Hoezeer ook de vijand op Nieuwjaarsdag zich bezig hield met aan de oost- en westzijde van de Kruispoort zwaarder schansen op te werpen en grooter schanskorven aan te brengen, met het schijnbaar doel om de stad te bestormen, was die storm echter niet gevolgd. Om den Spanjaard nochtans schrik aan te jagen, was hopman Pellikaen den volgenden nacht de Zijlpoort uitgetrokken en had zijne manschappen witte hemden over hunne wapenrusting laten aandoen, om hen daardoor te kunnen onderscheiden. De vijand werd op de vlucht gedreven, doch daar Rodrigo de Sapata, op dit gerucht, de bespringers met eene tiendubbele macht tegemoet ging, had men het raadzaam geacht, terug te trekken, terwijl de eenige buit in twee Heemskerksche boeren en een jongen bestond. Grooter blijdschap was er dus binnen de stad, toen des morgens twaalf zware met koren bevrachte sleden en eene nog zwaardere met brood ingevoerd werd; want hoewel de behoefte niet zoo groot was, schreef de voorzichtigheid toch voor, van iedere gelegenheid tot vermeerdering van voorraad gebruik te maken, wijl het zich niet liet aanzien, dat de vijand het beleg vooreerst zou opbreken.
Tot nog toe hadden de soldeniers, bij de burgers gehuisvest, zich rustig en onberispelijk gedragen; doch op den dag der heilige Genoveva liep op eens het gerucht, dat zekere vermaarde vrouw, Maria Harings, door een der soldaten van Steenbach wreedaardig om het leven gebracht was, wijl zij aan diens overmatige eischen tot keuriger voedsel geen gehoor had willen geven. Dit gerucht bleek spoedig waarheid te zijn: ieder werd op lijfstraf geboden, den moordenaar geene huisvesting te verleenen; ook had men dezen spoedig in handen, waarna hij, op bevel van Steenbach, tot waarschuwend voorbeeld, zijne misdaad met de koord boette, eene straf, welke op de anderen een diepen indruk maakte en door geene gelijke gewelddadigheid achtervolgd werd.
Nadat op den vijfden Januari benevens een nieuwen voorraad van zeven en twintig sleden met koren, een vendel soldaten, aangevoerd door kapitein Mandares, binnen de stad was gekomen, kwam er twee dagen later de tijding, dat driehonderd zware ijzeren kogels met zes en dertig tonnen buskruit uit Utrecht naar don Frederik waren gezonden, doch dat het aan de Woerdenaars gelukt was, het eene zoowel als het andere te bemachtigen. Deze tijding gaf aan de belegerden geene geringe vreugde, evenals alles, wat den vijand afbreuk deed. Doch de vreugd klom nog hooger, toen Matthijszen hem op dien zelfden dag, bij een uitval buiten de Schalkwijkerpoort, een gevoelig nadeel toebracht, ja, hem zóó op de vlucht joeg, dat verscheidene hunner in het Spaarne verdronken, zonder dat de uitvallers een enkel man verloren. Dan, hetzij de Spanjaard zich over dit verlies wilde wreken, hetzij hem nieuwe voorraad van buskruit was toegezonden geworden—in den vroegen morgen van den eerstvolgenden dag liet het geschut, dat sinds bijna drie weken gezwegen had, zich weder hooren. Niemand echter begreep waarom dat geschut, na slechts vier en twintig losbarstingen, weder plotseling het vuur staakte en de vijand achter zijne verschansingen terugweek,—terwijl den volgenden dag hetzelfde plaats greep, nadat men met honderd drie en dertig schoten op de muren gebeukt had. Dat hierdoor bij de belegerden dus weinig onrust ontstond, bleek uit het binnenkomen van zeven met buskruit en koren bevrachte sleden, alsmede aan eenige verordeningen van het stadsbestuur. Er werd bij trommelslag kenbaar gemaakt, dat de levensmiddelen tegen een bepaalden prijs moesten verkocht worden, zooals bij voorbeeld: een zesponds roggebrood tegen den prijs van drie stuivers, doch met uitdrukkelijk bevel, en op lijfstraf, dat geen inkoop hoegenaamd de behoefte van eenig huisgezin mocht teboven gaan, een maatregel, die den magistraat eere aandeed, wijl het nut daarvan weldra bleek.
Intusschen was de nacht van den tienden Januari, wegens den zwaren mist en de donkerheid, zeer ongunstig voor een leger van twee duizend Engelschen, Schotten, Walen en Duitschers, tot ontzet van de stad, door den admiraal Boisot afgezonden. Eenigen geraakten op de hoogte van het Huis Ter Kleef, anderen weder in den Hout en in de duinen verdwaald. Sommigen, door eene in den toren brandende fakkel en het luiden eener klok geholpen, kwamen gelukkig binnen de stad, doch de meesten trokken weder terug en rekenden zich gelukkig, dat deze dwaling hun niet noodlottiger was geweest. Zij, welke binnen Haarlem waren gekomen, brachten er de tijding, dat de vijand een aanzienlijken voorraad buskruit ontvangen had, en dit verwezenlijkte zich reeds den volgenden dag, toen de wallen door zeshonderd een en tachtig schoten geteisterd werden, zonder dat men echter grooter verlies te betreuren had, dan dat van een burger, aan wien op de markt een been afgeschoten werd. Het kleppen der alarmklok op dien dag, als een teeken, dat de Spanjaard voornemens scheen om te stormen, bleek ijdel te zijn geweest, daar plotselijk de verdere toebereidselen tot den storm gestaakt werden. Doch ook des anderen daags hernieuwden zij den aanval met grof geschut, en ofschoon er toen slechts honderd-vijftig losbrandingen plaats hadden, was de schade aan de wallen, kerken en woningen, in evenredigheid van daags tevoren, aanmerkelijk grooter, terwijl nog daarenboven twee aan tafel zittende personen door één en hetzelfde schot zóó gewond werden, dat het spoedig met hun leven gedaan was.
Voornamelijk had de vijand het op het blokhuis gemunt, zijnde dit moordhol—zooals men het noemde—hem sinds lang een doorn in het oog; doch met denzelfden onbezweken ijver als vroeger, werden gedurende den nacht de wijde bressen door jong en oud weder gedempt, terwijl de hoplieden Derdein en Dotin door hunne versterkingstaktiek geene geringe diensten bewezen. Ook was de moed te levendiger, wijl er in den laten avond van den vorigen dag weder een vaandel hulpbenden, onder bevel van kapitein Jasper, binnen de stad was gekomen, benevens een voorraad van acht en veertig sleden koren en buskruit, en de toezegging, dat twee dagen later nog eene andere toezending zou volgen. Deze belofte werd tot aller vreugde vervuld.
Terwijl van den eenen kant ’s vijands wrok wies, hoe meer hij bestookte, en, zonder eene schrede te vorderen, dag aan dag dooden telde; terwijl van den anderen kant de Haarlemmers onbezweken hunne eer handhaafden, lag over het lot van Magdalena van Duivenvoorde een vale sluier, die van dag tot dag donkerder scheen te worden.
Vroeger waren wij op het Huis Ter Kleef in de kamer, waar don Frederik met zijne officieren krijgsraad hield, en mocht de blik van sommige lezers misschien reeds toen in het verblijf der beklagenswaardige vrouw doordringen, thans wenden wij ons er bepaaldelijk heen; want de gebeurtenis op den avond van den vijftienden Januari schrijft het ons voor.
Uit Frederiks kamer voerde ter linkerzijde van de deur eene twintig voet lange galerij naar een vertrek, hetwelk men zeide, dat door een engen gang tusschen den muur en door eene verborgene deur in den wand met de reeds beschrevene kamer gemeenschap had, doch welk geheim aan Frederik niet bekend was. Dat vertrek doorgegaan zijnde, kwam men in eene andere galerij, bijna even lang doch sierlijker. Ook hier geleidden eenige deuren met fraai beeldwerk naar andere vertrekken, en de laatste deur ter rechter voerde naar een klein portaal, zijnde de eigenlijke toegang tot eene kamer, door een dikken muur van de aangrenzende vertrekken afgescheiden. Dit was een verblijf van ongeveer zestien voet in het vierkant en had weleer tot bidcel gediend, ofschoon ieder spoor daarvan verdwenen was, hebbende men ten tijde dat de hervorming hier doorbrak en de eigenaar er zich bijvoegde, de muurnissen, waarin vroeger beelden van Heiligen stonden, laten dichtmetselen en overpleisteren, opdat zelfs het geringste bewijs niet zou overblijven, dat hier de Godheid door de zijdelingsche hulp van beelden gediend was geworden. Toch ontbrak het niet aan blijken, hoe het Huis Ter Kleef bewoners gehad had, die hoogen prijs stelden op de gewijde gebeurtenissen. Dat zag men aan de met Vlaamsche tapijten bedekte wanden, waarop niet, evenals in andere zalen, de familiewapens prijkten. Hier aanschouwde men het tafereel van Lazarus, daar de dooping van den Moorschen kamerling, ginds eene kopie van Martin de Vos, voorstellende de hooge waarde der offerande van de weduwe; doch als een meesterstuk van weefkunst in de prachtigste kleuren, werd het oog onwederstaanbaar geboeid door een tafereel, dat de gansche ruimte van den linkerwand besloeg. Daar zag men, hoe de vrienden van Jezus, na het lichaam van het kruis te hebben genomen, hunnen Heer de laatste plichten bewezen. Hoe schoon was die Maria, de Maria gefolterd door weedom, de Maria, ontgloeid van eerbied, en knielend voor het overschot van haren Goddelijken Zoon. Maar de smart prangt haar te fel; zij kan zich niet opgeheven houden, en Johannes, die lieveling, ondersteunt haar. En dan die zilverlokkige grijsaards, het lichaam van hunnen Heiland opbeurende, terwijl de vrouwen den welriekenden balsem plengen. Hier dat graf, dat somber doch plechtstatig graf van den mensch geworden Christus,—daar dat Calvarië, waar zooveel zielsangst geleden, waar zoo menige heete traan geschreid werd, en daarginds dat Jeruzalem, die heilige stad, de stad van het luidruchtig: Hosannah, en het: kruist hem, kruist hem!
Maar zoo kostbaar als dit behangsel was, zoo armzalig kon de meubeleering genoemd worden. Wel was de vloer met fraaie, veelkleurige steenen ingelegd; doch geen verwarmend tapijt bedekte hem. Een ledikant met gestreept omkleedsel stond aan de rechterzijde, en daar vlak tegenover eene kleine ronde tafel van eikenhout, benevens twee kolossale stoelen met hooge lederen ruggen en lage zittingen, die eenmaal met blauw en rood laken waren overtrokken geweest, doch waarvan men schier geene sporen meer zag. Eene vurenhouten kast met een bont laken stond aan de tegenoverzijde van den ingang en voltooide het huisraad van een vertrek, dat overigens met een getralied in den muur uitgehouwen vensterraampje voorzien was, zoo hoog van den grond af, dat men, om er door te zien, de tafel ter hulp had moeten nemen.
Dit vertrek nu was de gevangenis der vrouw van Van Duivenvoorde. Verscheidene jaren jonger dan hij, kon zij evenmin bevallig genoemd worden. Hare gestalte was boven de gewone vrouwelijke lengte, haar tint bleek, zonder eene schoonheidslijn; doch een overvloed van kastanjebruin haar, en zwarte oogen, waarin verbeeldingskracht met teederheid lag, vergoedden veel; en wanneer het waar is, dat een breed, hoog en tevens lijnrecht beloop van het voorhoofd oordeel, kracht en een ondernemenden geest uitdrukken bij den man, dan mocht men misschien uit dit voorkomen bij Magdalena wel een zelfde gevolg afleiden. Eene gouden keten om den hals en hare deftige kleeding verrieden haren stand, doch leverden een scherp contrast met het armzalige van hare gevangenis; want wie toch zal aan het vertrek, waarin zij zich reeds zoo lang bevond, dien naam niet geven, al wist hij ook niet, dat zij er geen voet buiten mocht zetten? Het is waar, een misdadiger had zich gelukkig mogen rekenen, wanneer hij boette op eene wijze, als de onschuldige Magdalena leed, maar toch, voor eene vrouw van rang en aanzien als zij, was haar lot zwaar. Hoe talloos veel geriefelijkheden miste zij: geen liefelijke haardgloed in den winter; slechts nu en dan, wanneer de kou te fel neep, eene geslotene koperen pan, die gloeiende kooltjes bevatte, doch ze, door de kleinte der luchtgaten, spoedig deed uitdooven. Dat prachtig wandtapijt was eene grievende satire op het armzalige van al het andere: het was blanketsel op verflenste wangen, een purper gewaad over lompen. En dan haar toestand?.... Des daags het geschutgebulder in hare nabijheid, met de vrees, dat iedere losbarsting Van Duivenvoorde of hare kinderen zou treffen, dat het bloed van honderden harer vrienden binnen Haarlem stroomen kon. Des avonds of des nachts het geschater der Spaansche officieren in de aangrenzende vertrekken, alsof elke ruwe, elke uitbundige toon eene bittere beschimping op haar ware: het kille van den vloer op hare legerstede ontvliedende, en door dat rumoer dan ook dikwerf daar den slaap niet vindende, dien zij zoo noodig had. Dat verrijzen van iederen morgen zonder een koesterenden zonnestraal, en de komst van iederen avond, zonder dat haar oog de tintelende avondster zag. Dat weinig versterkend voedsel, nog daarenboven karig toegemeten en haar voorgezet door een trawant van Marco, met een norschen, bijna dreigenden blik of een valschen, soms versmadenden lach om de dikke koperkleurige lippen, en nooit een vriendelijk woord sprekende, als ware de doodstraf gezet op een enkelen klank van zijn mond. Voorwaar, Magdalena’s toestand was hard!
Toch was zij geene zwakke vrouw, die het hoofd buigt, even als eene lelie, wanneer de storm den tengeren steel knakt. Zij droeg haar lot als eene Christin, met geloof, met hope, met gelatenheid. Zij droeg het als iemand, die door geene schrikbeelden kan ontzet worden, met kracht, met moed, en zij bleef fier het hoofd opheffen, waar het hoofd van zoo menige andere ware bezweken.
Lang had zij reeds in dien toestand verkeerd, en—de dag van den vijftienden Januari was even schaduwachtig aangebroken. Ook de middag kwam en met deze de hatelijke Spanjaard, welke haar het karige, uit erwten, schapenvleesch en brood bestaande voedsel in den gewonen grooten tinnen schotel voorzette en vervolgens weer even stom het vertrek verliet. Magdalena had echter geen honger; want akelige droombeelden in den vroegen morgen hadden eene drukkende pijn op haar hoofd teweeggebracht, en hare oogscheelen waren zwaarder dan lood. Eene geruime poos liet zij het eten onaangeroerd, en reeds zag zij niets meer van den walm, die er in den aanvang van opsteeg; want de koude was weder snerpender. Zij dacht slechts aan Van Duivenvoorde, aan hare kinderen, en zij hoorde nu en dan de slangstukken, welke op den muur beukten en telkens door zwakkere schoten werden beantwoord.
Ongeveer een uur kon verloopen zijn, toen de hoofdpijn allengs week en de maag een weinig hare rechten begon te doen gelden. Zij schoof dan den stoel iets dichter naar de eikenhouten tafel en proefde eenige beten van de koud gewordene spijs, die haar echter niet smaakte. Weder laat zij ze verder onaangeraakt. Onwillekeurig houdt zij het oog op de deur gericht en—bedriegt zij zich niet?—eenige minuten later hoort zij eene kleine beweging. Onder de reet wordt een strookje perkament heengeschoten: hierna hoort zij opnieuw eene beweging, als verwijderde zich de persoon, die haar de strook in handen wilde doen komen, en vervolgens is het weder stil. IJlings staat Magdalena van haren stoel op, snelt naar de deur—raapt het perkament op—slaat er gretig den blik in en—nu leest zij in gebroken, doch met eene duidelijke hand geschreven Hollandsch, het volgende: »Iemand, bewogen met uw lot, wil u redden. Hij meent, daartoe een middel te hebben gevonden: schrik dus niet, wanneer gij iets ongewoons hoort: wellicht waagt hij dit nog dezen avond, zoo niet, dan toch morgen.«
—»Is dat geen bedrog van een schemerend oog?« sprak Magdalena in zichzelve, terwijl zij op de strook staarde als iemand, die twijfelachtig goud toetst. »Is dat geene begoocheling? Maar ik zie toch onbeneveld; ik lees het; het staat er: »wil u redden, nog dezen avond wellicht.« Zij las nog een en andermaal en vond altijd die zelfde woorden, en was zich ten volle bewust, dat zij niet droomde. Nu verborg zij het perkament tusschen haren boezem, terwijl zij naar de zware deur zag, of die niet geopend werd, evenals de vinder van een schat de oogen links en rechts wendt, om te zien of ook iemand die vondst bespeurd heeft, om ze hem te ontweldigen of met hem te deelen. Toch niet de minste aannadering, toch niet de geringste beweging, en nu haalde zij de hoop inboezemende regelen weder te voorschijn en las ze andermaal, terwijl de hoofdpijn plotselijk van haar week. Het sobere, kille maal scheen haar op eens het gerecht van een vorstelijken disch toe, en de tinnen schotel blonk in hare oogen als een zilveren plateel. Het was, alsof er eensklaps een lichtstraal in hare ziel schoot.
—»Maar,« zeide zij nu bij zich zelve, »dat ik mij niet door zoet bedrog verwarre: dat ik mij niet diets make, wat misschien ondoenlijk is. Wie kan mij hier helpen? Is deze zware deur nog door geen zwaarder slot gesloten, en of al iemand den sleutel bemachtigd had, dan nog zou ik niet buiten gevaar wezen; want gestadig kruist men rond, zelfs in den nacht, en zoo een argwanende blik het bespeurde, eilaas, wat zou het dan zijn?«
Nu las zij opnieuw.
—»Hij meent een middel te hebben gevonden; het faalt hem dus aan de wisheid,« vervolgde zij, »maar zou het ook mogelijk wezen, dat een geheime gang in gemeenschap stond met dit vertrek? Het is alzoo geschapen met het Huis Aalbertsberg, waar enkele zalen door verborgene deuren te zaam loopen, en er zijn vele ridderlijke huizen, waar men dit vindt.«
Zij stond van haren stoel op. Haar hart klopte hoorbaar bij deze mogelijkheid; thans betastte en onderzocht zij ieder gedeelte van het vertrek met de meeste opmerkzaamheid, ten einde eene ontdekking te doen tot meer hoop en vertrouwen. Elke hoek van de gewezene bidcel werd aandachtig beschouwd; geene afscheiding van het behangsel werd onaangeraakt gelaten; met moeite en inspanning verschoof zij het ledikant en de kast; te vergeefs! nergens het geringste kenteeken eener verborgene deur! nergens eenig voedsel voor hare opgevatte hoop.
—»Maar die vloer,« zeide zij, op de fraai gekleurde steenen starende, waarop hare oogen vroeger reeds zoo dikwijls gerust hadden, zonder de velerlei gedachten, die haar thans doorkruisten. »Zoo deze....?« IJlings opstaande, onderzocht zij nu elken steen nauwkeurig, doch geen geheime knop of springveer deed ze door zachte of harde drukking uit de voegen losraken; en nadat zij daarmede bijna een uur had doorgebracht, zette zij zich neder, om aan hare gedachten den vrijen loop te geven.
—»Wie zou mij dan hier kunnen uitredden, zoo God het niet doet?« sprak zij. »Of ’t hem al niet mangelde aan goede gelegenheid, waar zou hij de mogelijkheid vinden? ’t Is toch licht te zien, dat het niet kan geschieden door dit luchtgat, hoog boven mij; want zijn het geene zware traliën, die geene hand buigen kan of breken? Wat vlei ik mij dan? Maar wat wil men met dit geschrift? Het zal toch geen net wezen om mij te strikken? Ben ik niet reeds genoeg in de macht van den Spanjaard? Gewis, men wil mij uitredden; maar op wat wijze, en wie mag het zijn?....«
Zij luisterde, meenende in de nabijheid der deur eenig gerucht te hooren: zij bedroog zich niet; doch het waren een paar Spanjaards, die zich onder een luid gesprek naar de aangrenzende zaal begaven; nauwelijks echter waren zij daar, of hunne stemmen bereikten Magdalena’s oor niet meer, hetgeen haar opnieuw ten bewijs strekte, dat de muur tusschen haar en het nevenvertrek zeer dik moest zijn; want wanneer zij van daar eenig geluid vernam, was het steeds een hevig gerucht, dat zich op verren afstand zou hebben laten hooren.
—»Wie ’t zijn mag, die hier belang stelt in mijn lot?« zeide Magdalena. »Het schrift heeft geen naam, geene letter, die mij op eenig spoor brengt, en toch geloof ik, dat de woorden niet zijn van een, die met mijne moedertaal overbekend is. Wat mag het dan wezen? Zouden het beschimpingen zijn op mijn leed? Wie zou zoo gruwzaam wezen? En wie zou zich die moeite opladen, zonder er eenig genot van te trekken? Maar mijn lot is in Gods hand—een Uitredder, voor wien niets onmogelijk is.«
Magdalena herdacht nu weder levendiger hare kinderen, haar echtgenoot, Haarlem, want ofschoon zij daaraan honderdmaal, ja onverpoosd gedacht had, was zij in dit opzicht aan ieder gelijk: de geringste verandering van ons lot of slechts de flauwste hoop, dat het een keer nemen zal, doet den geest er altijd te levendiger op spelen. Dat lot is dan niet ongelijk aan eene caleidoscoop, die schoon dezelfde voorwerpen in zich bevattende, nieuwe figuren of gezichtspunten aanbiedt, wanneer men aan de buis draait.
Zij hoorde geen schot meer uit de slangstukken, die trouwens dezen dag ook slechts een en dertig maal hadden losgebrand. Reeds begon de schemering te vallen, en de koude, sinds den middag van haar geweken, begon zich weer te doen gelden, toen zij beweging aan de deur vernam en haar stilzwijgende cipier het vertrek binnentrad. Zou hij ook thans niet spreken?
Het kwam Magdalena voor, als zag hij niet zoo barsch, niet zoo dreigend als anders. De Spanjaard had weder de met gloeiende kooltjes gevulde pan bij zich, en nadat hij die op de tafel gezet en de tinnen schotel had opgenomen, waarin nog de grootste helft der spijs was overgebleven, zeide hij in zeer gebrekkig Hollandsch:
—»Reken op de komst van monsenor, nog dezen dag. Hij wil u spreken.«
—»Ik versta u niet,« zeide Magdalena met eene waardigheid in hare houding, die zij nog nooit verloochend had, »wat zegt gij?«
De Spanjaard herhaalde zijne woorden, waarop zij eene beweging met de hand maakte, ten teeken dat zij hem begrepen had en zonder een blijk te geven dat deze aankondiging haar ontzette, waarna hij zonder verder een blik op haar te werpen, met den schotel het vertrek verliet.
—»Mij dus weder spreken!« zeide zij in zich zelve. »Zijn doel zal wel weder zijn, om mij te verschalken door dreigingen of schrik aan te jagen; of wie weet wat slimmer streken hij bedacht heeft, die nu schuilen zullen onder zijne woorden. Maar wat hij aanvangt zal hem luttel baten. Hij kan mij noch door woestheid doen vreezen, noch door dreigingen. Ik ben moedig in mijn leed, en mijn betrouwen is op den Hemel.«
Nu verwarmde zij zich bij den gloed van het vuur, welks koesterenden invloed zij zelden langer dan een paar uren ondervond, en in haren stoel achterover gezonken en peinzende over alles, verbeidde zij èn de komst van don Frederik èn den afloop van hetgeen een onbekende met haar voor had.