O, gy wien ’t inderdaad in deze zaak om waarheid te doen is, veroordeel de wyze niet waarop ik die waarheid trachtte te uiten. Bedenk hoe ik begon met de verklaring dat de kwestie over VRYEN ARBEID geen kwestie is. Bedenk dat er ’n eigenaardige betoogtrant vereischt wordt tot het bewyzen van zaken, die alleen daarom bewys noodig hebben, omdat ze gedurig—en met opzet!—worden gesteld in valsch licht. Men betoogt niet het bestaan der zon... men toont de zon. En waar dit niet baat, blyft ook den meest ernstigen beschouwer niets over dan de geesel van sarcasme.

Maar dikwyls ligt er droefheid in spot, en de vlym der satire wondt niet naar-buiten, voor ze ’t eigen hart griefde waarin die satire geboren werd. Jazelfs, waar dat hart goed is, moet er véél geleden zyn, en làng gedragen, voor dit laatste, maar scherpste, wapen zich keert naar uitwendigen vyand.

Zulke smart heb ik bedoeld, toen ik sprak van den “menschenvriend, die vurig belangstelt in het welzyn zyner medemenschen. Die beurtelings hoopt en vreest, by ’t gade-slaan van elke verandering. Die zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en van verontwaardiging gloeit, als hy ’t ziet wegdringen en vertrappen door wie—voor ’n oogenblik slechts, naar we hopen—sterker zyn dan schoone denkbeelden.”

Op die smart doelde ik by ’t aanhalen van “den wysgeer die van uit z’n cel aan ’t Volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken moet dat z’n stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary of gewinzoekende kwakzalvers.” Toen ik sprak van “SOKRATES, zoo bitter bedroefd by ’t drinken van den giftbeker, niet omdat hy dien ledigen moest, maar wyl hy zich ’n bederver der jeugd hoorde noemen, en ’n verachter der goden.”

Die droefheid heb ik bedoeld by ’t noemen van “den Christus die zoo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt dat het niet gewild heeft!”

“Zulke kreten van smart—vóór giftbeker of kruishout, heb ik gezegd—vloeien niet uit ’n ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn, dáár is ondervonden!”

En lezer, hebt gy ’t recht aanmerking te maken op den toon van iemand die tot u sprak op allerlei wys... en altyd te-vergeefs? Reeds in den Havelaar zeide ik, dat m’n boek zoo bont was wyl ’t ’n staalkaart wezen moest, opdat ik, die sedert jaren gezocht had naar den toon die verstaan wordt en begrepen, weten zou in ’t eind, hoe ik moest spreken om ingang te verschaffen aan de waarheid.”

Hebt gy ’t recht te klagen over wanklank, gy die zelf de snaren van m’n gemoed hebt ontstemd? Gy die de muziek myner ziel hebt beantwoord met nog snydender wanklank dan natuurlyk sarcasme, met ’n oneerlyk mengsel van gejuich en lauwheid, van niet verdienden smaad en verraderlyken lof?

Maar, ook vóór dien tyd... ik vraag u—en meermalen nog zal ik dit vragen—welke fouten van voordracht zyn er in den brief aan den afgetreden Gouverneur-Generaal, dien ik u te lezen gaf? Welk voorwendsel levert u dát schryven tot niet-begrypen, tot niet weten, tot weigering van rechtspraak? Wat antwoordt gy, als men na ’t lezen van dien brief vraagt: “zou ’t dan toch wáár zyn, dat andere zaken behoorden onderzocht te worden, dan de Vry-arbeiderskwestie waarmede men zoo lang reeds ons bezig-houdt? Zou ’t wáár zyn dat er ’n booze geest van bederf rondwaart, die z’n ziektegevenden adem heenblaast over onze huishouding in Indië? Zou ’t wáár zyn wat er staat in dien brief, die nooit weersproken is, en nog minder wederlegd? En wanneer dat alles waarheid is...

Ja, dat is de waarheid. En óók waarheid is de gevolgtrekking die hieruit onmisbaar voortvloeit:

er is verrotting in den staat, en de naam van die verrotting is LEUGEN.

Of meent ge dat er geen verband is tusschen de Havelaarszaak en de kwestiën van den dag! Dit verband is nauw, innig. Maar ’t is geen verband van eenheid of gelyksoortigheid... ’t is verband door tegenstelling.

De Javaan wordt mishandeld. De Havelaarszaak heeft aan die waarheid ’n lichaam gegeven, en een naam die tot de Geschiedenis behooren zal. Maar de “kwestiën van den dag” worden thans nog, als vóór den Havelaar, gebruikt om de hoofdzaak te bedekken, te verbergen, te smoren... dat is: om het volk van Nederland te bedriegen.

Daarom moest ik, vóór ’t behandelen der zaak die ik uitdrukte op den titel, beginnen met de aantooning hoe men opzettelyk vermeed de hoofdzaken te noemen, en tevens van de onwaardigheid dergenen die, tot spreken geroepen, zich voortdurend schuldig maken aan misdadig zwygen. Ik moest met ruwe hand—hoe kon het anders?—maskers van deftigheid afrukken, en hier-en-daar ’n opperkleed scheuren, dat in wyde magistrale plooien nietigheid bedekte—of dikwyls erger nog—MISDRYF.

Want leugen te geven, of leugen te steunen door zwygen, waar men geroepen is te spreken voor de waarheid, is misdryf.

Welk vertrouwen kan men schenken aan Ministers, Kamerleden, Dagbladschryvers, aan allen die zich moeien met de publieke zaak, wanneer ze by-voortduring met kunstmatige angstvalligheid vermyden die zaak te behandelen van den kant, waar ze het meest gevaar loopt? Welke oprechtheid, welke zuiverheid van bedoeling kan men veronderstellen in publieke mannen, die hun yver, hunne kunde, hun talent besteden aan ’t behandelen van de onderdeelen der volksbelangen—en dikwyls zelfs aan deze niet—terwyl ze met opzettelyk verzuim niet gewagen van de vreeselyke katastroof die het Volk te-gemoet gaat ...

Indië zal voor Nederland verloren gaan, met of zonder Kultuurstelsel, met of zonder Vry-arbeid. Mèt dien vryen arbeid spoediger nog, maar verloren gaan zal ’t zéker, als Nederland niet zorgt dat den Javaan recht wordt gedaan.

Dit is de kwestie, de ware kwestie van den dag! Dit is dus de kwestie, Nederlanders, waarover niet wordt gesproken in uw dagbladen, niet in de redevoeringen uwer Kamerleden, niet in de programmen uwer Ministers.

Ik weet wel dat de partymannen beweren dat hun systeem—och arm!—de hoofdzaak insluit. Ik weet hoe by-voorbeeld de voorstanders van Vryen-arbeid voorgeven—en sommigen misschien inderdaad gelooven—dat de arme Javaan zoo byzonder zou gebaat worden door ’t triomfeeren van hun stelsel. Maar deze dwaling berust op ’n woordspeling die al zeer gemakkelyk valt optelossen.

Het Stelsel van gouvernements-kultuur schryft arbeid voor. Men noemt de daaruit voortvloeiende werkzaamheden van den Javaan: gouvernements-arbeid, gedwongen arbeid, dwang-arbeid. En die benamingen zyn juist.

Toen het denkbeeld ontstond dat de Javaan ook zou kunnen worden te-werkgesteld op andere wyze, moest er voor die andere wyze een naam bedacht worden, die haar onderscheidde van de gewone. Er was een tegenstelling noodig. Tegen-over gouvernements-arbeid vond men natuurlyk het woord: particuliere arbeid. En ook deze uitdrukking is juist. Maar het werk van den Javaan voor ’t gouvernement droeg nog andere namen. Ook dáártegenover moesten passende uitdrukkingen gevonden worden, en alzoo is onze taal en de kring onzer denkbeelden verrykt met de woorden: vry-arbeid en vrywillige arbeid, woorden die gemak geven in ’t gebruik, maar tevens aanleiding tot groot misverstand. Aan dit misverstand, Nederlanders, hebt gy te wyten dat het mogelyk geweest is dien Vry-arbeid te maken tot de DUITENPLATERY van den dag.

Want: van vryheid, van vrywilligheid is geen spraak by den arbeid dien de Javaan verricht voor ’n particulier. “Die Javaan staat niet op, plant niet, oogst niet, dan op den wenk van den man die niets draagt.” Waar die wenk gegeven wordt, moet zulk ’n Hoofd daartoe genoopt zyn door oorzaken, die, als ze uitgingen van het GOUVERNEMENT, duidelyk beschreven staan in de Indische Staatsbladen, de uitgewerkte compendia van de “boodschap der “edele” kamer te Dordrecht... of te Enkhuizen” en van het menschlievende, of althans voorzichtige “NIET TE ERG.” Maar wanneer de oorzaken die het Javaansche Hoofd tot den onmisbaren wenk bewegen, uitgaan van ’n PARTICULIER, dan staan ze nergens beschreven, en behouden hare werking tot op de de uiterste zeer vèr liggende grenzen:

  • van de onderdanigheid des Javaans aan z’n Hoofd,
  • der behoefte van dat Hoofd aan weelde en van
  • Europeesche hebzucht, die... aan sommige lezers wel bekend zal zyn.

Het produkt van deze drie enorme faktoren noemt men met leugenachtigen schoolklank: VRYWILLIGE ARBEID.

By gouvernements-kultuur is contrôle mogelyk. Waar die contrôle ontbreekt—zoo-als meestal het geval is—door begeerte om te schipperen... door misdadige gemakzucht... door vrees voor ’t bemoeielyken van ’n tragen Landvoogd die niet wil beroofd worden van z’n onkunde, dat vurig bemind voorwendsel om zich bezigtehouden met niets doen... daar is dit alles wel treurig en noodlottig, maar... de contrôle zou toch kunnen worden uitgeoefend, àls er eens ’n Gouverneur-Generaal benoemd werd, die besef had van zyn plicht, en tevens de gaaf om dat besef optewekken en levendig te houden by anderen. Dan immers zou er kunnen gezorgd worden: “dat de Javaan het zyne ontving, al is ’t dan ook wat weinig.”

Maar als men dien Javaan overlevert aan PARTIKULIEREN IN COMPLICITEIT MET DE HOOFDEN, vooral met de lagere Hoofden... dan is geen Contrôle mogelyk, ook al vond men ’n Gouverneur-Generaal die z’n plicht deed.

Ik beweer dit alles uit volle overtuiging; maar erken dat dit niet voldoende is. Om alzoo die overtuiging meetedeelen aan anderen, begin ik met de vraag of ’t die anderen om waarheid te doen is? By de meesten is dit naar m’n treurige ondervinding het geval niet, en waar ik voel stryd te voeren tegen een door eigenbelang voorgeschreven parti-pris, geef ik redeneeringen in den smaak myner parabel over den heiligen Dionysius, of der vergelyking van het droogstoppelig perspomp-systeem. Wie geld wil bekomen dóór den arbeid des Javaans, in stee van waarheid over den arbeid des Javaans, zal m’n geschryf zeer leelyk vinden, en dit kan ik niet helpen.

Maar wèl heb ik gewonen, ernstigen betoogtrant ten-beste voor aanhangers van het vry-arbeidersstelsel die, ter-goeder-trouw verleid door den klank vry, meenen een edele zaak voortestaan. Ik ontsla me dus geheel-en-al van de tegenstanders wier oordeel over de zaak geput is uit hun eigen geld-opbrengende ondervinding. Men zou ’n held moeten wezen, grooter dan er eenmaal in de eeuw voorkomt, om ’n stelsel aftekeuren waaraan men zonder veel moeite een belangryk vermogen te danken had, of waaruit men hoopt zulke voordelen te behalen.

Dus spreek ik tot en over de voorstanders ter-goeder-trouw...

Welnu ... ze zyn BEDROGEN.

En hier wellicht zal men inzien waarom ik by ’t schryven dezer brochure, zoo lang, zoo vaak, en zoo krachtig naar ik meen, ben opgestaan tegen leugen. De leugen heerscht overal, en ook hier heeft ze sommigen op ’n dwaalspoor gebracht.

Hoe is deze leugen geboren, hoe is ze gevoed en opgegroeid? Ze is geboren:

1.) Uit het belang der particulieren, om den door omkooping verkregen dwang geheim te houden.

2.) Uit gelyk belang van de Hoofden, vooral van de lageren waarmeê de particulier meer in aanraking komt.

3.) Uit de onderworpenheid van den Javaan, die niet klaagt voor-i daartoe wordt gemoveerd door de zeldzame zekerheid dat z’n klacht niet zal worden bestraft als misdryf. (Zie den Havelaar, die nooit weêrsproken is.)

Hoe is ze gevoed en opgegroeid?

1.) Door plichtverzuim der Residenten:

a. plichtverzuim, sans phrase.

b. plichtverzuim om hoftemaken aan ’n Gouverneur-Generaal die vryarbeiderig is: pour se donner un genre.

c. plichtverzuim uit nòg grover eigenbelang ... om te deelen in de winst.

2.) Door plichtverzuim van ’n Gouverneur-Generaal die al deze dingen niet begreep, omdat-i met kommiesachtige bekrompenheid en met verwaarloozing zyner hooge roeping, zich vergenoegde met papieren waarheid, dat is: met ONWAARHEID.

Weder alzoo is onwaarheid, weder is leugen de hoeksteen van ’t roofgebouw. ’t Is alweer uit LEUGEN dat de noodlottige dwaling ontsproot, die hier ’t Volk prys-geeft aan gemaakte agitatiën, ginder aan wanhoop, en overal den naam der Nederlandsche natie aan schande.

En wie er twyfelt ... wie meent dat de arbeid van den Javaan voor particulieren, wèl vrywillig geschiedt... wie nooit, als ik, met eigen ooren hoorde, hoe zulk ’n particulier het Javaansch Hoofd inneemt, omkoopt, bederft met zoet walgelyk gevlei, met aandeel in den buit... wie ’t nooit zag, als ik, met eigen oogen, hoe de particulier zich veroorlooft den werkman die zoo zielverkoopig hem “geleverd” werd, aantezetten, voorttezweepen, te mishandelen... wie zonder dit te hooren of te zien, niet in-staat is deze waarheden a priori afteleiden uit de drie gegevens die ik zulke enorme factoren noemde... wien ’t ontbreekt aan menschkunde in ’t eind... dien zal ik zeggen.

Als meermalen wend ik my tot u, Mr. Albertus Jacobus van Twist, oud-Gouverneur-Generaal, vertegenwoordiger des Volks!

Ik wend my tot u, zoo-als ik by opstand of beroering den belhamel vóórriep, om niet door algemeenheid der toespraak te doen leiden tot verzwakking van indruk.

Ik wend my tot u, Mr. van Twist! Ik verneem dat gy in die onzalige, vervelende, geheel beneden hare roeping staande Tweede Kamer, eenige provincieleden sleeptouwt, die uw koelheid nemen voor ernst, uw droogheid voor wysbegeerte, uw styfheid voor standvastigheid, uw zondeloosachtigheid voor deugd.

Tot u wend ik my, Mr. van Twist, om u te zeggen dat ik voor ’n groot deel getuige ben geweest van het smeden der leugens waarmede men u heeft bedrogen. Ik heb den glimlach over uw domheid op de lippen gezien van henzelf die zoo gretig van die domheid gebruik maakten. Ik heb u bestudeerd toen gy in den val liept, en ik was nog te naïf om te weten—zoo als ik later ontwaarde—dat ge niet beter verdiendet. Dat men u leugens gaf, hoorde ’k en zag ik. Maar ik meende nog dat gy waarheid begeerdet.1

Vele werken die men u voorstelde als tot-stand gebracht door vrywilligen arbeid, zyn uitgevoerd met den meest onmenschelyken dwang.

Zoodra ik het goedvind, zal ik zeggen welke werken, wáár en hoe. En ik zal ’t bewyzen. Reken daarop.

Misschien zal ik daarby, met niet meer dan drie of vier woorden, aantoonen hoe de geheele tegenwoordige kwestie met den heer Bekking—van beide kanten—nooit by den waren naam genoemd is.

Ook in die zaak speelt leugen de hoofdrol.

En gy, Mr. van Twist, die aan het hoofd schynt te staan van de Vry-arbeidersparty, dat is: van de clique der vry-arbeiders, gy die vrywilligen arbeid predikt voor den Javaan, en niet vrywillig den arbeid volbracht, dien ik u aanwees als voorgeschreven door eerlykheid, plicht en eed ... ik veroordeel by dezen uzelf tot dwangarbeid. Ik sla u het juk van mynen geest om den nek, en span u in het tuig van den ploeg waarmee ik de harde korst opscheur van domheid en vooroordeel. Ik zweep u voort met den geesel myner verontwaardiging ...

En ik zal voortgaan dit te doen, tot uw naam, en het gemis aan denkbeelden dat gy vertegenwoordigt, den Volke zal wezen tot ’n braakmiddel.

“Die brochure is excentriek ...

Zoo noemt ’n pestwalm de stoommachine die een modderpoel leêgmaalt, en hem komt storen in z’n verdelgingswerk.

Pestwalm? Ja. Want er is verrotting in den staat!

Op... op, gy weinigen, die nog niet geheel zyt verleugend!

Op, jongelieden die nog uw hart voelt kloppen voor het goede! Op ... op, gy die nog niet hebt verleerd te gloeien van verontwaardiging by ’t aanzien van het booze!

Op, vrouwen, die moeders zyt van ’n volgend geslacht dat schaamte zal voelen over ’t vorige!

Op, meisjes, die bestemd zyt moeders te worden!

Gy, jongelingen, gy vrouwen, gy meisjes ... ge zyt MENSCHEN.

Men zegt u dat ge ’t niet zyt. Men behandelt u als-of ge ’t niet waart. Men dwingt u het niet te zyn ...

Maar ik zeg u: Ge zyt menschen. Op u rust menschenplicht!

Die plicht schryft voor: Streven naar waarheid.

En overal heerscht LEUGEN.

Op dan! Ten-stryde tegen den leugen! Op, ten-stryde! Op, ter overwinning! Op, tot het byeenroepen, tot het ordenen, tot het wapenen van de Derde party.

Ja ... en nu aan m’n Ideën.


1 Het is op dien oogenblik, het is in de toen by my bestaande meening: dat de Heer van Twist waarheid WILDE, dat ik me voornam hem waarheid te geven. Uit dat voornemen is de Havelaarszaak voortgekomen. Men leze over dit gedeelte der geschiedenis myner denkbeelden de indrukken die Havelaar bezielden by ’t aangaan van den stryd waarin hy meende een bondgenoot te hebben. (1862.)