DERDE HOOFDSTUK.

Groote sneeuwvlokken zweefden en dwarrelden in veelvormige figuren over Haarlems straten, zonder echter de menigte te verjagen, die op gelijke wijze door elkander dwarrelde, of, als daags tevoren, bij en in den omtrek van het raadhuis had post gevat.

Het was ongeveer twaalf uren. Nabij den Nieuwen Schuttersdoele ging iemand driftig over straat—niet met de drift, die naar een bepaald doel snelt, maar die heen en weer kruist, onverschillig wáár. Hij was van middelbare grootte, en zijne gestalte kon eerder tenger dan kloek genoemd worden. Een zeer zware snor- en kinbaard teekende hem ouder dan twee en dertig jaren, en echter had hij dien leeftijd nog ternauwernood bereikt. Hij had een rijken overvloed van glanzend donkerbruin haar, dat van onder den breedgeranden hoed langs de slapen en den hals kronkelde. Zware wenkbrauwen overwelfden een paar groote oogen, waaruit een flonkerende gloed blonk van kracht, gezondheid en geestdrift. Zijn hals sierde een dier kostbare groote kragen, zoo keurig, fraai-gesteven, dat de plooien, beurtelings op elkaar sluitende, het zonderling en aardig voorkomen hadden van dichte, cirkelvormig gerangschikte buisjes, zoo blank, dat ze met de sneeuw, die er op neerviel, naar den prijs konden dingen. Een blauwe mantel, met sabelbont gevoerd en iets langer dan de Hollandsche mantels, bedekte gedeeltelijk zijne overige kleeding. Deze bestond uit een bruin lakensch wambuis, eng sluitend om de armen, en aan de handen met groote, sierlijk gewerkte lubben omgeslagen. Op zijne borst en reikende tot aan den gordel, hing de Geuzenpenning aan een blauw lint, terwijl de andere zijde van den penning een gouden ruiter vertoonde op een zwart veld. Dit was het wapen van Ripperda, en hij, die het voerde, Ripperda zelf—Wigbolt Ripperda van Winsum.

Unico Ripperda, proost en hovelink te Farmsum, schijnt de stamvader van de latere geslachten te zijn geweest, en de naam schijnt afgeleid van den voornaam Rippert, niet van Reit das pferd da, zooals men gewild heeft.—Ripperda was de zoon van Focco en Clara van Eversum, en hij had drie broeders, van welke Asinga het meest in zijne vroegere krijgsbedrijven, ook in Haarlem, gedeeld heeft. Als jongeling begaf hij zich naar Genève’s hoogeschool, waar hij door kennis en welbespraaktheid uitmuntte; teruggekeerd, ging hij onder de vanen van Oranje, waar hij spoedig den rang van hopman verkreeg. Toen de Geuzen ons land zochten vrij te maken, had een edelman in de Groninger Ommelanden, Pompejus Ufkens, op eigen kosten, driehonderd man gewapend. Ook door Asinga, Peter en Wigbolt Ripperda werden driehonderd man uitgerust, en onder bevel van Wigbolt zijn deze wellicht gezamenlijk, onder Sonoy en Lazarus Muller, naar Noord-Holland getrokken. Hoe het zij, Ripperda had zich de gewichtige betrekking van gouverneur van Haarlem waardig gemaakt, en als zoodanig zullen wij hem opvoeren;—want schoon Haarlem tot nog toe geen standbeeld voor hem heeft opgericht, leeft de dappere Fries gewis in ieders hart en staat zijn naam als die van Kenau als in marmer in ons gemoed gegrift.

—»Eilaas, ’t moet maar al te waarachtig wezen,« sprak hij in zich zelven, terwijl hij van de Gasthuisstraat op het St.-Gangolfs-plein trad. »Men fluistert en rept van verraad; maar het is geen verraad: het is vrees en lafhartigheid, een schandelijke raadslag, waarin ik woord noch stem heb gehad...«

—»’t Mag reeds te laat zijn; maar bij Unico, mijn stamvader, ik gedoog het in eeuwigheid niet,« herhaalde hij, driftig naar de Koningstraat voortstappende. Nu ziet hij op eenigen afstand, bij de Stoofsteeg, twee personen, haastig en oogenschijnlijk op hem aantreden. Een hunner is de burgemeester Stuiver, de andere jonker Lancelot van Brederode, die vroegere wakkere vlootvoogd onder de Geuzen, die moedige, getrouwe ijveraar voor de nieuwe leer, die schoonste der mannen van zijn tijd, en de vriendschap van eenen Ripperda waardig.—

—»Spreek, wat is er geschied, mijnheer?« vraagt Ripperda op luiden, onbedwongen toon, »zal Haarlem in ’s vijands hand gaan?... Schande over uw hoofd, zoo het gerucht geene logentaal is!... En u, mijnheer Van Brederode! U, een krijgsman als ik, zie ik nevens hem, die in den raad zat en in het onvergeeflijk besluit...«

—»Niet verder, mijn heere!« viel Brederode, eenigszins gekrenkt, hem in de rede »te overijld is uwe fiere drift; wien gij ook schuldig rekent en verdenkt—doe het mij niet...«

—»Noch mij,« voegde Stuiver er bij. »Hoor mij aan: nog is het geen uur geleden, dat de vroedschap uiteen ging. Ik begaf mij naar mijn huis en flus daarop naar het uwe; ik vond er u niet, en nu ijlde ik met mijnheer Van Brederode naar den Doele, denkende dat gij daar zijn zoudt, om u...«

—»De heillooze maar te brengen, dat men den Spanjaard om pardon smeekt,« viel Ripperda hevig en verontwaardigd hem in de rede, »en alreeds te laat is het tot herroeping van dat zinneloos bedrijf?«—

—»Te laat tot herroeping van ’t lafhartig feit,« antwoordde Brederode.

—»Ja eilaas!« sprak ook Stuiver, »de president met jonker Van Schagen en den pensionaris zijn al buiten de poort. Ook mij pijnigt het fel; maar mijne stem tegen het onverschoonbare stuk was een ijdel geluid, dat in de lucht wegsterft. Zwakheid van gemoed en vrees hebben de overhand gehad.«

—»Hoe!... de president zelf!...« hernam Ripperda, »de jakhals kroop in zijn hol eer hij den leeuw zag, omdat hij van verre ’t gebrul hoorde? En Van Assendelft!... een vuur van verontwaardiging en toorn brandt in mij. Snood verbrak men dus den eed aan den prins gezworen—de heilige belofte om Alva tot vijand te zijn... Straf en schande over hun hoofd!«

—»De kwade zaak is begaan,« zeide Brederode. »Over den president heeft het lot beslist, en Van Schagen heeft vrijwillig het schandkleed aangetrokken, dat een ander niet passen wou. Maar de tijd zal doen blijken, of om zijn hals ook niet evenzeer de strop past.«

—»Ja, dat zal de tijd leeren,« zeide Ripperda veelbeteekenend, »en de schandsmet op den magistraat zal zwart blijven als roet. Maar,« ging hij voort, terwijl het vuur van billijke, fiere gramschap en miskenning, een zachteren tint begon aan te nemen.—»Maar nog is het niet te laat; al is de lont ontstoken, nog is het pulver niet aangetast. Er is eene oppermacht van ’t volk, en dat volk haakt fier en begeerig naar de vrijheid. Het kan hun dus niet genoeg wezen, bestuurd te worden; het moet in dat bestuur een stem hebben.—Een verbond of afspraak van het tijdelijk bewind is zonder kracht of gezag, zoo het geschiedt zonder medewil van het volk; dat steunt op onze privilegiën, bij den graaf en het volk bezworen.«

—»En de vrijheid van geloof staat bovenal,« voegde Stuiver er bij.

—»Ook ken ik de trouwschennis van dien Alva;« vervolgde Ripperda. »Ik ben in ervaring gekomen, hoe hij speelt met den heiligsten eed, als de hand met den kaatsbal. Ik zal mijne stem doen hooren. Geen blind lot heeft mij uitgekozen om hier een traag aanschouwer te zijn. U beiden verzoek ik, met den schout, ter klokke twee ure in den Doele te wezen: ik zal er, zonder vertraag, de hoplieden en burgers doen bijeenkomen, en zij zullen mijne stem hooren. Ik ben niet enkel gouverneur van Haarlem, ik ben ook een vrije Fries, en dat hoop ik te blijven tot aan mijn dood.«

—»Ik hecht mijn zegel aan uw plan,« zeide Stuiver, »want men heeft u zeer miskend.—Spreek, opdat wij vrij blijven om te laten, wat ons kwaad dunkt,—om te doen, wat oorbaar is en goed.«—

—»En op mijne eer, gij zult er ook mij zien;« sprak Brederode, »middelerwijl doorkruis ik de stad: want men kalt van listig bedrog en verraad: daar ginds schoolt men weer te hoop: ik zal zien te zorgen, dat men niets euvels brouwt.«—

—»Ter klokke twee ure dan,« herhaalde Ripperda, en terwijl hij zich vervolgens met fieren tred verwijderde, en Stuiver naar de woning van den hoofdschout Adriaan Jansz. van Dort snelde, hoorde men hier en ginds en overal de luide kreten des volks, dat allengs hoe langer zoo meer dreigend de hoofden bijeenstak; want hoezeer er een aantal Spaanschgezinden in Haarlem waren, en het meerendeel eener bevolking van achttien duizend zielen tot de oude kerkleer behoorde, zoo kon het eigenlijke lichaam der burgerij aan de zijde van den prins gerekend worden en voor de vaderlijke vrijheid van godsdienst, handel en nijverheid ontgloeid te zijn.—Roomsch en onroomsch waren met haat tegen Alva vervuld; dat is onloochenbaar; dat staaft de geschiedrol op ieder blad.—Toch heerschte er spanning, botsing en wrijving, telkens wanneer zich eenig waar of valsch gerucht verspreidde. Aller oogen vestigden zich op den strijd voor recht en voor vrijheid, en zochten door te dringen in de vermoedelijke gevolgen. Men werd geslingerd door hoop en door vrees, en ieder oogenblik van de gewone bezigheden afgetrokken door gestadige afwisselingen in het gemoed.—Godsdienst, regeering en maatschappelijk belang! wanneer deze met verandering, met gevaar worden bedreigd, welk een invloed oefenen zij dan uit op den mensch. Het hart verkrijgt een hooger gevoel van eigenwaarde, en begint meer op eigen onderzoek en overtuiging te bouwen. De traagste tongen worden vlug. Van alle kanten treden redenaars te voorschijn. Rondborstigheid en stoutmoedigheid worden opgevoerd tot hooger trap. Maar hoe licht vervalt men ook tot wanbegrippen, tot twistgierige verdedigingen van een deugdelijk of gewaand recht. Men wordt wispelturig, argwanend ten opzichte van hen, wie men vroeger vertrouwen schonk. Men wil aanhang verwekken, en ontevredenheid en woelziekte veroorzaken, wanorde en ongeregeldheid.—

Onder de menigte, thans in de Koningstraat, nabij de woning van Van Schagen samengeschoold, was weder dezelfde brouwersknecht, Heijnsz geheeten.

—»Daar woont de verrader!« riep hij forsch en ruw, »maar nu is hij niet in zijn huis. Hij is naar Amsterdam om ons aan den Spanjaard te verkoopen. Hij zal het ons als zuur bier op den kop doen druipen: geef maar acht.«

—»Is het dat, dan verdient hij den strop!« riep eene kloekgebouwde gestalte, bekend onder den naam van: de ketelboeter uit de Warmoesstraat. »Die ons aan duc D’Alf’ verkoopt, dien haal ik het hart uit het lijf. Weg met duc D’Alf’ en zijn’ tienden penning. Leve de Geuzen, leve de prins!—«

—»Wij vliegen als muggen om de kaars!« hernam Heijnsz, »maar ’t is nog niet in het vat, waar ’t in zuren moet. Geen muis zou ik op den staart trappen; maar hoor ik, dat die verrader ons onder de plak brengt, dan blijft er geen steen van zijn huis overend.« En met opgesperd oog zag hij het trotsche gebouw aan, als ware hij reeds gereed om het onder den voet te halen.—

—»Wat weet gij er van?« lieten nu een paar stemmen zich hooren tot eenige burgers, die zich insgelijks bij den hoop voegden, »want er wordt hier gekald en geschermd, en wij slaan als de blinden naar ’t ei.«—

—»Dat ze met de ijsslee naar Sparendam zijn,« antwoordde er een, »maar ’t is gelogen; ze zijn naar Alva, om hem den penning tien te betalen. Het ziet er Spaansch voor ons uit.«—

—»Ja, den penning tien. Daar zal het heen moeten,« klonk het.

—»Snoer me den mond van dien schelm;« riep de ketelboeter, »want als ik zijn naam hoor, dan denk ik altijd aan den elfden dag van de Meimaand.—Of zat ik toen niet op een ketel te kloppen en te zingen, en werd toen niet op eens de stadsklok geluid, ofschoon de klepel maar vijf slagen sloeg? Vloog ik toen niet op, en werd toen, op zijn last, de penning tien niet afgelezen?—Bruide mij dat, berooid van hoofd als ik werd, niet heel den dag door den kop, als had ik een tik van den molen weg? En men is naar dien bloedhond heen, om ons in den strik te werken?«

—»Dat zou ik meenen,« was het antwoord, »maar dat ze geen hei! roepen, eer zij over de sloot zijn! Dan moest mijnheer Ripperda er niet wezen.«

—»Wat gaan ze daar op den loop!« riepen op eens eenigen, die nog altijd voor het huis van Van Schagen stonden. »Wat mag er nu weer op til zijn?« En in een oogenblik greep er vernieuwde woeling en dichter gedrang plaats; terwijl het van mond tot mond klonk: »De stadsklok wordt geklept.«—

—»Naar de markt dan; wij moeten het hooren,« riep men.

—»’t Is gelogen!« schreeuwde men van een anderen kant. »Er wordt niet geklept; maar de hoplieden roepen de schutters bijeen op last van Ripperda

—»Zoo, dat spelt wat goeds! Ripperda is de man, die zich niet in slaap laat sussen.«

De meesten verlieten nu, zoo snel als het gedrang toeliet, de Koningstraat, terwijl de een aan den anderen vroeg: »Waar, en hoe laat?«

—»In den Doele!« was het antwoord, »aanstonds!«

—»Neen, na den middag!« zeiden weer anderen. »Bij de Kloveniers moeten wij wezen: leve Ripperda

Weldra had nu de hier en daar verspreide volksmenigte de zekerheid, wat er te twee ure in den Nieuwen Doele zou plaats hebben.—Velen begaven zich derhalve naar hunne woning, om er deze tijding mede te deelen, zoodat de dichte scharen zich hoe langs zoo meer verdeelden, evenals eene donkere, breede wolk zich splitst, wanneer er een lichtstraal doorheen breekt, in plaats dat zij zich in regenbuien ontlast.—


Reeds lang voor den bepaalden tijd was de Gasthuisstraat als met menschen bezaaid. Nu zag men Lancelot van Brederode en Van Duivenvoorde, dan weder de hoplieden Matthijszen, Pellikaen, Vlasman en anderen, met den geestdriftvollen vaandrig Hasselaar naar den ingang van den Doele snellen, terwijl achter hen nu eens twee dan weder meer van de gewone schutters volgden. Op eens liet zich het »weg met duc D’Alf! leve Ripperda!« hooren, toen ook deze laatste door het volk naar den Doele ging, en een blik om zich heen sloeg, die met meer dan woorden te kennen gaf: »Wees rustig, mannen van Haarlem! Ripperda waakt voor u!«—Nu volgden weder andere hoplieden, vaandrigs en schutters, en toen de klok van de St.-Bavo’s kerk twee maal dof sloeg, waren de meeste der St.-Joris- of Kloveniersschutters met Ripperda bijeen.—

Te dien tijde bestonden de twee schutterijen elk uit twaalf rotten, en daar het rot twintig man sterk was, bedroeg hun getal vierhonderd tachtig, waaronder zestien korporaals.—Vier kapiteins, vier luitenants, even zooveel vaandrigs en acht sergeants waren toegevoegd, terwijl de vier en twintig tamboers en een gelijk getal pijpers wel buiten deze sterkte moesten beschouwd worden, maar voor hunne diensten toch loon trokken en derhalve bij hen behoorden.—Wij voeren dit aan, omdat men deze vijfhonderd burgers moet aanmerken als onze tegenwoordige stemgerechtigden, als vertegenwoordigende eenigszins de ingezetenen van Haarlem. Ieder hunner moest kunnen bewijzen, ten minste honderd gulden rijk te zijn en was verplicht voor eigene uitrusting van geweer en wapen te zorgen, hetgeen wel doet blijken, dat zij tot de gegoede inwoners behoorden.—Voorts waren er drie tot vier honderd der gegoedste ingezetenen, die men ieder uur op de hoefslagen—verzamelplaatsen—gewapend kon bijeen roepen. Deze beschouwde men als rustende schutters, wel tot de gewapende burgermacht behoorende, schoon niet tot het bevoorrechte lichaam der schutterij, terwijl de overige weerbaren tot zestigjarigen ouderdom, het staal moesten aangorden, wanneer zij daartoe opgeroepen werden, en die sedert zes jaren als een gewapend lichaam waren georganiseerd, zonder de voorrechten te hebben, aan de schutterij toegekend.—

Men verschoone deze uitweiding, te meer daar wij ze slechts konden nederschrijven, na het doorzoeken der vroedschaps-besluiten, doch ons volgaarne deze taak getroostten, ten einde voor oogen te stellen, wie de Haarlemmers waren, op de roepstem van Ripperda, en later op die van Marnix van St.-Aldegonde naar den Doele gesneld. Men wane echter niet, dat gansche getal daar vergaderd te zien. Niet allen toch waren afkeerig van het Spaansche bewind; slechts door de minderheid werd de Hervormde leer omhelsd; doch verreweg de meesten waren tegen Alva’s heerschappij met wrevel vervuld.—Haarlem kon nog zeer bloeiend heeten ten aanzien van zijne brouwerijen, fabrieken en handwerken; en de nijvere poorter zag, vooral in den vreeselijken tiende penning, van dit alles den geheelen ondergang te gemoet. Zelfs èn de Spaanschgezinde, èn de aan Rome’s kerk gehechte regeeringsleden,—zelfs Talesius en anderen hadden tegen dien hatelijken penning altijd luide hunne stem doen hooren, zoodat men veilig mag aannemen, dat meer dan drie vierde van het lichaam der schutterij, op de roepstem van Ripperda, vol geestdrift en verwachting, naar de aangewezene plaats was gesneld.—

Intusschen overzie men de scharen, welke op al de straten, pleinen en grachten in den omtrek van den Doele post hebben gevat. Niet slechts het marktveld is met menschen bezaaid; maar van daar strekt de keten zich uit door de Koningstraat, kronkelt zich langs eene menigte straten en stegen, en reikt in tallooze bochten en slingeringen naar den Doele, als de plaats, waar Ripperda’s taal zich weldra zal doen hooren.—Op die ruimte, waar men later tallooze driften van runderen ter verkoop zag heendrijven—de tegenwoordige Botermarkt, waar toen de kerk aan den heiligen Gangolf, en het gasthuis stond.—Nabij het Predikheeren-klooster, nog heden het Princenhof, op de Oude Gracht, het Verwulf, in de Gierstraat links en rechts, hebben honderden zich te zamen geschaard, en verbeiden niet minder reikhalzend den afloop dan die honderden, welke zich in stegen en dwarsstraten achter den Doele, over de Volders- en Raamgracht als opeen hebben gepakt.—In dichte vlokken dwarrelt en valt de sneeuw; maar van den sierlijk opgetoomden hoed van den deftigen burger schudt men die vlokken evenmin af als van de ruige, grijze muts van den wever: van den prachtigen Spaanschen kraag des aanzienlijken evenmin als van het eenvoudige halsboordje van den brouwersgezel. De zwarte zuster van St.-Clara aan de Oude Gracht en de vrome Augustijnerbroeder uit de Achterstraat, staan in een kring van moutmakers, kuipers en wolkammers, en in aller oogen gloeit één verlangen, te weten, wat in dien Doele gesproken wordt.—Maar zoo ooit, dan zag men de vier verschillende temperamenten hier tegenwoordig: den lichtbloedige met zijne zorgelooze hoop, aan iedere zaak een vluchtig gewicht hechtende, om een uur later er niet meer aan te denken; den zwaarmoedigen diepdenker, overal oorzaak tot bekommering, overal zwarigheden aantreffende, die hem wantrouwend en bezorgd doen zijn; den licht ontvlambare als het buskruit, toornend zonder haat, snel bouwende, maar nog sneller afbrekende, eergierig, hunkerend naar luiden lof en altijd schranderder schijnende dan hij is; den flegmatieke, op wien elk schot, als op een muur van metaal afstuit, bij zijn onbuigzamen, overlegden wil om anderen te buigen,—dien de vlam des vuurs slechts tragelijk verwarmt, doch die, eenmaal in gloed gebracht, niet licht uitdooft. Men zag er, die vijf maanden vroeger aan het klooster der Regulieren en ook aan dat der Minderbroeders de plunderende hand legden, uit haat tegen de monniken, doch die veertien dagen later hunne oproerige stem verhieven, toen men in de Bakenesser kerk de eerste leerrede der Hervormden hield.—Men zag hier en daar een Doopsgezinde, een Calvinist en Lutheraan, wanende, dat hunne geloofspunten wijd en breed verschilden; hier en daar een wat al te ijverigen Hervormde, geene smaadtaal ontziende, tegen hen, die het licht van Luthers kandelaar schuwden; hier en daar een driftigen belijder van Rome, met de brandtoorts in de hand, en toch hoogst gebelgd over Granvelle’s invoering van nieuwe bisdommen. Men zag er, die op de goudschaal wogen, wat de vasal schuldig is aan den souverein, en deze aan den vasal,—een verschijnsel steeds ongunstig voor eenen heerscher.—Men zag er, wien geene hoop restte, dan een omkeer van zaken,—die niets te verliezen hadden, maar zeer veel te winnen. Doch de meesten, die men er zag, waren vaderlanders, het juk gevoelende eenen Tiberius waardig, gloeiende voor eene Christelijke vrijheid, die in geloof en in waarheid bestaat,—vervuld met den wensch, dat Holland, dat Haarlem gelukkig mocht zijn, en die goed en bloed veil hadden om dat innig, vurig verlangen verwezenlijkt te zien.—

—»Hoort gij hem nog niet?« vroeg een blind en half doof grijsaard, in de zoogenaamde Ramen, in welk gedeelte, dat eerst in 1610 de gedaante eener nieuwe stad met grachten en bruggen verkreeg, toen nog de lakendrogerij plaats had. »Wat het mij smart, dat ik zijne stem niet kan hooren. Die heer moet forsch en vroed spreken, zooals ze zeggen, en in zijn postuur moet een deftigheid wezen, die tot eerbied spoort.«

—»Dat moogt ge vrij gelooven, oudevaar!« was het antwoord van den lakenwever, tot wien de vraag gericht was; »hij staat vast ter been, en schoon hij niet veel woorden den hals breekt, toch geven ze klank als een klok. Hij zal flus wel beginnen, denk ik.«

—»’t Is troostelijk ook,« hernam de oude, »dat hij zoo kwalijk pausgezind is; van hem valt dus niet te schromen, dat hij ons, lakenwevers, aan duc D’Alf zal verkoopen. Maar ik verlang naar den afloop.«—

—»Ik ook, bestevaar! want verkeerd is de schering van den draad. Ze hebben maar gedacht: »wij kunnen de luiden wel foppen, die geene oogen in den nek hebben,« maar de dank, dien zij verdiend hebben, zal zoo mager zijn als een houten beeld.«

—»Die brouwers en lakenwevers,« liet een ander hooren, »weten te goed, wat kwade boeverij er schuilt. Sommige lui mogen toezien, dat ze zich rustig houden; anders kon het wel weer eens toegaan als op den zesden van Oogstmaand.«—

Met dit gezegde bedoelde hij de plundering van de kloosters, zijnde er niets verschoond geworden dan de Groote- en St.-Janskerk benevens het Bagijnhof, eene daad, die de plunderaars voorzeker den billijken haat der roomsche geestelijkheid op den hals had gehaald.

—»Daar zou nu kwalijk aan te tornen zijn;« sprak een ander, »ik geloof, dat mijn heere Ripperda er flus met gekapt lood onder zou jagen; of weet gij niet meer wat hij zeide, toen hij in de stad kwam?«—

—»Wat ze ’t daar lang rekken!« zeide inmiddels, op eenigen afstand van daar, de brouwersknecht Heinsz tot een tiental van zijn gilde, dat zich door kloekgespierde vuisten en een stevigen lichaamsbouw onderscheidde. »Heer Ripperda is een stout man, die het goed meent met Haarlem; maar hij moest bedenken dat wij hier met ongeduld staan te wachten: mij ten minste jookt het, om te weten of we den Spanjaard hebben te troeven al of niet; want in stede van hop smijt ik dan rattenkruit in ’t bier, en te barsten zullen zij zich drinken, zoo waar ik leef.«—

—»Op den muur, mannen! wie langt mij een been?« riep inmiddels dezelfde ketelboeter, op wiens gelaat het meeste ongeduld zichtbaar was, terwijl hij door woorden en gebaren eenigen aanspoorde, om hem in het beklimmen van den Doelemuur behulpzaam te zijn, ten einde een oog te kunnen slaan over het plein, waar de schutters verzameld stonden.—

—»Niet kwaad verzonnen!« riepen drie, vier anderen tegelijk en reeds strekten eenige handen zich uit om de ongeduldigsten en driftigsten te helpen, toen de lange, eenoogige vreemdeling, wiens hoofd boven de menigte uitstak, ijlings tot die plaats doordrong en met eene krachtige, schelle stem zeide: »Doet dat niet, mannen, maar houd u bedaard! Nog een oogenblik, en gij zult de stem hooren van den man, die, als een engel, zijne vleugels spreidt over u allen.«—

Dat waren de eerste woorden, welke de Haarlemmers uit den mond van den geheimzinnigen vreemde hoorden; die verraadden eene geestdrift, welke, gevoegd bij gestalte en toon, aanstonds indruk maakten; want de handen, die zich reeds ophieven, daalden oogenblikkelijk langs het lichaam neder, en men zag den vreemdeling verbaasd aan; doch tegelijk bracht deze statig den wijsvinger naar den neusvleugel, als wilde hij zeggen: »luistert maar, ik heb de waarheid gesproken.« Plotseling werd, althans in dat gedeelte van den Doele-omtrek, het gewoel en rumoer door stilte vervangen: van schakel tot schakel breidde die stilte zich van het eene eind der keten tot aan het andere uit. En de vreemde had de waarheid gezegd: want ook daar, binnen dien Doele, heerschte stilte, toen Ripperda in de ruime zaal eene meer verhevene standplaats had ingenomen en zich tot de gewapende mannen wendde, die, als tolken van gansch Haarlem, op dat plein post hadden gevat.—Met gespannen verwachting hielden al de stemgerechtigden de oogen op den Fries geslagen: want nog gloeiden diens doorborende, donkere blikken van de verontwaardiging, die hem aangegrepen had. En toen hij daar stond naast Lancelot van Brederode, naast Stuiver en den hoofdschout,—toen hij statig de rechterhand ophief, toen men hem daar zag als held en volkstribuun, toen werd de stilte eerbiedwaardig—toen werd zij schoon en ontzagverwekkend: want toen was het oogenblik daar, dat Ripperda sprak:

»Vrome mannen en burgers! de oorzaak waarom gij hier gekomen zijt, is om u te kennen te geven, hoe don Frederik, zoon van den hertog van Alva gekomen is omtrent Amsterdam, om deze stad te komen belegeren. Nu is ’t zoo, dat wij verstaan, dat hier zekere brieven gekomen zijn aan de Wet, inhoudende, dat er nog genade bij don Frederik te krijgen is, bijaldien men die terstond doet verzoeken, waarom die van de wet, contrarie haren eed als die gezworen hebben, zonder ons weten, en zonder weten van de zeven hoofdkapiteins niet te handelen, secretelijk, zonder ook ulieder weten, naar Amsterdam gezonden hebben Dirk de Vries en anderen, om genade en pardon te verzoeken. Maar bij zooverre, lieve burgers, gij wilt bedenken de genade, die wij van hem te wachten hebben, zoo moogt gij overleggen en u spiegelen aan die van Mechelen, Zutphen en Naarden, wie ook pardon toegezegd is geweest, wat genade hun gebeurd is. Wilt ook bedenken, met wat eed gij den prins van Oranje, uwen stadhouder, zijt verbonden. Ik twijfel niet, of gij luiden, dit voor oogen nemende, zult ulieder eed en eer, gelijk ik, zoeken te betrachten; want ik van wil en van meening ben, om den laatsten druppel van mijn bloed voor de burgers en de vrijheid dezer stad te wagen. Zoo gij ook van meening zijt, zulks te doen, of niet, wilt dat vrijmoedig zonder schromen zeggen en verklaren; want wij hopen dan met hulp des Almachtigen zulke orde te stellen, dat onze vijanden, die ons meenen te krenken, aan ons alhier geene eer zullen behalen.«—

En hoor! Daar laten zich geen honderden stemmen met verward geraas, geene doffe, schelle of bulderende kreten hooren, evenals bij een storm op zee, wanneer de kiel onophoudelijk heen en weer wordt geslingerd. Terwijl zich aller hoeden eerbiedig lichten, terwijl zich aller handen omhoog heffen, terwijl aller oogen op den koenen, fieren man zijn gericht, laat zich daar een dommelend, weergalmend gerucht hooren, een gerucht, uit honderden monden, maar dat als een plechtstatig koorgezang tot één toon versmelt, dat slechts ééne stem schijnt, en toch eene stem, die heinde en ver klinkt: »Weg met duc D’Alf! leve Ripperda! Hals en have voor Haarlem; goed en bloed voor de stad! Geen dwingelandsjuk. Leven de Geuzen! leve Ripperda!«—

Zoo onbedwongen, zoo geestdriftvol was de indruk, door Haarlems bevelhebber te weeg gebracht. Zijne taal had zoo krachtig geklonken, dat zelfs het ruischen der baren ze niet zou verzwakt hebben. Ook buiten den Doele was die taal onder de menigte doorgedrongen; en onder hen was een man, die, terwijl Ripperda sprak, met heilige geestdrift de oogen ten hemel richtte en zachtkens stamelde: »Godlof! dat is de taal van Bato. Zoo ontgloeit gij hen, o Heer, die u dienen met het zuiver Evangelisch geloof.«—Dat was de lange vreemdeling. Geen woord scheen aan zijne aandacht te ontsnappen; en toen Ripperda geëindigd had, toen die vereenigde kreten van hoplieden en schutters zich lieten hooren, toen kwam er een onbeschrijfelijke gloed van verrukking op zijn bleek gelaat;—maar toen was ieders oog niet meer op hem geslagen; toen was het ook daarbuiten een oogenblik van geschater en gejuich, en zelfs zij, die de Roomsche godsdienst beleden, konden toen den uitroep niet bedwingen: »Weg met Alva! weg met den tienden penning. Haarlem zal vrij zijn!«—

Wat vermag niet de taal van een man, wanneer die man groot is. En Wigbolt Ripperda was groot.—Kort tevoren zag men honderden menschen daar verzameld, menschen van verschillenden rang en jaren, onder welke verschillende godsdienstige en staatkundige gevoelens werden geuit. En nauwelijks heeft Ripperda gesproken; nauwelijks heeft zich luide verspreid, wat hij gesproken, wat het lichaam der schutterij geantwoord heeft, of in de ziel der menigte schijnt, als door een tooverslag, op eens eene omwenteling te ontstaan.—Wij zien eene vrouw uit den deftigen stand,—eene vrouw, die wij later zullen bewonderen, uit het midden der volksmassa’s naar huis spoeden, om daar met geestdrift de woorden van Ripperda te herhalen en te zweren: »Ja, weg met Alva! Haarlem zij vrij!«—Wij zien mannen en vrouwen, nog wel door vrees bevangen, nog wel huiverende bij het denkbeeld aan een beleg, maar het niet wagende, dat denkbeeld te uiten, omdat zij er zoovelen rondom zich zien, die voor immer de vrees hebben afgelegd.—De verstandigen zijn tot dieper nadenken gebracht; de achterdochtigen voelen hun argwaan verdwijnen; en ofschoon de verbitteringsgloed tegen het afgevaardigde drietal nieuwe brandstof heeft bekomen, doet de heilige indruk de vlam niet naar buiten slaan.—De meesten bieden elkander de hand, drukken haar met warmte, en terwijl ieder zich naar huis begeeft, zweren bijna allen met geestdrift, zich op Ripperda te zullen verlaten, en hun leven te wagen voor het welzijn der bedreigde stad.