar wat ... zet u even voor uw lessenaar ...

Als-of ik ’n lessenaar hàd. Tine! O, wat is dat wreed!

Hoe moet ik dat noemen van Publiek? Is dat ironie, is dat sarkasme, is dat hoon, of is dat ... domheid? Ik zou ’t laatste gelooven, maar kan dat toch niet over-eenbrengen met z’n wyze van doen in eigen zaken. Dáárin is hy zoo dom niet!

Ik schryven voor aardappelnegotie, of verongelukte brikken ... ik? Myn god, zyn wyzelf niet verongelukt ... zyn wyzelf niet verlegen om crediet voor wat aardappelen? Ik begryp er niets van.

En, let wel, als ik het deed, als ik schreef voor geld, om wat leniging te geven in den nood van anderen, zou diezelfde Publiek nog aanmerking maken op myn geschryf. Hy zou zich ’n oordeel aanmatigen, waarachtig!

En wat nòg erger is—ja dit is het ergst!—hy zou me gaan nàschryven! Dit idée benauwt me. Herinnert ge u dien man te Menado, die altyd den tienden van de maand, ’n denkbeeld voor den dag bracht, dat ik had uitgeslikt op den negenden? Zoo’n man was in-staat my van m’n denkbeelden af te brengen! Wat zagen die er gek uit, als hy ze aankleedde! En Tine, dàt zou Publiek ook doen, als ik schreef. Terstond zoudt ge overal grofheid ontwaren voor rondheid, platheid voor eenvoud, bombast voor poëzie, brutaliteit voor oprechtheid, razerny voor fantazie, naaktheid voor négligé, gekunsteldheid voor Kunst, kunst voor Natuur, en al zoo voort.

Goed schryven kan Publiek nooit, omdat-i geen ziel heeft, en niet leed, wat hetzelfde is. Ook ontbreekt hem de verwaandheid ... waarlijk, verwaand is-i niet! Daartoe is hy te bevreesd dat men hem aan ’t woord houden zou, als-i voorgaf wat te kunnen, te kennen, te weten, of te willen. Orgueil oblige. Hy teekent nooit zoo’n obligatie van den hoogmoed, uit vrees voor den vervaldag.

Ja, hy zou me nàschryven! ’t Ware om alle schoolmeesters dol te maken, en Siegenbeek te doen weeklagen—met één é—uit z’n graf! Weldra zou men “schildwacht” mannelyk maken, “kus” en “weemoed” vrouwelyk, en meer zulke dingen, die ik doe als me dat zoo in ’t hoofd komt ... omdat ik tuchteloos ben, goddank!

Ja, ze zouden dien heelen mannelyken en vrouwelyken winkel, die tot niets dient—aan ’n kant doen—en dit doe ik voortaan om te luisteren: hoe men goed spreekt, in-plaats van te zien: hoe men goed schryft, en dit zou geen bezwaar hebben, als we dan niet waren overgeleverd aan ooren ... ik stem voor Siegenbeek!

Heb ik u al gezegd dat ik weer bezig ben met Sanskrit? ’t Is heel aardig nategaan hoe we aan onze taal gekomen zyn. Ik heb veel vermaak in zoo’n studie die me wat afleidt, en dit heb ik noodig omdat ik moe ben. Bovendien, zoodra ik er wat meer van weet, wil ik my eens ernstig bemoeien met ons Hollandsch. ’t Is verdrietig te zien hoe de menschen alles bederven! Godsdienst—de wezenlijke, ditmaal, wordt theologie. Het Recht wordt “de rechten.” En de taal wordt in ’n kinderpakje gestoken voor ’t plezier van de schoolmeestery. Ik zal daaraan ’n eind maken, zoo-als aan meer wat me verveelt. Die dingen zullen toch niet steviger zyn dan Babylon, en ’t korset van Juffrouw Lannoy!

Nu keer ik terug tot m’n brief aan de Kiezers:

Ik heb getracht u te herinneren aan de waarde die gy in uw eigen belang, aan de Indische bezittingen behoort te hechten. Ik had u liever toegesproken in den naam der menschelykheid en rechtvaardigheid, maar omdat gylieden voor ’t meerendeel menschen van “zaken” zyt, vrees ik te zeer dat gy my zoudt aanzien voor ’n ideoloog, voor ’n onpraktisch mensch, voor iemand die geen verstand heeft van ’t “eene noodige.”

Ook heb ik u gewezen op de noodzakelykheid dat gylieden daarginder vrienden hebt, of althans dat die zwarten u niet volstrekt vyandig gezind zyn, en wel om te voorkomen, dat zy òf uit eigen beweging weigeren langer koffi en suiker voorttebrengen voor U, òf dat ze gemeene zaak maken met anderen, die zeer gaarne die koffi en suiker zouden laten planten voor zichzelf. Ik kan u verzekeren dat, noch in Engeland, noch in Frankryk, iemand zich verzetten zou tegen ’t ontschepen in de havens dier landen, van de ladingen die thans in Amsterdam en Rotterdam worden aangevoerd.

Ik wensch nu met u te berekenen, of de manier waarop die Oosterlingen door uw lasthebbers worden geregeerd, geschikt is tot het aankweeken van de vriendschappelyke gezindheid die gy behoeft, om u in die gewesten staande te houden, om daarna—ingeval uit ons onderzoek mocht blyken dat dit doel niet bereikt wordt—overtegaan tot het beschouwen van de middelen die u ten-dienste staan, tot het aanbrengen van verbetering in wat u minder goed voorkomt. Maar ... ik stuit alweer op de eenvoudigheid van m’n taak.

De Javaan wordt mishandeld! ik wenschte dat dit ware tegengesproken, of wel dat het onwaar was! In dit geval toch, zou ik, beter dan nu, kans zien u te overtuigen, want ik heb opgemerkt dat niets zeldzamer is, dan ’t achtslaan op bekende zaken. Het gaat hiermee als met de Christelyke liefde. Ieder kent het voorschrift: “heb uw naaste lief, enz. maar juist omdat het zoo banaal is geworden, schynt het opvolgen moeielyk te wezen, en men zou elken “naaste” die in vollen ernst zich op die uitspraak beriep, aanzien voor ’n dwaas. Zoo vrees ik nu ook, dat ge my niet zult gelooven—of althans dat ge niet zult handelen naar dit geloof—wanneer ik u zeg wat ieder toestemt: dat de Javaan mishandeld wordt.

Ik wil echter niet den schyn op my laden, alsof ik door het voorstellen dezer waarheid als ’n erkende zaak, my trachtte aftemaken van ’t bewys, en daarom zal ik u ’n paar bewyzen daarvan geven, schoon ’t my ’n verdrietig werk is. Want, Kiezers, we moesten vèrder zyn dan dat!

Na al de redeneeringen immers, die ge hebt kunnen aanhooren over de wyze hoe er verbetering moet worden gebracht in den toestand van ’t Nederlandsch Bestuur in Indië, is het wel eenigszins vervelend nu nog in ’t breede te betoogen: dat die toestand inderdaad verbetering behoeft. Vergunt my echter niet alle bewyzen hier aantehalen. Ik schryf ’n brief, en geen boekdeelen.