De arbeid van den Javaan zou, wat de hoofdzaak betreft, kunnen worden verdeeld in de volgende klassen:
Al deze soorten van arbeid werpen voordeel af, doch alleen de laatste klasse van bezigheid zou den Javaan zelf te-stade komen. De vyf eerstgenoemde kategoriën baten:
Hoe-meer nu de Javaan werkt, hoe-meer winst voor die personen, voor die Regeering, voor die natie.
De Javaan gehoorzaamt z’n Hoofden. Deze Hoofden hebben behoefte aan weelde en praal. Wie ’n hoofd te vriend heeft, kan diens ondergeschikte bevolking uitmergelen zooveel hy wil. Wie zoo’n hoofd betaalt—omkoopt!—kan zéker zyn, tiendubbel schadeloos gesteld te worden...
Welnu, Kiezers, gy die menschenkennis hebt, gy die te verstandig zyt om iets aan te nemen op gezag, gy die zoo op leugens gesteld zyt... ’t zal u zeker aangenaam verrassen, wanneer ik hier ’n leugen zeg, die ’k byzonder aanbeveel in uw hoogstverontwaardigd ongeloof:
Al die Landeigenaars zyn braaf. Al die Inlandsche Hoofden, edel. Al die Europesche Beambten, intègre. Al die Kontraktanten grootmoedig. Al die Partikulieren onbaatzuchtig. Dat Indisch Gouvernement is van hoogen zielenadel... en ’t schuld-afdoend Nederland bouwt spoorwegen van ’t batig saldo!