1 Gebed van den Onwetende, opgenomen in de Verspreide Stukken.

2 Misschien had hy Arria moeten raden.

3 De eerste uitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den Uitgever Günst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.

4 Zie de parabel van den goudmaker aan het slot van Idee 527.

5 Motto van den Havelaar.

6 Fancy citeert.

7 God, goden = woden, Wodan. De g en w worden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woord God nader aan wetten, dan dies aan jour, dat er toch van afkomt: dies diurnus, djur, djour. In den Sanskritwortel van ons woord wetten ligt de beteekenis van heiligheid, het goddelyk weten, het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben ’t moeilyk gemaakt.

8 Mensch komt van den Sanskrit-wortel man = denken.

9 De beteekenis van het woord dochter—in ’t Sanskrit: thugathêr is melkster.

10 Gune = vrouw.

11 Rock is ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger: rocks. Van hier ’t woord rokeeren.

12 Indaloes = Pertjah = Sumatra. Ik denk dat het een Beo was, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woord Beo (nababbelaar, naklapper) zou wel eens de rationeele wortel van Biologie kunnen wezen. Op gelyken grond heeft misschien: λὸγος ’t aanzyn aan ons: leugen geschonken. Zie ’t Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.

13 Konstantinopel.

14 Ben = zoon.

15 Idee, 527.

16 Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.

17 Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtal Minnebrieven van Kappellieden te moeten supprimeeren.

18 De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau van de Dageraad.

19 Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf! Touchante overeenstemming tusschen de modernen en de antieken.

20 Gesupprimeerd!

21 Gesupprimeerd!

22 Gesupprimeerd!

23 Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie die Fancy verbood uittegeven.

24 Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi! d.i. die honden van Hollanders vechten met drek! Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)

25 Noot van den heer Van Lennep. Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in de Keulsche kronyk fol. 325 geboekt is.

26 Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.

27 Wys my de plaats, enz.

28 Zoo heeft Buffon gezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.

29 Slaapkamerkostuum in Indië.

30 ’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.

31 Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen, mais le moindre grain de mil ... etc.

32 Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!

33 Gesupprimeerd!

34 (Noot van 1874). De heer Sloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.

35 (Noot van 1874.) Dit was de heer Pahud, dezelfde die na ’t verschynen van den Havelaar persoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. ’t Spreekt vanzelf dat daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men zie hierover ’t oordeel van den heer Veth in den Gids van Augustus ’60.

36 [Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans, na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheele Nederlandsche Natie—vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht—is medeplichtig aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.

37 Domine Francken.

38 [Noot van 1865.] Zegge vier jaren!

39 (Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laten aftrekken van myn weg—want dat is daarvan de vry duidelyke bedoeling—werd Havelaars eer nooit aangetast, zoover ik weet. Dit zou ook na ’t gebeurde heel zonderling wezen. Een troep schelmen te ontmaskeren—ik bedoelde in 1860 personen, nu: ’t nederlandsche volk—en daarna van die schelmen herstel van eer te ontvangen—c’est trop fort!

40 (Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.

41 (Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in ’t bestuur van Mettray, ’n instelling, nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor ’n oud-gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal dat Mettray goede resultaten geven!

42 [Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! De Max Havelaar verscheen in Mei 1860, en heden 14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoord is.

De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haar eer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeft gezag, invloed en geld,—ja, geld vooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen. Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?

Het is nu eenmaal waar, o brave Nederlanders, dat Havelaar ’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om, Havelaar is ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders, dit alles is de vraag niet! De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder de Konservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder de liberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...

Of Havelaar’s pruik zoo leelijk is, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst de zaken, Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.

Een beetje menschkunde, als ge die bezit! Kàn Havelaar wezen, zoo-als ’t belang der van Twisten en konsorten—d.i. de personen en cliques die hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?

Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat dat ge beter weet, en eerloos handelt uit lafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billyker zeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.

Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!

De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik niet klaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geen klacht, het is aanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.

Met Nederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van den Havelaar. Tegen Nederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen, myn onsterfelykheid!

43 (Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welsprekend aandrongen op recht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders den Max Havelaar wilden gebruiken als machine de guerre in hun partijgekibbel. Toen ik de beide cliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie ’t wèl meende met menschelykheid en rechtvaardigheid, bleek er dat niemand den moed had zich aan m’n zy te stellen. Indien ik de taele Kanaäns van ’t Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee 112).

44 Hanootzri = Timmerman.

45 (Noot van 1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.

46 (Noot van 1865.) Voorloopig heb ik op ’t Internationaal Congres, dat gehouden werd in het paleis des konings te Amsterdam, gezegd dat Nederland ’n roofstaat is. Men zie hierover Idee 534.

47 Deze man was Loerah = klein hoofd. Dáárom zeker nam men hem twee buffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verhalen op ’n ander.

48 Of Pasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»

49 Deze man was dorpshoofd.

50 De juiste verhouding van den veestapel in Lebak, tot dien van ’t distrikt Parang-Koetjang was op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te vermenigvuldigen met vier ... ’t is my wel, schoon men verkeerd zou doen. ’t Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op ’t cijfer van wat er onder hun bescherming wordt gestolen.

51 (Noot van 1865.) Bantam had voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking van Java was toen twaalf millioen.

52 (Noot van 1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer van duizend millioen guldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien in afschrik van onderzoek.

Welnu, ik blyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:

Welke fout ik maakte in m’n berekening?

Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?

Laat Duymaer van Twist toch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van één plichtvergeten Landvoogd te boeten?

Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening: den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.

Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uit Lebak, toch niet alle getuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo... ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom men vier jaar lang gezwegen heeft?

Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafd Europa kon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heer Dumonceau van Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.

Na my sprak de heer Rochussen ’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd dat Nederland veel voordeel trekt uit Indië, wat ik volmondig toestem. De Indépendance, in den verkeerden waan dat de heer Rochussen myn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede: un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die in Indië plaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van de ordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heer Povin van Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.

De heer Rochussen heeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister, wanneer hy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aan myn kant zou geweest zyn, en niet tegen my!

Ik blyf gelooven dat de heer Rochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aan Havelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indien hy gouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toen van Twist zich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”

Neen, de heer Rochussen zou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’t geloof om schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’n van Twist kan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee 527).

En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uit den Haag—de referendaris van Alphen, meen ik—met zeker élan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”

Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.

Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “die Havelaar zoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik. Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?

53 De hier bedoelde brief is die welke later in de Verspreide Stukken is opgenomen.

54 Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek, voor zooveel de hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt uit dat belang.

55 Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, en in casu diens vertrouweling was.

56 «Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»

57 Mr. P. Myer.

58 Zie hier wat prof. Veth hiervan zegt in den Gids van Augustus 1863.

«Sedert heeft Havelaar met de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels—want de Droogstoppels in Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië—hy is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.

«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een onderzoek naar de knevelaryen in het Regentschap Lebak plaats had, dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden werden afgezet?

«Primo: de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen worden, terwyl men de groote laat loopen.

«Secundo: dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog gesmoord te worden.

«Tertio: dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn, wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk reden tot klagen bestond, en by gevolg

«Quarto: dat Havelaar volkomen gelyk had.

59 Brief aan de Kiezers te Amsterdam, by J. H. de Ruyter.

60 (Noot van 1865) «Help ons hierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voor die zaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’n kollega zei: «help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen aan ’t geeselen van dien ander?”

61 (Noot van 1865). Ik citeer! Hoe ik denk over dien esprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’n Friesche courant lezende dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik ’n kordate Fries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat beweer ik te zyn—en ik zal ’t toonen—maar ’n Fries ben ik niet. Er is ’n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m’n votum weigeren aan ’n wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen gekozen te Schiedam.” Zie Leeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.