In 1572 de Spaarnwouderpoort uitgaande, zag men tot halfweg Amsterdam tusschen het Noorder- en Zuider-buitensparen en den mond van de Meer tot aan Spaarndam en het IJ niets dan weiland, met enkele boerenwoningen.—
Noordwaarts op een uur afstands ligt Spaarndam, dat ten dien tijde een kleine voormuur van Haarlem kon genoemd worden,—en waar de lezer zich voor een oogenblik vertegenwoordige. Reeds verscheidene jaren vroeger wenschte men aan de oostzijde van het dorp, aan het Noorderspaarne eene sluis aan te leggen, zoo kolossaal, dat buitenlandsche schepen met staande masten en zeilen hunne lading binnen Haarlem zouden kunnen aanvoeren. Wel werkte Rhijnland het tegen; doch burgemeester Van der Laans onvermoeide poging bracht teweeg, dat de vermaarde sluis reeds vier jaren vóór het beleg voltooid werd.
Ter hoogte nu van deze sluis in den Spaarndamschen polder, thans het jaagpad, hadden de Haarlemmers twee bolwerken opgericht of liever eene met geschut voorziene verschansing. Deze strekte over den Hoogendijk, en was derhalve van den tegenwoordigen Lagendijk afgescheiden door het Spaarne, dat zich aldaar met de mooie Hel (of Nel) vereenigt, en er vrij breed is.—De Spanjaards, van Amsterdam verwacht wordende, konden Halfweg over, zich met hun leger uitbreiden van de Meer tot aan het IJ, en alzoo over den Hoogendijk Spaarndam naderen.—De sterkte nabij de sluis was dus voor de Haarlemmers van het hoogste belang; want de vijand liet zich niet lang wachten; daarom had dan ook de prins, ofschoon tevergeefs, herhaaldelijk bevolen, den dijk bij Spaarndam door te steken. Daags reeds na de gevangenneming van Van Schagen en Van Assendelft had don Frederik, verbitterd, dat men het tot een beleg zou laten komen, eenige soldaten naar het naburige Spaarnwoude gezonden. Deze hadden met de kleine bezetting in den polder eene schermutseling gehouden. Hoe gering die ook geweest ware, had men op Zondag den zevenden December kapitein Gerrit van der Laan, benevens den Duitschen hopman Maarten Pruijs met driehonderd man tot versterking gezonden.—Toen had er andermaal eene schermutseling plaats, doch het geschut van het bolwerk begroette den vijand zóó, dat deze al spoedig moest wijken.
Een dag later brak don Frederik met zijn leger van dertig duizend man en een grooten trein geschut naar Spaarndam op; doch ook toen zond de regeering eenige met houweelen en spaden gewapende burgers derwaarts, om achter de bolwerken den dijk door- en den vijand den gewonen weg naar de stad af te snijden. Dan te midden van dien arbeid waren eenige, der Spaansche partij toegedane boeren, gedwongen geworden, de opening weder te dichten, hetgeen te gemakkelijker kon, wijl er nog niet wijd en diep genoeg gegraven was, en—nu werd op dienzelfden dijk eene vijandelijke loopschans tegen die van Spaarndam opgericht.
Met toerustingen en schermutselingen van weinig beteekenis verliep de gansche dag van den negenden December, en in den daarop volgenden nacht vroor het zoo hard, dat het ijs op de meeste plaatsen het gewicht van menschen kon dragen.—
In eene van ruwe planken opgeslagen hut, ongeveer vijftig schreden van de verschansing, bevonden zich Gerrit van der Laan met zijn adjunct, kapitein Michiel, benevens Maarten Pruijs en diens luitenant N. van Berkhout. Meer dan één post stond uitgezet; en toch durfde geen der hoplieden zich een halfuur aan den slaap overgeven, uit vrees dat de vijand zich ieder oogenblik van de donkerheid zou bedienen om het bolwerk te overvallen.
—»Hoe laat zou het wezen?« vroeg Van der Laan.
—»Ik weet het niet,« antwoordde Van Berkhout, een lang mager persoon, »naar gissing mag het zoo wat naar vijf uren loopen.«
—»Ik weet het ook niet,« zeide kapitein Michiel »maar waar ik niet naar heb te gissen, is, dat het er wakker op los vriest,—en als wij ’t hier lang moesten houden, zou ik er sterk voor zijn, om de reten wat beter te stoppen.« Dit zeggende, wierp hij een paar dikke houten op het vuur, dat geen te groote hitte gaf en waarvan de rook zich door eene van boven aangebrachte opening den weg baande.—
—»Stook niet te hard,« zeide Maarten Pruijs lachend, met zijn Mecklenburgschen tongval, »ge mocht anders ons nobel paleis in brand steken.«
—»’t Hout is bevroren,« zeide Michiel, »die brand zal dus niet zoo’n vaart nemen; want het heeft weinig zin om te ontdooien.«—
—»Op mijn woord, gij stookt te fel,« lachte Pruijs, »ik geloof, gij zijt bang, dat het er vandaag niet warm genoeg zal toegaan.«
—»Wat reden daarvoor?« hernam Michiel »zoolang als het zoover niet komt, heb ik het koud: br .... wat tocht het hier.«
—»Als ik niet gezien had, hoe ge Zondag als een leeuw die Spanjolen op de huid vielt, zou ik denken, dat ge weinig vuur in ’t lijf hadt,« zeide Pruijs. »Kom, drink liever eens van ’t Haarlemsch brouwsel; dat zal het bloed beter in omloop brengen.«
Nu nam hij, na te zijn opgestaan, eene kruik van den grond; men had er eenige achter het vuur gezet om er de eerste kilheid aan te ontnemen; maar het bier leverde het beste bewijs, dat er meer rook was dan vlam; want het had bijna niets van zijne koude verloren.—
—»Drink heil en warmte uit het bier van brouwer Kies,« zeide de hopman, terwijl hij eene tinnen kan vulde en ze den krijgsmakker aanbood: »dat is immers uit de brouwerij van den heer Kies, lid van de vroedschap?« vroeg hij, zich tot Van der Laan wendende, die ernstig en misschien om zich te verwarmen, de flauw verlichte hut op en neder stapte.
—»Ja,« was het antwoord, »hij is brouwer in de Twee Ankers, en ’t ware te wenschen, dat ieder vroedschapslid een zoo koen en kloek man was; dan zou jonker Van Schagen nu niet zoo bitter in leed zijn.«
—»Zoo; dan is hij zelf een anker, waarop men vertrouwen kan!« hervatte Pruijs.
—»Niet gering,« zeide Van der Laan, »en ’t zou mij niet verwonderen, zoo hij morgen onder de schepenen kwam; want hij is een vroed man, die nooit met eene dubbele tong spreekt,—die is zooals hij wezen moet, een man, die de vrijheid zou voorstaan ten koste van zijn leven.«
—»Hij is als uw vader,« zeide Michiel, de kan in de hand nemende, »en met de grootste oprechtheid drink ik de eerste teug op het heil van burgemeester Van der Laan: dat doe ik niet, omdat gij er bij staat; maar ik deed het gisteren; en ’k zal het morgen doen en altijd.«
—»Wel en waar gezegd,« antwoordde Van der Laan, »en al was hij mijn vader niet, dan toch gaf ik hem alle eer. Wat hij met den mond zoo wel zegt, dat zou hij ook toonen met de daad: voor ’t welzijn van de stad zou hij in den dood gaan, en zoo moet het ook wezen.«
—»Ja, zóó moet het zijn,« liet Michiel hooren, »geen verbond met duc D’Alf; vrij of de dood! Maar wat hebt gij daar gezegd, kapitein? zou de nieuwe regeering morgen al gekozen worden?«
—»Wel mogelijk,« was het antwoord, »de edele heer Filips van Marnix van Sint Aldegonde heeft gisterochtend te tien ure de burgerij op den Doele verzameld, en de tiende luiden, die de stemmen zullen vergaderen, moeten ze morgen op schrift bij brouwer Kies inleveren; want daar ten huize is de heer Van Aldegonde gelogeerd. Er moeten acht burgemeesters en veertien schepenen op de lijst komen, en uit dat dubbeltal zal men dan eene keuze doen.«
—»Wie is die heer van Sint Aldegonde?« vroeg Pruijs, die als onlangs pas in Haarlem gekomen Duitscher, minder met de landsregeering dan met de scherpte van zijne kling bekend was.—
—»Dat is een deftig jonker,« antwoordde Van der Laan met vuur; »dat is een vrijheidszoon, die met den moed van een getergden leeuw, geschonden rechten durft doen gelden; dat is iemand, die geen jok dulden kan, en die voor geen storm terugdeinst; iemand, van wien ik niet weet of hij kloeker staatsman dan held is. Zijne doorluchtigheid heeft hem in de stad gezonden om de oogen over alles te laten gaan en de heeren van de wet te veranderen, niet tot vermindering der privilegiën of tot benadeeling der burgers, maar om de stad te beter te verzekeren door eendracht en goeden wil.«
—»Ja,« zeide Michiel, »voeg er ook maar bij, dat hij kaf uit koren komt ziften. ’t Gerucht zegt altijd veel, waar niets van aan is; maar daar zijn van die welwijze heeren onder, die niet enkel den Spaanschen kraag dragen, maar die al zoo hard naar den Spanjaard rieken, als mijn stootdegen naar diens bloed. Geef maar eens acht, hoeveel er naar huis zullen gaan, voor wier neus de deur gesloten zal worden, zonder respijt, zooals het geval is bij onzen oud-burgemeester Quirijn Dircksz., bij wien Dircks, en Pieters, gezworen wakers, al over den vloer zijn, opdat niemand bij hem zou komen om te spreken dan in hunne presentie.«—
—»Daar hoorde ik den klepel al van,« zeide Pruijs, »en zouden er van dezulken nog veel zijn?«
—»Dat zal men komen te zien,« hervatte Michiel »let maar eens op meester Ramp; die woont naast mij in de Smeestraat; maar ik weet meer van hem, dan dat hij mijn buurman is. Een vroed man mag hij wezen, maar hij heeft het, zoo hard als Van der Mate, op den Spanjaard; en heeft hij niet met Van Groeneven, Van Zuren, den rector van de schole en anderen zijne stem gegeven, dat men den vijand om pardon zou bidden?....«
—»’t Is niet voorzichtig,« merkte Van der Laan aan, »hen met name te noemen, op wie men ’t niet gemunt heeft: al te groote rondheid, als ze niet noodig is, kan somwijlen schaden.«
—»Zooals wij hier zijn, zullen wij toch niet achterklappen,« sprak Pruijs lachend, »ik ten minste geef er mijn woord op.«
—»En ik!« liet Van Berkhout hooren.
—»Gij moogt er van reppen, wat gij wilt,« zeide Michiel, »daar breek ik mijn hoofd niet mee. Genoeg als ik bewijzen kan bijbrengen, dat het geene leugens zijn: en hoort! ofschoon ik nu in Haarlem woon, ben ik in Luik geboren; maar zoo waar als ik te Mons in Henegouwen geweest ben, al wat Spanjool heet, haat ik met dubbelen haat! Als ik in de regeering had gezeten, zou ik me eerder een strop om de keel hebben gedaan, dan bewilligd om met de moorders van Naarden in verdrag te komen; en is het geen jammer van Van Zuren? dat hij het heeft kunnen doen, begrijp ik in ’t geheel niet.—Neen, weg met de beulen van Naarden! alle verdrag met hen moet gesloten worden met vuur en staal, en als men hen vangt, met den strop; dat zal ik Julianus toonen, als het goed geluk mij dien moordenaar ooit in handen speelt.«
—»Gewis,« zeide Van der Laan »gij hebt geene reden om tegen Julianus verschoonend te zijn. Op hem kleeft de schuld, dat zijne rauwe, knechten, in Naarden, uwe zusters in den dood brachten, en ook ik hoop met Gods hulp te toonen, dat ik zijn vriend niet heet; maar ik ben het niet met u eens, makker, dat de lieden, die gij daar genoemd hebt, een verbond zouden hebben willen aangaan, louter omdat ze Spaanschgezind zijn; bij enkelen mag dit zoo wezen, maar bij de meesten is het schromelijke vrees geweest, zooals bij De Vries is gebleken.«—
—»Dat verschilt niet,« hernam Michiel, »zij hebben het toch gedaan; en een man, die aan het roer van bestuur zit, moet niet enkel wijs maar ook moedig zijn bij gevaar. Ik ben benieuwd, wie het wezen zullen, op wie de republiek nu zal rusten.«
—»Ik niet minder,« zeide Van der Laan »maar wij mogen alle vertrouwen hebben, dat dit niet zijn zal buiten onze verwachting; onze heer Ripperda zal den jonker van Sint Aldegonde niet onwetend laten, wie tot dien post vroed zijn en kloek.«
—»Kom, kameraad! schenk nog eens in,« zeide Michiel tot Pruijs, »’t vuur geeft er toch den brui van, om te branden; wij moeten ons zelven maar verwarmen, zoo goed als het kan.«
—»Op de gezondheid van Ripperda en alle wakkere mannen in Haarlem!«
—»Leve Ripperda, de kloeke Fries! drink heil!« riepen allen, en de gloed in hunne oogen was het blijk, dat deze dronk uit het hart kwam.
—»Hij is een man van ijzer en staal,« sprak de een.
—»En meer waard dan zilver en goud,« liet een ander hooren.
—»En zijn broeder Asinga moet ook niet vergeten worden,« sprak Van Berkhout, »hij ziet er koen en rustig uit.«
—»Toch is het Wigbolt niet,« zeide Michiel.
—»Wie toch de lange eenoog mag zijn, met wien mijnheer Ripperda zooveel op heeft,« vroeg Van Berkhout.
—»Dat weet niemand,« antwoordde Michiel. »De een kalt dat hij een spook is, en ’s avonds laat zijne bruid zoekt. Een ander wil reppen, dat hij in den ban is gestorven en niet rusten of duren kan in zijn graf, eer hij door priesterlijke ontbinding van den ban is verlost.«
—»Grollen,« zeide Pruijs, die een streng Calvinist was, »ik heb wel eens gehoord, dat zulke dooden opzwollen als padden, maar dat zij gaan konden en loopen zooals wij, dat van al mijn leven nog niet.«
—»Op zijne beterschap!« zeide Van Berkhout.
—»Dat kan geen kwaad,« voegde Michiel er bij, en nadat hij eene goede teug had genomen, liet hij er op volgen: »Dat smaakt als Hamburger; ik kies het bier van brouwer Kies en laat er den wijn voor staan.«
—»’t Is niet kwaad,« liet Pruijs hooren, »maar ik proef er toch den Hamburger niet in: daar heb ik eenige kruiken van meegebracht; als wij weer in de stad zijn, zal ik er u eens op te gast laten gaan....«
—»Ik zal u bij ’t woord houden,« antwoordde Michiel, »maar ik geloof toch niet, dat de Hamburger beter is. Met het Haarlemsche brouwsel hebben de heeren hun fortuin gemaakt; daar zou onder anderen Matthijszen ook van kunnen reppen. Maar hoe hij het maakt met zijne jonkvrouw? Dat zal daar in huis wel: o lacij, och arme wezen.«
—»Wat is het er dan?« vroeg Pruijs.
—»Een schreihoek,« hernam Michiel, »Maria is de dochter van jonker Van Schagen, en Matthijszen heeft daar ....« Doch op het oogenblik, toen hij wilde voortverhalen, liet zich een luid geroep hooren, naar gissing omtrent een paar honderd schreden van de hut.—
—»Daar is Romero!« riep de een.
—»’t Is de wacht aan den waterkant,« liet Van der Laan hooren; en allen stoven op eens op, en waren zoo snel de deur uit, alsof zij slechts daarbij post hadden gevat, om ze bij de minste beweging open te rukken;—niet sneller kan een trouwe wachter van ons huis aanslaan bij het flauwste geritsel, dat hij hoort, dan het viertal in den donkeren nacht naar buiten ijlde.—
—»’t Is niets,« zeide Michiel, »de post zag misschien een spook met een wit hemd aan; want nu houdt hij weer den mond.«
—»Wat Spanjool ook zal in zoo donker een nacht iets aanvangen?« zeide Van Berkhout.
—»Dat weet men niet,« sprak Van der Laan, »laat ons onderzoek doen.« En nu kwamen zij bij de schildwacht, die eenig gerucht gehoord had, en de manschappen uit het wachthuis omringden hem reeds.
—»Wat was het?« vroeg hij, »houdt gij ons voor mal?«
—»Neen, hopman! hoewel ik niets zag, hoorde ik toch spreken aan den westkant: het was of er iemand in ’t ijs viel, die verdronken is, want op eens was alles weer stil.«
—»’t Zal de wind zijn geweest,« sprak een zijner makkers, »of mogelijk ....«
—»Stil, zeg ik,« beval Van der Laan, »hebt gij hooren spreken?«
—»Ja, kapitein! en ik verwed mijn leven, dat ze daar nog op de luimen liggen, of dat wij ze binnenkort in ’t ijs vinden.«
—»Scherpe wacht!« sprak hij, »en gij, sergeant, zet nog twee man bij dezen post uit, en roep bij het minste, dat gij hoort. Hoe laat zou het wezen?«
—»Half zeven of daaromtrent, kapitein! Ik wou, dat de dag maar aanbrak.«
—»Nog zoo tastdonker,« zeide Van der Laan, onder het teruggaan tot zijne makkers, »ik giste wel, dat het niet veel wezen zou; maar toch, zij zullen niet lang toeven, want ik voorzie, dat het ijs vandaag een goede vloer zijn zal.«
—»’t Vriest ten minste vinnig,« zeide Pruijs, »en ze zullen van de goede kans wel profijt zoeken te trekken.«
—»Laat ze maar komen,« liet Michiel hooren, »’t zullen altemaal geene Klaas van Kytens wezen, al zijn wij dicht bij Spaarnwoû, waar die kleine koolstronk gewoond heeft.«
—»’t Behoeven geene reuzen als hij te wezen, die ons zouden kunnen dwingen, de schans op te geven,« zeide Van der Laan, »als het maar fel genoeg vriest, dan vallen zij ons van voren en achter op ’t lijf.«
—»Maar dan vallen wij nog niet,« hernam Michiel, »zoo wij de schans al moeten verkoopen, zal het voor geen ons bloed wezen, het zou meer moeten kosten.«
Nu sprak men gezamenlijk, schoon met de meeste waakzaamheid, weder over onverschillige dingen, of over het gebeurde sedert vier dagen en over de wijze hoe men handelen zou, wanneer men werd aangevallen. In dit laatste waren Michiel en Van der Laan het somwijlen niet eens, daar de laatste ernst en voorzichtigheid steeds op den voorgrond plaatste, terwijl de eerste bij denzelfden moed en eene gelijke dapperheid alles echter lichter rekende en niet zelden reeds de hand aan iets sloeg als een ander nog peinsde, hoe hij het met de meeste kans op goeden uitslag zou aangrijpen. Beiden zouden eenen, voor anderen schier onbeklimbaren berg in denzelfden tijd hebben bestegen, maar de laatste zou zich tevens van het middel voorzien hebben om weder den top te kunnen verlaten, waaraan de eerste niet gedacht had.
Intusschen kwam van uit den donkeren nacht eerst eene vale schemering, vervolgens een zelfstandig licht te voorschijn, dat zich hoe langer hoe meer over de plaats uitstrekte, welke op dien dag geene getuige van een vreedzaam tooneel zijn zou. Nu zag men hier het IJ en het Spaarne, echter niet den wimpelvoerenden IJstroom of het kronkelend Spaarne, maar de twee wateren, wier oppervlakte met eene harde, glinsterende korst was bedekt, waarop zich de verschansing terugkaatste, die men verdedigen moest. Van der Laan had die verschansing niet al te sterk genoemd, wanneer de vijand over het ijs kon, en dit was ook zoo. Men verbeelde zich eene van aarde opgeworpene hoogte, die eene borstwering, in den vorm van een klein bolwerk had: de vleugels bestonden in scherpe en stomphoekige deelen, niet ongelijk aan de tanden eener zaag—van daar zaagwerk, geheeten—en met het blijkbare doel om het eene deel door het andere te kunnen bestrijken en verdedigen. Zoo waren er twee, eene ter linker-, eene ter rechterzijde, en behoorlijk versterkt door geschut; doch zij waren tevens hoogst zwak, wanneer men ze beneden den dijk, aan den westkant, van achter op den aanslag kon bestormen, wijl ze daar van geene borstwering waren voorzien. Het geschut zelf bestond in zoogenaamde pelikanen, die zes pond ijzer schoten, en in het vizierschot zeshonderd vijftig passen droegen. Ook had men er vier valken van echt kaliber, die twee à drie pond ijzer schoten, benevens twee vierendeel-slangen (sacré), die te dien tijde voor een goed veldkanon werden gehouden, en vijf pond ijzer schoten op eene lading van gelijk gewicht.
Het was omtrent negen ure in den morgen, toen de, bij de Woerdersluis geplaatste schildwacht het teeken gaf, dat hij in de loopschans der Spanjaarden eenige beweging zag. Oogenblikkelijk begaf Van der Laan zich met zijn luitenant derwaarts, en nog had hij er geen halve minuut vertoefd, of hij keerde naar de verschansing terug:
—»Op uwe hoede, mannen!« riep hij hun toe, »’t zou mij niet verwonderen of zij rukken fluks aan, driemaal sterker dan wij zijn.«
—»Is ’t Romero?« vroeg Michiel, die zich met zijne soldaten welke niet tot het geschut behoorden, naar den Spaarnkant begaf.
—»Ik gis ja,« was het antwoord; »ten minste ’t groene vendel is er bij.«
—»Die moordenaar!« bromde Michiel tusschen de tanden. »Ja, Rodrigo althans heeft het er den eersten keer zoo wel van gehad, dat hij gewis geen lust heeft in den tweeden; vandaag is de beurt aan hem.«
Nu wendde zich Van der Laan tot den busschieter van eene der vierendeel-slangen, Willem Cornelisz geheeten. In de geschiedkundige beschrijvingen komt zijn naam niet voor, doch in de thesauriersrekening van anno 1583 wordt hij met lof vermeld. Hij was, schoon zonder rang, een der bekwaamste busschieters, en bezat eene koenheid, die bijna aan roekeloosheid grensde. Hij was het, die twee dagen tevoren zijne slang zoo wel gericht had, dat Rodrigo de Sapata, die reeds toen met driehonderd man het innemen der schans beproefd had, door een kogel begroet werd, die hem den arm ter hoogte van den elleboog wegnam, zoodat hij gedwongen werd, hals over kop met zijne Spanjaards terug te trekken.
—»Willem!« zeide Van der Laan, »de nacht is ons niet gunstig geweest; ik denk, dat de musketten ’t meer zullen moeten doen dan de slangen.«
—»’t Kon zijn, hopman! maar wij zullen er toch zooveel om de kaars doen vliegen, als in onze macht staat; hoor, daar hebt gij het al: »Espana!«—maar wij Hollanders staan hier.«
—»Espana!« klonk het luider; doch al hadden de Spanjaards door dit krijgsgeroep, dat Spanje beteekende, hunne nadering niet te kennen gegeven, dan toch waren zij duidelijk genoeg zichtbaar, en schenen wel achthonderd man sterk. Wie voert hen aan? Wie zal zich met zijne meerderheid op de zwakke bezetting werpen? Het is die Julianus, van wien men des nachts gesproken had,—Juliaan de Romero, de adellijk-arme, trouwelooze Spanjaard, doch vol trouw jegens den koning, die zijne dapperheid en krijgstalenten bijzonder waardeerde en ze ook zoo beloonde, dat hij hem van den geringsten rang tot dien van overste had doen opklimmen. Het is Romero, die bijna op iedere bladzijde van het eerste tijdperk uit den geloofsstrijd voorkomt; die reeds twaalf jaren vroeger benoemd was om met Mendoza, Oranje en Egmond het bewind te voeren over de Spaansche troepen in Nederland, tot bedwang van de ketters. Wrok had hen aangegrepen, omdat Oranje en Egmond dat bewind toen van de hand wezen, als wel wetende, hoe die vreemde troepen den landzaat een doorn in het oog waren. Romero had Nederland wel verlaten; doch toen vijf jaren geleden Alva de bloedvlag in ons land bracht, kwam ook hij, aan de spits van het Siciliaansche regement van elf compagniën, en—Naarden ondervond dat hij gekomen was, want daar trok hij heen, met het verraad vóór, den moord achter zich; en thans wil hij meester zijn van Haarlem, Filips weer zijne trouw toonen en opnieuw eene bloedparel aan zijne kroon zien gehecht.—
Met het groene vaandel voorop, trok Romero van Spaarnwoude nader, en nauwelijks had hij den westkant van het Spaarne bereikt, of hij schaarde een gedeelte zijner troepen in twee liniën, en nu hoorde men de kreten: »Salgan, salgan, los mosqueteros, aguera, afuera, adelante los mosqueteros. (Heruit, musketiers, voorwaarts, voorwaarts!)—Alva had die musketten, welke drie lood ijzer schoten, vijf jaren geleden bij het Spaansche leger in de Nederlanden ingevoerd, en bij ieder vendel waren vijftien dezer musketiers. Maar de vroegere schrik voor die nieuwe vuurwapenen en de daarmede gepaarde kreten bestond niet meer, sedert de onzen ze insgelijks hadden ingevoerd. Dit bleek dan ook al spoedig, toen Romero zich met eenigen hunner over het ijs begaf en er met een vijftal het eerst den voet opzette.—In den aanvang kraakte het, doch brak niet, en reeds had hij eenige schreden afgelegd, toen op een gegeven teeken vijf andere Spanjaards de eersten achtervolgden. Krachtig vlogen zij met de kolven hunner geweren op den spiegelgladden vloer en—deze brak niet.
—»’t Wordt tijd, hopman!« zeide Willem Cornelisz, die met de andere busschieters slechts op het bevel wachtte om los te branden, »het ijs zal die schelmen houden, zoo waar als ik leef.«
—»Nog niet,« sprak Van der Laan »ze moeten grooter in getal wezen; de schoten kunnen beter gebruikt worden.«
—»Kijk! daar komen er weer vijf, neen tien,« zeide Willem »ze probeeren het met twee, drie man naast elkaar: waarachtig! het houdt, nu is het tijd, hopman!«
—»Als hopman Michiel vuurt, brandt ook gij af,« zeide Van der Laan; en nauwelijks had hij het gezegd of diens musketschoten knalden, en een paar Spanjaards vielen getroffen op het ijs, zonder dat ook deze val er eene opening in maakte. Bijna te zelfder tijd lieten nu ook de vierendeel-slangen en pelikanen hunne losbarsting hooren en het schot van Willem deed een Spaansch soldaat, die dicht bij Romero stond, doodelijk getroffen neertuimelen.
—»Vuur!« klonk nu ook donderend het bevel van Romero, en tegelijk knalde het uit de lange musketten met blauwe loopen; doch er was te hoog aangelegd, want slechts een der soldaten van Maarten Pruijs viel gewond neder: al de andere kogels vlogen over hun hoofd.
—»Eene maand van mijne hopmanssoldij, voor wie Romero neerblaast,« riep Michiel, »laadt, mannen, vuur! als zij over ’t ijs komen, krijgen wij het dwars.«
Maar Romero was de man niet om zich door snaphaan- of kanonvuur te laten afschrikken. Wreedaardige, valsche Spanjaard als hij was, paarde hij aan deze twee hoedanigheden een ontembaren moed, een wil, die niet boog en hem in het oog van zijn meester zoo dapper deed zijn. Als hij eenmaal gezegd had: »ik wil;« dan was die wil niet voorwaardelijk, dan kon hij, dan achtte hij het middel niet, hoe valsch of wreed het zijn mocht, doch dat misschien slechts dáárom dan eenige verschooning verdiende, omdat hij dan ook, zich zelven niet achtende, onverschrokken in den dood ging.
—»Volgt mij!« riep hij forsch tot eenige soldaten, die schenen te aarzelen om zich op den glinsterenden vloer te begeven: »wat is dat, kerels! durft gij u laten afschrikken? volgt mij, zeg ik, vuur!«
Nu knalden weder de musketten, maar met beter gevolg dan vroeger: want zes Haarlemmers vielen dicht nevens Van Berkhout en Maarten Pruijs neder, en wanneer de laatste het hoofd een weinig meer rechts had gewend, zou een kogel, die hem nu rakelings voorbij vloog, wellicht zijne hersenpan hebben verbrijzeld.
—»Dat moet betaald worden!« riep hij, »vuur mannen!« en weder vlogen de kogels onder de Spanjaards, die zich op den gladden weg bevonden, terwijl het ijzer uit de slangen er verscheidenen deed nedertuimelen. Maar zij, die vielen, werden oogenblikkelijk door anderen vervangen; want men had nu gezien, dat de ijsbrug dikker was, dan men in den aanvang waande, en reeds stonden er vijftig op geen wijden afstand van elkander, zonder dat de bedriegelijke baan onder haren last inboog: en Romero bevond zich nog altijd aan de spits; dat zag men aan zijn sneeuwwitten, met goud geschakeerden vederbos; maar die vederbos bleef wapperen; schoon aan het eerste gevaar blootgesteld, scheen geen kogel hem te kunnen treffen; zijne stem bleef even krachtig, en—al dichter naderde hij den westkant.
—»Schuiner gericht,« sprak Van der Laan, die nu eens naar het geschut, dan weder naar de door Pruijs en Michiel, aangevoerde soldaten liep.
—»Ja, schuiner,« klonk ook de stem van Willem den busschieter, »en zet de lading forscher aan. Konden wij die baan daar eens schoon vegen! dapper aan, jongens! nog schuiner.«
—»Vuur!« beval nu Van der Laan aan den eenen, Michiel aan den anderen kant; en terwijl op Romero’s bevel weder twintig andere Spanjaards zich achter hem hadden geschaard, had er eene losbranding plaats, die veel verwoesting onder den vijand aanrichtte; want zoowel van hen, die zich dicht bij den aanvoerder bevonden als van dengenen, die zich pas op het ijs hadden begeven, vielen er meer dan tien tegelijk neder.
—»Brengt de kruidzakken aan!« riepen Willem en de andere busschieters tot hunne handlangers, »dat is een nobel schot geweest, en het moet er nog beter op los.« Maar terwijl hij nog sprak en de Haarlemmers de stukken opnieuw laadden, volgde er, op een hevig musketgeknal van de nog altijd in linie geschaarde Spanjaards, een verward geschreeuw onder de schutters en soldaten van Maarten Pruijs.
—»Wat is dat?« riep Van der Laan.
—»Hopman Pruijs valt«! klonk het onder zijne soldaten.
—»Maar hopman Pruijs leeft nog!« riep deze ijlings weder opstaande, »’t was maar eene suizeling, wie volgt mij na?«
—»Ge hebt eene kwetsuur,« zeide Michiel; »ik zie bloed op uw schouder.«
—»Des te meer voort!« luidde het antwoord, »dat schot heeft mij eene vlerk verlamd, en een tweede kon mij het licht uitblazen; ik wil een eerlijk schuldenaar wezen, die het hoofdgeld met intrest betaald;—de Spanjolen moeten van het ijs.« En nu wilde hij den glinsterenden stroom op.—In de eene hand zwaaide hij den degen, terwijl het bloed uit zijn linkerarm vloeide; hij had twee wonden tegelijk bekomen, eene ter hoogte van den elleboog, eene andere tusschen hals en schouder.—Toch snelde hij naar het ijs, en de schutters volgden hem na.
—»Wat wilt gij, hopman?« riep Van der Laan, »verlaten wij ’t bolwerk, dan zijn wij verloren; dat weerstaat het ijs niet; gij zinkt er in met uw volk. Dat is een onbesuisd werk, dat u zal opbreken.«
—»Wat die honden houdt, draagt ook ons,« sprak Michiel; »en breekt het onder ons, dan zal het bij hen niet heelblijven.«
—»Maar denk toch, dat zij honderd man kunnen missen tegen tien van ons.«
—»Met tien man jagen wij er honderd voort,« riep Michiel, »laat ons gaan en geef hun intusschen nog een paar keeren de volle laag.«
—»Wat zal ’t u baten, al jaagt gij er hen af: ge moet immers weer terug; en dan zenden al hunne musketiers u het lood achterna.«
—»Dek gij ons met de pelikanen,« sprak Pruijs, »voort, voort! zij naderen ons al meer en meer.«
—»’t Zij dan zoo,« sprak Van der Laan, »maar gij hebt het u zelven te wijten, als het slecht afloopt.«
—»Hij kan ’t wèl, maar ook mis hebben,« zeide Pruijs, terwijl hij zich door een der soldaten een band rond den arm liet winden, om het bloedverlies tegen te gaan; »maar als zij over ’t ijs komen, dan is het toch verloren spel.« Vervolgens met eenige manschappen den bevrozen stroom betredende, volgde Michiel op kleinen afstand zijn voorbeeld na. Intusschen gierde weder het ijzer uit de veldstukjes, onder het midden der Spanjaards, die zich al meer en meer den weg over het ijs trachtten te banen. Verspreid, op verschillende afstanden de schansen te naderen, was hun minder raadzaam, daar het Spaarne niet overal dichtgevroren was, maar er hier en daar groote en kleine trekgaten of kwellen waren, die den overtocht hoogstgevaarlijk maakten; want in eene dier kwellen waren de twee waaghalzen, die zich in den donker op de rivier hadden begeven, verdronken.—De eigenlijke breedte, zonder wakken, hun door de boeren aangewezen, gedoogde slechts een overtocht op ééne plaats, en wilde men deze een te zwaren last doen dragen, dan zou de uitslag niet anders dan verderfelijk zijn. Lieten de Haarlemmers slechts een twintigtal Spanjaarden den polder bereiken, dan ja, konden zij deze gemakkelijk overhoopwerpen, maar intusschen zouden weder anderen aanrukken om hunne bezwijkende makkers te ondersteunen, en met verschot van volk moesten zij het op de verdedigers, wier getal zooveel minder was en wier krachten toch allengs zouden uitgeput worden, winnen. Schijnbaar beter derhalve, den vijand den tocht over het ijs te beletten; maar dit was hoogstgevaarlijk, vermetel, bijna roekeloos; want zou men ten laatste het geschut niet meer kunnen laten werken, en wanneer de bedriegelijke vlakte onder de vereenigde zwaarte van vriend en vijand inboog, dan vonden wellicht allen in de kille diepte hun graf.—Echter waagden zij het. Zwaar gewond doch moedig en met spies en rapier rukte Pruijs voorwaarts, en Michiel volgde hem na. Deze laatste had zich behalve met zijn degen nog met het roer van een gevallen schutter gewapend, met geen ander doel dan om Romero met eigene hand te treffen, en dus bij de nederlaag, welke hij den vijand daardoor wilde toebrengen, tevens zijne persoonlijke wraak te koelen.
Nauwelijks hadden Romero’s soldaten het onvoorzichtig aanpakken der schansverdedigers waargenomen, of schielijke vrees maakte zich van hen meester, en nog waren de Haarlemmers geen tien schreden genaderd of zij keerden zich om, ten einde naar hunne loopschans terug te trekken.
—»Voorwaarts!« riep hun Romero dreigend toe. »Zijn de Siciliaansche soldaten lafaards geworden? Niet terug, zeg ik!—voorwaarts!—«
Maar nog was er eene krachtiger stem noodig om hen te doen gehoorzamen; want zij beseften maar al te zeer het hachlijke gevaar, dat zij tegensnelden. »Terug, die daar vluchten wilt als bloodaards!« riep hij met donderende stem, »eeuwige schande op uw kop: van Romero zijt gij geene soldaten meer!«
Op deze woorden laten zij af met vluchten en trekken nu met hun aanvoerder weder voorwaarts, den gewonen kreet latende hooren: »Espana! Espana!—« Dan op eens worden zij andermaal in verwarring gebracht. De busschieters van Van der Laan, op het voorbeeld van Willem Cornelisz, eene en dezelfde richting aan hunne slangstukken gevende, heeft er eene zoo geweldige en met zooveel juistheid bestuurde losbranding plaats, dat ettelijke thans op het ijs zijnde Spanjaarden gewond en gedood nedertuimelen. Op dat gezicht klimt de brandende moed der Haarlemmers tot geestdrift.
—»Vuur!« roept hun Michiel krachtig toe: en terwijl nu ook de musketten knallen, houdt hij het zijne op Romero gericht. Een oogenblik mikt hij, ook zijn schot knalt en—de helmpluim van den Spaanschen aanvoerder verliest hare luchtige golving en buigt zich slap op den stalen hoed neder: de donsen, met rozen doorvlochten lelie is op haren stengel geknakt, en Romero blijft er niet onbewust van: werktuigelijk grijpt hij naar de geknotte veder, doch bijna ter zelfder tijd richt zijne hand zich weer driftig naar omlaag, evenals wierd zij door een scherpen angel gestoken, en nu roept hij woedend:
—»Valt aan, soldaten, valt aan! ons de schans of de dood!«
—»De dood!« schreeuwen hem Michiel en Pruijs toe; want beiden, helaas, stormen nu met hunne soldaten zoo snel als de gladde bodem het toelaat op hen aan: en nu dreigen hen niet andermaal de musketten, maar thans richten zich de met ijzer beslagene hellebaarden op hunne borst, en van nabij davert hun de kreet in de ooren: »voor Haarlem! voor Holland! valt aan.«—
Vijftig gewapenden zijn er op het ijs.—Zoo lang geene met hevige schokken gepaarde beweging zich had doen gevoelen, had wel die bodem zich onder zijn last gebogen, doch hij was niet met sleuven opgebarsten, niet krakend bezweken. Nu echter de soldaten zich al dichter en dichter op één punt vereenigen, nu de eene harde schok de andere vervangt, nu worden, zoo ver de glinsterende vloer zich uitstrekt, onder een donderend geluid twee, drie groote spleten zichtbaar.—Toch breekt het ijs niet, schoon de wapenen der Hollanders zich kruisen met die van den vijand. Hier valt er een, door de punt van den Spaanschen degen doorstoken, en tegenover hem stort een Spanjaard neder, wiens borst door den langen hellebaard zijner tegenpartij doorboord is.—»Carajo!« klinkt het onder de vijanden, en die scheldnaam, waardoor zij hunne verbittering en verachting tevens uitdrukken, wordt beantwoord door het luide geroep: »voor Haarlem! den Spanjaard de dood!«—Thans is het meer eene worsteling dan een gevecht, en wel eene worsteling, die aan de eene zijde den dood door het zwaard, aan de andere dien in den killen vloed voorspelt.
—»Moordenaar van mijne zuster!« schreeuwt Michiel den Spaanschen aanvoerder toe en dringt onstuimig op hem aan. »Uw of mijn dood! ter zijde, mannen; ik met hem!«—
—»Geen Romero meet zich met een rebel!« roept deze op verachtend spottenden toon. »Aan de spits onzer soldaten—zoo strijden wij.« En intusschen zwaait hij den degen om Michiels aanval af te keeren en hem tegelijk een hevigen stoot toe te brengen. Maar reeds tweemaal was het staal van den hopman tegen den blinkend metalen ringkraag van des Spanjaards harnas afgestuit, en reeds tweemaal had ook Michiel diens slagen afgeweerd, terwijl de gladde bodem bij elken slag gedreigd had, hem te doen uitglijden, toen een schrille kreet hen verder weerhoudt. Het is een kreet van vriend en vijand, niet over eene vernieuwde nederlaag door geschut of musketten: neen, Van der Laan kan thans de slangstukken niet doen spelen op hen, die daar op het ijs worstelen, en ook Van Berkhout kan de zinkroeren zijner manschappen niet op hen doen losbranden; maar het is een kreet van schrik, door gekraak vergezeld, die snel door een knappend geluid en een dof geplons tevens wordt achtervolgd;—het is de glazige vloer, die bezwijkt, die als glas in schollen afbreekt en eenige der Spanjaarden en schansverdedigers in de opening doet vallen.
—»Terug!« dondert, op dat gezicht, Romero, terwijl hij zelf eenige schreden achteruitdeinst.
—»Terug!« roept ook Michiel, dezelfde beweging makende en, evenals zijn vijand, den gevaarlijken rand ontwijkende, die dicht in zijne nabijheid is, en waarin meer dan de helft zijner manschappen met Pruijs spartelt of onder het ijs schiet. Romero en Michiel hadden zich onwillekeurig eenige weinige schreden verwijderd van die plaats, waar de dichtste aandrang was, en daardoor was het ijs, schoon naast, echter niet onder hunne voeten gebroken. Zij wijken dan terug, Romero om den dood niet in het water te vinden, Michiel om een leven te redden. Of ligt daar zijn wapenbroeder niet in den stroom? worstelt daar Pruijs niet om het lijf te behouden, dat hij even koen aan het staal had blootgesteld, doch nu misschien op eene andere wijze zal verliezen! Is die wapenbroeder niet gewond? hij mag, hij kan niet terug, zonder hem te redden. Maar hij vindt hem niet. Is hij, bij de poging om aan den waterdood te ontsnappen, onder het ijs geschoten? Neen, bij den val, naar de diepte gezonken, was hij weder bovengekomen om zich aan den rand vast te klemmen; doch een Spanjaard heeft de zich naar redding uitstrekkende hand met kracht naar onder geduwd, en wel een Spanjaard, evenals hij op lijfsbehoud bedacht. Maar Pruijs, hoe door bloedverlies verzwakt, laat zich zóó het leven niet benemen: hij grijpt niet slechts de hand, die zijn verderf zoekt; hij grijpt ook krampachtig de voeten, die hem afstooten, en rukt den Spanjaard, die zich reeds met de andere hand aan vast ijs geklemd houdt, met geweld naar onder. En beneden de oppervlakte is het een strijd even benauwend als twijfelachtig, maar ook kort; beiden willen het leven, hoe meer hen de dood nadert, en—de handen, die zich aan de voeten klemmen, laten los. De Spanjaard komt weer boven, en ook Pruijs op een paar ellen afstands van hem; maar dat bovenkomen is voor den eerste de dood: de degen van Michiel doorboort hem, en voorgoed zinkt hij nu. Die degen strekt zich ook naar den makker uit; deze grijpt hem en—eenige seconden later drukt de eene hand de andere; want Maarten Pruijs is gered. Niet alzoo echter de overige schansverdedigers. Acht hunner liggen in den stroom bedolven, en eerst dan wanneer de dooi het ijsvlak doet verdwijnen, eerst dan zal men hunne lijken vinden, maar ook die van den vijand, welke er met hen den dood onderging en van welke de overigen naar de loopschans zijn teruggedreven.
Dit tusschengevecht, even kort als noodlottig, heeft den vijand nochtans niet van het voornemen doen afzien om zich van de verschansing meester te maken. Maar thans moet dit langs een anderen weg beproefd worden.
—»Zoo gelukt het nooit,« zeide Romero, toen hij zich weder bij het gros zijner soldaten bevond, »zoo kan het niet gelukken. Die muiters zouden zich liever doodvechten, dan een voet gronds afstaan, en toch is mijn besluit genomen; ik zweer het; een uur later moet de schans ons wezen.«—»Anspessado!« ging hij voort, zich tot een der onderhoplieden wendende, die het musketvuur tegen van der Laan en van Berkhout bestendig hadden blijven onderhouden, »geen oogenblik staakt gij het vuur, en de slangstukken blijven op de batterij gericht. Wij moeten hen links en rechts bezig houden. Intusschen begeeft gij, Anspessado!« zich tot een anderen wendende, »u met vijftig man op het ijs, maar verspreid, ieder op zichzelven een pad zoekende, waar het te vinden is.... Wat ziet gij mij aan, als ware dit bevel u niet naar den zin. Ben ik u niet voorgegaan? Wilt gij, dat ik mij door rebellen laat terughouden? Wij moeten hen reeds den eersten dag toonen, dat wij soldaten van onzen koning zijn,—dat wij komen om hunne ongehoorzaamheid aan het wettig gezag te straffen. Soldaten van Romero, ik spil geene woorden meer, kent uw plicht!«
Nu wendt hij af, en men haast zich, om aan zijn bevel te gehoorzamen.—Hij zelf begeeft zich in de loopschans, om aan de kanonniers bevelen te geven, om vervolgens weder naar de musketiers terug te snellen en middelerwijl waar te nemen, in hoever de poging gelukt van hen, die weder op het ijs zijn. Onverpoosd volgt nu de eene losbranding de andere, zoowel uit klein als grof geweer,—en geene, die niet met woeker betaald wordt:—wanneer het geschut van den Spanjaard een Haarlemmer velt, vallen er drie hunner en—het slangstuk van Willem Cornelisz treft zeker.—
—»Een been daar vrij wat knagens aan was,« zeide Michiel; »en ze zullen dat pad niet meer beloopen. Jammer maar, dat ik in plaats van die pluim hem de hersenpan niet heb geknakt. Eene handbreed lager en—hij ware er geweest.«
—»Maar nog grooter jammer, hopman!« zeide een der soldaten met het musket op het gebroken ijs wijzende, »dat zij daar geen schot meer zullen doen. De Spanjool kan tien missen tegen één van ons.«
—»Zij hadden er ons toe geperst, hernam Michiel, »maar.... gij schiet te hoog, mannen! de loopen lager gericht!« Dit zeggende, voelde hij zich in den arm gewond, en vielen twee der voorste schutters, op een viertal schreden afstands, gekwetst neder. Dit was aan den rechtervleugel, en twee anderen namen hunne plaats in; doch ternauwernood had men andermaal gevuurd, toen zich aan den linker op eens een verward geschreeuw lieten hooren onder de soldaten van Maarten Pruijs. In weerwil der bekomene wonde in den arm, van den val in het water en de worsteling op die plek, had de Duitsche hopman zich weder aan het hoofd van het vendel geplaatst. Vruchteloos hadden van der Laan en Michiel hem aangemaand, zich aan het gevecht te onttrekken; glimlachend had hij er op geantwoord, zijn natten wapenrok bij den kruiddamp te willen drogen. Met nog meer moed had hij zich weder aan den vleugel geplaatst; doch het scheen besloten, dat de tiende December hem noodlottig zou zijn. Door een kogel in de borst getroffen, viel hij ruggelings neder en zijn val was de oorzaak van dien kreet.
—»Wat is dat?« riep van der Laan, op het aangeheven geschreeuw, van de schans snellende.
—»Hij is gekwetst! Hopman Pruijs is dood!« klonk het smartelijk; en vier soldaten wilden hem van de plaats wegvoeren.
—»Nog niet, mannen! maar toch ik sterf!« riep hij met zwakke stem en naar de plaats wijzende, waar het noodlottige lood zich een weg had gebaand. »’k Ben de eerste hopman, die voor Haarlem in den dood gaat; houdt u kloek en.... wreekt mij.« Hij scheen nog meer te willen zeggen, maar een diep opgehaalde zucht, belette het hem: het was zijn laatste zucht.—
—»Wraak voor den hopman!« schreeuwden de soldaten.
—»Wraak voor Holland, voor Haarlem!« riep Michiel, »de dood aan de Spanjaards!«—
—»Espana!« weergalmde het onder den vijand; want deze giste wel, dat een der aanvoerders moest gesneuveld zijn.
—»Vuur!« klonk het van links en rechts.
—»Blaast die honden neer!« riep Michiel, door zijne wonde heviger verbitterd, »brave Pruijs.... hij is dood, hij is met eere gevallen; houdt moed, mannen! wreken wij den dood van uw hopman. Vuur!«
Van weerszijden scheen men nu met nog meer juistheid aan te leggen, doch de slangstukjes en musketten der Haarlemmers deden eene zoo voortreffelijke werking, dat de vijand menigen soldaat verloor en reeds toen ondervond, dat men met Hollanders had te strijden, die, evenals de Spartanen, mochten uitroepen: »de muren onzer stad zijn wij.«
Niet lang echter duurde deze wederzijdsche strijd. Juist heeft er weder eene losbranding van de musketten plaats gehad, toen op eens onder de soldaten en schutters van Michiels en van Berkhout de kreet opgaat: »de Spanjaards—zij komen weer over ’t ijs!«
—»Ja, daar zijn ze weer!« roept Michiel, »voort op hen aan!« IJlings rukt hij met een derde gedeelte zijner manschappen naar den bevrozen stroom: maar het is nu niet op éen punt, dat hij de vijanden moet afweren. Overal waar deze, hetzij op zich zelven, hetzij paarsgewijze of met een vijftal tegelijk eene begaanbare plaats op het ijs vinden, ijlen zij aan. Een Anspessado met tien man is het reeds gelukt, den westkant te betreden, en terwijl Michiel dezen dapper poogt af te slaan, zetten op twintig schreden van daar andere vijanden den voet op den grond. Wel verdeelen zich nu ook de Haarlemmers, om den noodlottigen aanval af te keeren; wel splitsen ook zij zich met beleid en vlugheid en jagen den vijand menigen kogel toe; maar zij zijn te zwak in getal om overal daarheen te snellen, waar zich een Spanjaard vertoont;—zij kunnen niet op ieder punt aanrukken, waar een vijand, die de wakken op het ijs heeft weten te vermijden, den vasten voet zet;—zij zien maar al te zeer hun gevaar. Ook van der Laan ziet dit en—oogenblikkelijk doet hij nog een ander gedeelte van de musketiers aanrukken. Maar schoon ook deze zich links en rechts en naar alle kanten verspreiden, is het niet aan Romero ontgaan, hoe zijne soldaten hunne pogingen ten deele bekroond zien. Snel had hij derhalve een ander vendel op het eerste laten aanrukken, op dat een tweede, een derde; en ofschoon sommigen, door al te groote drift of onvoorzichtigheid, den dood in het ijs vinden, gelukt het aan de meesten, den overkant te bereiken. Waar de Haarlemmers er een tiental terugdrijven of doen vallen, worden zij eensklaps door anderen besprongen, of op eenigen afstand vandaar stuiven er weder van het tweede—derde vaandel aan. Het is eene keten van vriend en vijand, maar eene keten met onevenredige schalmen—de eene dun en bros, de andere uit zwaarder ijzer gesmeed; eene keten, die zich nu eens in de lengte uitstrekt, dan weder kronkelend een heelen of halven boog vormt of de zwakke schakel met de stevige verwart.
—»Espana!« klinkt het aan deze, »voor Haarlem!« aan gene zijde, en het bloed van Spanjaard en Hollander kleurt het ijs of iederen anderen bodem, waar zij staan, aanvallen of terugdrijven. Vergeefs, dat de pelikanen en vierendeel-slangen op de Spaansche musketiers vuur geven,—de rijen van deze zijn op weinige na verdwenen; want Romero heeft er nog slechts één Anspessado gelaten: al de overigen zijn, op zijn bevel, hunne makkers op het ijs gevolgd, en hoe meer vijanden er afzonderlijk aanrukken, des te beter gelukt het hun, die volgen, op vasten grond te komen: de eersten dekken den aantocht der laatsten, door aan alle zijden het gevecht met de Haarlemmers levendig te houden.
—»’t Is gedaan met de schans, als het volk uit de stad ons niet bijspringt!« roept van Berkhout tot van der Laan, »de kanonniers kunnen niets meer uitrichten of zij vermoorden ook ons.«—
—»Dan toch de volle laag op gindsche schelmen,« laat Willem Cornelisz hooren, »hier met de kruitzakken; zet de lading nog forscher aan! goed zoo; niet weg van de slangen, voordat men er de spijkers indrijft.—Vuur!« En weder tuimelen ettelijke Spaansche musketiers, door de welbestuurde losbranding van Cornelisz getroffen, neder. Maar aan den anderen kant wint de overmacht niet weinig veld. Wel heeft van der Laan het bevel over de verschansing nu aan een sergeant overgelaten, en wel hebben hij en van Berkhout hunne krachten met die van Michiel vereenigd; maar intusschen is weder Romero zelf over het ijs aangerukt en staat hij aan de spits van diegenen, welke het meest slaagden, zich tot eene dichte kolom te vereenigen: zijne tegenwoordigheid geeft dubbele veerkracht aan de zijnen, te meer daar de overwinning zich op hunne pieken vertoont.
—»Blaast victorie, trompetters!« roept Romero met eene zoo ver weergalmende stem, als de keten van krijgslieden zich uitstrekt.
—»Zwaait het groene vendel!« klinkt die zelfde stem tot de dichtst nabijzijnden, »Animo, animo, Romero heeft het gezworen; ons de schans!«
—»Er rukt volk uit de stad aan,« laat Van der Laan hooren. »dat zijn onze broeders, mannen; houdt moed. Ik hoor de trompetten. Zij naderen gezwind; houdt moed.«
—»De dood aan den Spanjaard!« roept Michiel, »mannen van Pruijs, de dappere Steenbach rukt aan! houdt u gesloten; een oogenblik nog en de victorie is ons!«
—»Voor Haarlem!« heft nu Van Berkhout aan, »de mannen uit de stad rukken voort: Matthijszen is ons nabij.«
—»Dat liegt gij, rebel!« schreeuwt op eens een Spanjaard; »deze rukt aan: de victorie ons!« Onder deze woorden brengt hij Van Berkhout een zoo geweldigen stoot met zijne piek toe, dat deze ruggelings op den grond stort en het binnen weinige oogenblikken met zijn leven gedaan is. Wel tracht schier ter zelfder tijd een der schutters van Michiel den Spanjaard te treffen; maar de val van Van Berkhout doet in het verward gevecht van man tegen man nog grooter verwarring ontstaan. Reeds twee hoplieden zijn thans gevallen, en ’s vijands overmacht is groot. Wel zijn de aanmoedigingskreten, dat er hulp uit de stad nadert, niet verzonnen, niet ijdel: maar behalve dat het noemen der namen van Steenbach en Matthijszen slechts bij gissing geschiedde, is de hulp nog te ver af, om er ondersteuning van te ondervinden, nu men die het meest behoeft.
De Haarlemmers verdedigen zich wakker, maar de kans staat te ongelijk: het is drie tegen een, en reeds vecht daar Michiel tegen vier Spanjaarden, zonder dat hij door een der zijnen wordt bijgesprongen, daar deze òf gevallen, òf door de aandringende kracht van den vijand zijn voortgestuwd, zich met anderen vereenigd hebbende, ook daar dapper doch hopeloos vechten en op nieuw worden teruggedreven.
Twee der Spanjaards zijn reeds onder Michiels slagen bezweken en wellicht ware aan de twee anderen hetzelfde te beurt gevallen; doch onder de daverende kreeten van: »de dood aan de rebellen! victoria, victoria!« stuiven opnieuw eenige vijanden aan. De brave Michiel wordt ten tweedemale gewond en eerst nu wijkt hij; want het ware meer dan dolle vermetelheid, met zoovelen den kamp te wagen. Hij wijkt dan, en op dat gezicht volgen eenigen der zijnen, die nog hier en daar verstrooid worstelen, hem na. Nog houdt Van der Laan op eenigen afstand met een twintig zijner schutters of soldaten het gevecht gaande; maar zijn dapper overschot is niet langer bestand tegen de talrijke overmacht, die met geweld, evenals een storm uit verschillende windstreken, op hem aanperst.
—»Het is moorden, geen vechten meer, en de hulp komt ons te spade,« roept Van der Laan; »de schans is niet te houden; den aftocht, trompetter! terug!«
Wat hij zeide, was waarheid. Beter echter misschien, zoo de schansverdedigers naar de zijde van de versterking waren teruggetrokken en gezamenlijk met deze beproefd hadden om de vermoeide Spanjaarden, die zich toch nog niet in de schans hadden gevestigd, terug te drijven. Zij deden het evenwel niet, en zóó onstuimig rukte nu Romero op den aanslag, waar geene borstwering was, aan,—met zooveel geweld en overmacht stormde hij, aan den westkant, van voren en achter op de verschansing los, dat elke verdere verdediging letterlijk onmogelijk was. De busschieter Cornelisz verliet het laatst zijne slang. Het noodlottig oogenblik ziende naderen, had hij in allerijl de meeste stukken vernageld, en eerst toen de vijand hem op den voet had bereikt, vluchtte ook hij. Het kon echter geen vluchten heeten; het was een moedige, bijna zegerijke terugtocht, na eene verdediging, zoo moeilijk en zoo heldhaftig. De schier niet noemenswaardige, ingekrompene schaar trok daarop met allen spoed over het ijs terug, sommigen in de richting van Beverwijk, anderen naar den kant van Assendelft, en nog menigeen vond op het bedriegelijk ijs den dood. De twee, ter hulp hunner wapenbroeders uit de Kruispoort getrokkene en over Schoten aanrukkende vaandels, zagen tot hunne grievende spijt, dat hun bijstand te laat kwam, dat de verschansing reeds in ’s vijands hand was. Vechtenderwijze trokken ook zij terug, om in Haarlem de treurige tijding te brengen, dat Maarten Pruijs en Nicolaas van Berkhout met driehonderd man gesneuveld waren, en de verschansing Spaarndam in handen van den Castiliaan was. Toch brachten zij er tevens de maar, dat zij als helden waren gevallen, dat de schans met stroomen vijandelijk bloed was gekocht, en dat de Spanjaard aan de gevoelige indrukken van een ijzeren klauw had kunnen zien, wat leeuw hij in diens hol getergd en bestookt had.