ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Het kon, naar gissing, ongeveer acht ure in den avond zijn geworden, toen Magdalena eene haar tot nog toe vreemde beweging meende te hooren. Zij zat met de rechterzijde naar de deur, en hetgeen zij dacht te hooren, had vlak achter haren rug plaats. Het was als een licht getik, vergezeld met het vallen van eenige glasscherfjes op den steenen vloer, doch bijna onmerkbaar. Uit instinct keek zij oogenblikkelijk naar dien kant heen, ofschoon dikke duisternis haar omgaf; want ook dit mocht wel onder het meer drukkende van haar lot gerekend worden, dat geen avondlicht een vriendelijken straal door hare gevangenis wierp. Slechts eens, bij een vroeger bezoek van don Frederik, had het licht eener Spaansche lamp dat vertrek beschenen; overigens had er altijd, na het invallen der schemering, donkerheid geheerscht.

Magdalena zag dus niets; toch hoorde zij het zachte gerucht: zij stond nu op, begaf zich naar de richting van de deur, en nauwelijks was zij tastende daar gekomen, of het tikken werd iets harder; maar zij hoorde verder niets vallen. Haar hart klopte; want ofschoon niet vreesachtig, had toch de donkerheid rondom haar nog iets akeligers bij hetgeen zij vernam.

Nu was het eenige seconden stil; maar vervolgens liet zich het getik andermaal hooren, en Magdalena gevoelde tegelijk eenige beweging aan het behangsel, waartegen zij de hand hield. Eene onwillekeurige rilling beving haar, doch zich even ras herstellende, bracht zij de hand er andermaal tegen en zeide nu op dien toon, welke in dergelijke gevallen gewoonlijk rasch, doch, in weerwil van ons zelven, ook altijd met eenige vrees gepaard is:

—»Wat is dat? Wat hoor ik daar?«

—»Gij hebt mij gehoord?« vroeg nu eene haar onbekende stem, insgelijks op zachten toon, doch zoo duidelijk verstaanbaar, dat de mond, welke dit vroeg, zeer dicht in hare nabijheid zijn moest.

—»Ja,« antwoordde zij, »wie zijt gij? Wilt gij mij helpen ter uitredding?«

—»Dat wil ik,« hernam nu weder de onbekende stem, en het scheen Magdalena toe, als hoorde zij den tongval van een Spanjaard; »hier is eene deur, welke naar de binnenzijde van uw vertrek open kan; maar wat houdt ze tegen?«

—»Hier eene deur!....« riep zij verwonderd, »dat hangtapijt belet haar dan....«

—»Ja, dat voel ik nu met den vinger,« fluisterde de stem, »kunt gij dat niet openscheuren of opensnijden?«

—»Het is doek,« zeide Magdalena, »en het faalt mij aan iets scherps.«

—»Wacht dan;« en nu bemerkte Magdalena, dat de onbekende harder tegen de deur drukte; want het behangsel week meer binnenwaarts en zij voelde duidelijk dat het doek opgereten werd door een dolk. Maar plotselijk liet zich in hare nabijheid, aan de linkerzijde, een zware voetstap hooren en bijna gelijktijdig het openen der deur van het portaal.

—»Dat is don Frederik sprak zij in zich zelve; en oogenblikkelijk besefte zij haar gevaar, maar ook even schielijk de noodzakelijkheid om het van zich af te wenden.

—»Terug eene wijl!« fluisterde zij tot haren onbekenden redder: »men komt naar mijn vertrek.« En gelukkig dat deze woorden gehoord werden, of dat men achter het doek insgelijks de beweging aan de portaaldeur vernam; althans de vreemde zweeg, en juist toen Magdalena reeds het licht door de onderste reet harer gevangendeur zag, ijlde zij nu tastend naar haren stoel, waarop zij zich eveneens nederzette, als had zij hem niet verlaten en—een paar seconden later trad don Frederik het vertrek binnen.

Waart ge nooit eens in eene omstandigheid, lezer, dat gij op jeugdigen of later leeftijd iets misdreven hadt, waarvan ge zelf al het gewicht beseftet? Dat uwe genade of uwe straf dan afhing van iemand, verre in macht boven u,—dat gij dien man, dan tot u zaagt komen, koel en streng en dreigend en u met geen groet verwaardigende, als gevoelde hij al zijn gezag, al zijne overmacht op u?—Welnu, zoo was de binnenkomst van Frederik; maar de toestand, waarin gij u bevondt, was zeer verschillend van dien van Magdalena: gij waart bewust van uwe schuld, zij kende geene schuld, gij waart angstig, half verplet, zij was rustig, onbeheerd.

—»Dat is mijn laatste bezoek,« zeide Frederik, terwijl hij zich op den tweeden stoel zette en het lamplicht zóó plaatste, dat het schijnsel op haar, niet op hem viel, »ik beken, dat geene list door mij gespaard werd, om u te bewegen tot het schrijven aan uw gemaal: ik heb zelfs geene bedreiging ontzien, schoon verwijderd blijvende van het plan om er de hand aan te leggen. Maar thans is mijn besluit genomen; het staat vast, en bij de heilige moeder Gods zweer ik, het woord te zullen gestand doen, dat ik thans spreek. Vooraf dus vraag ik nog voor de laatste maal, of gij met eigene hand schrijven wilt aan uw gemaal?«

—»Dat wil ik,« antwoordde Magdalena, die, schoon zij eene andere houding had aangenomen, echter niet opgestaan was: »ik wil schrijven, maar ik moet er aan twijfelen, heer! dat gij uw zegel zoudt hechten aan wat ik neerschreef.«

—»Waag het niet,« zeide Frederik, terwijl hij een dreigenden blik wierp, »den spot met mij te drijven; want weet, dat ik dien bij den man straf, en niet altijd verschoon bij de vrouw: het is u bekend, dat niet deze zin ligt opgesloten in mijne vraag. Wilt gij schrijven, wat mijn mond spreken zal, of wilt gij het niet? Doch bedenk u wel.«

—»Ver van mij is het spotten,« antwoordde Magdalena, »want kan het mij bekend wezen, of gij nog steeds hetzelfde eischt, dan of uw gemoed ingesnoerd heeft de gedachten, die gij mij hebt voorgeworpen? Want, ik zeg het onbevreesd, zoo gij hetzelfde eischt, wat gij mij al reeds deedt hooren, dan voorzeker schrijf ik niet

—»Die trotschheid kent geene grenzen!« zeide Frederik, van gramschap op zijne lippen bijtende, »zoo een mijner capitanes de stoutheid had, mij dit toe te voegen,—bij de waarheid van Gods Heilige Kerk! al ware hij een ridder, een prins, hij zou het boeten: maar gij zijt eene vrouw, en de leeuw weet, waar hij edelmoedig moet zijn.«

Nu zag hij haar aan, en zweeg een paar seconden, als verwachtte hij, dat zij spreken zou; doch toen Magdalena hem zonder siddering, zonder vrees, zwijgend aanstaarde, hervatte hij:

—»Gij weigert dan zelfs hardnekkig ééne poging, dat men de stad in mijn handen stelle? Gij weigert dit zelfs, wanneer ik plechtig zweer, dat aan niemand een haar gekrenkt zal worden, dat have en goed veilig zullen wezen, en dat er algeheele vergiffenis zijn zal voor de rebellie? Gij weigert dus zelfs eene poging om in Haarlem het bloedbad te doen ophouden? Want dit zweer ik bij Spanje’s patroon, dat vele mijner kloekste soldaten den dood vinden, maar ook vele van uwe landgenooten en vrienden. Nog eens dus: wilt gij vrede en leven, of wilt gij oorlog en dood?«

—»Vrede en leven wil ik, zelfs ten koste van mijn leven,« antwoordde zij, »maar nooit zal mijne hand bezoedeld worden door woorden te schrijven als deze. Nimmer zal ik pogen, den moed aan het wankelen te brengen; want of ook de genade van Spanje en de goedertierenheid groot ware, ik zou niet leven willen in eene stad, die zich overgaf aan den hertog, zoo ik door een woord of teeken daaraan de hand had geleend. In Haarlem, heer, zijn mannen, kloek en vroed uit zich zelven: doe gij hun dus deze taal hooren, en zij zullen handelen naar hetgeen oorbaar is en wijs.«

—»Welnu, dan zal men zien,« zeide Frederik, »gij moogt weigeren, de hand uit te strekken, maar gij zult, gij moet hooren, wat ik thans spreek. Weet dan, dat uw prins de muiters van den wal wilde ontzetten; maar zijn aanslag was vruchteloos; zijne gansche macht is vernield en gevangen. Als morgen de dag aanbreekt, zal in het gezicht van den wal de galg opgericht worden, en aan die galg zal men hen hangen, welke in onze handen zijn gevallen; dit zal hen leeren, hoe de hertog weet te straffen, wie de rebellen ter hulp snelt. Maar die galg zal ook opgericht zijn voor u: en dat zweer ik, eer de koord u den adem toewringt, zult gij gemarteld worden ter dood, en uw gemaal, gansch Haarlem zal het aanzien, en zij zullen huiveren van schrik; want bij de Madonna! zoo groot de genade des konings zij, zoo groot is ook zijne straf. En nu moogt gij zonder hope zijn; want gij zult de hand niet aan u zelve slaan: ik zal u verlaten, maar u door schildwachten doen bewaken; die zullen tot morgen, op doodstraf, mij borg wezen voor uw leven.«

Welk eene taal!.... tegen deze vrouw, reeds weken lang aan het kwellendst lot ter prooi. En dat waren geene bedreigingen, om slechts wanhopenden schrik aan te jagen, om te doen buigen, wat tot nu toe onbuigbaar was. Frederik dreigde nu niet meer: hij had besloten, ook uit te voeren; dat zag men aan zijn oog, dat nu geene stralen meer schoot van gramschap, maar met donkeren ernst op zijn slachtoffer gericht was; dat zag men aan zijne vuist, die als een klomp ijzer op de tafel rustte. En dat was eene tegenstelling—die man tegenover die vrouw; die forsche, machtige Spanjaard tegenover die zachte, zwakke vrouw. De vrije tegenover de gevangene, in zulk een toestand, op zulk een uur—in een kerker: de duif in de klauw van den gier. En toch siddert zij niet; want die vrouw, schijnbaar zoo gering, schijnbaar niets tegenover dien man, is echter zoo eindeloos ver boven hem verheven, omdat zij gloeit voor het heil, voor den roem van haar land, omdat zij onbuigzaam is als een ceder, waar het dat heil en dien roem geldt, omdat haar hart groot is en zij den godsdienst voor de fakkel houdt, die het donkerst pad bestraalt.

Maar schoon zij noch ontroerde, noch beefde, werd zij toch door fellen tweestrijd aangegrepen. Zij las in dien ernst, in die bedaardheid de rijpheid van het plan; zij twijfelde niet aan de uitvoering, en hoezeer haar dit niet ontzette, slingerde haar toch de gedachte, hoe de schildwachten zouden binnentreden, om haar te bewaken en dus het reddend spoor in te sluiten, dat zich zoo even voor haar geopend had. Zij gevoelde de gemakkelijkheid om dit te voorkomen. Door te schrijven wat Frederik haar gebood, zou zich deze verwijderen, en wanneer de vlucht gelukte, zou zij wellicht eerder binnen Haarlem zijn dan haar geschrift. Maar dan had zij ook voor haar tiran gebogen, gebeefd; dan was al hare fierheid, al hare zelfstandigheid als eene waterbel gebarsten; dan was de eerbied, dien Frederik, in weerwil van zich zelven, haar toedroeg, op eens in schimpende minachting overgegaan. Dan zou hij gezegd hebben: »zoo wankelen die vaste rotsen.« Zij wilde hare waarde, haar karakter dus handhaven, in spijt der bedreiging, en daarin moesten snelle list en oordeel haar behulpzaam zijn, terwijl zij bij mislukking toch nog altijd het andere middel in hare macht had.

—»Gij bedriegt u droevig, heer, als gij waant, dat die straffe mij doet huiveren,« antwoordde zij. »Uw gelaat zegt mij, dat gij thans niet ijdel dreigt; en toch, zie mij aan; ik beef niet: geen angst doet mijne wang verbleeken. Schik mij vrij uwe trawanten toe: doch dat wil ik u wel zweren met een heiligen eed, dat ik de hand niet zal slaan aan mij zelve: daartoe faalt mij de moed, niet de moed om mijn leven te laten voor Haarlems eer. Laat dus nauwlettend op mij waken, doe alles wat gij noodig acht: maar weet, dat niets mij ontzet, dat niets mij kostbaarder is dan de roem mijner stad, en dat al mijn vertrouwen op God is.«

Nog had zij niet uitgesproken, toen Frederik reeds van zijn stoel opgestaan was. Zijne oogen namen weder de uitdrukking van verbittering en woede aan: die gemoedsbeweging was ook zichtbaar in de drift, waarmede hij op haar aantrad, doch plotselijk terugdeinzende, zich naar dien kant der geheime deur wendde, waar zich ook de onbekende helper bevond, aan wiens ooren niets ontsnapt was,—en die met ingehouden adem den afloop verbeidde. Met angst volgde Magdalena’s oog hem in die richting, doch zoo zijdelings, dat hij er niets van gewaar werd. »Zoo hij iets ontdekt of vermoedt, dan ben ik verloren,« dacht zij, doch de Spanjaard scheen de opening niet te bespeuren, en al ware zulks het geval geweest, dan nog zou zijn argwaan er wellicht niet door opgewekt zijn geworden. Slechts onbestemde drift deed hem naar dien kant snellen; want oogenblikkelijk trad hij weder op de deur aan, en terwijl hij een vernielend oog op Magdalena wierp, zeide hij: »Zooveel schimp, zooveel verachting van eene vrouw!....«

—»Bij God! ik zal u laten pijnigen,« sprak hij met verheffing van stem, en nu opende hij onstuimig de deur, als wilde hij de hellebaardiers roepen. Maar plotselijk zich weder bedenkende, trad hij snel op haar aan en zeide nu op een toon, die duidelijk verried, dat het zijne laatste woorden waren:

—»Mij hebt gij voor het laatst hier gezien: nog één uur laat ik u tijd, en dan—vrees mijne wraak!«

Dit gezegd en de lamp weder van de tafel genomen hebbende, verliet hij het vertrek, zonder haar verder een woord toe te spreken. De sleutel werd in het zware slot omgedraaid en—weldra heerschte er weder donkerheid in Magdalena’s verblijf.


—»Zoo waarachtig als ik edelman en ridder ben,« had de onbekende redder een paar malen bij zich zelven herhaald, terwijl hij ieder woord opving, »zoo waarachtig als ik leef, die vrouw zal niet gepijnigd worden; ik zal haar redden. Bij de heilige Maagd! moet de krijgsman van zijn hooge standplaats afdalen om de rol van beul te vervullen? Moet zóó de menschheid worden vertrapt? Moet men langs dien weg eene zege zien te koopen, waar moed en onbezwekenheid neerlaag voorspellen?—Ik ben Spanjaard en mijn koning zwoer ik eed; maar hoe meer ik den Nederlander leer kennen, hoe hooger hij rijst. »Zij zijn geene lage muiters; zij willen slechts een juk van zich afschudden: en al moest het mijn rang, mijn leven gelden—bevechten alleen zal ik hen als de vijanden van mijn vorst, voor wien ik eenmaal het staal aangreep: maar ik zal ook deze vrouw redden, die in adel en moed voor geen Spanjaard wijkt.«

Moeten wij zeggen wie aldus sprak? Maar ja, het zou onrechtvaardig zijn, te vooronderstellen dat zich in Alva’s leger slechts één edeldenkend Spanjaard bevond. Daarom moeten wij zeggen, dat het don Pedro de Venavides was.

Van zijne kleine wonde hersteld, had hij eenige dagen vóór dezen avond toevallig eene ontdekking gedaan, die aan Frederik noch een der andere Spaansche officieren bekend was. Hetzij van zelf, hetzij door de werklieden, die het Huis Ter Kleef nog op den duur meer geschikt maakten tot een verblijf voor de onderscheiden bevelhebbers, was in de ruimte, die Venavides had betrokken, een weinig kalk van den muur losgeraakt, en de Spanjaard zag nu een gedeelte eener reet, die hem, bij nader onderzoek, eene deur bleek te zijn. Juist alleen zijnde en door nieuwsgierigheid gedreven, opende hij die en ontdekte nu een geheimen gang tusschen den dikken muur, doch zoo eng, dat men er niet dan op zijde door kon gaan. Met behulp van een licht deed hij dit daarop naar die zijde langs den gang, waar het portaal van Magdalena’s verblijf zich uitstrekte, en, zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten, was hij behoedzaam tot aan dezelfde plaats genaderd, waar hij zich gedurende het bezoek van don Frederik bevond.—Toen was hij gestuit tegen eene deur, en wellicht zou zijne nieuwsgierigheid hem nog verder hebben gedreven, zoo hij niet gehoord had, hoe eene vrouw vurig en roerend bad. Die vrouw kon geene andere zijn dan de vrouw van Van Duivenvoorde. En haar toen zoo roerend hoorende bidden voor haren echtgenoot en hare drie kinderen, was het besluit in hem opgekomen, haar langs dien weg te redden.—Vervolgens was hij ook in de andere richting voortgegaan tot aan het einde van den gang. Daar nam de muur eene kleine kromming, en de gang bleef voortduren, ook langs de tegenoverzijde der galerij, totdat Venavides ter hoogte van die zaal was gekomen, welke wij vroeger zeiden, met de kamer van den bevelhebber gemeenschap te hebben. Ook op deze hoogte scheen het geheime pad door eene deur in die kamer uit te komen: maar hij oordeelde het onnoodig, ze te openen en—ging voort. Weinig scheelde het, of hij was het slachtoffer zijner nieuwsgierigheid geworden; want op eens stond hij aan den rand van een afgrond; een paar duim breeder en—hij ware er in nedergestort. Nu zag hij bij het schijnsel van het licht, dat eenige smalle steenen trapjes steil naar omlaag voerden, en dat het bedekte pad dus voor een klein gedeelte onder den grond doorliep; want daar de muur op de hoogte der andere galerij eindigde, en de gemeenschap nochtans met den anderen muur bestond, had men deze op die wijze moeten voortzetten. Na dien onderaardschen weg van ongeveer vier schreden voerde een gelijke trap weder opwaarts, en nu liep het pad ongehinderd tusschen den zwaren muur voort tot aan Frederiks kamer, waar het op dezelfde wijze eindigde als aan de gewezene bidcel. Ofschoon Venavides op dat oogenblik geen gerucht vernam, dat de tegenwoordigheid van Frederik verried, achtte hij het toch niet raadzaam, de deur te openen, maar verwijderde zich weder langs denzelfden weg naar zijn verblijf. Daar gekomen, had hij de voorzichtigheid om de fijne reet met klei en witsel zóó dicht te maken, dat ze voor anderen onzichtbaar was of althans niet opgemerkt zou worden—en nu peinsde hij vervolgens op een middel om het reddingsplan op de geschiktste wijze uit te voeren.

Zoo waren eenige dagen verloopen, tot op den dag, toen Venavides vernam, dat Frederik, wrevelig over den tegenspoed en de weinige vorderingen met het beleg, een ander middel zou te baat nemen om Haarlem in zijne macht te krijgen, en wel het middel, dat wij kennen en even diep verfoeien als Venavides deed. Hij wist, dat de vrouw van Van Duivenvoorde, bij weigering om volgens Frederiks zin, aan haar gemaal te schrijven, voor het oog der belegerden aan de gruwelijkste mishandelingen zou blootgesteld worden. Dit deed hem van billijke verontwaardiging gloeien; te meer, omdat Frederik zelf verklaard had, nimmer tot dien stap te zullen overgaan, tenzij de Hollanders door de eene of andere schanddaad er recht toe zouden geven, iets, dat tot nog toe niet plaats had gegrepen. Het besluit om haar te redden verkreeg dus te meer voedsel, en hij vormde het plan om dit op dien dag ten uitvoer te brengen, wijl het anders wellicht te laat zijn zou. Wij weten, op wat wijze hij Magdalena met dit voornemen bekend maakte; wij weten, hoe verre hij reeds gevorderd was.


Nauwelijks had Frederik Magdalena’s bidcel verlaten en liet zijn zware voetstap zich niet meer hooren, toen Venavides andermaal tegen de verborgene, half geopende deur tikte, en ook Magdalena weder derwaarts tastte.

—»Zoo gij mij nu helpen wilt, hier ben ik weer,« sprak zij.

—»Ik ben niet van hier geweken,« was het antwoord, »maar nu—de tijd dringt tot spoed.«

Oogenblikkelijk maakte hij met den dolk eene groote opening in het behangsel; het kunstrijk weefsel werd vernield: de door weedom gefolterde maagd, door de scheppende hand van den kunstenaar op dat doek getooverd, werd opnieuw vaneengereten; aan de ondersteunende handen van den lieveling Johannes werd de zichtbare gestalte ontnomen; het pronkstuk van den werkmeester had opgehouden te zijn.

Spoedig bezweek nu de verdere kleine hinderpaal; de deur ging open en de hand van Venavides vatte de hand van haar, die hij redden wilde.

—»Ik heb alles gehoord,« zeide hij, »niets dan de vlucht kan het duivelsplan verijdelen, dat over u besloten is. Wat mij vroeger enkel eene hulpbetooning toescheen voor ieder man van eer en gevoel, komt mij thans als plicht voor; want ik heb uwe woorden gehoord, en bij de heilige maagd! zij hebben mij ontgloeid voor uwe grootheid in uwe ramp.«

—»Gij zijt een Spanjaard, mijnheer?« vroeg Magdalena, »gij zijt vijand van mij en mijne landslieden, en gij wilt mij redden?«

—»Nog dit uur,« was het antwoord, »daarom den tijd niet met vragen verspild: zoo gij veilig zijt, zal ik u alles ophelderen; weet, dat een vijand jegens zijn vijand ook een vriend, soms meer dan een vriend zijn kan.—Kent gij dit huis?«

—»Ja,« antwoordde Magdalena, »ik ben er dikwijls geweest; maar waartoe deze vragen? En hoe kunt gij mij uitredden?«

—»Het is gewis niet zonder gevaar,« zeide Venavides. »In uw vrouwengewaad althans zou de vlucht onmogelijk zijn. Ik heb daarom de kleeding van een capitan met mij gebracht: de noodzakelijkheid gebiedt, dat gij die voor de uwe ruilt.«

—»Maar bij deze donkerheid, heer? en zal dit gewaad zelf mij niet verraden? ik ben eene vrouw....«

—»Maar eene vrouw, die moed en voorzichtigheid heeft; ik ken mannen, in gang en houding aan eene vrouw gelijk: tracht gij, door beiden gelijk te wezen aan een man; de mantel zal u daarin behulpzaam wezen: neem dit stuk waskaars en eene lont, die ik reeds vernieuwd heb: steek het aan en zorg slechts dat men van buiten het licht niet kan zien.«

—»Geen vertraag dan,« zeide Magdalena; »maar eene vraag: zoo ik gered ben, kan dan geene achterdocht op u rusten? Kunt gij dan niet in leed komen? Want bij den hemel! tegen dien prijs wil ik de vrijheid of het leven niet.«

—»Wees gerust, senorita; wanneer ik u met hulp van de madonna in veiligheid gebracht heb, zal ook ik buiten gevaar zijn, en wat hier den schijn of het vermoeden betreft, Pedro de Venavides weet, hoe hij die verachten moet.«

—»Zoo heb ik uw naam gehoord;« zeide Magdalena, »Pedro de Venavides!.... deze naam zal niet wijken uit mijn gemoed.«

Terwijl zij dit zeide, haalde Venavides de lont en de halve waskaars van onder zijn mantel. Nadat hij de eerste had uitgeblazen, ontstak hij de laatste, en—nu wierp het bleeke licht zijn schijnsel op beider aangezicht. Blozend sloeg Magdalena de oogen neder, terwijl zij bijna luid met een dankbaar gevoel uitriep: »don Venavides, mijn redder!«

—»In ’s Hemels naam, spreek zoo luid niet; wanneer men ons hoorde, waart gij verloren,« zeide de Spanjaard, en nu boog hij zich naar den grond, reikte vervolgens haar den Spaanschen mantel en de overige kleeding aan, er zachtkens bijvoegende: »zoo schielijk nu als gij kunt, en wanneer gij gereed zijt, zal ik op het eerste teeken weder bij u zijn.«

Magdalena beduidde stilzwijgend, dat zij hem begrepen had, en Venavides nu de opening van den verborgen gang weder sluitende, gaf haar daardoor het blijk, hoe zij van zijne kieschheid volkomen verzekerd kon zijn.

Het is geene ongegronde opmerking, dat vrouwen in oogenblikken van gevaar of waar dringende spoed als wet geldt, meer beradenheid, behendigheid en kloeken zin aan den dag leggen, dan de man. Wij willen niet, vleiend, beweren, dat dit op alle toepasselijk is: toch verzekeren wij, dat Magdalena er het zegel op drukte; want wie gezien had, met hoeveel beleid en moed zij handelde, hoe haar gevoel het gemis van een spiegel vergoedde en hoe zij kleine hinderpalen bij die herschepping van de vrouw in den man wist te doen verdwijnen, die zou haar in dezelfde evenredigheid hebben bewonderd, als om hare grootheid van ziel.

In vele opzichten zou hare gestalte, waarvan de lengte haar uitmuntend te stade kwam, aan niemand hare kunne hebben verraden: zóó wel stond haren teederen voet die Spaansche laars met de gele kap en de fijne met koord omboorde lissen; zóó ongedwongen had die helm het losse hoofdhulsel vervangen, en zóó trotsch hing die korte, paarsche mantel over hare slanke leden, en de tijd daartoe gebezigd, was zoo kort geweest, dat het toilet van menigen krijgsman uit de negentiende eeuw driemaal meer tijd zou hebben vereischt.

Inmiddels had Venavides zich dien tijd ten nutte gemaakt met bespieden en toeluisteren, of de uittocht uit den gang zonder gevaar kon plaats hebben. Geen gerucht had hij vernomen, en toen hij het gewaagd had, de deur een duim breed te openen, had hij evenmin iets verdachts ontdekt. Na vervolgens nog eenige oogenblikken gewacht te hebben, zag hij licht door de geopend wordende deur der bidcel, ten teeken, dat Magdalena gereed was. Hij naderde haar, en nu kon hij niet geheel een kleinen glimlach bedwingen bij het gezicht op hare uitnemende houding: zoozeer is het den mensch eigen, om in alle omstandigheden op het uiterlijke acht te slaan.

—»Senorita!« zeide hij met een te eerbiediger oogopslag, daar zijn fijn gevoel van kieschheid maar al te wel besefte, hoe zij, de vrouw, onder dien toestand, tegenover den man moest te moede zijn, »voorzeker, zoo zal niemand wanen, dat onder deze kleeding eene vrouw schuilt. Maar volg mij,« ging hij voort; »zoodra wij buiten de deur zijn, die uit dezen gang in mijn vertrek leidt, treedt gij aan mijne rechterzijde voort; druk vooraf den helm wat dieper op uw hoofd, en denk er aan, dat wij met spoed voortgaan, zonder spoed te verraden. De hulp der madonna zij ons nabij!«

—»Dat God ons bijsta!« fluisterde ook Magdalena, uit welke stille bede, zoowel als uit vroegere gezegden de lezer reeds heeft kunnen besluiten, dat zij de hervormde leer beleed. En nu trad zij, door Venavides voorgegaan, den gang in.

—»En de veldheer draagt geene kennis van dezen doortocht?« vroeg zij, terwijl het flauwe licht op den engen, geheimzinnigen gang eenen somberen tint wierp en beider donkere gestalte in verlengde schaduw op den vochtigen muur teekende; of wanneer de waskaars een weinig hooger werd gehouden, dan zag men, zoo diep het oog reikte, die zelfde gestalten reusachtiger worden, evenals tegen het ondergaan der zon de populieren eene gigantische schaduw op het landschap werpen.

—»Voorzeker is het hem onbekend, en dat ik het weet, dank ik aan het toeval,« fluisterde Venavides. »Maar stil! wij komen aan de deur;« en dit zeggende, deed hij op eens het licht uit, waardoor de sombere gestalten verdwenen, maar ook vervangen werden door tastbare duisternis.

—»Ik heb den knop,« lispelde Magdalena’s redder, en eene beweging met zijne hand en eene drukking tegen de hare was het sein, dat hij luisterde of hij iets verdachts vernam. Wel hoorden beiden gesprekken op korteren of verderen afstand,—het geluid van een of meer zware voetstappen; maar niets voorspelde eenigen hinderpaal, en—nu drukte de Spanjaard op den knop; de deur ging open en beiden bevonden zich in Venavides’ vertrek, dat door het spookachtige licht eener dunne en hooggeplaatste waskaars flauw beschenen werd.

Ingevolge het voorschrift trad Magdalena aan zijne rechterzijde. Het vertrek van Venavides voerde in een korten, breeden gang, die eigenlijk een portaal kon genoemd worden, zijnde dit gedeelte het wezenlijk lichaam van het huis. Op deze hoogte lag vroeger de kleedkamer en daaronder de wijn- en provisiekelder; de kleedkamer was verdwenen en met een aangrenzend vertrek in vier kleinere celvormige veranderd, om aan even zooveel officieren tot tijdelijke verblijfplaats te strekken; en dezen waren Valdez, Joan de Vergas, Illaves en Rodrido de Sapata, welke laatste zich juist naar de zaal begaf, waar de meesten bij elkander waren, doch zonder dat Venavides hem dicht genoeg op zijde kwam, om door hem aangesproken te worden.

—»Houd moed! Hij heeft ons niet opgemerkt,« fluisterde Magdalena’s geleider, terwijl hij haar zachtkens aanstiet; en nu kwamen zij door den portaalgang bij eene groote kamer, die thans insgelijks tot verblijf voor officieren strekte, zijnde er drie cellen van gemaakt, welke door don Diego Perez, Rodrigo de Toledo en Sanchin de Lodoigna bewoond werden. Venavides ijlde ze voorbij, en het was hem, als hoorde hij in het verblijf van Diego Perez zijn naam noemen, terwijl hij ook duidelijk door de op eene reet staande deur gewaar werd, hoe er zich nog anderen in bevonden. Doch ook hier ontmoetten zij geen hinderpaal; want juist toen Perez, voetstappen in den gang hoorende, het hoofd buiten de deur stak, waren de beide vluchtelingen een hoek omgeslagen, die hen aan zijn oog onttrok.

—»Zijn wij nog ver van den uitgang?« vroeg Magdalena, wie het op eens te moede werd, als pakte zich een dreigend onheil boven haar hoofd.

—»Nog de groote zaal moeten wij voorbij; dan zijn wij buiten gevaar,« sprak Venavides, »zoo aanstonds....«

Maar terwijl hij er fluisterend nog iets wilde bijvoegen, greep Magdalena hem eenigszins krachtig bij den arm, en plotselijk stilstaande, zeide zij schier onhoorbaar:

—»Wees achtzaam: ziet gij die gestalte niet?«—

—»Ik zie ze,« antwoordde Venavides, terwijl ook hij den voetstap inhield, »daar staat iemand.«

—»Het zijn er twee,« zeide Magdalena.

—»Ja, doch stil slechts; want het is hunne schaduw, die zich op den muur teekent: hen zelven hebt gij niet gezien.«

—»Ik hoor hen spreken; moeten wij hen voorbij?«

—»Een andere weg is er niet: het is daar de groote zaal, en het spreken, dat gij hoort, geschiedt van binnen; terug een paar schreden; zij hebben ook ons niet gezien.«

Nu traden beiden eenige voeten achterwaarts, ter plaatse waar onderscheidene planken ten gebruike van de werklieden, die nog dagelijks veranderingen op het Huis Ter Kleef maakten, een soort van beschot vormden. Zoo zij een viertal schreden verder waren gegaan, zouden hunne personen zelve of hunne schaduwen door de twee gestalten niet onopgemerkt zijn gebleven; want een licht, dat boven aan de deur der algemeene zaal brandde, wierp zijn schijnsel derwijze, dat de beide onbekenden op den muur afgeteekend werden, en een hunner was don Marco, die er met duivelsche vreugd in zou juichen, wanneer hij den gehaten Venavides in het verderf kon brengen.

—»Hier zijn wij veilig voor verrassing,« fluisterde de Spanjaard Magdalena in het oor, »toeven wij hier zoolang, totdat zij zich verwijderen.«

—»Maar zoo zij achterdocht mochten op vatten,« sprak Magdalena, »hoor, zij komen dezen kant heen, zie!«

—»Beweeg u niet,« fluisterde Venavides; want ook hij zag, dat de twee gestalten naderden, en hij meende op dat oogenblik zijn vijand te onderkennen, hetgeen hem spoedig door het geluid van diens stem werd bevestigd. Plotselijk rees nu een lichte argwaan bij hem op, dat Marco wellicht toevallig zijne gangen kon bespied hebben en slechts het oogenblik verbeidde, om hem met zekerheid in het net te krijgen. Wel wachtte hij zich echter aan Magdalena een zweem van dit vermoeden mede te deelen.

Eenigszins driftig en onder een druk gesprek naderde Marco benevens de andere, dien Venavides nog niet onderscheiden kon, de plaats, waar hij met Magdalena achter het beschot stond, en eene lichte rilling beving haar, toen die beide gestalten plotselijk stilstonden, evenals hazewinden, die de lucht van eenig wild krijgen en dan door het oplichten hunner voorpooten aanduiden, dat zij een haas speuren.

—»Gij moogt hem haten, zooveel gij wilt,« zeide de een, dien Venavides thans herkende als don Juan de Auecia, een aartsliefhebber van schilderstukken, »maar ik herhaal, dat hij te Burgos wel geleerd heeft, hoe een edelman het staal voeren moet.«

—»Bij San Jago! dat betwist ik u niet,« zeide Marco, »maar zijne trotschheid is mij onduldbaar, mij, den neef van den veldheer, dien hij zich wachten moest, door woord of blik te honen: die hoon moet gewroken worden door wat middel dan ook.«

—»Zoo gij dit ridderlijk doen wilt,« hernam Auecia, »dan schroom ik niet, u rondborstig te zeggen, dat gij de schande, hij den roem inoogst; want gij moogt het staal weten te voeren, maar uwe behendigheid staat met de zijne niet gelijk.«

—»Vervloekt! men moet vrienden zijn om zulk eene schatting zonder wrevel te kunnen aanhooren. Maar mogelijk zegt gij de waarheid: ja, gij zegt die, en ik gevoel, dat een weinig list mij vergoeden moet, wat mij ontbreekt.« En aan dat woord list gaf de hatelijke Marco een zoo beteekenisvollen nadruk, dat eene vlam van verontwaardiging Venavides naar het aangezicht vloog. Hij had Magdalena’s hand in de zijne, en die hand ondervond op dat oogenblik eene drukking, niet ongelijk aan eene rilling. Het was die plotselinge opwelling van toorn, die onwillekeurig krampachtige trekking der spieren, welke de man van eer altijd ondervindt, wanneer hij een schurk de menschheid met voeten ziet treden, en de macht niet heeft, om die voeten te verlammen.

—»Nombre de Dios! (Bij den naam van God!) gij wilt hem toch niet verraderlijk....« en hetgeen hij er bijvoegde, werd zoo zacht gesproken, dat Venavides het niet verstaan kon, ofschoon hij uit Marco’s verdere woorden niet ondubbelzinnig opmaakte, wat Auecia gezegd had.

—»En waarom niet? De hertog zou geen kettermeester in hem missen. Zoo waarachtig als ik leef, hij is den muiters niet ongezind, en zoo hij het in zijne macht had om het duifje te verlossen, dat hier tusschen den arendsklauw zit—hij zou het doen.«

—»Gij schijnt hem bijzonder goed te kennen,« zeide Auecia; »maar dat zal wel niet in zijne macht zijn, en al zag hij er later kans toe, het zou hem weinig baten; want morgen zal dat duifje geplukt worden. Voor vele soldaten zal het een rechte feestdag wezen, en ik ben benieuwd, wie de beul zijn zal.«

—»Het verwondert mij,« sprak Marco, »dat don Frederik die kettersche honden nog zoolang den kost heeft gegeven. Bij onzen patroon! de koning had nog wel eene andere goudmijn dan die van Peru noodig, enkel voor dit vervloekte Geuzenland.« Venavides beefde van verontwaardiging.

—»Dat gaat den koning aan,« zeide Auecia, »maar zeg mij nu, wat gij toch eigenlijk wilt met Venavides. Gij weet, ik ben tot uwe dienst; maar ik draag gaarne geheel kennis van een plan, hoe het dan ook wezen moge: dan weeg ik de zaak en bereken zoo wiskundig mogelijk de verhouding der stompe en scheeve hoeken tot de ronde en gladde zijden. Hij is zeker thans in zijn vertrek; ik zag hem ten minste niet in de zaal.«

—»Een halfuur geleden was hij niet in zijn vertrek,« antwoordde Marco, terwijl hij, den arm van zijn vriend grijpende, weder langzaam met hem voorttrad naar den kant der zaal, vanwaar een luidruchtig gesprek zich liet hooren, met het klinken der bekers vermengd.

Venavides noch Magdalena hoorde nu verder wat zij spraken: het terugkeeren echter van beiden naar de plaats waar zij een slagboom stelden voor de verdere vlucht, was niet moedinboezemend tot het voortzetten der aangevangene, bezwaarvolle taak.

—»Dat was Marco de Toledo,« fluisterde Venavides, »de neef van senor Frederik. Dat is de grootste lafaard en fielt, die ooit een rapier aangordde. In spijt der gunst van zijn neef, heb ik hem vernederd, tentoongesteld, en hij, vreezende mij de punt te bieden als man van eer, beloert mij nu met verraad. Dank zij de Madonna, dat ik aldus ontdekt heb, wat hij smeedt. Maar daar naderen zij weer.«

Ook Magdalena zag door de kleine tusschenruimte van een paar planken, hoe Marco en Auecia weder langzaam in de vorige richting naderden. Beider gestalten, door het licht van de deur beschenen, wierpen, hoe verder zij van dat licht afgingen, groteske schaduwen op den muur; en hen daar zoo geheimzinnig, bijna sluipend ziende naderen, op dat uur, op die plaats, zou men, zoo niet aan de helsche geesten van Dante, dan toch aan wezens gedacht hebben, die rondkruisend, het akelige middernachtsuur afwachtten, als den bepaalden tijd om een onderwerp te volvoeren, waarbij het zonlicht verbleeken zou.

Weder naderden zij: doch, als wierd door hen vermoed, hoe hun vorig gesprek op die plaats was beluisterd geworden, zoo bleven zij verder verwijderd van den schuilhoek, waar de vermomde en de wezenlijke Spanjaard den afloop verbeidden: ook bleven deze niet staan, maar wandelden onafgebroken en altijd sprekende, de ruimte op en neder, zonder dat Venavides een enkel woord verstaan kon. Op eens echter zag hij beiden verdwijnen; nauwelijks had hij dit ontwaard, of ook Magdalena zag het en nu fluisterde zij:

—»Ik bespeur hen niet meer; maar zou dit mogelijk niet wezen om ons te verstrikken?«

—»Neen!« zeide Venavides, »zij vermoeden ons niet: maar toch, wij mogen toezien; ik betwijfel het, of zij in de zaal zijn gegaan.«

—»Gewis niet; want ik meen, geene deur te hebben hooren opengaan.«

—»Dat kan bedriegen; maar geef acht! daar komen zij weer.« En werkelijk naderden zij andermaal, doch klaarblijkelijk met geen plan; want omtrent ter helft tusschen de zaaldeur en de schuilplaats gekomen, schenen zij hun gesprek eensklaps af te breken of te eindigen, traden met drift naar de algemeene zaal en tegelijk hoorde Venavides duidelijk het toeslaan van de deur, terwijl hij van geen hunner het geringste spoor meer gewaarwerd.

—»Thans zijn zij weg,« zeide Venavides, Magdalena schielijk bij den arm grijpende, »voort nu, voort! geen minuut meer vertraagd. De zaaldeur voorbij, dan zijn wij buiten gevaar.«

IJlings nam nu Magdalena den rechterarm van haren redder en snelde met hem voort. Dat was een oogenblik van inwendige siddering, dat oogenblik tusschen de schuilplaats en de zaaldeur. Op eens toch kon die geopend worden, en—het behoefde Marco niet te zijn, die hun plan verijdelen kon.

De vroegere eetzaal, waar de Spaansche officieren des avonds bijeenkwamen om over Spanje, hunne vroegere veldtochten en het beleg van Haarlem, bij den warmen haardgloed en den schuimenden beker het hart op te halen, was ook thans niet ledig. Menig hunner, wiens beurt het niet was, de voorpost- of eenige andere wacht te betrekken, vierde in allerlei gesprekken den teugel; menig boordvol glas op het welzijn van vriend of geliefde werd ook thans leeggedronken; menig lied van de bekoorlijke Spaansche Gatana’s werd aangeheven; doch niemand opende de deur om zich naar zijn afzonderlijk vertrek te begeven; niemand stelde hun eenigen slagboom en—binnen weinige seconden waren zij het dreigend gevaar te boven.

Thans bevonden zij zich bij de wapenkamer, die aan de eene zijde door groote deuren in het voorhof uitkwam, en waar op den duur twee schildwachten post hadden gevat, terwijl vlak aan de andere of rechterzijde eene kleine poort in den boomgaard uitliep. Deze was van binnen met zware grendels gesloten, en nadat Venavides die voorzichtig had afgeschoven, bevond Magdalena zich in de vrije lucht, die haar vrij scherp, doch niet minder frisch tegenwoei; want het was de vrijheidslucht na sombere gevangenschap: het was als een zoele lenteadem voor den kranke, die sinds lang gezucht heeft in het dompig ziekenvertrek, die nu op eens den frisschen welriekenden dampkringgeur inademt en met verruimde borst uitroept: »Goddank, dat ik weder hier ben!«

—»Goddank!« sprak ook Magdalena, en met levendiger blijdschap dacht zij nu aan de dierbaren, die zij na eene zoo droevige scheiding weldra zou wederzien.

—»Voort!« sprak intusschen Venavides, »nog kunnen wij hier verrast worden.«

—»Nu trad hij met haar voort door den boomgaard, aan welke eene zijde de fraaie wijngaardhof met zijne in het vierkant aangelegde zandpaden benevens de moestuin en het priëeltje lag, doch waarvan de fraaiheid sedert eenigen tijd verdwenen was. Aan de andere zijde grensde de kleine tuinmanswoning, de stal, het bouwhuis en de melkerij, en aan deze weder het bakhuis en de hooiberg, terwijl in dezelfde richting ook het duiven- en hoenderhuis lag, ofschoon het verblijf dezer gevleugelden en gevederden reeds sinds lang door de Spanjaards was ontvolkt geworden; trouwens bijna het gansche Huis Ter Kleef met al het daaraan behoorende was sedert den tienden December als herschapen geworden en staafde zichtbaar, dat een oorlogsleger in korten tijd meerdere en grootere veranderingen teweeg brengt, dan al de feëen uit de fabelleer.

Bij den vijver aan het eind van den boomgaard gekomen, hield Magdalena’s geleider stand, en haar op het witte hek wijzende, dat zich nu een dertig schreden verder aan het einde eener laan vertoonde, zeide hij:

—»Buiten dat hek zal u nu voorzeker de weg naar Zandpoort niet onbekend zijn. Ik had u op eene andere en minder gevaarlijke wijze kunnen uitleiden, maar dan hadden wij eene wacht en uitgezette posten moeten voorbijgaan. Dan zou men meer dan argwaan jegens mij opgevat hebben; ofschoon niemand ons den weg hadde verhinderd, zou u daardoor het wachtwoord bekend zijn geworden: de heilige eed van iederen Spaanschen krijgsman verbiedt hem, dit te uiten in het bijzijn van een vijand. Geen eed verbood mij, u te redden, en daarom redde ik u. Maar nu gij vrij zijt, senorita, weiger mij nu eene ernstige bede niet.«

—»Spreek, edel Spanjaard!« zeide Magdalena, »wat moet, wat kan ik doen tot een blijk van mijne dankbaarheid?«

—»Niets dan stilzwijgendheid bid ik u,« hernam Venavides, »ik eisch niet, dat gij mij die zweren zult—ik verlang slechts, dat gij mij die plechtig belooft; want ik bedrieg mij niet, dat eene belofte voor u een eed is.«

—»Dat zal zij,« sprak Magdalena, »eene belofte is mij een onkreukbare eed.«

—»Hoor mij dan,« zeide hij ernstig, »de wijze, waarop ik u uit uwe gevangenis leidde, is u bekend, en ook weet gij mijn naam. Maar van dit alles is u niets, het minste niet bekend, wanneer vriend of vijand ooit van u eischen mocht, hem dit mede te deelen. Wilt gij mij beloven, dat het voor ieder, voor uw gemaal zelfs, steeds een geheim zijn zal?«

—»Ontvang mijn woord, mijn redder!« zeide Magdalena, terwijl een dankbare traan in haar oog welde, »voorwaar, dit dankbetoon is te klein voor de groote hulp mij bewezen. God vergelde u eeuwig, wat gij goeds en grootsch aan mij gedaan hebt. Ik stel mij gewillig met hart en ziel, om uw verlangen te vervullen; maar zeg mij, waarom mag Haarlem niet weten, dat onder den vijand, die het bestookt, een vijand is, zoo ridderlijk, zoo edel en vroom als gij zijt?«

—»Ken mij geene deugden toe, die ik wenschen zou te bezitten,« hernam Venavides, »maar weet, dat evenzeer als ik de vrees veracht, ik evenzeer vermijde, wat tot kwaad leiden kan, zonder nut te doen. Ook ben ik Spanjaard; ik ben ridder; voor mijn koning greep ik het rapier aan, en zoolang ik dat voer, vermag ik niet te toonen, dat de strijd tegen uwe landgenooten onrechtvaardig is. Morgen wellicht bestorm ook ik weder den wal; morgen wellicht treft mijn rapier weder het hoofd uwer vrienden, misschien dat van uw gemaal, tot overwinning of nederlaag. Dan moet geene hand aarzelen, mij den dood toe te brengen; dan moet het geen strijd tegen Venavides, geen verschoonende strijd wezen; want weet, dat mijne hand niet aarzelen zou. Het moet de kamp van den Hollander tegen den Spanjaard zijn.«

—»Ik heb u verstaan,« zeide Magdalena, terwijl hare bewondering voor het karakter van den Castiliaan, ofschoon met eene sombere gedachte gepaard, steeds hooger klom, »en ik zal niet vragen, ik zal niet pogen, u die gedachten te doen insnoeren. Of het mij ook zwaar en grievend wezen mag, ik zal handelen naar uw wensch; die wensch zal mij eene wet, een eed zijn: maar luide spreekt in mijn hart de dank, die er nooit uit wijken zal.«

—»Ga nu,« zeide Venavides, »men mocht mij soms den terugkeer beletten; want argwaan en vijandschap sluimeren nooit. Ga, en de heilige Moeder Gods zij met u!«

Venavides ontgrendelde nu ook het hek, en nadat zij hem nog eenmaal erkentelijk de hand gedrukt had, verwijderde zij zich, andermaal de woorden fluisterende: »De Hemel vergelde en zegene u!«

—»God geleide u, Magdalena!« roept ook de lezer haar toe. Rampzalige vrouw! de Hemel wilde het anders. Het oogenblik uwer redding zou uw verderf zijn,—het opgaan van het licht uw neerstorten in een afgrond.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.