TIENDE HOOFDSTUK.

Honderd negen en vijftig schoten waren er gevallen, toen de vijand des middags te een ure, met vliegende vendels, van den kant van het Leprozenhuis kwam aanrukken. Duidelijk zag men, dat hij voornemens was, te stormen. Een aantal soldaten droeg ladders, van boven met groote ijzeren weerhaken voorzien; anderen sleepten het benoodigde tot de brug aan, bestaande in groote tonnen en zware stukken hout, ter lengte van tien voet, die op en tegen elkander konden worden gelegd, terwijl men aan het voorste gedeelte van dit gevaarte, hetwelk tegen het blokhuis werd aangevoerd, ter rechter en linker zware zijstukken kon aanbrengen, om de bestormers in de gelegenheid te stellen, er meer dan eene ladder tegelijk tegen te plaatsen.

Nog waren er geen twee stukken hout van de stormbrug in het water van de gracht gebracht, of van links en rechts gierde het lood der Haarlemmers de vijanden te gemoet, en eer het genoegzaam getal stukken aaneen was gevoegd, telde De Vergas reeds verscheidene soldaten minder. Frederik had echter den storm bevolen, en toen de brug tot aan het blokhuis was aangebracht, lieten zich de daverende bevelen hooren: »Den storm, soldaten! voorwaarts!«

Ingevolge Rodrigo de Sabata’s raad had de vijand de poorten met ruiterij en voetvolk doen omsingelen, ten einde een uitval te beletten; en in de schansen stonden de musketiers en haakschutters gereed, om de Haarlemmers zooveel mogelijk in den tegenstand te verhinderen. Verdoovend klonken de schetterende en doffe toonen van schalmeien en trommels, door de belegerden evenzeer beantwoord, terwijl het luiden der alarmklokken door al de wijken weergalmde en jong en oud te meer aanspoorde om, ter verdediging, naar de wallen te snellen.

—»Voorwaarts, soldaten, tot den storm!« gebood Francesco de Vergas aan een vendel uitgelezen Spanjaards en Walen, die meer dan eens den dood onder de oogen hadden gezien.

—»Vuur!« beval Romero, zich van spijt verbijtende, dat De Vergas, niet hij de aanvoerder van dezen storm was.

—»Espana! Espana!« daverde het weder van eene andere verschansing, om hen, die zich op de stormbrug bevonden, te meer aan te moedigen, terwijl ook in die schans onder Perea’s soldaten een levendig musketvuur plaats had.

—»De ladders tegen den muur!« liet De Vergas hooren, terwijl hij zijne Toledosche kling zwaaide, als bevond hij zich reeds onder de verdedigers. Al spoedig echter scheen de aanvang een noodlottigen afloop te voorspellen; want nog had men geene enkele ladder in de bres geslagen, toen het welgerichte musket van den jongen Hasselaar losbrandde en De Vergas ter hoogte van den schouder in den arm getroffen werd. De lading, uit gekapt lood bestaande, bracht aanstonds een pijnlijk gevoel teweeg, hetgeen men zegt bij een gewonen kogel, in de hitte van den strijd, minder het geval te zijn. Om de zijnen echter niet te doen ontmoedigen, deed De Vergas zich niet alleen geweld aan om de pijn te verkroppen, maar zwaaide even moedig het rapier boven zijn hoofd.

—»Animo!« klonk het nu, onder een dichten kogelregen, die van de wallen onder den drom nedergeschoten, zijn doel niet miste. »Storm, soldaten! de ladders tegen den muur; Animo! overwinning of dood!«

—»Voor Holland, voor Haarlem!« riep Hendrik Matthijszen, die zich op dat oogenblik met Steenbach op het aangevallen punt bevond. »Wakker aan, mannen! den Spanjaard te keer!« riep hij krachtig, en met eigen hand eene vuurlans of stormkolf aangrijpende, weerde hij de drie eerste beklimmers af, die door het spitse ijzer van den langen stok gewond, van de stormladder tuimelden.

Aanstonds echter trachtten anderen te volvoeren, wat aan hunne makkers mislukt was. Dan, de tweede poging werd met geen gunstiger uitslag bekroond. De rappe verdedigers verijdelden iederen aanval, terwijl alles met de kreten vergezeld ging: »voor Holland, voor Haarlem!«

—»Voorwaarts, soldaten! valt aan!« riep de aanvoerder van den storm, schoon het bloed uit zijne wonde vloeide, en de eene soldaat na den anderen naast hem neerviel. In een oogenblik was de eenheid, bij een gewoon gevecht, verloren. Bij de hachelijke onderneming toch van een storm komt vooral de moed en de geestdrift van den man in het spel. Door alle middelen moet die levendig gehouden en aangevoerd worden. Snelheid van beweging is daartoe eene der hoofdvereischten. Met den dood voor en naast zich heeft de bestormer als het ware geen tijd tot denken. Het eenig doel toch is den top van den muur te bereiken. Het spreekt dus van zelf, dat er alleen uit ’s vijands schansen gevuurd werd, en slechts dan op de verdedigers van een aangevallen punt, wanneer dit kon, zonder gevaar van de bestormers zelve te treffen. Hadden de verdedigers zwaar geschut gehad, om den voet van het bolwerk te bestrijken, te grooter ware ’s vijands vernieling geweest. Toch brachten de kleine slangstukjes en serpentijnbuksen aan dien voet veel nadeel toe;—ook hadden de Haarlemmers aan een dooden of inspringenden hoek een zoogenaamden tamboer met sterke palissaden gemaakt, door welken de bekwaamste schutters van Michiel en Pellikaen een levendig vuur onderhielden op de Spanjaards, die op de stormbrug waren. Bij Michiel bevond zich ook Hasselaar, zonder dat hij thans zijn vaandel had geplant, ten einde zoo lang mogelijk onopgemerkt te blijven, wijl bij menig schot een vijand gedood of gewond werd.

—»Eerst hebben zij ons ’t ontbijt toegezonden,« sprak Hasselaar, »en nu komen zij om het middagmaal. Schaft op, mannen: bij Ripperda! ze krijgen niets dan erwten en warmoes in de maag. Maar ’t is mij hinderlijk, dat die Spaansche don het daar op de tonbrug nog op de been houdt; ’k ben zeker, dat ik hem geraakt heb,« ging hij voort, terwijl hij weder laadde, vervolgens op hem mikte, doch een Waal trof, die zich juist voor De Vergas drong, zonder te vermoeden, daardoor zelf het slachtoffer te zullen worden.

—»Dat spijt me!« riep Hasselaar, »maar toch is het geen windschot geweest: wie schaft mij kruit en lood? mijne tasch is leeg.«

IJlings reikte een der schutters den koenen knaap een nieuwen voorraad van gekapt lood en kruit aan; doch eer hij opnieuw vuurde, greep hij zijn vaandel, en toen als een eekhoorn op de borstwering springende, zwaaide hij het een paar keeren heen en weder, riep met een schelle stem: »voor Haarlem, Vivent les Gueux!« sprong vervolgens weer van de borstwering af en mikte andermaal door het paalwerk om den aanvoerder op de storm brug te treffen.

—»Schuins links!« liet Michiel hooren, »de Spanjolen dringen al meer aan: naar dien kant de trompen gericht!«

Tot nog toe was, in weerwil van een hevig kruisvuur uit ’s vijands schans op dien inspringenden hoek, geen der schutters gekwetst geworden, hetgeen te meer verwondering baren moest, daar sommigen, evenals Hasselaar, niet schroomden, zich nu en dan op de borstwering te vertoonen, telkens wanneer zij dachten, met meer zekerheid de bestormers te kunnen treffen. Intusschen waren de pogingen om de muren te beklimmen nog altijd te vergeefs, en menige Spanjaard had zijne onverschrokkenheid reeds met den dood moeten bekoopen. Nu eens klonk het animo, wanneer zij op ’t punt waren hun doel te bereiken; doch wanneer de lange pieken of de met vuurwerk gevulde en in pek gedoopte stormkolven dat doel weer verijdelden, lieten zich op de tonbrug de vloekkreten hooren van hen, die de soldaten aanvoerden en naast hen nedervielen.

—»Voorwaarts, voorwaarts!« moedigde de Vergas aan, »eeuwige schande zoo ge den wal niet beklimt.« Doch door het doffe tromgeroffel en de schetterende schalmeitonen, gepaard met het luidruchtig geschreeuw der aanvallers en verdedigers, werd zijne stem ten halve verdoofd.

—»Bravo, de Zuniga!« klonk het echter op eens, toen een Spaansch soldaat van kolossale gestalte met geweldige kracht voortdrong en eene stormladder beklom.

—»Viva el Reij!« (Leve de Koning), riep deze, op hetzelfde oogenblik zijn breed slagzwaard boven zijn hoofd zwaaiende; doch reeds was hij eenige sporten opgestegen, toen een op hem nedergeworpen zware steen zijn koperen helm trof en dit hoofddeksel diep over de oogleden deed zakken. Nochtans steeg hij hooger en een paar zijner makkers volgden hem reeds na.

—»Animo, de Zuniga!« schreeuwden de Spanjaards, die links en rechts andere stormladders aanbrachten om op verschillende plaatsen het bolwerk te beklimmen.

—»De dood aan de Zuniga!« riep men van den wal; te gelijker tijd rukte Matthijszen een der schutters de lange piek uit de hand en bracht er den Spanjaard een stoot mede toe, die hem zou doorboord hebben, ware hij niet door zijn schild en zwaar ijzeren harnas bedekt geweest. De schok was nochtans zoo hevig, dat de Zuniga de linkerhand, waarmede hij de ladder vasthield, losliet en eenigszins wankelde. Een kreet van schrik liet zich in het midden der Spanjaards hooren, van welke zich er eenige op de stormbrug bevonden: doch de soldaat, die na hem de ladder beklommen had, ondersteunde hem, en te gelijker tijd dat de Zuniga er de hand weder aansloeg, steeg hij eene, twee sporten hooger, onophoudelijk de breede kling zwaaiende en forsch uitroepende »Viva el Reij!«

—»De dood!« riep Matthijszen den Castiliaan toe, die reeds zoo hoog was geklommen, dat zijn hoofd slechts een paar voeten beneden de kruin van den muur kwam, »zeg aan uw koning, hoe het u hier is vergaan.« Onder deze woorden, met beide handen zijn zwaard opheffende, deed hij het met zooveel kracht op ’s vijands hoofd dalen, dat diens helm gespleten werd en het deugdzaam staal een duim breed in het hoofd drong.

—»Heilige Moeder Gods, behoed mij!« riep de moedige Spanjaard, toen hem de slag toegebracht werd. Nog eenige seconden hield hij zich vast, evenals de met den dood worstelende drenkeling, en zonder er de kracht toe te hebben: doch toen liet de hand los, de voeten verloren het steunpunt; met zijne volle zwaarte op den anderen Spanjaard vallende, sleurde hij dezen en de overigen met zich en stortte onder een doffen dreun neder.

Het spreekt vanzelf, dat dit alles in veel korter tijd plaats greep, dan wij het nederschreven; en inmiddels werden op een paar andere punten van het blokhuis gelijke pogingen gedaan, om er zich meester van te maken. Maar tot nog toe had het niemand mogen gelukken, het doel zoo nabij te komen als de Zuniga, over wiens val de Spanjaarden kreten van spijt en woede aanhieven en in plaats van zich te laten ontmoedigen, den storm met feller verbittering en hardnekkigheid achtervolgden. Vernielend echter woedden de verdedigers op hen, die de stad zochten te bemachtigen, om er de moordtooneelen van Naarden en Zutfen te herhalen, met dubbele woede omdat zij er dubbelen, tienvoudigen wederstand vonden. Twee der soldaten van Wittemberg en slechts een schutter van Matthijszen waren gevallen; doch ruim zestig der dapperste Spanjaarden hadden den storm reeds met den dood of met zware wonden moeten bekoopen, en zij bleven nog verre verwijderd van hun doel.

—»Animo, soldaten!« riep schier onverpoosd de aanvoerder, die zich onder een dichten kogelregen den arm had laten verbinden, en evenzeer verzwakt was door pijn als bloedverlies. »De roem blinkt op de punt van het zwaard! Voor den koning en Spanje! valt aan!« En men zou zich hebben moeten verbazen, dat hij nog niet andermaal door het welgemikte schot van Hasselaar of een der andere verdedigers getroffen was, wanneer de oorzaak niet daarin gelegen ware, dat de Haarlemmers thans op onderscheidene punten tegelijk wederstand hadden te bieden. Voornamelijk was dit het geval aan de linkerzijde. Daar had de vijand reeds driemaal zijne poging met den dood moeten bekoopen, toen de vaandrig Alfonzo Galeasso met een duren eed zwoer, dat hij het blokhuis zou bestijgen. IJlings zijn zwarten, met witte vederen getoomden hoed tegen den helm van een gesneuvelden soldaat verwisselende, gebiedt hij een viertal met lange pieken gewapende Spanjaarden hem te volgen. Het vaandel rond den vlaggestok windende en dien in de zijde latende rusten, grijpt hij een zwaard, herhaalt zijn eed en zet vervolgens den voet op de ladder, terwijl hij onverschrokken naar omhoog ziet en een verachtelijken blik slaat op Steenbach, die thans naar dit punt is gesneld om zijn aanval te keeren.

—»Espana!« roept de vaandrig op vermetelen toon, als wilde hij zeggen: »ik schroom niet, mij te laten hooren: ik, Alfonzo Galeasso, kom u bestormen; ziet mij!« te gelijker tijd beklimt hij de ladder, waarbij hij ijlings door de overigen wordt gevolgd, en weldra richten zich de met zwaar ijzer beslagene spietsen naar het blokhuis; maar ook van daar flikkert den aanvallers geen minder deugdzaam staal te gemoet, en nauwelijks heeft Galeasso eenige sporten beklommen, of een van Steenbachs soldaten brengt hem een zoo botten stoot toe, dat hij den voet terughaalt van de sport, die hij betreden wil en een doffen kreet uitstoot, evenals iemand, die zich gewond voelt en te meer verbitterd wordt.

—»Komt maar vrij om het noenmaal,« roept de Duitsche soldaat den bestormers op spottenden toon toe, »gij vindt het hier al bereid. Stijgt op maar, wij hebben lekkere schotels en gebenedijde koeken voor u uitgezocht.«

—»Daar, Spaansche hond!« roepen anderen, en nu schuiven twee burgers een meer dan vijftig pond zwaren steen af. Ware deze op het rechte doel aangekomen, hij zou den vijand voorzeker verpletterd van de ladder hebben doen tuimelen: doch het toeval wilde dat de klomp, bij het afkantelen een kleinen hinderpaal vindende, de noodige richting niet bekomt en schadeloos met een doffen dreun nederploft.

—»Carajo!« schreeuwen de bestormers, als de in hunne ooren krachtigste scheldnaam, om bespotting en verachting tevens uit te drukken, en zoo in hun mond bestorven, dat de Hollanders, onder elkander den naam van Spanjaard vernoemende, dien gemeenlijk door dat zelfde woord Carajo uitdrukten, ofschoon het buitendien niet aan woorden ontbrak, waardoor de wederzijdsche partijen hunnen haat en verbittering aan den dag legden.

—»Houdt stand!« riep intusschen De Vergas, ziende dat Galeasso bijna den muurrand bereikt had. »Naar dien kant, anspessado!« liet hij tegen een onderhopman er op volgen, »geef hun daar nog meer werk; op dien kant eene tweede en een derde ladder, daar zal het gelukken; voort!« En—op drie punten tegelijk trachten de Walen en Spanjaards de ladders te beklimmen.

Inmiddels leverde het punt, waar de vaandrig Galeasso Steenbach bestormde, een tooneel op van moed en hardnekkigheid. Men verbeelde zich dien bestormer, zwaar gewapend en daarenboven belemmerd door een in de zijde rustenden standaard, zijn eigenlijk wapen, doch dat hij, gloeiende van roemzucht en verbittering, met krachtiger aanvalsmiddelen vereenigd heeft. Nog weinige sporten slechts, en hij heeft het punt bereikt, waar hij de verdedigers kan aangrijpen, om voet voor voet te winnen en, door de op hem volgende makkers voortgestuwd, den wal te beklimmen.

—»Viva el Reij!« roept hij forsch, »den dood aan de rebellen!« maar op dat zelfde oogenblik treffen hem twee stormkolven, en de ziedende pek, waarin die voorwerpen gedoopt zijn, vloeit met stralen over den helm, baant zich evenals kwik, den weg door de gapingen en tusschenruimten en schroeit het vleesch, dat het aanraakt.

—»Met God en voor Haarlem!« roept Steenbach, »wakker aan; weg met dat Spaansch gespuis! onder aan den muur is hun logement.« Te gelijker tijd grijpt hij zelf een zijner soldaten de lange puntige en met stekels doorregene stormkolf uit de hand: met kracht duwt hij het voorwerp nederwaarts, en terwijl de heete pek andermaal over de hoofden der bestormers stroomt, brengt hij den vaandrig een hevigen stoot op den helm toe, het puntige ijzer schampt af op het metaal en komt op den schouder neder; ook daar vindt het tegenstand op des Spanjaards deugdzame schouderplaat; maar de stoot is zoo forsch aangebracht, dat Galeasso, evenals kort te voren De Zuniga, wankelt en de rechterhand, die de ladder en het zwaard omklemt, loslaat.

—»Carajo, rebel!« roept hij, terwijl het zwaard hem ontvalt. »Dat zal ik vergelden. Uw rapier,« zegt hij tot dengene, die op hem volgt, en de hand weder aan de ladder slaande en inmiddels hooger klimmende grijpt hij het staal, dat de andere hem tusschen den arm door toesteekt. De vaandrig zwaait nu de kling van zijn makker boven zijn hoofd en waagt het, naar omhoog te zien, waar de verdedigers een dier vervaarlijke met vuurwerk gevulde en met ijzeren punten voorziene stormblokken aanvoeren, om het op de hoofden der bestormers te laten afloopen, terwijl ook Steenbach met opgeheven rapier dat oogenblik verbeidt.

—»Voort, of het is te laat!« roept de vaandrig, en ijlings hooger stijgende en onwillekeurig de schouders inkrimpende, daar hij een bedwelmenden slag verwacht, beschrijft ook zijn wapen dreigende cirkels boven zijn hoofd, en de Spanjaards zien het met schrik en huivering aan. Doch op dat zelfde oogenblik fluit er een kogel langs het oor van den vaandrig; Steenbach wankelt; de opgehevene hand, waarin deze het staal klemt, wordt door dien kogel doorboord, en die hand zinkt krachteloos naar beneden.

—»Op, Galleasso!« roepen de Spanjaarden, en de vaandrig, op wien de gevreesde slag nu niet neerdaalt, beklimt eensklaps het bolwerk, onder den uitroep: »Victoria! Victoria!«—

—»Leve de koning! voorwaarts soldaten!« beveelt de Vergas, »voorwaarts! volgt den vaandrig!«—

Terwijl deze met de rechterhand dreigend de kling zwaait en met de linker het Spaansche vendel op den muur plant, volgen zijne makkers hem na; ook andere vijanden stormen naar die ladder om ze insgelijks te beklimmen; elk, aan wien dit gelukt, velt ijlings de lange piek en werpt zich op de Haarlemmers, die door de plotselijk aanpersende kracht eenigszins terugdeinzen.

—»Houdt moed, brave mannen!« roept Steenbach hun toe, terwijl hij een hem aangrijpenden vijand van zich afweert, »houdt moed, of het is gedaan! weg met de Spanjaards! vivat Ripperda

Plotseling beseffen de verdedigers hun gevaar. Eenigen dergenen, die den vijand op andere punten afkeeren, scharen zich aan hunne zijde, en gelijk golven, die wel voor een oogenblik van den dam, waartegen zij braken, teruggeweken zijn, maar spoedig opnieuw aanrollen, vallen eenigen de Spanjaards te lijf, terwijl anderen de verdere aandringers met het stormblok afweren, en wel met zoodanig gevolg, dat zij, die thans op de ladder zijn, stervend of gewond neerbuitelen.

—»Victoria! Victoria!« herhaalt intusschen met trotschen overmoed de vaandrig, die het Spaansche vendel heeft geplant: en nadat hij een der Duitschers, die het waagde, den gehaten standaard aan te grijpen, door een sabelhouw gewond heeft, zwaait hij andermaal het staal, onder den uitroep: »Victoria! de stad is ons!«

—»Dat liegt gij!« roept Steenbach met zijn overlandschen tongval. »Wat maakt gij in mijn logement, kerel! gij zijt hier niet bescheiden, maar ik.« Te gelijker tijd dringt hij met het staal in de bloedende hand zoo onstuimig op hem aan, dat de vaandrig een paar schreden terugwijkt. Toch houdt deze weer stand en valt nu den hopman even onstuimig aan, hem toeroepende: »denk niet, dat ik enkel den vendelstok voer; geen wapen is vreemd aan den Spanjaard. Terug, vervloekte rebel!«—

—»Ik ken geen terug weg,« klinkt het antwoord, »maar laat mij zien, of gij waard zijt den degen te voeren.«

—»Bij San-Jago! dat ben ik iederen dag en uur, muiter!« Dit zeggende, hief hij reeds het zwaard op, om Steenbach een slag toe te brengen; doch deze, zonder een voet achteruit te wijken, ving den houw op, en de klank bewees, dat beider wapen van deugdzaam metaal was.

Nu vochten beiden een poos man tegen man, en wie Steenbachs wonde gezien had, zou den strijd voorzeker ten voordeele van den Spanjaard aangemerkt hebben. Onstuimiger werden dan ook diens aanvallen, en zijne makkers meenden te zien, hoe de Duitsche hopman allengs hoe meer verzwakte en op het punt scheen, te vallen. Doch zij bedrogen zich. Wel was het Steenbach nog niet gelukt, zijne partij te wonden; want tot diens eere zij gezegd, dat hij in weerwil zijner drift, meesterlijk de kling zwaaide; doch ongevoelig had Steenbach hem een halve schrede dichter aan den rand gebracht, en nu begon hij zijn aanval plotseling levendiger te doen zijn.

—»Houdt stand, makkers!« riep nu Steenbach tot zijne soldaten, die met de op den muur geklommen vijanden meer worstelden dan streden en van welke de een het Spaansche vendel poogde te vertrappen, en de andere de eer van Galeasso wilde handhaven door het op de plek te laten, waar deze het geplant had.—Op eens echter laat zich levendiger en scheller dan tevoren de Spaansche kreet van: »Viva el Reij!« hooren; luider klinken de trompetten, vereenigd met doffer tromgerommel, en met schrik zien de Haarlemmers, dat het aan andere vijanden gelukken zal, het blokhuis te beklimmen.

—»Op, mannen van Haarlem!« roept ruw en forsch Lancelot van Brederode, »weg met dat gebroed, dat zich hier een nest maken wil: blaart hen de huid, dat ze geschroeid naar de hel gaan!«

—»Moed, brave makkers, moed!« laat Van Duivenvoorde hooren: »denkt aan vrouw en kroost en de Spaansche woestheid; denkt aan Naarden; wakker aan!«—

Algemeen is het rumoer op ieder punt. Met onafgebrokene, doffe klanken kleppen al de klokken alarm, en uit al de wijken der stad rukt jong en oud naar de muren. Als een storm snelt Ripperda van het eene punt naar het andere en overal doet hij zijne bevelen weergalmen, even snel en vaardig uitgevoerd als gegeven. Hij is de kloeke man, die allen bezielt, elke verwarring voorkomt. Verdoovend klinken de holle alarmtonen der trommen. Ginds blazen de Spaansche trompetters den stormmarsch; hier heft men het geuzenlied aan; en het zijn strijdbare tonen, den moed der aanvallers en verdedigers te meer aanvurende en den triomf aankondigende, dien vriend of vijand behalen zal. En al dat geraas is vereenigd met kreten van aanval en tegenstand, met een onverpoosd musketgeknal der Haarlemmers op den voet van het blokhuis, of het geklikklak der kruisende zwaarden, die glinsterend opgeheven worden en krachtig neerdalen.

—»Overwinning of dood!« roept de aanvoerder van den storm »nu of nooit, Spanjaards! weg met de rebellen.«

—»Met God en voor ’t vaderland,« roept Matthijszen, en met gespierden arm het rapier opheffende, brengt hij een Waal, die dicht bij den rand stond, een zoo geweldigen slag toe, dat hij met een vloek nederzinkt, terwijl een schutter den gevallene bijna terzelfder tijd naar omlaag slingert, onder den uitroep: »daar is uwe plaats, schelm!«

—»Houdt stand, soldaten, houdt stand!« dondert de Vergas tot drie Walen, die op het punt zijn het blokhuis te verlaten, welks voet bestreken wordt met in linnen zakken gebonden kogeltjes, niet ongelijk aan druiventrossen, die in later tijd door de blikken doozen vervangen zijn. »Houdt stand, zeg ik, of ziet gij het Spaansche vendel niet op den muur? victorie! victorie!«

—»Ja, victoria!« galmt nu ook Galeasso, dien Steenbach op dit oogenblik eene wonde in den arm toegebracht heeft, ofschoon de vaandrig nog altijd even driftig op zijn vijand aanhoudt en door geweld op standvastige bedaardheid poogt te zegevieren, »beschermt het vaandel, makkers! laat het niet vergeefs zijn geplant.«

—»Ons zal het vendel—u de dood zijn!« roept Steenbach, wien het niet ontgaat, dat zijne tegenpartij door het driftige en onverpoosde zijner slagen hoe langs zoo meer afgemat wordt, ofschoon deze het, ter misleiding zijns vijands tracht te ontveinzen; »geef u op, Spanjool! of het is met u gedaan.«

—»Nooit, rebel!« is het antwoord, met een zoo onbesuisden houw vergezeld, dat de kling, schoon ten halve op Steenbachs staal opgevangen, in diens stormhoed dringt en het bijna met zijn leven gedaan ware geweest. IJlings tracht de vaandrig zijn zwaard tot zich terug te halen, dan, wijl hem dit niet aanstonds gelukt, heeft Steenbach een oogenblikkelijk voordeel op hem, en er even ras gebruik van makende, brengt hij den vaandrig een slag op den schouder toe, die door de opening van de plaat doordringt en hem een kreet van pijn en woede doet uitstooten. Maar hetzij door deze beweging, hetzij door krachtiger inspanning van den vaandrig, gelukt het dezen te gelijker tijd, zijn zwaard weder vrij te krijgen, en ook deze tweede wonde niet achtende, staan beiden evenals in den aanvang weder man tegen man; oogenschijnlijk kan de strijd nog eene geruime poos onbeslist blijven.

Dit is echter het geval niet; want terwijl zich weder hunne zwaarden kruisten, stormen Vlasman en de zijnen met meer geweld aan, en van hen, die rondom het vaandel op het bolwerk strijden, vallen er eenigen. Galeasso ziet het; hij ziet de door hem op den muur geplante banier ten halve in ’s vijands macht, en nu kan hij zijne met felle spijt vermengde woede niet verkroppen.

—»Lafaards!« roept hij tandenknarsend tot degenen, die met hem stormden en nu voor de spietsen en degens terugdeinzen; »schande en dood, als gij de banier prijsgeeft: animo! den muiters de dood.«

Maar een luid »Vivent les Gueux!« is het antwoord, en terwijl reeds drie Spanjaards van den rand tuimelen, roept hij grimmig: »de dood of de banier!« Evenals een tijger, met forschen sprong op zijne prooi aanstormende, vliegt hij, den slag van Steenbach afwerende, onder het midden der worstelenden en wil de hand aan het vaandel slaan, dat hem gedeeltelijk gelukt. Niet zoo ras echter heeft Steenbach het vermetel opzet gezien, of ook hij stort zich in den kleinen drom, en met de linkerhand zijn staal boven zijn hoofd zwaaiende, verdringt hij een paar soldaten, die zich van den standaard meester zoeken te maken.

—»Los, Spanjaard!« roept Steenbach, terwijl hij hem een houw op het hoofd tracht te geven, doch door het aandringen der overigen zijn slag mist.

—»Los, ellendige geus!« schreeuwt Galeasso, en een vurige straal van woede vlamt in zijn oog: »de dood of de banier!«

—»Sterf dan!« laat nu Steenbach hooren. Eene dubbele poging aanwendende, gelukt het hem, den vaandrig den vlaggestok te ontwringen, en terwijl deze weder een wanhopige sprong doet om het betwiste voorwerp opnieuw aan te grijpen, stoot Steenbach hem met de scherpe ijzeren punt van den standaard op de borst; die punt juist de opening van het harnas vindende, dringt diep door en—de vaandrig stort ontzield op den grond.

—»Voor Ripperda!« klinkt het onder de Haarlemmers, die den stoutmoedigen Spanjaard zien vallen en zijn vaandel in de hand zien van Steenbach. Maar de vijand juicht niet; het smart hem diep, dat Galeasso het offer zijner vermetele dapperheid is geworden en de kreten van: »wraak voor den adanderado!« klinken verwoed van hunne lippen.

—»Wraak voor den braven Galeasso!« galmt het andermaal, en de weinige Spanjaards, die nog altijd wanhopend stand trachten te houden, willen zich met vernieuwd geweld de zege bevechten. Maar hunne pogingen stuiten af op den welberekenden aandrang Van Matthijszen en Vlasman, met wie zich Steenbach vereenigd heeft, en die nu den vijand een voor een naar beneden doen tuimelen, waar zware wonden of de dood reeds zoo velen hunner makkers deden voorgaan.

Intusschen trachtte de Vergas nog altijd met de weinigen der zijnen het blokhuis te vermeesteren, en wanneer de hoop op goeden uitslag met den ijzeren wil van dien aanvoerder gelijk had gestaan, dan voorzeker ware de twintigste December aan de verdedigers allernoodlottigst geweest. Bijna anderhalf uur had de storm nu reeds geduurd, en nog wil de Vergas in weerwil dat ook Tovilla zwaar gewond aan zijne zijde was nedergevallen, de stad meester zoeken te worden.

—»Acht de dooden niet,« roept hij, »ziet slechts op den roem, die u wacht: voorwaarts! valt aan!«—en de kling zwaaiende, beklimt hij de ladder: doch het scheen besloten, dat hij de laatste blijken zijner onverschrokkenheid aan den dag had gelegd; binnen eene minuut zou de koning van Spanje een moedig krijgsman minder tellen.

—»Nu is hij mijne prooi!« roept de jonge Hasselaar bij zichzelven. Reeds mikt hij, toen een wel bestuurd schot van den busschieter Cornelisz twee Spanjaards doet tuimelen, en—nu staat de Vergas aan het musket bloot. Even na de losbranding van Cornelisz knalt het en tegelijk ziet men iemand met een rijken vederbos, en eene hand, die een glinsterend wapen en schild omklemt, neerstorten: dat knallend schot was van Hasselaar en de nederstortende vijand was de storm-aanvoerder Francisco de Vergas.

Nauwelijks is hij gevallen, of een jeugdig krijgsman, den tamboer verlatende, springt op de borstwering van den wal te voorschijn. Terwijl hij een standaard hoog in de lucht verheft, zoodat de vlag ten aanschouwen van al de vijanden heen en weer golft, roept hij met eene stem, die wel den mannelijken toon mist, doch niet minder schel klinkt: »Vivent les Gueux!« »weg met de Spanjolen!«

Maar het was noodeloos, de verdedigers tot nog meer wederstand aan te moedigen. Niet zoodra zien zij den aanvoerder vallen, of plotselinge schrik en verwarring maken zich van hen meester. Wel tracht capitan Lama hen nog aan te moedigen met den toeroep, dat hij thans het bevel heeft; doch zij luisteren niet, en de een tracht na den anderen het blokhuis te verlaten. Don Frederik ziet het; hij stampvoet van woede en de gramschap fonkelt in zijn oog. »Laat den terugtocht blazen!« beveelt hij, om aan de schande van de vlucht den glimp te geven, alsof zij op hoog bevel plaats had. Dra gehoorzamen de trompetters en galmen de toonen in de ooren van Lama, die nu donderend den terugtocht beveelt. Maar deze kan slechts met vernieuwde nederlaag, slechts met nieuwe wonden vergezeld gaan. Hier valt er een door den serpentijnbuks van Van der Laan gekwetst; een ander wordt door een hem nagezonden kogel getroffen en terwijl de vluchtenden van alle kanten met keisteenen, als afscheid begroet worden, klinkt hen de nog hardere spot van de Haarlemmers na:

—»Dat zijn de noten van ’t nagerecht: kraak er de tanden stomp op!«

—»Als ge weer komt, mannen van duc D’Alf, dan schaffen wij heeten brij!« roepen anderen en inmiddels regent het kogels en steenen op den vluchtenden vijand, die zoo snel mogelijk den singel poogt te winnen, wat hem dan ook ten laatste gelukt, doch waar slechts bittere verwijtingen en gramme beschuldigingen het loon zijn zullen voor de onversaagdheid, waarmede hij zich in den dood heeft gewaagd.