VIERDE HOOFDSTUK.

Nog moge in de Koningstraat het eene of andere huis ons de burgerwoningen van die dagen gedeeltelijk herinneren; maar men zij voorzichtig, het luchtig, sierlijk moderne niet te zeer met het zwaarlijvig antieke te verwarren, of de voorstelling zou geheel valsch zijn. Statig in de hoogte, met spitse gevels te bouwen, was de trant van dien tijd. Doch te midden van een blok dier piramidaalvormige huizen met luifels, zag men hier en daar nog menige woning in den verheven-somberen, Gothischen smaak. Deze hadden het vroolijk uitzicht aan de straat niet en schenen veeleer met een najaarstint omgeven, terwijl hunne nieuw voltooide, stomme geburen den vroolijken lenteblos droegen; doch zij hadden reusachtige, dikke muren, een oud-adellijk voorkomen en schenen den onaanzienlijken poorter toe te roepen: »hier zetelde sinds eeuwen een aanzienlijk geslacht; wel heeft het zijne vroegere macht verloren, maar toch, heb nog eerbied voor mijne deftige grijze kruin.« Het is waar, wanneer men in de ruime, met geweven doek behangen zaal trad, dan gaven de met zware stoffen gordijnen bedekte glasramen er iets treurigs, iets doodsch aan: maar die gordijnen waren geborduurd, kostbare tapijten dekten den vloer, en de wanden kaatsten den glans van spiegels en schilderijen af, terwijl de kunstige kasten, tafels, stoelen en zitbanken een sierlijker en weidscher tint hadden, die echter bij het oud-ridderlijke van het gebouw grootendeels afstak.—

Ook in de Koningstraat stond een zoodanig gebouw, dat later door vermogende kooplieden—onder welke de heer Hoffman—bewoond werd.—Doch de metselaars en timmerlieden zagen het met een winzuchtigen blik aan, daar de eigenaar—Christoffel van Schagen—zich reeds meer dan eens had uitgelaten, dat hij plan had, het front geheel te veranderen. Hoe bedriegelijk zijn menschelijke plannen! Ook het uwe, ongelukkige Van Schagen, zou in nevel worden opgelost; uw hecht gebouw van steen zou nog lang onveranderd blijven; maar uwe lichamelijke woning zou dra worden gesloopt!

De aanspraak van den miskenden Ripperda heeft geklonken; een nacht is verloopen, en de gemoederen zijn in een andere stemming. Nog gaat menigeen voorbij het huis van Van Schagen en mompelt, evenals voor dat van De Vries en Van Assendelft: »hij is naar duc D’Alf, maar het zal hem vergaan!« Doch de weldenkende, meer naar de kern dan naar de schors oordeelende, slaat een medelijdenden blik op het gebouw en denkt bij zich zelven: »daar heeft men zich droevig in strikken verward. Arme vrouw! ik beklaag u.«—En wellicht zouden dezulken nog deelnemender hebben gesproken, wanneer zij in den toestand der bewoners geheel waren doorgedrongen, wanneer zij het inwendige tooneel hadden kunnen gadeslaan. Want zie! daarbinnen, in die ruime zaal heerschen verslagenheid, droefheid, angst, weifeling, smart, teederheid: daar is een donkere nacht wakend of in afgebroken sluimering doorgetobd; daar werpen de vlammen onder den kolossalen schoorsteen geen vroolijken tint; want over sommiger gelaat ligt een sluier, door welken geen lichtstraal kan heenbreken. Zie die vrouw van middelbaren leeftijd en dat slanke twee en twintigjarige meisje; de eene is van Schagens vrouw, de andere zijne dochter. Nog kort tevoren zag men haar in het fraai luchtig kapsel en de met diamanten omzette bagge in het haar, met den sierlijken Kamerijkdoekschen kraag en de met een gouden kruis op de borst nederhangende keten. Toen wierp men op haar gekleurd fluweelen kleed met zilveren onderrand en op de bevallig gestrikte citroengele schoentjes een welbehagelijken blik! en thans zag men van dat alles niets; geene met parels ingelegde keten, geen diamanten snoer hing over schouder of borst: men zag slechts parels in haar oog, men zag haar slechts in een eenvoudig ochtendkleedje; waarop een somber waas lag, het evenbeeld van haren zielstoestand.—

Zie dien jonkman in zijn kort, fijn lakensch wambuis met zilveren knoopjes; zijn gelaat is jeugdig mannelijk; nog wordt dit verhoogd door zijne donkere, forsche wenkbrauwen en zwarte lokken; zijn frisch-lachende blos is echter thans achter eene kleine wolk verscholen, evenals de zon achter eene nevelvacht, en men ziet het hem aan, dat de pijnlijke trek om zijn mond uit zielswee, niet uit lichaamsmart is geboren; en toch is die trek niet zoo scherp, of men kan er duidelijk in lezen, hoe de jongeling in één oogenblik rustig en fier zich aan dien toestand zou kunnen onttrekken, zoo zijn moed slechts door een kloeken vijand wierd getart. Het is de acht en twintigjarige Hendrik Jan Matthijszoon, hopman bij de schutterij, met een deugdzaam en wakker gemoed. Hij is nog meer; sinds maanden is hij bezitter van het hart der jonkvrouw, wier hand hij thans in de zijne klemt. Met warme liefde bemint hij haar, doch tevens met zulk eene, die iedere minuut bereid is, een grooter offer aan het vaderland te brengen dan aan haar. En die jonkvrouw is Maria, de dochter van hem, op wien het volk verbitterd is, dien het een Spanjaard heet, en die ook naar den Spanjaard is vertrokken, om een verdrag met hem aan te gaan.—

En die vijftienjarige knaap met dat schrander gelaat? Het is Floris, de jongste zoon. Bij den vuurgloed warmt hij de handen, doch gevoelt geene koude; hoe jong ook, gloeit hij van liefde voor zijn vader, houdt nu eens het oog op zijne moeder, dan weder op Maria en Matthijszen gericht, en zint en peinst of hij niets weet om zijn vader te redden.—Want dat dezen een dreigend gevaar boven het hoofd hing.... dat was de reden dier verslagenheid; dat was Matthijszen reeds des avonds tevoren komen melden, dezen morgen komen herhalen; dat doet hen daar zoo somber en somwijlen zoo sprakeloos zijn.

—»En schuwen allen thans mijn huis?« zeide Hadewy van Sparwoude, de vrouw van Van Schagen. »Voor luttel dagen zag men mij gaarne, en nu ik in gevaar ben, blijft men verre van mij; raad en troost moet ik derven, nu troost en vooral raad mij zoozeer noodig zijn.«

—»Moeder!« zeide Maria, die zag, hoe deze woorden Matthijszen griefden, »wees niet onrechtvaardig in uwe smart. Is het dan Hendrik niet, die ons het eerst kwam waarschuwen? en wie kan ons beteren raad geven? Wie is meer doordrongen van al het bittere, waarin wij zijn? wie zal, wie kan meer voor ons doen dan hij?«—Bij deze woorden klemde zij krachtig zijne hand in de hare: het was de vastklemming der drenkeling aan eene rots in zee, maar eene rots, die haar niet aan land kon brengen.

—»Ik versta u;« zeide Hendrik, den druk van Maria’s hand ten halve beantwoordende en de moeder strak in het oog ziende, »ik versta u zooals ik u gisteren reeds verstond; maar wat ik gisteren zeide, herhaal ik: ik mag, ik kan niet: ik zwoer binnen Haarlem te blijven en ieder uur vaardig te wezen tot verdediging der stad. Dien eed breken, mag ik niet.«

—»Ja!« zeide Hadewy, en de verslagenheid slechts deed haar aldus spreken, »geef klemtoon aan dat woord; ik begrijp u. Gij wilt uw eed niet breken, en mijn gemaal brak dien!.... Zoo is het; ja, geef nadruk aan dat woord: en nu veracht ook gij hem. Eilaas, het is dan vergeefsch; gij kunt niets opofferen aan uw plicht; de liefde vermag dan niets op u. Dat is de ware liefde niet.«

Evenals iemand, die zich door een adder voelt gestoken, deinsde Matthijszen, zijne hand uit die van Maria losrukkende, eenige schreden achterwaarts. Toen zag hij met een gewond gevoel de moeder strak aan, en vervolgens dienzelfden blik op Maria werpende, scheen hij deze te vragen: »En gij .... durft, kunt gij de echo van deze woorden zijn?« Maar hij sprak het niet uit; want het beschreide en toch vonkelende oog der geliefde was zoo teeder en zoo welsprekend op hem geslagen, dat het duidelijker, dan met woorden zeide: »mijn hart kent u, en vergeef het haar

En de jongeling vergaf het der moeder; hij zou haar over het onverdiend verwijt ook niet hard zijn gevallen; doch toen hij weder naderde en andermaal Maria’s hand wilde grijpen, toen ontsnapten dezelfde woorden aan hare lippen, en zij voegde er bij: »zulk eene liefde, zeg ik, steunt op zwakken grond.«—Maar nu namen zijne blikken eene ernstig fiere uitdrukking aan, en terwijl hij andermaal Maria’s weerstrevende hand losliet, zeide hij: »Dat is te hard een grieve, dan dat ik die zou verkroppen, wanneer gij mij zegt, dat in deze woorden uw gemoed heeft gesproken. Verklaar mij dus rond, heeft niet droefheid over de toekomst en liefde voor uw echtgenoot u zoo aangegrepen, dat gij er u deze, te felle woorden door laat ontvallen? Of hebt gij genoeg overtuiging, dat ik Maria niet zóó lief heb, als iemand voor wien op heel de wereld niets liever is? Maar neen, eer gij spreekt en een vonnis velt, dat mij, als man, een onherroepelijk besluit zou doen nemen, moet ik nog dit uiten: Ik heb Maria zoo lief, dat ik ieder oogenblik bereid ben, mijn leven voor haar te laten: gewillig zou ik den hardsten dood te gemoet gaan, zoo ik haar tot hulpe kon wezen. Maar haar redden met verzuim van mijn plicht of eed—dat kan, dat mag ik niet, nu of nooit; dat zweer ik bij de gebenedijde Maagd!«

Nu hield hij een doorborend, gloeiend oog op de moeder gericht, als wilde hij door de dikste schors tot in de kern dringen, en een ijsklomp versmelten. Ook Hadewy zag hem aan, zonder dat zij nog een woord sprak; maar toen zij nu de blikken naar Maria wendde, en in haar oog zooveel roerends en de stomme bede las: »Doe, door een onrechtvaardig vonnis, dat hart niet voor mij te loor gaan,« toen greep zij plotseling met hartstochtelijk gevoel de hand van den jongeling, en terwijl er tranen uit hare oogen sprongen, zeide zij: »Neen, Hendrik, ik heb u wreed miskend; houd niet vast aan mijne woorden. Ik weet, dat gij haar zeer lief hebt; maar mijn ongelukkige Van Schagen.... Ik zie niets dan wolken boven mijn hoofd.«

—»Mijn Hendrik!« sprak nu ook Maria, »bespeurt gij het wel? Met fellen angst hoorde ik die woorden; maar er was eene stem, die mij toefluisterde: Haar mond spreekt door vreeze, wat niet kan opwellen in haar gemoed.«—»Zij kent u, zooals ik u ken; gij zijt edel en goed, en gij wilt alles doen voor mijn lieven vader, wat gij kunt....«

—»Ja, wees hem tot hulp,« viel nu Hadewy hare dochter in de rede. »Hoe heimelijk hij in deze zaak moge te werk zijn gegaan, gij weet, Hendrik, door den omgang, hoe zijn hart is. De burgers noemen hem een verrader, heulende met den Spanjaard. Heilige Maagd! wat duldelooze miskenning. Wat men heulen van hem noemt, is niets dan vrees voor de toekomst; hij ziet de ellende, waarin de stad zal verzinken, zoo men den vijand hardnekkig weerstand biedt; hij bespeurt den ijzeren voet, die op ons zal drukken, wanneer, na den tegenstand, de getergden al hunne woede zullen gekoeld hebben: hij heeft niets dan rampen voor oogen en geweldige gebeurtenissen. Zijn angst is mogelijk te groot; maar wat hij gewrocht heeft, deed hij gewis met volle overtuiging tot welzijn. Hiervan is hij zoo gansch doordrongen, dat hij het oor niet neigen zal naar andere taal. Maar hij zou luisteren naar u, Hendrik! wanneer gij hem krachtig onder het oog hieldt, wat gevaar hem wacht,—wanneer gij hem zeidet, hoe ieder uur hier voor ons een uur vol verschrikking is. Och, werk toch uit, dat hij geen voet binnen deze stad zet; zorg gij toch, dat hij zich niet stort in den afgrond, die voor hem ligt.«

—»Zooals ik reeds gisteren zeide,« sprak Hendrik, »men gist, dat hem straffe wacht.—Dit vermoeden is niet ongegrond, maar dwalen is menschelijk. Mijn hart zegt mij niettemin, dat men zijne handeling niet zal toeschrijven aan de ware bron,—dat zijne Doorluchtigheid enkel zien zal op den eed, dien hij eens gezworen heeft.«

—»En dan?« vroeg Hadewy, »wat zal dan zijn lot wezen?«

—»Dat is Christus bekend!« sprak Maria.

—»Of gij de stad kondt verlaten!« zeide Hendrik tot de moeder »dan zouden gewis uwe woorden het meest op hem vermogen, ja veel meer dan de mijne; maar dat kan niet. Mijnheer Ripperda heeft alle uitgangen laten bezetten, en de soldeniers hebben strenge orders. Hield geene belofte van trouwe mij terug, dan .... Maar nog één middel rest ons; schrijf hem, uw angst, het arg, het gevaar, in één woord, schrijf hem alles, en ik zal middelerwijl uitzien of ik iemand, koen genoeg, vinden kan, om de bode te wezen van dit geschrift.«

Nauwelijks had hij dit gezegd, of de jonge Floris, die bij den haard nog altijd de stomme getuige van het gesprokene was geweest, sprong nu eenige schreden nader, en zijne moeder smeekend aanziende, riep hij uit: »Ja, lieve moeder, schrijf; ik wil den brief overbrengen; ik wil het doen.«—

—»Gij, arme jongen!« zeide Hadewy, »neen, neen, dat zou ondoenlijk voor u zijn.«

—»Dat denkt gij,« hernam Floris, »maar ik durf het en ik geloof niet, dat het zal mislukken. Wat zegt gij, kapitein?«

—»Gij hebt goeden wil en courage genoeg, beste jongen; maar het is eene zaak, niet zonder groot gevaar.«

—»Dat mag wezen; maar als een zoon voor zijn vader niets op ’t spel durft zetten, wie zal het dan doen?«

—»Lieve Floris!« zeide Maria »gij zult het niet doen; peins toch, zoo u een ongeluk wedervoer, wat nieuwe smart dit voor ons wezen zou.«

»Neen, goede, beste jongen!« riep Hadewy, »dat gedoog ik nooit; gij, nog zoo jong.... Terwijl gij weg waart, zou ik in duizend dooden zijn; neen, dat nooit!«

En toen zij nu een traan in zijne oogen zag wellen, klemde zij hem in hare armen en zeide: »Maar Christus zal u zegenen, omdat uw wil goed is, en gij geen bezwaar acht, om iets tot heil te doen van uw vader

Hierop liet zij den knaap zachtkens los. Floris zeide niets meer, drong er niet verder op aan, maar nam onwrikbaar voor, om het op eens in hem opgekomen besluit uit te voeren.

—»Ja, ik zal hem schrijven,« zeide Hadewy, »ik spoed mij om die taak te vervullen. Geve de heilige Maagd, dat er een bode zij, eer alles te laat is.«

—»Ik ga aanstonds van hier,« sprak Hendrik, »want het wordt ook tijd, dat ik op de loopplaats bij mijnheere Ripperda zij. Dit nog slechts; wees voorzichtig in uw schrijven: één dubbelzinnig woord sticht soms bitter gevaar in troebelen tijd.—Liefste mijn!« lispelde hij vervolgens, Maria omhelzende, »houd goeden moed: geef u niet al te zeer over aan droeve gedachten; zoo spoedig mogelijk ben ik weer bij u.«

—»Ik zal zoo kloek wezen, als ik het kan, Hendrik. Maar mijn hart klopt zoo onstuimig: ik zie een zoo zwarten sluier; mijn oog kan er maar niet doorbreken.«

Veelbeteekenend wees Hendrik met den vinger naar boven; en na zwijgend haar nog een kus te hebben gegeven, en tot aan de deur door haar uitgeleid te zijn, verwijderde hij zich. Nauwelijks was hij op straat gekomen of, zooals hij wel vermoed had, waren de oogen van eenige voorbijgangers strak op hem gericht. Doch ofschoon zelfs de een iets tegen den ander mompelde van »ook wel met de zaak bekend te wezen,« en »dat Matthijszen ook wel met de bezending moest instemmen,« gaf niemand dit echter zoo openlijk te verstaan, dat de hopman het hooren kon. Ook stapte deze met fieren, vasten gang voort. Onbeschroomd sloeg hij den mannelijken blik op ieder, die hem aanzag, en zoo er uit het oog eene taal is te lezen, dan las men uit het zijne: »Wie wil, verdenke mij vrij om mijne liefde voor Maria: ik tart iedere valsche blaam; want ik ken mij niet schuldig aan iets; en wie blijk verlangt, dat ik niet instem met de zwakke handeling van den vader, die volge mij op de vest, waar ik met Gods hulp toonen zal, dat ik Alva haat en mijn bloed veil heb voor Oranje en deze stad.«

Nauwelijks te huis gekomen, was zijne eerste bezigheid, iemand op te zoeken, die tegen geldelijke belooning zich met de bezorging van een brief aan Van Schagen zou durven belasten. Om echter, bij mogelijke ontdekking, alle vermoeden van medeplichtigheid van zich af te weren, belastte hij zijn getrouwen bediende met deze taak en wel in dier voege, dat er voorloopig nog slechts van de bezorging van een brief naar Amsterdam moest gesproken worden, zonder eenigen naam te vernoemen. De bode zou toch eerst met de avondschemering moeten vertrekken; en daar hij te twaalf ure in den Doele moest zijn, en het reeds halftwaalf had geslagen, had hij weinig tijd te verzuimen.

Alvorens wij hem, dra, in den Doele wederzien, willen wij eenigszins nader met hem bekend worden.

Hij was van burgerlijke afkomst. Van zijne betrekking weten wij alleen, dat hij drie jaren vroeger, evenals zijn vader, den post van Fabrijk bekleedde en daarin door een ander vervangen werd. Zijn vader stierf eenige dagen nadat Alva voor het eerst den tienden penning had willen invoeren, die in het gansche land een kreet van verontwaardiging deed opgaan, en den ouden man nog op zijn krankbed had doen uitroepen: »Al stond slechts daarom heel Nederland als een gewapend man op, dan reeds zou die opstand rechtvaardig zijn!«—Hendrik beweende den dood zijns vaders met diep gevoel; want zijn hart was edel. Het kon, gelijk onvervalscht goud, den toets doorstaan; het was open voor zijne vrienden, licht verzoenbaar voor zijne vijanden, schoon het getal dier laatsten niet groot zijn kon. Dat hart was fier en kon onrecht noch verdrukking dulden. Hij beleed de godsdienst van Rome, maar hij zag in Luther den man niet, die zijn haat opwekte: hij vereerde hem met een onbeneveld verstand, als den man, die voor de reinheid van den godsdienst veel had gedaan. Hij haatte alle geloofsdwang, omdat hij eerbied had voor God. Wel zacht als zijde was zijn karakter, maar toch al zijne fierheid en vastheid handhavende; kneedbaar als was tot verzoening bij beleedigingen, maar omvermurwbaar en onbuigzaam, wanneer men het aanrandde tot verzaking van beloften of trouw. Eenzaam, gelijk hij na den dood zijns vaders leefde, zocht zijn hart eene hem waardige gezellin, en hij hoopte ze te vinden in haar, die wij zoo even verlieten. Maar hoe was hij onder die hoop te moede? Hem kende men als den jonkman, die met warmte en ijver de zaak van Oranje voorstond, dien men den hopmansrang waardig gekeurd had, omdat zijn moedige inborst een bolwerk tegen den vijand zou zijn.—Maar zou men hem uit hetzelfde oogpunt kunnen blijven beschouwen, nu ieder wist, wat de vader zijner Maria gedaan had?—Het is waar: bij de aanstelling der stadsregeering, in Augustus van het voorgaande jaar, was Van Schagen in de vroedschap gebleven, en ook een jaar later had hij die plaats blijven behouden, in tegenstelling van zoovelen, welke, als Spaanschgezinden, toen niet opnieuw waren benoemd geworden. Men had dus blijkbaar geen vermoeden, dat ook hij tot dezulken behoorde. Maar op eens wordt aan allen die waan ontnomen. Van Schagen begeeft zich naar den vijand om genade af te bidden,—Van Schagen biedt er zich toe aan; hij treedt vrijwillig in de plaats van Verwer, die huiverde en terugdeinsde, toen op dezen het lot gevallen was.—En die Van Schagen was de vader zijner geliefde. Kende ieder het gemoed van Matthijszen tot in de kern? Was ieder overtuigd, dat liefde, medelijden of andere drijfveeren geene botsingen, geene wrijvingen zouden teweegbrengen? Kon ieder gerust zijn, dat de aanstaande zoon, uit aanmerking van den toestand des vaders, het rapier even vast zou omklemmen? Dat hij door aanvechtingen of gemoedsschokken niet weifelen, niet wankelen zou?—Hendrik gevoelde het zelf, en hoe kon het anders, of dit moest hem eene pijnlijke gewaarwording doen ontstaan? Toegerust met al de kracht om er zich boven te verheffen, zou hij toch ieder oogenblik nieuwe aanleiding vinden om er aan te denken: want men moge het ontveinzen of verbloemen, de man met een edel, standvastig karakter is niet altijd tevreden met de bewustheid, dat zijne handelingen goed zijn—hij wil zoo gaarne, dat ook anderen die bewustheid hebben; hij ziet zoo ongaarne, dat anderen de waarde van het metaal verdenken, waarop hij weet dat de stempel der echtheid staat.

Levendiger dacht hij hieraan, toen hij, de woning van burgemeester De Vries voorbijgaande, ook daar uitwendig eene somberheid meende te ontwaren, zooals hij van eene inwendige nog korte oogenblikken tevoren getuige was geweest; en alleen het gewoel der zich van alle richtingen naar de loopplaats begevende schutters en de ontmoeting van Hasselaar bij de Gangolfs-kerk gaf er eene noodige afleiding aan.—

Nog eer het twaalf uren geslagen had, bevond zich de schutterij op den Doele; en toen de vendels in rotten waren afgedeeld, werden er van het gansche lichaam slechts weinigen gemist en wel wegens zoodanige geldige redenen van ongesteldheid of afwezigheid, dat Ripperda over den invloed zijner taal van gisteren wel mocht tevreden zijn.

En welk een schouwspel leverden nu die vereenigde scharen op, wier oorsprong het edel gilde van burgers was, en waarvan de leden zich reeds in de vroegste tijden vrijwillig verbonden om de rust en de voorrechten der stad te handhaven en, in oogenblikken van bang gevaar, ’s lands zaak te verdedigen? Zag men hen daar thans als cloveniers met hunne musketsoortige clovers; als voet- of handboogschutters met hun reusachtigen stalen voetboog, of met den meer handelbaren, waarvan de forsche hand de koord spande? Vertoonden zij zich daar thans in hun harnas, met de brandende toorts, om den luister der processiën te verhoogen; met den wit- en blauwkleurigen stormhoed of schutklovel, zich naar willekeur rangschikkende en het gewicht hunner wezenlijke bestemming niet beseffende? Neen! Wel dacht de groote Karel V zich boven wetten en rechten; wel konden de Hollandsche steden het niet vergeven, dat zij eenmaal hunne privilegiën voor zijne voeten hadden moeten leggen, en dat hij een grooten slagboom had verbroken door het uitspreken van dat machtwoord: »Nederland is slechts één gewest.«—Wel had Karel over de Nederlanders geen donzen schepter gezwaaid; maar toch had men het aan zijn veelomvattend beleid en geestkracht te danken, dat de schutterijen op een geregelden voet werden gebracht. Hij toch was het, die bij voorrechten en strenge bepalingen, hen als ’t ware in mobiele schutters of soldeniers herschiep, hen opschreef, in compagniën en rotten verdeelde, de vuurwapenen vermeerderde, in één woord, die, door hen, aan eene ordelijke, burgerlijke macht het aanzijn gaf. Het was de vader van Filips, die hun veerkracht en zelfstandigheid schonk, die hun het wapen als het ware in de hand gaf, om het later op zijn zoon met zooveel bliksemende kracht te doen dalen, terwijl het aan een Maurits was voorbehouden, om eenmaal die eenvormige beweging van handgrepen in te voeren, waarvan hij bij Nieuwpoort al het voordeel ondervond.—

En zoo stonden daar de kloeke Haarlemmer schutters op den Doele voor Ripperda. Ziet hen daar in regelmatige rijen verdeeld, met hunne hoplieden en vaandrigs, met hunne trommelslagers en pijpers op de flanken, of in het centrum geschaard.—De lucht is helder, snerpend fijn; het vriest, en de thans onbewolkte zon werpt hare middagstralen op de breede heupzwaarden, lange spiesen en gepolijste musketten, terwijl de banieren statig in de lucht wapperen en door vendrigs met breede bandelieren en écharpen gedragen worden.—Die honderden staan daar als een eenig man; geen rumoer in hunne rijen—er heerscht stilte en ontzag; want al hadden ook kolonel Van Duivenvoorde en Brederode, al hadden Vlasman, Matthijszen en zooveel andere officieren niet voor het front gestaan, toch stond daar Ripperda met den edelen, fieren oogopslag: toch stond daar de man, wiens taal zij gisteren hadden gehoord, voor wien zij een ontwijfelbaar vertrouwen hadden opgevat, die hun eerbied had ingeboezemd en wiens vrije, heldhaftige woorden zij nog wel eens herhaald wenschten.

Maar de eene minuut na de andere verliep, en Ripperda sprak niet. Nu eens met Van Duivenvoorde of Brederode, dan weder met zijn broeder Asinga of den schout een woord wisselende, scheen men op zijn gelaat te kunnen lezen, dat hij een plan koesterde, waarvan hij het nog niet raadzaam oordeelde, te gewagen.—Geen kwartier uurs was echter verloopen, toen een soldaat van het vendel Duitschers, te Haarlem in garnizoen, Ripperda eene tijding kwam brengen, waarnaar hij oogenschijnlijk reeds lang had gehunkerd. Nauwelijks althans had hij den bode weder afgezonden, of op zijn bevel, werd door trommelslag het teeken gegeven, dat hij aan de manschappen iets had mede te deelen. Plotseling weder stilte; en Ripperda, zich voor het front der gelederen plaatsende, sprak hen aldus aan:

—»Burgers van Haarlem! Daar ons, zooals licht te vermoeden is, ieder oogenblik de vijand te wachten staat, zoo hebben wij het bij gemeenzaam overleg en rade, nuttig en oorbaar geacht, brieven af te vaardigen aan zijne Doorluchtigheid. Wij hebben hem den soberen staat en de gesteldheid der stad voor oogen gelegd, met verzoek om ons allen mogelijken bijstand toe te schikken. Maar wij hebben ook een heimelijken bode naar den Nieuwendam afgezonden, opdat de overste Muller eenigen van zijn volk herwaarts zou zenden. Zoo flus heeft men mij bericht, dat deze in aantocht zijn; streven wij hen dus onverwijld te gemoet, en heeten wij van harte welkom hen, die van nu af onze wapenbroeders zullen zijn.«

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er ontstond een gejuich van: »leve Ripperda!«—Maar de trommels en pijpers lieten zich hooren en de hoplieden gaven bevel tot den marsch. Niet zoodra echter had men den Doele verlaten, of het van alle zijden naar dit gedeelte aangestroomde volk hief insgelijks daverende kreten aan. Jong en oud, allen lieten reeds de heugelijke maar klinken, dat er troepen in aantocht waren, die goed en have van den burger beschermen en hen tegen allen overlast en geweld zouden beveiligen: want hoewel veel burgers in groote vreese waren, en het, desen niet gheraden noch vijligh was, haer selven te melden en t’ openbaren, zoo was toch de meerderheid gezind, den vijand het spits te bieden. In iedere straat, die men doortrok, voegden zich dus weder anderen achter en voor de gelederen, en dit duurde voort, totdat men de Janspoort bereikt had, waar men de vreemde vendels reeds op korten afstand gewaar werd.

—»Leve ’t volk van overste Muller!« riep de ketelboeter uit de Warmoesstraat, »Leve de Prins! weg met al de schelmen, die voor duc D’Alf zijn!«

—»Dat mag een dronk lijën!« riep Heijnsz, de brouwersknecht, insgelijks onder de menigte; want sommigen, die zeer voor den prins en zelfs niet ongeneigd waren om met wat al te grooten ijver aan iedere opschudding deel te nemen, waren bij het minste nieuws oogenblikkelijk op de been. »Als ik soldeniers in mijn huis krijg, dan zullen zo ’t goed hebben.«

—»En bij mij!« lieten anderen hooren.

—»Ik zal hun allen mondkost schaffen, waar hen de maag naar jookt;« riep er een, »’t zal een groote rust voor ons wezen; en hoeveel man is er wel?«

—»Twaalf vendels,« riep de een.

—»Stop; niet zooveel,« liet een ander hooren.

—»Dat let niet,« riep de ketelboeter, »hoe meer hoe beter. Ze kunnen mij drie man op mijn dak zenden, al moest ik er ketels voor kloppen, dat mijn arm lam wierd...«

Onder deze en dergelijke uitvallen der eerste geestdrift, trokken inmiddels vier vaandels van het vreemde krijgsvolk de poort binnen, terwijl tot verwondering van velen, de zes overige zich langs den buitensingel verwijderden en met het geluid van trommels en schalmeien begroet werden. Dit alles geschiedde met de meeste orde, terwijl Van Duivenvoorde en de hoplieden de schutters zoo hadden geschaard, dat niemand van de menigte intusschen naar buiten kon sluipen.

De overste Lazarus Muller had daags tevoren de tijding van Ripperda niet zoodra ontvangen, of hij was ijlings in alle stilte opgebroken, en des nachts door Waterland trekkende, bevond hij zich reeds thans ter plaatse, waar men zijne komst zoo verlangend te gemoet had gezien. Wel geene luidruchtige vreugd bij hunnen intocht, maar toch toejuichingen van hen, die het wèl meenden met het vaderland en Haarlem. Niet plechtstatig maar met Hollandsche rondheid en blijmoedigheid begroeten de officieren van de schutterij de hoplieden der hulpbenden; en schutters en soldeniers, mannen, die elkander niet kennen, burgers vol vaderlandsliefde, en vreemden, welke die nog te meer aanvuren, bieden elkander de hand, evenals hadden zij jaren te zamen gelijken roem en gevaren gedeeld.—

En wie zijn die benden? Zullen de belangen van Haarlem ook de hunne wezen, of heeft slechts eigenbaat, de hoop op buit, hen van Duitschen bodem naar de Nederlandsche grenzen gelokt? Die vraag zal later worden beantwoord; genoeg zij het thans, dat vier hunner bekend staan als »bliksemen in den oorlog,« Van Wittenberg en Pruis, Steenbach en Vader. Ook schijnt hun uitwendig voorkomen te voorspellen, dat zij pal zullen staan in gevaar. En gij, Maarten Pruijs, met uwe kloeke gestalte, met uw stouten blik; gij, die daar aan hopman Gerrit van der Laan, den zoon van Nicolaas, met oud-Duitsche rondheid de hand biedt, die hem op de rustige houding der schutters wijst, vermoedt ge wel, dat gij met dien zelfden Van der Laan reeds binnen weinig dagen den Spanjaard zult toonen, wie gij zijt, dat gij dan reeds vallen zult met het staal in de vuist? Wellicht niet; maar schoon niet ieder krijgsman een zwaard aan de heup draagt, waarop de dagen en uren zijn gegraveerd, toch weet hij, dat iedere dag, elk uur zijn laatste kan zijn; en zoo hij braaf en onverschrokken is, dan bereidt hij zich daarop voor en trekt zijn vijand kalm te gemoet.

In dien geest sprak dan ook Ripperda, toen hij zich op de markt voor het front der schutters en hulptroepen had geplaatst.

—»Burgers van Haarlem!« zeide hij, »ons aanzoek om hulp is niet ijdel in den wind geslagen. Gij ziet: strijdbare mannen zijn aangetogen op onze roepstem om den vijand te weerstaan, die ieder uur op de stad kan aantrekken. Als gij, zullen zij elk oogenblik vaardig wezen tot verdediging van deze vest, en dat zij den dood niet zullen schromen, dat waarborgt ons hunne krijgshaftigheid. Daar wij desniettemin zonder order van zijne Doorluchtigheid zoo groot eene hulp niet mochten aanvaarden, zoo zijn er zes vendels naar Leiden en Rotterdam, het woord achterlatende dat zij zonder vertraag komen zullen als het noodig is. Wapenbroeders! moogt gij elkaar tot schild wezen en harnas: dat één wil en moed u beziele: dat vriendschap en eendracht u gedurig op zijde zijn; want de dood zal van rondom op ons loeren Brave makkers, denkt steeds daaraan, dat één pijl licht verbroken wordt, een gansche bundel niet. Zij dit onze leuze: eendracht maakt macht!«

Met ontbloote degens begroetten nu de hoplieden Haarlems gouverneur; soldaten en schutters hieven hunne musketten in de hoogte; de vaandels wapperden boven de hoofden, en onder het volk stegen andermaal kreten op, als de blijken met hoeveel geestdrift en vertrouwen men voor Ripperda was ontgloeid.

Maar wat doet op eens onder de saamgevloeide menigte en de schutters een gemompel ontstaan, dat driftig en nieuwsgierig van mond tot mond gaat en weifelend beantwoord wordt. Zie Ripperda! Het is alsof plotseling een andere trek op zijn aangezicht is gekomen, een trek, zooals men vaak waarneemt bij hem, die een plan voedende, het oogenblik der uitvoering meer en meer naderen ziet. Nu eens spreekt hij met Van Duivenvoorde, of diens luitenant, Jan Arentsz de Jong; dan fluistert hij eenige woorden tegen Vlasman, Schatter en Pellikaen, en het is, alsof deze aan den vaandrig Hasselaar dezelfde woorden herhalen. Nu weder wendt hij zich tot den schout, tot burgemeester Van der Laan of Stuiver, welke laatste met de inlegering der soldaten is belast; en toch schijnt hij daarover niet te spreken: van alles, wat er gezegd wordt, is geen woord hoorbaar dan voor hen, tot wie het gericht is. Maar weldra wordt de nieuwsgierigheid bij sommigen afgeleid, bij anderen nog hooger gespannen, toen te zelfder tijd Ripperda aan de hoplieden beveelt, zich bij hunne vendels te voegen;—de bevelen worden gewijzigd, herhaald; de gewapenden deelen zich in rotten en—de marsch vangt aan. Maar hoe! niet naar de Koningstraat om weer in den Doele te komen? Neen, de weg naar de Lepelstraat—thans tusschen de Paaltjes—wordt ingeslagen; vervolgens komt men op de Oude Groenmarkt, en zonder dat iemand het vermoedt, houdt men plotseling halt voor een aanzienlijk en ruim gebouw.

Men zie het! Wel verdient het den naam van »het keizerlijke« zooals het daar, als op ijzeren grondslagen schijnt te rusten, terwijl de oplettende beschouwer er een onderscheiden bouwtrant in ziet—den Toskaanschen met dubbele kapiteelen, als hij op de kolommen naar het westen, den meer grootschen, kunstigen Jonischen stijl, als hij naar het oosten staart. Men zie dat kolossaal gewrocht, met het sierlijk opgetrokken steenen welfsel in het midden, dien kunstigen hemel van het oosten tot het westen, die boogvormige stijlen, evenals eene trotsche gedachte zich eerst verheffende, dan langzaam dalende, om een rustpunt te vinden op zuilen, onwrikbaar in den muur gehecht. Men zie dien toren zich statig in de wolken verheffende, den doorluchtigen rijksappel, het massief ijzeren kruis—het kruis des geloofs. En het gansche gebouw met aandacht gadeslaande kon men wel wenschen, dat er meer eenheid in mocht heerschen, als de hoogste schoonheid van ieder kunstgewrocht; wel wenschen, dat ten opzichte van den vorm, evenzeer de hoogere bekwaamheid mocht doorstralen van den werkman, als ten opzichte der stof die van den kunstenaar, maar dan toch wordt die wensch getemperd door het zichtbare blijk, dat de bouwheer, reeds bij het ontwerp, het ideaal van schoonheid voor zijne verbeelding liet zweven; en met verrukking zien wij in dien verschillenden stijl twee toestanden van den Staat; in dien Toskaanschen den natuurlijken eenvoud, dat eigen karakter, dien zich niets aanmatigenden steun van het geheel, terwijl wij dien Jonischen ook wel zijn eigen last torschen zien, wel diensten zien bewijzen aan dat zelfde geheel, maar toch zóó, dat hij daarbij denkt aan eigen luister, met bevalligheid torscht, en dat die diensten zichtbaar zijn voor allen. En dan die splitsing van sommige kolommen, die verlenging van den boog, en die takken in het midden van het gewelf, zich als twijgen van een dunner stam te zaam strengelende, die ontelbare, die groteske aaneenschakelingen, die sierlijke en toch streng eenvoudige toon in het geheel.... alles heeft een indrukwekkend voorkomen: want het is eene kerk—het is de prachtige kerk van St.-Bavo.

En voor dat gebouw staat nu Ripperda aan het hoofd der gewapenden. Wil hij het binnengaan om te knielen, om God te smeeken, dat het aangegrepen zwaard gescherpt en hij met kracht omgord worde tegen het geweld?—Dat wil Ripperda; want hij is held en Christen: de Bijbel is eene fakkel voor zijn voet, een sleutel voor zijn geloof, een staal voor zijne vuist. Dat wil hij morgen en dan ieder uur van elken dag. Slechts thans wil hij het niet, en wij zullen hooren, waarom. Op zijn bevel verschijnt de koster, Johannes Nicolaas Balling, een man van burgemeesterlijke afkomst en eerwaardig door zijn voorkomen. Sidderend werpt hij zich neder voor Ripperda, want hij beseft, dat men wil binnentreden, wat aan zijne bewaring is toevertrouwd; hij ducht het ergste. Maar met krachtige stem beveelt Ripperda, dat hij den ingang ontsluite, en onder koortsachtig beven en vruchteloos smeeken wordt hem gehoorzaamd. Nauwelijks heeft hij den ingang betreden, nauwelijks staan, op zijn bevel, de soldaten zoo geschaard, dat allen hem kunnen zien en hooren, of hij geeft een teeken, dat hij wil spreken, en allen zien stil en vol verwachting hem aan.

—»Burgers van Haarlem, vrome mannen en broeders!« begint hij. »Zou er wel iets wezen, dierbaarder voor ons allen, dan de Godsdienst? Hij is de hoeksteen, waarop alles rust, zoo hij zuiver is. Door vuur en zwaard zocht de Booze het Woord te verdelgen en de waarheid; door de knods der overmacht zocht hij de pilaren omver te rukken, waarop het gebouw van ’t zuiver geloof steunt, opdat hij meester zou blijven met het volle gebied. Ik zal de tirannieke handelingen niet opsommen; zij liggen u nog versch in ’t geheugen. Nog zou men het water met ons bloed willen verven en van elken boom eene galg maken; dat alles om den Godsdienst. En die Godsdienst, waartoe men ons met vuur en staal dwingen wil, wat is hij anders dan een beeldendienst? Zoo sprak de Heer: »Hunne altaren en kolommen zult gij breken, hunne hagen afhouwen en hunne afgoden met vuur verbranden:« »dat hebben Jozua en Hiskia gedaan: zij hebben ze verstoord en uitgeroeid, omdat zij ijverden voor Gods eer. Maar geen rabauten, door blinde woede en dronkenschap gedreven, mogen daaraan de hand slaan; niet door oproer of wrevel, slechts langs wettige wegen en met orde der macht moet de afgoderij geweerd worden. En waarom zal ik het voor u verbergen? Met geen ander doel ben ik hier gekomen, dan om aan de beelden de hand te slaan, om de kerk te zuiveren tot eere van den waren Godsdienst. Wie uwer aarzelt, daaraan de hand te leggen, hij trede vrij terug: want wij schuwen allen dwang en willen geen conscientie verontrusten. Maar wie uwer toegerust is met de kracht van het ware geloof, die breke ook af, wat het bijgeloof heeft opgebouwd. En mocht niemand koen genoeg wezen, mij te volgen, ja, mocht gij zelfs dreigen mij te weerstreven, zoo weet dan, dat de vreeze mij onbekend is, en dat ik de eerste hand zal uitsteken. Mannen broeders, wie vertrouwen heeft op Haarlems bevelhebber, die volge hem na; mijn besluit staat vast!«

Dat was stoute taal. Zij, die slechts gedacht hadden, dat Ripperda de kerk zou hebben willen sluiten, zooals zij in het jaar der beeldstorming drie maanden was gesloten geweest, vonden zich bedrogen. Dat was eene te stoute taal!—Het is waar, eenige jaren geleden waren de vier bisdommen in Nederland op eens met veertien andere vermeerderd geworden, zoodat Rome zelf verwonderd de oogen opsloeg, dewijl in Italië dit getal niet groter was. Men had de inkomsten derzelve uit de abdijen, kloosters en andere gestichten moeten goedmaken. De kleinere geestelijkheid had zich dus wel wrevelig gevoeld; sommigen hadden wel de nieuwe leer omhelsd, en het zaad der beroerten was wel welig opgeschoten; maar door den paus was toen toch aan het bisdom van Utrecht ook de kerk van Haarlem onttrokken geworden: Haarlem had een bisschop ontvangen, en deze had van toen af in de St.-Bavo’s-kerk de godsdienstoefening geleid. Die bisschopsbenoeming had plaats gehad onder voorwaarde, dat al de rechten en eigendommen voor al de ingezetenen ongekrenkt moesten blijven. Maar bij den overgang der stad tot den prins van Oranje was ook de voorwaarde bedongen, dat niemand in goed of bloed zou verkort worden, en dat alle geestelijken binnen hunne kloosters vrij en ongedeerd moesten blijven in hunnen godsdienst.—

En in hoeverre was deze laatste voorwaarde nagekomen?—Ripperda! wat hebt gij u vermeten?

Toen Ripperda aanving te spreken, lag er in zijn blik iets kalms en ernstigs, als blijk, dat hij een plan koesterde. Maar hoe meer hij sprak, hoe meer die ernst zich met ijver vermengde; dat donker doorstralend oog begon al meer te fonkelen; wellicht was het een wat al te ongeveinsde, maar toch vurige ijver, die gewis ontgloeien moest wie één van zin met hem waren. Toen hij bijna geëindigd had, toen hier en daar eenigen hem wrevelig en verbaasd aanstaarden, toen hij dra de uitwerking zijner woorden zou hooren—toen wakkerde niet zoozeer zijn ijver aan, als wel dat zijne oogen eene nog krachtiger uitdrukking aannamen, om daardoor iedere kiem van wrevel te verstikken, of iedere donkere wolk, die over hem mocht saamtrekken, te verdrijven.

En hoe was de uitwerking?

Niet zooals zij zou geweest zijn, wanneer een ander zich deze woorden had veroorloofd. Die zou reeds bij het eerste gedeelte overstemd zijn geworden, of, zoo men hem had laten eindigen, ware dat einde wellicht het sein geweest om op hem aan te stuiven. Maar nu sloeg de vlam niet op hem over, die ze had doen ontstaan. Ripperda had gesproken met de volle overtuiging zijner zedelijke overmacht. Velen waren daar tegenwoordig, die, als hij, den bloedigen geloofsdwang verfoeiden, terwijl allen als hij, het hoofd van den beroerteraad—dien raad, verheven boven en afgezonderd van alle landswetten en rechtbanken—haatten. Maar slechts de minderheid omhelsde de leer van Luther of Calvijn. Hoevelen waren er niet, wie het hinderde, dat de meeste hervormden den Bijbel de eenige kenbron noemden—dat sommigen zich een leerstellig gezag aanmatigden, anderen aan eene doode letter meer hechtten dan aan den Hemel. Hoevelen waren er niet, afkeerig van een geloof, dat niets uiterlijks had, om het hart tot eerbiedige bespiegeling voor te bereiden, om de verbeelding op te wekken, om de ziel te verheffen? En geen van die allen kon de roomsche eeredienst eene beeldendienst noemen; ja zelfs sommige hervormden, in wie men evenzeer als in Ripperda, om hen wèl te beoordeelen, de gebreken hunner eeuw moet voorbijzien, hielden zijne taal, zoo al niet voor bitter, dan toch voor hoogst vermetel en stout—voor strijdig met den zachten geest van Oranje. En zie! in weerwil van het voor velen zoo smadende en vlijmende in de woorden; in weerwil van de te volgen wegruiming hunner heiligenbeelden, balde zich geene vuist, stak men geen wapen dreigend op, liet geen enkele mond den kreet hooren: »weg met den schender van onzen Godsdienst! weg met Ripperda!«—Zij, die zich getroffen voelden over de openlijke tentoonstelling van den Godsdienst hunner vaderen; zij, die liever den dood dan de aanranding hunner beelden zouden aanzien, zij verwijderden zich uit de kerk, en snelden naar huis, om er met gemengde gewaarwordingen het gesprokene te verhalen.

Maar velen verwijderden zich niet: want sommigen, wier ouders de nieuwe leer waren toegedaan,—die, evenals Ripperda, voor die leer van ijver blaakten, werden door zijne taal nog te vuriger ontgloeid.

—»Ja, weg met dat ontuig.« riepen de doldriftigsten, »de afgoden onder den voet gehaald: het heilige gezuiverd van alles, wat het besmet!«

—»Waar zijn bijlen en hamers?« riepen anderen, »ladders en touwen! het poppengoed naar omlaag; stampen wij het tot gruis en brengen wij ’t voor den tienden penning aan duc D’Alf

Reeds is Ripperda met eenigen der zijnen over het graf van Laurens Coster, getreden;—over de asch van den grooten verlichter is een wakker man getreden, vervuld met het doel om die verlichting te handhaven, om van de plaats te ruimen, wat haar in zijne oogen nog krachtig weerstreeft. Reeds staan er eenigen voor het beeld van St.-Bavo. Zij weten, hoe hoog die heilige vereerd wordt. Uit doorluchtige ouders geboren, in 649 gestorven, had Bavo al de soorten der strengste boetpleging uitgeput en vele wonderen verricht. Als patroon der Gentenaars en Haarlemmers, staat hij daar met een hoed op het hoofd, in vorstelijk gewaad, en—zooals hij aan de Haarlemmers moet verschenen zijn—met een valk in de eene en een degen in de andere hand. Een oogenblik schijnt Bavo hun eerbied in te boezemen, niet omdat het beeld, aan louter zilver negen pond Keulsch gewicht woog, maar omdat Bavo de patroon heet van Haarlem. Anderen echter, van minder eerbiedig geloof, dringen aan, en terwijl sommigen reeds met drift naar de in glazen vensters beslotene sacristie snellen, schreeuwen anderen, dat men het beeld onder den voet moet halen. Eenige handen strekken zich onstuimig uit, doch te gelijker tijd laat zich de stem van Ripperda hooren:

—»Niet aldus, mannen!« roept hij, »niet met blindheid of onstuimigheid. Niet als een woeste hoop er op aangestormd. Geene hand strekke zich uit ter vernieling!«

Maar terwijl Cornelis Utenhage, de kapelaan, als een wanhopige door de kerk rent en met ijzing de verguizing der altaren te gemoet ziet, laat zich op eens het geschreeuw hooren: »Bijlen en koevoeten! Weg met de beelden uit de kerke van Haarlem’s poorters! Dat ontuig verpest hier de lucht!«

—»Staat!« roept nu Ripperda met zoo forsche stem, dat zij boven allen uitklinkt; en terwijl hij eenige der driftigsten met de hand terughoudt, herhaalt hij luide: »staat, zeg ik u; gehoorzaamheid aan Ripperda; geene hand strekke zich ter vernieling uit. Ik wil niet, dat men zegge: »hier zijn rabauten en roovers geweest;«—niet met wrevel te werk gegaan! men doe slechts, wat oorbaar is. Straf voor wie zich vergrijpt!«

Nu stonden de driftigen stil en zagen Ripperda aan, terwijl in sommiger oog het ongeduld vlamde om te hooren waaraan zij de hand moesten slaan. Op zijn bevel haalde een sergeant met eenige manschappen uit het houten portaal aan de westzijde eenige touwen en ladders te voorschijn, en het eerst nam men het beeld weg van Maria, dat aan het kerkgewelf hing. Toen werd Petrus, zooals hij daar met het kruis en de sleutels in de hand, in zijne nis stond, van de plaats genomen, en weldra zag men hem vernederd, die nog kort tevoren met zooveel eerbied aanschouwd werd. Alles werd door soldaten en burgers van zijne plaats genomen, niets echter vernield van hetgeen ook jaren te voren gespaard was geworden. Alom hadden toen de beeldstormers hunne razende woede gekoeld; maar Haarlem was verschoond gebleven, en dat hadden de roomschen te danken gehad aan het edel, koen gedrag van burgemeester Van der Laan. Zijne kloeke taal tegen de grootste en voornaamste gilden, on de wijze maatregelen der regeering hadden toen verhinderd, dat de roovers zich met de kostbaarheden van de kerk verrijkten. En nu heeft de bevelhebber der stad zich in die kerk een weg gebaand; thans ruimt men van de plaats, wat toen voor vernieling gespaard bleef. Ook is het nu geen opgeruid grauw, door onbeschoftheid, roofzucht en blinden moedwil gedreven; het zijn nu geene dievenbenden, die de kunstrijkste schilderijen, grafzerken en boeken vernielen, die zelfs de lijken uit de graven wroeten, die kisten en kasten oprammeien, stelen wat hunne hebzucht streelt en als woeste horden met geroofde, brandende waskaarsen door de straten rennen, in booze verrukking het beeld des duivels op eene spiets met zich om voeren, en daarna den katholiek durven beschuldigen, dat deze hen tot den beeldstorm had aangehitst, opdat de katholiek te strenger op de hervormers zou kunnen woeden. Neen, thans zijn het gewapenden, burgers der stad zelve, aangevoerd door Ripperda. En Ripperda was een streng calvinist. Veel heviger dan de lutherschen stelden zich de calvinisten tegen den dienst der beelden, wellicht omdat er van den aanvang der hervorming fanatieke buitensporigheden hadden plaats gehad, waarvoor Luther, niet verantwoordelijk, maar waartegen hij bitter ontevreden was. Het jaar 1570 is als het tijdpunt aan te merken, dat de hervormde godsdienst door Spanje volkomen werd onderdrukt; en dat verlieze men toch nooit uit het oog, dat de opstand tegen Spanje een geloofsstrijd was. Al mochten er zich later staatkundige drijfveeren mede vermengen, al mocht staatkundige onafhankelijkheid van den vreemden troon weldra het bijoogmerk zijn—door heel den tachtigjarigen kamp vertoont zich de strijd des geloofs vooral in den aanvang. De uitersten verfoeiende, valt nergens die verheven strijd te miskennen voor eene christelijke vrijheid, in geest en waarheid bestaande, de groote worsteling tot stichting eener kerk, die, ontbloot van zinnelijke versiersels, de reinheid der apostolische dagen poogde terug te roepen. En men beschouwe Ripperda, in dien geest handelende, handelende in de volle overtuiging zijner goede bedoeling. Hoe koen en vermetel, hij gaat niet met drift of onstuimig te werk: overal is hij tegenwoordig; zijn oog ziet alles; vooral de beroemde meesterstukken der schilders spaart hij, en die, welke voor het gevoel der hervormden stuitend zijn, zal hij, ter liefde van de kunst, die ze schiep, evenzeer eene andere plaats aanwijzen. Dat zilveren beeld van St.-Bavo, het zilveren kistje, dat een gedeelte van diens arm bevatte, dat kruis van hetzelfde metaal, de kostbare versiersels van het altaar en de kleinooden van de sacristie; dat alles, wat in de oogen van Ripperda naar afgoderij zweemt, wordt van zijne plaats genomen, maar niet vernield. Als de toestand der stad het eenmaal vordert, zal het tot een beter doel aangewend worden; het heeft waarde, die dan strekken zal tot algemeen nut. Maar dat er niets in de kerk blijve van dat alles, waarop het oog van den hervormde niet met vromen eenvoud en welgevallen zou kunnen rusten!—want daar, waar vroeger, waar nog gisteren het Sanctus geklonken, waar men de hostie getoond en de wierook gebrand had, daar zou binnen drie dagen de gemeente der hervormden vergaderen, en dan moest er niets aanwezig zijn van den eeredienst, waaraan men niet denken kon dan met afschuw voor de beulen, die hem met bloed wilden handhaven. Ripperda sloot voor den dienst des pausen en opende voor de leer van Calvijn.

Die taak is volbracht. Aan de beelden wordt in een afzonderlijk gedeelte van de kerk eene plaats aangewezen en de kostbaarheden worden in bewaring gesteld van den ontvanger Van Berkenrode, bij wien men ze veilig achtte. En nu verlaat Ripperda met de zijnen de kerk—de kerk in het oog van zoo velen geheiligd, maar ook in het oog van het meerendeel ontwijd. Ripperda! gij hebt u eene koene daad vermeten, eene daad, waartoe gij niet slechts bevelhebber van Haarlem zijn moest, maar vooral een Ripperda.