ZEVENDE HOOFDSTUK.

Na de overmeestering der Spaarndamsche verschansing, en nadat de vijand er twee vendels Walen in bezetting gelegd had, zond don Frederik reeds des anderen daags vijfhonderd musketiers uit om het Leprozenhuis te bemachtigen. Dit buiten de Kruispoort gelegen gebouw, thans het pest- of dolhuis, was in 1319 eene aan St.-Jacob gewijde kapel, waar men de melaatschen verzorgde, de bewoners van verschillende gewesten uitnoodigende om dezulken ter genezing derwaarts te zenden,—terwijl het acht jaren vóór het beleg met het krankzinnigengesticht werd vereenigd.—

Het was geen heldendaad van don Diego de Carjaval, aanvoerder dezer musketiers, dat hij dit Leprozenhuis bemachtigde, en nog minder strekte het tot schande van de Haarlemmers. Moedig deden zij een uitval om den vijand te verjagen: maar deze den tijd gehad hebbende, op den toren post te vatten, kon hun met zijne musketten alle mogelijk nadeel toebrengen. Het ongelijke gevecht was dan ook kort. Met zeventien gekwetsten keerden de uitvallers terug, en met leedwezen moest men een tweede punt zien verliezen, waarvan de vijand het in zijne macht meende te hebben, de zwakke stad te meer te benauwen.

En was het overmoedig, ongerijmd, dat de vijand, die met zijne duizenden op Haarlem aantoog, de stad zwak noemde? Hoeveel trotsche logentaal hij ook bezigde, dat was eene waarheid, waarvan ook ieder poorter ten volle bewust was, eene waarheid, waarvan ook Van Schagen, Van Assendelft, De Vries en anderen zoo geheel overtuigd waren, dat, indien hunne handelwijze eenige verschooning verdienen kan, de overtuiging dier zwakheid dan wel voornamelijk in aanmerking mag komen. Door zwakheid versta men echter niet zoozeer het gezegde van Willem Janszoon Verwer—in zijn geschreven boek aangaande de belegering, waarbij hij zelf tegenwoordig was—dat Haarlem op den elfden December geen meerderen voorraad had dan achttien last koren en drie tonnen buskruit; ook niet dat de bevolking toen slechts achttien duizend zielen bedroeg; die voorraad toch kon nog vermeerderd worden door zoovelen dier bevolking, welke aan gansch Holland toonen zouden, dat zij Nederland vrij wilden doen zijn. Door zwakheid versta men de algeheele gesteldheid en ligging der stad; en den lezer, dien wij zoo gaarne de hoogste belangstelling willen trachten in te boezemen, gelieve voor een oogenblik op dien toenmaligen toestand de oogen te slaan.—

Men stelle zich dan de stad, op den elfden December, vijftienhonderd twee en zeventig, aldus voor: Zij lag in eene, door het Spaarne in tweeën gesplitste vlakte; en deze ter hoogte van Heemstede uit de Meer haren aanvang nemende en, ten oosten der Eendjespoort, in de stad vallende rivier, stroomde er met eene kronkelende bocht, niet ongelijk aan de letter S, doorheen, hoezeer niet meer met het geweld van vroegere dagen. Men had de gedaante der stad nagenoeg vierkant kunnen noemen, ware ze niet aan sommige zijden eenigszins eivormig geweest. De zoogenaamde ring kon in een uur tijds omgewandeld worden. De twintig voet hooge, zwakke muur, op een groven zandigen bodem gebouwd, had gedeeltelijk den vorm van vroegere dagen, toen er nog geen geschut was uitgevonden. Die uitvinding maakte het echter noodzakelijk, dat men achter de muurkruin aarden borstweringen opwierp. Ook had men eene menigte torens, door de bijna rechtlijnige muren verbonden, rondeelen zonder holbouw, die hier zwakker, daar sterker waren.

Het gedeelte van Haarlem aan de Zijlpoort had geen anderen strijkhoek dan eene toen zoogenaamde platte forme naar de linkerzijde; en men bedenke, dat de tegenwoordige Zijlbrug toen eene poort was, welke, in den vorm eener tromp, niet over den Zijlweg, maar linksaf uitkwam.—Naar de rechterzijde stond de Pijntoren, aan het punt waar nu de Singel van de Zijlpoort tot in de nieuwe gracht komt. Voorts had men den Ravesteintoren of het Blokhuis tegenover het St.-Catharina-klooster, iets verder de sterkte op het Kraaiennest, en vervolgens de Kruispoort. Deze poort was te dien tijde meer eerwaardig door ouderdom dan stevigheid. Nog niet lang geleden toonde een Bentheimer steen in den gevel eener woning in het Waaigaat over de Margarethastraat de richting aan, waarin weleer de Kruispoort stond. Om buiten de stad op de brug te komen, moest men die poort in een halven cirkel doorloopen. Hare zwakte werd echter gedekt door een rond en dik bolwerk, het Blokhuis geheeten, en gelegen binnen den Singel, die er omheen liep, terwijl dit Blokhuis door twee muren met de stadsvesten vereenigd was. Op ongeveer tweehonderd vijftig schreden van de Kruispoort stond de Janspoort, niet minder de blijken van ouderdom dragende, doch nog hecht en stevig, te meer omdat men van daar het Blokhuis van de Kruispoort bestrijken kon.—

Had Haarlem nu van die zijde weinig weerbaars, aan de andere zijden mocht de bescherming nog veel geringer genoemd worden. Buiten de Schalkwijker- en Spaarnwouderpoort had men landerijen tusschen het Noorder- en Zuider-Buitenspaarne tot aan de Lie. Deze waren van eene menigte groote en kleine watergangen doorsneden, en stonden op sommige plaatsen eene mijlslengte onder water. Het van drie zijden deze landerijen omringende meer was op enkele plaatsen drie mijlen lang, op andere ternauwernood eene mijl. Het grootste gedeelte van het aan den meeroever gelegene land was in onze macht, en op twee mijlen van de stad, boschwaarts, hadden de onzen aan dienzelfden oever, naar de wijze eener tweede meting, eenige schansen opgeworpen, ten einde de stad te kunnen bijstaan.—

Het getal slangstukken, binnen Haarlem voorhanden, was bijna niet noemenswaardig en vormde eene beangstigende evenredigheid met het weinige buskruit. En dan de aanblik op die nog zwakke aarden borstweringen—deze deed de gedachte, hoe spoedig die muren zouden bres geschoten zijn, eerder neerslaand dan bemoedigend zijn; want van die zwakke muren zag men op een leger, met al de middelen der vernieling gewapend: eene kleine bezetting had het oog op talrijke vijanden, en—die vijanden waren Spanjaards.—

Ziet gij daarginds, een paar honderd roeden buiten Haarlem, ter rechterzijde van den weg, dat verbrokkeld muurwerk? Die weg is de Kleverlaan, dat verbrokkelde muurwerk, waar zelfs de nachtuil geen schuilplaats meer vindt, is het nietig overblijfsel van het huis Ter Kleef. Van Haarlems vest,—thans de eerste nieuwe gracht—had men toen den onbelemmerden blik op dat adellijk gesticht, en het was dien blik overwaard. Statig verhief het zich ter eere van zijn bouwmeester Willem Kuster, ter eere van Margaretha van Kleef en het doorluchtig Brederodes geslacht. De toren van huis Ter Spijt, later misschien gesticht uit spijtgevoel over de vernieling van zoo trotsch een gebouw, biedt eene armzalige vergoeding voor den luister van weleer. Op dat vroeger zoo statige huis heeft don Frederik zelf zijn verblijf opgeslagen, en de zes en dertig vendels of vierduizend soldaten zijn Spanjaards, niet gewoon aan het noordelijk klimaat, en daarom wellicht voor de Kruispoort en rondom het huis gelegerd. Romero, Lonsgen en andere bevelhebbers hebben hunne tijdelijke woning in het Leprozenhuis gevestigd. Maar van don Frederiks kwartier in eene rechte lijn voortgaande, ziet men, eenige schreden verder de legerplaats der aanvoerders Going, Gaspar de Roales en Cressonnieres, terwijl de graaf Van Bossu op dat punt de legerafdeeling sluit. Dat punt is de hofstede van burgemeester Van der Laan, waar hij met zijn huisgezin gedurende den zomer zoo menigmaal verpoozing zocht voor de vele op hem rustende zorgen: maar dat eenvoudig, net, landelijk verblijf met zijn moestuin ten zuiden, met zijne manteling van hooggetopte boomen, met zijn kristallen vijver is verdwenen. Zuid-Overton, achter het huis van Zanen, wijst u de plaats aan; maar gij vindt er geen spoor meer van dat lieflijk verblijf van Haarlems burgervader. Bossu had er wederrechtelijk bezit van genomen, en de hofstede zal wel in het lot gedeeld hebben, dat korten tijd daarna aan het huis Ter Kleef wedervoer.

Wendt het oog naar den Hout. Nog weinige dagen geleden schenen er »duizenden forsche stammen de eeuwen te tergen.« Maar de wakkere taal van brouwer Kies heeft geklonken. Hij heeft aan de Haarlemmers voor oogen gehouden, dat de vijand zich in dat dicht geboomte zal nestelen; dat hij, door reusachtige beuken gedekt, van daar de stad zal bestoken, en dat Haarlems welzijn en veiligheid gebiedt, aan die stammen de bijl te leggen. IJlings hebben honderden, die zoo vaak onder het lieflijke lommer rustten, het staal aan den wortel gelegd en—het statige bosch is van zijn sieraad beroofd. Ter hoogte van Heemstede, even voorbij de Spanjaardslaan, op het huis Berkenrode, ligt graaf Otto van Eberstein met den baron Despergu en zijne achttien vendels of twee duizend Duitschers, broeders van hen, die wij onder Lazarus Muller zagen binnentrekken,—Duitschers, die tegen Duitschers zullen strijden, omdat de een zich aan den vriend, de andere zich aan Haarlems vijand verkocht heeft,—landgenooten, tusschen wie de strijd dra vreeselijk zal zijn. Wel vond de Spanjaard den wal het weekst en het best te beklimmen aan de zijde van den Hout; doch er werden drie of vier dagen vereischt tot vervoering van het geschut:—de voer- en heftuigen waren nog zeer onvolledig—en ook gedoogde de Spaansche fierheid niet, het hoofdpunt der bevechting met de Duitschers aan te vangen. Eenmaal zou don Frederik van spijt razen, dat hij aan deze fierheid het oor had geleend.

Daarginds, waar zich Haarlems duinen naar Zandvoort verheffen, liggen Noircarmes, Capres en Liques met hunne twee en twintig vendels Walen; terwijl de achthonderd ruiters, onder don Juan de Pacheco en Anthonio de Toledo, op de omliggende dorpen, aan het strand en op den Alkmaarschen weg zijn gelegerd. De weerstand toch tegen Alva had zich in de twee provinciën te zamen getrokken; in Zuid-Holland bevond zich de prins Van Oranje, in Noord-Holland jonker Sonoy. Het was dus van belang voor den hertog, om, door het winnen van Haarlem, de gemeenschap tusschen Zuid- en Noord-Holland af te snijden; en dit doel kon door deze laatste legerafdeeling het best worden bereikt.

Overzien wij nu met een oogopslag die gansche macht, dan moeten wij erkennen, dat het een geregeld, strijdbaar leger was; rap en buigzaam, gehard en stout: dat Alva wel, in trotschen waan, zijne Duitschers tales quales of vogels met bekken noemde, dat hij aan zijne Walen den eernaam van invincibiles of onverwinnelijken en aan zijne Spanjaards dien van immortales of onsterfelijken gaf, maar dat het toch een leger kon heeten, door een ervaren veldheer, als Alva, uitgerust, door een held, als Alva, aan den stalen krijgstucht gewoon gemaakt. Zie die tallooze menigte van zwaar linnen tenten, de veldheerlijke groen of blauw, die der soldaten bruin gekleurd; deze eenvoudig, gene prachtig, maar alle evenredig van grootte; die der voetsoldaten drie, die der ruiters vier schreden in het vierkant; de tenten der officieren grooter, maar alle gelijkmatig naar hun rang, alle met het nummer en den naam van het vendel geteekend, alle met de banier prijkende, waaronder zij zich hebben geschaard. Zie hen, naar de gesteldheid van het terrein, regelmatig in rijen verdeeld; hier de plaatsen achter de vendelwacht en de marketenters, waar men vuren tegen de snerpende koude aanlegt, daar de ammunitie- en bagagewagens, de stormtuigen en het geschut,—en bij dat alles geregelde wachtposten om voor verrassing gevrijwaard te zijn. Nog zijn de drie duizend Luikenaars, tot den arbeid aan schansen en loopgraven, er niet; maar de hertog zal hen weldra zenden. Nog is het geschut, dat ge daar ziet, niet ten aanval geplant, nog is het getal slangstukken gering; maar Amsterdam, dat Alva trouw bleef zweren, zal morgen, vandaag misschien zijne sirenen en gotelingen, zijne bassen en serpentijnen, zijne draken en heele kartouwen herwaarts schikken; en wanneer die laatste veertig- à vijftigponders nog niet genoegzaam zijn ter vernieling, dan heeft Amsterdam nog reusachtiger monsters, die den ongehoorzamen Haarlemmer dan gewis tot zijn plicht brengen.

Ziedaar dan aan de eene zijde den Spanjaard, met onbeperkte macht, maar met eene macht, die verdrukking ten doel heeft. Ziedaar de beulen van Zutfen en Naarden, roemende op de schandelijke zege, dáár behaald, hunkerend naar het oogenblik om Alva toe te roepen: »ook Haarlem is ons; door ons, uwe getrouwen, is het onder uw gezag, tot gehoorzaamheid gebracht.« Ziedaar de talrijke benden van den man, die Egmond en Hoorne deed vallen, die den bloedraad instelde en, gretiger dan een vampyr, het laatste bloed wilde uitzuigen door den heilloozen tienden penning. Egmond en Hoorne, bloedraad en vooral tiende penning! behoeven wij meer te zeggen, om ieders verbeelding levendiger te doen zijn aan het bloedige spoor, dat Alva zich teekende? Kennen wij hem dan niet reeds als »den man om aan het einde der dagen te verschijnen, wanneer de oogst van gruwelen in volle aren zou staan en er een maaier geëischt wierd zonder voorbeeld.«

En tegenover de heirkracht van dien man zien wij eene onverdedigbare vest, maar eene vest die zich in het oog van andere steden eene glansrijke kroon zal opzetten: eene kroon, waarboven de krijgsgod zal zweven, getooid met een stralenkrans. In die stad, zoo onweerbaar, zoo zwak, zien wij krachtig werkende, wakkere mannen, die de muren van hun land, de schilden hunner huisgezinnen willen zijn. Daar zien wij mannen, vol van het besef, dat zij aan eeuwige slavernij zullen verkocht worden, dat godsdienstige en burgerlijke vrijheid van den rand des afgronds, waaraan ze reeds staan, zullen nederstorten,—dat het met Holland voor altijd zal gedaan zijn, wanneer zij aan de andere steden niet het krachtigst voorbeeld van heldenmoed geven. De schimmen van Egmond en Hoorne, zwevende rond den hatelijken bloedraad en tienden penning, hebben hun als toegesproken: »Haarlemmers, fnuikt gij Alva’s hoogmoed: breekt gij Alva’s roede. Waakt op, helden van vroeger dagen! gordt weer het zwaard der oude dapperheid aan uwe lenden. Leeuwen van Haarlem, herrijst; doet het bloed en de tranen opdrogen, waarin Holland versmoort. Kennemerstad aan het Spaarne! gij zijt de uitverkorene om Hollands ketenen af te schudden, om het voorbeeld te geven, wat moed en volharding tegen overmacht vermogen. Waakt dan op, mannen; vrouwen en maagden van Haarlem, waakt op en—slingert den reus neer, die snorkend voor uwen wal staat.«

En dat Haarlem stond op om Europa van zijne feiten te doen gewagen:—dat Haarlem greep de Batavieren-knots aan, om den Spanjaard te vellen en Filips op zijn troon als een anderen Augustus te doen uitroepen: Geef, Varus, Varus! mij mijn legioenen weer.