Niet zoodra waren door de verdedigers de Spanjaarden afgeslagen, of al de trompetters bliezen den triomfmarsch; sommige hoplieden schaarden zich rondom Ripperda, aan wiens zijde zich weder jonker Marnix van Aldegonde bevond, niet minder dan de hoplieden zelve verbaasd, dat er slechts zeven dooden gevallen en niet meer dan vijftien buiten gevecht waren gesteld.
Een treffend tooneel, die gezamenlijke mannen gade te slaan, op het oogenblik na eene roemrijke zege; mannen, iedere minuut gereed, om aan het vaderland dat leven weder te geven, ’t welk het hun geschonken had.
En zij stonden daar eene wijl, sprekende over den doorgestanen storm en elkaar gelukwenschende, dat het ijzer hen niet getroffen had, daar Steenbach de eenig gewonde hopman was. Maar men sprak niet lang, want Ripperda had reeds, toen de vijand op de brug de wijk nam, zijn gevoelen geuit, dat de storm hervat zou worden, en met Brederode en Van Duivenvoorde gaf hij voor ieder punt en elke batterij de noodige bevelen. Niemand rustte op den reeds behaalden lauwer. Hier het musket ladende, ginds steenen en brandstoffen aanvoerende, of de slangstukjes richtende, wachtte ieder met nieuwe onverschrokkenheid den vijand af, als had die vijand gezegd: »ik wijk om mij te versterken en keer met dubbele felheid terug.«
Een kwartier uurs was dan ook ternauwernood verloopen, toen de trompetters den stormmarsch lieten hooren, en de tonbrug andermaal met gewapenden werd bemand. Dan, evenals bij den voorgaanden storm, waren zij nog niet op het midden der brug, of zij werden met musketvuur en uit de serpentijnbuks van Lenard Joosten zoo juist begroet, dat er verscheidene vielen en de brug een krakend geluid gaf, als wierd ze hier en daar uit haar verband gerukt.
Nauwelijks is de kruitdamp opgetrokken, of onder de schutters, die zich met Hasselaar bij Michiel bevinden, klinkt op eens de schelle uitroep: »Bij Ripperda! ’t is hij.«
—»Wie is hij?« vroeg Hasselaar.
—»Romero, Romero!« antwoordde Michiel, »ha, daar is hij, de moorder van mijne zuster; mijn wensch is vervuld, en als ’t geluk wil, zal ik er goed gebruik van maken.«
—»Wilt gij dat ik op hem mik, hopman?« vroeg Hasselaar, aan de lont rakende, »dan stuur ik hem eene erwt te gemoet, die hij zwaar verduwen zal.«
—»Ik weet, dat gij er knap genoeg toe zijt, kompaan!« was het antwoord, »maar wilt ge mij eene dienst doen, laat het dan aan mij over, hem in slaap te sussen. Gij weet, dat ik met dien Spanjaard eene rekening heb te sluiten en ik wil den kwijtbrief onderschrijven met eigen hand.«
Luider bliezen inmiddels de trompetters den stormmarsch, en de tonen waren doller, evenals deze tweede storm insgelijks doller zijn zou.—Aanstonds gaven de trommelslagers en pijpers van den wal door hunne doffe klanken te kennen, dat naarmate de aanval heftiger mocht wezen, ook de weerstand feller zou zijn; en al hadden de Spanjaarden deze aankondiging snorkerij willen heeten, dan zou een blik op hunne gesneuvelden dit luide weersproken hebben.
Vergeefs hadden Brederode en Van Duivenvoorde Steenbach aangezocht, om wegens de wonde, die zijne hand pijnlijk had doen zwellen, aan dezen storm geen deel te nemen. Maar wrevelig had hij verklaard, zich niet aan het gevecht te zullen onttrekken, zoolang het hem nog vergund was, overend te staan. Toen hij nu echter ten tweeden male gereed stond, om den vijand af te wachten, viel het oog van eenen ouden Duitschen knevelbaard op de gezwollene hand, en deze, hoezeer voor geene wonde vervaard, kon niet nalaten uit te roepen:
—»Bij mijne ziel, hopman! gij hebt het vuur in de hand: zoo gij u geene hulp laat schaffen, zijt gij haar kwijt.« En nu zagen eenige andere soldaten insgelijks naar Steenbach, als wilden zij zeggen: »waarachtig, het is zoo.«
—»Het oog op den vijand,« sprak nu deze, »mannen, krijgsbroeders! daar is geene zwarigheid of gevaar, al ben ik door de hand geschoten; zoolang het niet door het hart is, zal ik u niet verlaten.« Nu zwaaide hij moedig het staal boven zijn hoofd, als bewijs, dat het hem nog geenszins aan kracht en strijdlust ontbrak. »Zoo schiet ook de leeuw, als ligt hij overmand, nog vuurstralen, die anderen terughouden, hem te naderen. Jammer voorwaar, dat een zoo dapper gemoed, als dat van Steenbach, vereenigd was met schraapzieke eigenbaat en huichelarij.
—»Soldaten van ’t groene vendel!« klinkt nu de holle stem van Romero, »ik heb het u gezegd en herhaal het: wie terugwijkt, verliest voor eeuwig zijne eer, en wie aarzelt, heeft voor het laatst bij ’t Siliciaansche vendel gediend; maar ook dit zweer ik de rang van anspessado, voor wien het eerst de wallen beklimt en den vijand het eerst doet wijken.«
—»Leve Romero!« roepen nu de soldaten, voor wier er voorzeker geene grootere aanprikkeling tot onversaagdheid bestond, dan de hoop op rangverhooging, waaraan hun gansche leven gewijd is, omdat zij wakend en droomend er aan denken, »leve Romero!« herhaalden zij, »leve de koning! overwinning of dood!«
—»Loop storm, soldaten!« riep Romero, terwijl een kogel, door Michiel afgeschoten, met zooveel kracht zijn helm trof, dat de plotselinge drukking den aanvoerder een oogenblik suizelen deed. Een Spaansche vloek was het eenige, dat Michiel voor zijn wel aangebracht schot inoogstte; want bijna ter zelfder tijd herhaalt Romero krachtiger zijn bevel, en eenige soldaten, door een anspessado voorgegaan, beklimmen eene stormladder, terwijl anderen een paar schreden van daar met andere ladders aanijlen.
—»Overwinning of dood!« roept Lama, zoo onrechtvaardig door don Frederik beschuldigd, omdat spijt en verbittering over de nederlaag dezen hadden aangegrepen, en omdat er een voorwerp zijn moest, waaraan hij zijne teleurstelling en gramschap kon koelen. »De vlek moet uitgewischt worden; ik zal den Maestro del Campo toonen, dat hij een zoon van Spanje in zijne eer verguisd heeft. Mij den storm, senor Romero, en bij de heilige maagd! gij zult mij weldra bij de muiters op den muur zien.«
—»Voorwaarts dan!« zeide Romero, »toon, wie gij zijt; gij zult mij niet ontgaan.«
IJlings kiest Lama een tiental soldaten, aan wie hij beveelt, hem te volgen, en de krijgslieden, schoon niet ongewoon aan aangezichten, waarop al de woede en grimmigheid van den oorlog uitgedrukt staan, zien Lama nochtans met verbazing aan; want op zijn gelaat vertoont zich nu alles, wat den eenen vijand tegenover den anderen zoo verschrikkelijk maakt. De donkere nevel, dien miskenning, verguizing en verontwaardiging er op brachten, heeft een vuurkleurigen tint aangenomen, en de dapperheid waardoor hij zich vroeger kenmerkte, is in een getergden, wij zouden schier zeggen, in een helschen moed overgegaan.
—»Weg, kerel!« roept hij driftig tot een anspessado, die op het punt is eene ladder te beklimmen, »gij kunt mij volgen, als gij wilt, maar niemand klimt vóór mij: ik het eerst....«
Met geen ander wapen dan zijn schild, zijn degen en een dolk, bestijgt hij de ladder, terwijl hij de zijnen gebiedt hem te volgen en een grimmigen blik naar boven slaat, als tartte hij allen, die hem daar afwachten. Maar nog heeft Lama de helft van de ladder niet beklommen of de slag eener stormkolf doet hem wankelen, terwijl het gloeiende pek, door alle openingen heendringende, hem de huid brandt. Toch houdt hij stand; zelfs gelukt het hem, een paar sporten hooger te klimmen, doch zijne hopmanskleeding is hem noodlottig; verscheidene musketten zijn op hem gericht en terwijl de Spanjaard den dood veracht, treffen hem twee kogels tegelijk; nog eenige seconden wankelt hij, nog klemmen zich zijne handen aan de ladder, maar het diep in de zijde gedrongen lood belet hem verder stand te houden, en een gil tegen de oorzaak van zijn val uitstootende, tuimelt hij neer. Ongelukkige Spanjaard! schoon gij nu van don Frederik geen lof oogst, zult gij toch niet andermaal blozen over eenig grievend verwijt.
—»Ook gij!« zegt Venavides tot Valdez, »gij hebt wel gezegd, dat niets dan de dood ons wacht: dat is spotten met het leven van den krijgsman, en het grieft mij diep, dat ’s konings beste soldaten zoo op de slachtbank worden gebracht.«
—»Ook mij,« sprak Valdez, en hij wilde nog meer zeggen, toen zich op eens Romero liet hooren, die beiden lieden bij hun naam noemde. Oogenblikkelijk zien zij op; Romero nadert en roept hun driftig toe: »Gij ziet den afloop, senores! Zóó gaat het nooit. Ik zelf zal eene ladder beklimmen; ik rechts, gij links.«
Zonder hun tijd tot antwoord te geven, ijlt hij weder aanstonds naar het dichtste punt, waar zijne soldaten het blokhuis trachten te bestormen, en—met forsche stem moedigt hij hen aan.
—»Animo, soldaten, animo! overwinning of dood!« roept hij; doch een dicht bij hem staande Spanjaard, die reeds een paar malen door de verdedigers afgeweerd werd, hoezeer hij moedig den storm had ondernomen, voelt op eens zijn wrevel ontbrand en zegt nu op spijtigen toon:
—»Wij behoeven niet op den duur aangemoedigd te worden, het ontbreekt ons aan moed noch aan wil, maar aan macht....«
—»Wat zegt gij daar, hond?« dondert hem Romero toe, daar de soldaat wellicht wat luider had gesproken, dan hij zelf gemeend had. In de drift, die bij Romero altijd even ras ontvlamde als het buskruit, brengt hij den krijgsman met het platte van zijn rapier een slag op den schouder toe, er de smadelijke uitdrukking bijvoegende: »Wie, schelm, heeft u onder een eerlijk vendel gebracht?« en tegelijk zijn slag vernieuwende, ligt de aanvaller, op het hoofd getroffen, machteloos voor zijne voeten.
—»Al a salto!« gebiedt hij vervolgens, »al a salto! Viva el Reij!«.
IJlings stormen de soldaten met meer drift dan tevoren naar de ladders. De oogenblikkelijke wrok over de strengheid jegens hunnen makker wijkt voor het krijgsrumoer en den dood, die boven ieders hoofd zweeft, en uit aller mond weergalmt slechts de kreet: »Leve de koning! den rebellen de dood!«
Intusschen heeft er een nog bloediger wederstand plaats dan bij den eersten storm. Niet zoodra toch had Ripperda een tweeden aanval vermoed, of ijlings waren, op zijn bevel, Horenmaker, De Jong en Brazeman stadwaarts gegaan, een ieder vermanende om met allerlei brandstoffen aan te snellen, ten einde den vijand te meer af te keeren. Weldra ontbrak het dan ook niet aan verschillende voorwerpen, welke den bestormers meer afbreuk doen dan ijzer en staal, temeer, daar deze er diezelfde middelen niet tegenover kunnen stellen. Hier zag men er, die met gloeiende kolen gevulde potten aanvoerden en wier aangezichten een donkeren tint aannamen, telkens wanneer de gloed hen bescheen. Daar droegen anderen zware ketels met kokende olie of teer aan, terwijl ginds de zoogenaamde morgensterren of poppelcijsen, een voorraad van pek en brandhoepels of de van buiten met scherpe spitsen voorziene stormkransen getorst werden. Onverpoosd verving de eene steenvracht de andere; vrouwen, mannen en knapen sleepten of droegen onvermoeid de zwaarste vrachten, en zij behoefden noch de aansporing van Ripperda, noch van Van der Laan of Stuiver: zij waren toch Haarlemmers, men bedreigde toch hunne veste, vrouwen, kinderen, haardsteden, altaren, en—die bestormers waren de moorders van Naarden.
—»Bij St.-Hubertus! voor Ripperda!« klonk de stem van Hasselaar, het geuzenvaandel op het eene punt zwaaiende, terwijl Ruijkhaver, Schatter en Kouseband de banier weder elders hoog boven hunne hoofden deden wapperen en, den Spanjaard tergende, den moed hunner makkers niet weinig verhoogden. Maar hoezeer ook de drie andere vaandrigs niet schroomden, zich met hunnen standaard op de gevaarlijkste punten te vertoonen, brachten zij niet, evenals Hasselaar, den vijand ieder oogenblik afbreuk toe; want diens scherp oog was bestendig op de aanvoerders of de hoplieden gericht en wanneer zijn musket op dezen of genen de onbelemmerde richting had, gebeurde het zelden, dat hij geheel en al zijn doel miste. Onderscheidene malen had hij reeds op Perea en Valdez aangelegd; doch wanneer hij de lont aan de pan bracht, had òf het paalwerk òf eene schanskorf, òf een andere hinderpaal zijn doel verijdeld, en wrevelig had hij dan zijne lading op een anderen vijand afgeschoten; meest altijd met het gevolg, dat er een gewond werd.
—»Voor Ripperda!« had hij aangeheven, toen hij andermaal op Valdez mikkende, dezen zoo trof dat hij, zijne soldaten tegen het blokhuis aanvoerende, een oogenblik suizelde; en Hasselaar herhaalde het, toen hij zag, dat de latere belegeraar van Leiden eenige seconden daarna waggelde en viel, en er onder de Spanjaarden en Sicilianen eenige verwarring ontstond.
—»Geloof me vrij hopman, ik heb hem uit ’t zaal gelicht;« zeide Hasselaar tot Michiel, die met eenige schutters onophoudelijk op de bestormers vuurde en gramstorig het musket had nedergeworpen, omdat hij nog altijd tevergeefs Romero had zoeken te treffen. »Maar kent gij dien anderen Spanjool met die pluimen op den schutkeuvel? Mij dunkt, hij heeft beter trekken, dan die rauwe Romero, op wien gij vergeefs uw lood en kruit hebt gespild.«
—»Ik ken den schelm niet,« antwoordde Michiel. »Maar wat zie ik daar? Geef acht, Hasselaar! ze krijgen het daar te bang: vuur!« Aller oogen zijn nu op eens naar den kant gericht, waarheen Michiel wijst, en tegelijk knalt het uit al de musketten van achter de aardzakken, die eene soort van schietgaten vormen en tevens hun hoofd dekken: eenige bestormers zijn op het punt, den muur te beklimmen: aan een hopman, Lukas Soynag geheeten, is dit reeds gelukt, en nu klinkt het luide: »Weg met de Spanjolen! Vivent les Gueux!«
—»Wakker aan, mannen!« roept Pellikaen, »weert het gespuis van den wal;«—en onverwijld snellen eenigen met gloeiende kolen en olie aan en werpen het op de hoofden der Spanjaarden, die insgelijks op het punt zijn, den muur te beklimmen.
Onafgebroken zijn thans de kreten van woede en smart, en wij zouden eene mengeling van vloeken en Godslasteringen neerschrijven, wanneer wij ze den lezer wilden mededeelen. Maar men verbeelde zich tallooze langwerpige vuurklompen, hier rood als bloed, daar sulferblauw, een zwavellucht verspreidende en groote en kleine rookwolken vormende, die met tallooze kronkelingen opstijgen; daar een vuurbol, die van den eenen helm op den anderen stort en myriaden vonken voortbrengt; ginds een stroom van olie, welke zich door alle gapingen en openingen den weg baant, de aangezichten verschroeit of verbrandt en—de bestormers half-verstikt doet neertuimelen.
Intusschen houdt Soynag stand. Wel was hij door een schampschot getroffen; maar dit had hem niet weerhouden, om met kracht en vlugheid het punt der eer te bereiken. Met eigen hand heeft hij twee der Duitschers doen vallen en nu strijdt hij met Vlasman alleen, die op dit punt post heeft gevat.
—»Hij houdt stand,« zeide Hasselaar tot Michiel, die met de zijnen onophoudelijk door een levendig musketvuur afbreuk blijft doen, het mangelt hun niet aan courage. »Vlasman! tegen hem zijt ge niet opgewassen; zie, hoe handig hij ’t rapier voert: houd u kloek Vlasman! of het wordt nacht voor u.«
—»Die slag kwam aan,« zeide Michiel, »maar hij wordt met renten betaald.«
—»Help daar, dat was een botte veeg!« roept Hasselaar: »maar afgekeerd is hij, en nu krijgt de Spanjaard het te kwaad. Goed zoo, Vlasman! hij heeft het weg op den rechterarm; die zinkt slap naar omlaag. Wakker aan, trek er profijt van....«
—»De Spanjaard vecht met de linkerhand«, zegt nu Michiel, »hij is een eerlijk schuldenaar, die met intrest betaald. Ze zijn aan elkaar gewaagd: dat is op uw hoofd gemunt, Vlasman! help daar! dat is krachtig gemeend.«
—»Neen, ’t is mis;« roept Hasselaar, »de Spanjool houdt geen voet bij stuk meer; hij steekt op den loop: maar het veld achter zijn rug is niet breed; waar wil hij heen?«
—»Dat is list; hei daar, Vlasman, houd u terug! Wat zal het nu wezen? Daar tast hij hem aan!«—En uit zijn en Hasselaars mond ontsnapt gelijktijdig een gil; want aan den rand zien zij eensklaps een tooneel, kort van duur maar niettemin ijzingwekkend. Met de snelheid eener ademhaling heft Soynag zijn wapen op; doch in plaats dat hij het op zijne tegenpartij laat dalen, werpt hij het van zich en roept op somber dreigenden toon uit: »rebel! gij zult met mij sterven.«—Niet rasscher springt eene slang van achter den boomstam op hare prooi aan, dan Soynag het hoofd en het lichaam naar den grond bukt, Vlasman plotseling bij de beenen grijpt en hem vallen doet. Even ras haalt hij uit den gordel zijn dolk om den Haarlemmer het wapen in de borst te stooten, terwijl hij den kreet hooren laat: »muiter! gij zult met mij sterven.«
—»Maar niet door dien dolk!« roept Vlasman, die, hoe schielijk en onvoorziens aangevallen, toch eene hand vrij heeft, er het dreigend wapen mee omklemt en verhindert, dat zijn vijand het hem in de borst stoot. Nu heeft er eene korte worsteling plaats, waarbij de krachten gelijk schijnen, maar waarbij de behendigheid en de veel jongere leeftijd van Soynag verre de overhand hebben, en—het is een worsteling aan den zoom van een afgrond. Reeds is het den Spanjaard gelukt, hem nog een voet dichter naar den rand te duwen, en met schrik zien de bestormers, hoe de voeten van den hopman aan de glooiing een steunpunt zoeken te vinden, om met meer vastheid zijne tegenpartij er dichter heen te sleuren.
Met kracht poogt Vlasman het wanhopig doel te weerstreven, doch zoo vast als een wolf, die een buffel heeft besprongen, zich aan dezen vasthecht, zoo krachtig houdt Soynag zich aan zijn vijand geklemd, en reeds te halver lijf over den rand hangende, is het oogenblik daar, dat beiden zullen neerstorten. Dan, op dit oogenblik is Vader ter redding van zijn vriend doorgedrongen en heeft hij hem krachtig bij den bandelier gegrepen.
—»Wilt gij sterven, sterf dan alleen,« roept hij den Spanjaard toe, en hem een houw met zijn zwaard toebrengende, laat Soynag de handen, die zijn vijand omklemmen, los. Door Vaders bijstand kan ook Vlasman nu meer kracht aanwenden, en het linkerbeen van de hem drukkende last vrij gevoelende, brengt hij Soynag een schop toe, zoodat deze het evenwicht verliezende, aan den rand ontglipt en zijn dolk in Vlasmans hand achterlatende, neerstort.
—»Voor Ripperda! weg met de Spanjaards!« klinkt het thans onder Michiel en Hasselaar en allen, welke dien korten strijd met ontzetting aanzagen.
—»Zijt gij gewond?« vroeg Vader, toen Vlasman, weder opgestaan zijnde, hem de hand drukte, ten dank voor de bewezene hulp.
—»’t Was een kloek Spanjool, maar hij heeft mij toch geene kwetsuur aangebracht,« zeide Vlasman; »heb dank, kompaan! dank.«
—»Dank God!« roept Vader, »en strijd. Weg met den Spanjaard! Haarlem triomf!«
—»Terug!« klinkt het onder de bestormers, in weerwil dat Romero hun onverpoosd den storm gebiedt.
—»Terug!« herhalen anderen; en werkelijk deinzen sommigen die slechts een wissen dood voor oogen zien, achterwaarts. Dat ziet don Frederik. Hij had den eenen aanvoerder na den anderen zien vallen; nu ziet hij hoe het aantal soldaten, die in verwarring, terugtrekken, grooter is dan van hen, die standhouden en hij ziet het met smart, met verbittering; hij ziet het als de zoon van Alva, dien het wel de borst niet verscheurt, dat zoovelen zijner dappersten vallen, maar omdat zij vallen door de hand van rebellen.
—»Vervloekt!« zegt hij tot Marco, terwijl hij driftig op den grond stampt en tevergeefs zijne woede zoekt te ontveinzen, »zijn dat de helden van Spanje?—Zijn dat soldaten, om eene ellendige vest meester te worden? Zij laten zich doodslaan als honden; zij vallen door die rebellen, alsof ze nooit een vijand hadden aangegrepen. Waar is nu die capitan Lama, die zijne schuld zou uitwisschen? Waar is nu Venavides. Waar Soynag, waar Valdez? Zijn allen gevallen? Waar wapperen de Spaansche vendels? Waar zijt gij nu Romero met uwe overwinning of dood? Bloed, niets dan bloed zal ik zien, en de muiter zal ons beschimpen, dat hij dat bloed heeft geplengd. Romero!« riep hij met verheffing van stem, als kon deze het hooren; »Romero! wee u, zoo dat bloed niet gewroken wordt. En waar is hij? Zooeven zag ik nog zijne pluim wapperen, maar thans niet meer: zou ook hij reeds gevallen zijn?....«
—»Hoor, senor!« zegt Marco. Daar klinkt de krijgsleus: »voor Romero, valt aan!«—
—»Wat wil dat eeuwig getier en geschreeuw onder het gevecht?« herneemt Frederik. »Zoo zij er slechts één voet door wonnen; maar het is altemaal ijdel rumoer en geblaas: niet de donder, maar de bliksem vernielt. Dat geschreeuw als van de mooren en wilden moet eens ophouden in het leger, en ik maak er een eind aan?«
—»Romero houdt stand, senor; ik geloof, dat hij zelf het blokhuis beklimt: de damp van dat schot belet mij te zien; maar daar dragen de soldaten Venavides weg; ik geloof waarachtig, dat hij niet meer leeft; nu:« voegde hij er mompelend bij, »dan behoeft hij niet te vallen door mijn staal: want bij Spanje’s patroon, hij zou gezien hebben, dat men don Marco niet ongestraft hoont.«
—»Daar is hij—Romero!« roept op eens don Frederik; »ja, hij is onverschrokken en stout: hij vreest hel noch dood; en zoo moet het zijn....« En nu eens van de eene schans naar de andere snellende, dan eens dezen of genen zijner officieren vluchtig toeroepende of eenig bevel gevende, volgt hij elke beweging van Romero en verbeidt met drift en ongeduld den afloop van diens aanval.
—»Senor!« laat zich op eens de stem van Rodrigo de Sapata hooren, terwijl hij haastig op Frederik toetreedt. »Nog is er kans tot de overwinning. Laat nog eenige versterking aanrukken; laat mij ze aanvoeren, ik smeek het u: al mis ik de linkerhand, de rechter heeft nog dezelfde kracht als voorheen.
—»Neen, er rukt niemand meer aan!« zegt Frederik, wrevelig, »en u senor, beveel ik buiten gevecht te blijven. Laat mij dit bevel niet herhalen.—Geef slechts acht op Romero, mocht ook hij vallen, dan blazen de trompetters den terugtocht. Er is al genoeg bloed gespild.«
Men zag, hoe het De Sapata smartte, aan den strijd geen deel te mogen nemen. Hij was niet ongelijk aan een moedig paard, dat naar het veld hunkert, doch de stal niet mogende verlaten, spijtig en ongeduldig doch tevergeefs den fieren hals rekt. En De Sapata verdient onzen lof. Geen veertien dagen toch waren nog verloopen, sinds hem aan de Spaarndamsche schans den arm ontnomen werd, en soms was de pijn dezer wonde bijna onduldbaar. Dit toonde daags tevoren zijn verbleekt gelaat; doch nu er gestormd, nu er op leven en dood wordt gestreden, voelt hij geene pijn, nu is de bleeke tint door een blos vervangen; de hunkering naar het gevecht vlamt in zijn oog, en in weerwil dat zijne krijgsbroeders eene deerlijke nederlaag ondergaan, wil ook hij aansnellen en wellicht den dood vinden. Maar de bevelhebber verbiedt het, en—deze wil slechts gehoorzaamheid, blinde gehoorzaamheid aan zijn wil.
—»Voor Romero!« klonk het intusschen onder de Spanjaards, terwijl Frederik in zijne verbittering tegen het krijgsgeschreeuw uitvoer, met het voornemen om het af te schaffen. »Espana! Espana! La victorio ò la muerte!« (Spanje! Spanje! de overwinning of de dood!) liet het zich hooren; want Romero beklom, als aanvoerder, den muur zelf. Hij zelf wilde bereiken, wat aan zoovelen mislukte: hij wilde toonen, dat het gezegde: »Romero vreest hel noch dood!« met allen grond op hem toegepast werd; hij wilde op den muur zijn en er de zege bevechten.
—»Nu hebt gij beter gelegenheid; trek er nu profijt van,« zeide de jonge Hasselaar tegen Michiel. »Men wil zeggen, dat die Romero van de teenen tot aan den hals enkel harnas is; maar mij dunkt, dat zijn gezicht toch wel blootstaat voor een goed schot.«
—»Of ’t opwelling van haat is, of dat ik niet goed omspring met het musket,« zeide Michiel, »maar dit is gewis, dat ik den moorder niet treffen kan: en ’t zou mij weinig baten, als ik hem vallen zag door een ander.«
—»Dus moet gij u reppen,« hernam Hasselaar, »want het zou mij eene grief zijn, als hij op den muur kwam. Bijlo! het moet nacht voor hem worden, eer hij het zoover brengt.«
—»Snel gezegd, maar traag gedaan,« zeide Michiel; »doch lang mij uwen hoorn, ik wil ook van dat fijne kruit de proef wel eens hebben.«
Hasselaar gaf hem aanstonds zijn fraaien schildpadhoorn, die aan eene witte koord om zijn hals hing en met eene fijnere soort van kruit was gevuld. Snel laadde Michiel het musket, dat hij aan een gesneuvelden schutter ontnomen had, en den loop tusschen de aardzakken brengende, legde hij op Romero aan. Juist gaf ook het slangstuk van Willem Cornelisz vuur en de daardoor te weeg gebrachte damp belette aan Michiel, de uitwerking van zijn schot te zien. Niet zoodra echter was de damp opgetrokken of hij zag dat de aanvoerder nog op de ladder stond en blijkbaar niet gekwetst was, wijl hij zich onverschrokken verdedigde tegen hen, die hem van den muur trachtten te weren.
—»Mis!« zeide Michiel, op een toon, waarin verbittering en spijt doorstraalde, alsmede een gevoel van schaamte, dat hij in de kunst van schieten zoo verre beneden zijn jongeren vriend stond.
—»Probeer het nog eens,« zeide Hasselaar; »en bij St.-Hubertus! misschien zal ’t geluk u dan gunstiger wezen.«
Zonder te antwoorden, greep de hopman zijn musket weder, terwijl ook Hasselaar inmiddels het zijne laadde. Op dat oogenblik echter liet zich de kreet hooren: »Leve de koning! den muiters de dood!« en de aanvoerder was op het punt, het blokhuis te beklimmen. Dan, het was ook op dat oogenblik, dat van het punt waar zich Michiel bevond, een schot knalde; het was door hemzelven afgeschoten, doch op het harnas van den Spanjaard afschampende, had het zijn doel niet getroffen; vervolgens was die knal door een anderen opgevolgd en tegelijkertijd daverde het nu: »Leve Ripperda! weg met de Spanjaards!« Die tweede knal werd door Hasselaar, teweeggebracht, en eer men het flikkeren van het ontbrande kruit zag, stortte Juliaan de Romero duizelend van de stormladder neder: letterlijk was hem een oog uitgeschoten—de aanvoerder van den storm ten halve van zijn gezicht beroofd.
—»De dood aan den Maraan!« klonk het uit den mond van een schutter, die een anspessado zoo behendig eene brandende pekkrans om den hals wierp, dat hem deze als een beugel scheen te omsluiten, en hij, in weerwil zijner wanhopigste inspanning, er zich niet van ontdoen kan, maar met het brandend voorwerp om den hals neertuimelt en zijn dood in de gracht vindt.
—»Weg met Romero! de dood aan de bestormers!« klonk het nu, en tegelijk werden ook de overige aanvallers door vorken, kolven, vuurroers en brandstoffen met zooveel kracht afgekeerd, dat er weldra geen vijand meer te bestrijden viel.—
Dat de mislukking van dezen laatsten aanval in de vijandelijke schansen waargenomen werd, bleek daaruit, dat zich oogenblikkelijk de aftocht bij trompetgeschal hooren liet, en wel met zooveel drift als het daartoe gegeven bevel. Groot was de verwarring, waarmede men thans den terugtocht of liever de vlucht ondernam en verdoovend waren de kreten, die de Haarlemmers aanhieven:
—»Triomf voor Ripperda! Leve de prins!« klonk het hier.
—»Weg met de moorders van Naarden! Haarlem heeft triomf!« galmde het daar.
—»Wonden en dood van Haarlems lood!« galmde het weder op een ander punt, en onder dit rumoer bliezen de trompetters het overwinningslied van de geuzen, terwijl de trommen door doffe tonen boven die van den vijand uitklonken. Slechts weinige capitans waren ongekwetst gebleven en men zag nog slechts enkele officierspluimen op de helmen wapperen; Juliaan de Romero had als laatst gevallene het getal der gewonden vermeerderd, en ternauwernood gelukte het aan zijne soldaten, hem mede te dragen, wijl onder hunnen aftocht een aanhoudend vuur uit de slangstukjes en de druiventrossen op hen gericht werd.
—»Vuur!« klonk het overal, »toont gastvrijheid, mannen, tot den einde toe!—die ons bezoeken komt, moet uitgeleide worden gedaan.« En de Spanjaard had inderdaad niet over tekortkoming aan die zoogenaamde beleefdheid te klagen. Hier vielen hem vuurpijlen en steenen op den rug, daar deden de serpentijnbuksen en dubbelhaken, doch vooral de slangstukjes en druiventrossen eene vernielende uitwerking.
Hoe groot evenwel de nederlaag ook zijn mocht, nog moest ze door een noodlottig toeval vergroot worden. Het zwaard der Haarlemmers scheen nog niet krachtig genoeg te hebben gewoed.
De vluchtende vijand was ongeveer tot twee derde gedeelten van de brug voortgedrongen, toen zich opeens een verward rumoer liet hooren. Tegelijkertijd zonden de Haarlemmers hun weder eenige kogels achterna; doch toen de schoten in de verte wegstierven en de dikke kruitdamp was opgetrokken, zag men in de gracht een tooneel van verwarring en schrik. Het houten gevaarte namelijk was in het oog van sommige Spanjaards niet stevig genoeg samengesteld geworden, en men wil, dat eenigen reeds bij den eersten storm ook daarvan een kwaden afloop voorspeld hadden. De onvolmaakte saamvoeging der planken met het vaatwerk was door eenige schoten uit het slangstuk van Cornelisz nog meer uit haar verband gerukt; en toen nu de bestormers in allerijl gingen vluchten en dicht op elkander aandrongen, kon de tonbrug die plotselinge voortduwing der menigte niet weerstaan. Het eerst had de verwringing of uiteenrukking op het voorste gedeelte plaats. Schoon het dus aan de eersten gelukte, den overkant te bereiken, was aan hen die volgden, de terugtocht afgesneden: het was alsof zich eene lange ijsschots onder de eersten krakend gebogen had zonder te breken, maar toen een tweede last zich op haren rug bevond, kraakte en boog die rug hoorbaarder, knapte vervolgens als glas af en deed de soldaten in het water tuimelen.
—»Heilige moeder Gods, behoed mij!« klonk het onder hen, wier voeten op eens den vasten bodem verloren, en die zich vruchteloos vastklemden aan hunne makkers, wie een gelijk lot troffen.
—»Voorwaarts!« schreeuwden zij, die achteraan waren en zich op eens weerhouden voelden, evenals een stroom, die in het midden zijner bedding door eene klip gestuit wordt.
—»Rugwaarts!« roepen zij, die in het water werden gedrongen, terwijl op dat punt de brug onverpoosd kraakte en insgelijks met uiteenrukking bedreigd werd.
—»Terug, voor den satan, terug!« riepen de ongelukkigen, die zich vooraan in het midden of ter zijde bevonden en onmogelijk stand konden houden, wijl het vuur der Haarlemmers, onophoudelijk op de achtersten spelende, deze onstuimig naar voren deed dringen. Bange toestand! van voren en in het midden het kille water der gracht; van achter de musketten; verderf hier, vernieling daar, ginds een naar gekerm, wat verder Godslasterlijk gevloek. Nu eens verwarde en ondoelmatige bevelen, dan weder het geschreeuw der Haarlemmers, die niet ophielden, de nederlaag hunner bestormers te vergrooten. Hier een Spanjaard, die zwemmend den overkant tracht te bereiken, door anderen gevolgd wordt en zijne poging ziet gelukken; daar een makker, die niet zwemmen kan, of die door zijne zware wapenrusting zinkt, in zijne wanhoop een anderen makker aangrijpt en hem met zich sleurt.—Plotselijk weder het kraken en uiteenspringen van een ander gedeelte der tonbrug, gevolgd door eene gelijke verwarring, een gelijk gevloek en gekerm, dezelfde pogingen om worstelend het lijf te behouden en dezelfde dood in de gracht. Kreten voor- en achterwaarts, om hulp; dommelend geraas van trommels, weergalmende tonen van trompetten, overwinningsklanken en de losbarsting van slangstukken en vuurroeren, alles in akeligheid verhoogd door de meer en meer invallende schemering, die in ’s vijands oog een zwarte nacht was.
Aan velen gelukt het nochtans, al zwemmend den overkant te bereiken; velen ook klemmen zich aan de losgewrongene planken en tonnen, en wien het gelukt zulk een voorwerp machtig te worden, redt zich uit de klauw van den dood, wanneer ten minste geen lood of ijzer van de wallen hem treft. Voor de meesten echter is deze eindramp noodlottig, want die meesten vinden hun graf in het water, waar de zwaarte hunner wapenrusting of de bekomene wonden hen doen zinken:—en reeds lang na het vallen van den avond hoorde men van den wal nog het geplons; ook hoorde men onverpoosd het gekerm van: »o aarde, aarde, o San Jago, o San Dominico!«—en men zeide, dat de gekwetsten, die naar Amsterdam werden gebracht, hetzelfde gekerm lieten hooren,—zoo zwaar lag de jongst gepleegde moord van Naarden op hun geweten en zooveel berouw greep hen aan over de daar gepleegde wreedheid, die de Haarlemmers thans zoo gevoelig hadden gewroken.—
Dit was de heillooze afloop van den herhaalden vijandelijken storm. De twintigste van wintermaand zou bij don Frederik en de Haarlemmers niet licht worden uitgewischt. Maar hij zou voorzeker verschillend herdacht worden; hier met godsdienstig gevoel, daar met verbittering. Voor Hollander en voor Spanjaard was de vinger Gods opgeheven geweest; gene zag in dien vinger den Onzichtbare—deze een krachtig waarschuwingsteeken om den muiter met andere macht te bestoken. De Hollander boog dankbaar de knieën; de Spanjaard zwoer vloekend wraak.