NEGENDE HOOFDSTUK.

Twee dagen na het voren verhaalde, ongeveer tien ure in den morgen, bevond zich Don Frederik in zijne kamer op het Huis Ter Kleef. Zoo even had Stephanus Dynara, de capitan zijner tent, hem verlaten, en thans stond aan zijne zijde Marco de Toledo, zijn neef, eigenlijk zijn luitenant, doch die—daar de Spaansche troepen geene luitenants hadden—den rang bekleeden van capitan of kapitein. Het vertrek had, aan de westzijde, het uitzicht door hooge, vierkante vensterramen, op het klooster der reguliere kanunniken, onder den ban van Hoogerwoerd, welke vrome en eerbiedwaardige geestelijken zoozeer bemind waren, dat wij ternauwernood kunnen begrijpen, dat het èn voor de vernielende hand der beeldstormers, èn voor de plundering van den monnik Augustinus Bagijn in den afgeloopen zomer van 1572 niet verschoond bleef, te meer, daar zoowel de Spanjaard als de Haarlemmer besloten had, dit gesticht gedurende het beleg in ieder opzicht te sparen.—Aan de zuidzijde der zaal had men een vrij uitzicht op de Kennemerstad en het zilveren Spaarne, een uitzicht zelfs in den zomer door de manteling van hooggetopte boomen niet belemmerd, en thans nog te vrijer, daar de bijl de fraaie stammen had uitgeroeid. Dat gezicht op Haarlem werd evenmin benomen door de lange overdekte sierlijke kaatsbaan, waar de Brederodes met andere edelen en aanzienlijken zoo dikwijls om de eer hadden gekampt, doch waar zij nu in het edele Jeu au palme door Castilianen zouden vervangen worden.—Frederik mocht deze kamer verkozen hebben, omdat zij een overzicht gaf op de loopgraven en schansen tegen Haarlem, maar deze voorkeur zal wel niet de eenige zijn geweest, daar de zaal de fraaiste was van het gansche oud-adellijk gebouw. Zij schepte zeer veel licht, al waren dan ook de kleine, in lood gevatte ruiten vooreerst nog niet bestemd om voor de kolossale glasschijven onzer moderne eeuw plaats te maken. Zij was ruim en eerder vierkant dan langwerpig. Tusschen de twee vensterramen zag men een vak, waarvan het eene gedeelte met afbeeldsels, het andere met het schild van het land en de blauwe Baar, als het wapen der Brederodes prijkte, ofschoon men scherp moest toezien om er een en ander nog op te onderscheiden, daar òf de hand van Frederik òf van zijne officieren het bijna geheel had uitgewischt, als een voor hen hatelijk ketters- en geuzengezicht. Aan de overzijde zag men niets dan de met een tapijt gedekte deur, welke naar andere vertrekken voerde. Die deur was van boven, links en rechts met kroonwerk versierd, en het bleek uit ettelijke koperen knopjes op den wand, dat er vroeger schilderijen hadden gehangen, verdwenen voor kaarten en teekeningen, dienstig in het beleg. Er waren twee ver vooruitspringende schoorsteenmantels, met reusachtige, lijnrecht tegenover elkander staande haardsteden; de mantels rustten op twee marmeren kolommen, zoo sierlijk gebeeldhouwd, dat zij het geduld van den kunstenaar eer aandeden. In het midden der zaal stond eene zware eikenhouten tafel, naar de toenmalige Hollandsche mode; doch het kleed was blijkbaar uit Spanje afkomstig en even kostbaar als prachtig door kleurnuances, terwijl ook de overige meubeleering deftigheid verried en eerder een Spaanschen dan Nederlandschen tint had.

De koude was niet zoo bijtend als in de eerste dagen der maand; toch brandde er onder de beide haardsteden een turf vuur, dat een aangename warmte verspreidde en wel bewees, hoe het vertrek tot verblijf diende van iemand, afkomstig uit een warmer en minder vochtig oord dan de Nederlanden.

Een halve blik op don Frederik was genoeg om in hem den zoon van Alva te zien,—niet den Alva van vier en zestigjarigen leeftijd, maar den afdruk van den stempel met het waas van drie en veertig zomers gevernist. Toch was er verschil in beider gelaat, verschil in beider karakter. Alva bleek en streng als een forsche winter zonder zonneschijn, een koude avond in het noorden,—Frederik donker maar met den flonkerenden gloed van kracht, en gezondheid, een schemerige zuidermiddag. Alva deftig en trotsch,—Frederik grootsch en hoovaardig, soms getemperd door valsche minzaamheid. Alva met de list, den hartstocht, den moed, de fierheid in de ziel,—Frederik ze meer vertoonende op het gelaat, meer verradende, dat hij ze kon aankweeken door kunst. Alva vol dweperij en hoogmoed, met metalen vastheid,—Frederik ongeloovig en verwaand en licht te breken, waar hij niet scheen te buigen. Alva voor zijn vorst het toonbeeld van een blindelings getrouw dienaar,—Frederik schijnbaar de trouwe. Alva een krachtige, niet onedele, maar begrensde geest, die handelt op gezag en meening van een ander, Frederik zwakker, maar beperking versmadende en zich zelven tot richtsnoer nemende. Doch het grootste onderscheid tusschen den vader en den zoon was wellicht daarin gelegen, dat men den vader naderde met de gedachte: »ik waag mij in het bereik van den leeuw, die, als hij vergramd is, rechtstreeks op mij zal aanspringen,« terwijl men den zoon slechts genaken moest met het denkbeeld: »gij laat mij wel dichter in uwe nabijheid; maar hoede ik mij voor den zijdelingschen sprong, waarmee gij verrast.«

Frederik had veel liefde voor pracht. Dit bleek niet alleen uit zijn kostbaren grooten halskraag en met hermelijn gevoerden mantel; dit bleek ook uit zijne schitterende baret, die pronkte niet slechts met een keurigen vederbos, maar ook met een ketenvormigen gouden band, afgezet met paarlen. Dat zag met ook aan den bevelhebbersstaf, die in den hoek der zaal stond en, door de haardvlam beschenen, een spiegelgladden glans afkaatste van het zilveren beslag. De oogen door het vensterraam slaande, zag men daarbuiten een paard van Spaansch ras, met fijne beenen, trotsch gevulden krommen hals en een kop van het volmaaktste profil, terwijl de manen over het purperen dekkleed nedergolfden en nog het oog schenen te bekoren van den uitgemonsterden knaap, die het als naar gewoonte bij den teugel heen en weer leidde.

Ook wane men Frederik niet werkeloos bij het vuur staande, terwijl zijne benden ginds, weer als gisteren en eergisteren, den Haarlemmer eene vracht van ijzer toezenden, en niet minder dapper begroet worden. Weer was hij bij den eersten aanval van dezen dag tegenwoordig geweest, maar wrevelig had hij de slangstukken verlaten, wel ziende, dat er op die wijze massa’s kruit verspild werden, zonder er iets bij te winnen, en terwijl hij nu eens driftig naar het vensterraam liep, dan weder zijn helm van den stoel nam, als wilde hij dien verwisselen tegen zijne baret, sprak hij met zijn neef Marco:

—»Waar blijft nu die poorter?« zeide hij. »Denkt hij niet, dat onze tijd kostbaarder is dan de zijne?«

—»Misschien meent hij recht te hebben om op zich te doen wachten, als nog kortelings behoord hebbende tot die achtbare Haarlemsche vroedschap,« zeide Marco op spottenden, verachtelijken toon.

—»Als dat zoo is, zullen wij het hem verleeren, hernam Frederik; »al mocht hij de burgemeester zijn, hij bedenke dat hij in onze macht is.... Maar—daar komt hij, toonen wij hem een vriendelijk gezicht.«

Bijna te gelijker tijd trad nu de man binnen, dien wij den lezer onder den naam van Adriaan van Groeneven hebben doen kennen. De schier zekere vooronderstelling, dat hij de regeeringsbank zou moeten verlaten, vereenigde zich met de vrees, in zijn huis te zullen worden bewaakt. En toen nu Van Schagen en Van Assendelft gevangen werden genomen, groeide die vrees zoo hevig, dat hij met Van der Mathe en anderen nog op dien dag het besluit nam, om tot den Spanjaard over te gaan en dezen voor geldelijke belooning van dienst te zijn. Welke diensten dit waren, zal men niet lang behoeven te gissen.

—»Zet u neer, meester Van Groeneven!« sprak Frederik, waaraan de Haarlemmer voldeed, schoon wel wetende, dat de veldheer tegen een Hollander niet zoo voorkomend zijn zou, wanneer er geen belang mede gepaard ware. »Het kanongedonder is wel wat hinderlijk in ’t spreken, maar het zal mij toch niet beletten om te hooren, wat gij te zeggen hebt.«

—»Zooals ik gisteren zeide, senor, dat gedurig schieten is nuttig tot niets,« merkte Van Groeneven aan, »er zijn groote kosten mede gemoeid, en wat men er door vordert, is gering.«

—»Aan raad heb ik minder behoefte dan wel aan mededeelingen, die mij tot nut kunnen zijn,« hernam Frederik, zich eenigzins pijnigende, om in zijn gezegde een vriendelijken toon te doen doorstralen »wat is u weder bekend sedert gisteren? Bedenk, hoe ieder schot dat ik kan sparen, de som vergroot, welke mijn vader, de hertog, uwe diensten waardig acht.«

—»Dit kan ik u mededeelen, senor,« antwoordde Van Groeneven, »dat er gisteren weder niet meer dan vier soldaten gevallen zijn, schoon gij op de Janspoort en den wal maar vijf schoten minder hebt gedaan dan den vorigen dag.«

—»En er zijn ten minste tienmaal zooveel mijner kloekste Spanjaarden gebleven,« sprak Frederik, een donkeren blik naar den kant van het Leprozenhuis slaande »en vandaag zal het weer niet minder zijn. Die vervloekte knaap met zijn geuzenvaandel legt mijne busschieters neder, alsof hij er geen tien schreden van afstond.«

—»Zoo gij hem door een kogel zijne stoutheid kondt verleeren, zoudt gij veel gewonnen hebben, senor, want in spijt van zijne jonkheid is hij gevaarlijker dan twintig anderen. Ook hebben ze Donderdagavond het blokhuis weer bezet.«

—»Zoo,« zeide Frederik, schijnbaar onverschillig, »en is de nieuwe wal, die ze gisteren van de Janspoort tot aan de Catharijnebrug hebben aangelegd, nog al stevig en van mijnen voorzien?«

—»Zeer sterk: het is eene nieuwe wal achter den ouden; man en wijf zijn er niet alleen den avond, maar den ganschen nacht aan bezig geweest, en het graven van mijnen gaat onverpoosd voort.«

—»Is het u ook bekend, wie thans het Blokhuis bezet houdt.«

—»Dezelfde van gisteren en eergisteren.«

—»Ha! weer die plunderaar van het Zijlklooster—die ketter Van Brederode, en is Van Duivenvoorde weder met hem?« Bij deze laatste vraag zag Frederik den verrader veelbeteekenend aan, als wilde hij zeggen, »en wat weet gij van dezen?«

—»Ik moest hiervan reeds gesproken hebben, senor,« antwoordde Van Groeneven; »weet dan, dat zijn luitenant terug is, en dat hij nu wisheid heeft van hetgeen, waaraan hij zoo grooten twijfel sloeg.«—

—»Hij weet dat zijne vrouw op dit huis en in mijne macht is?«—vroeg Frederik, »en de rebellen zullen voortgaan met den weerstand tegen hunnen wettigen koning en heer?—Bij Spanje’s patroon, dat zullen wij zien!«

—»Het moet Van Duivenvoorde zwaar gepijnigd hebben, toen hij deze maar hoorde,« antwoordde Van Groeneven, »en Brederode die er bij tegenwoordig was, zwoer dat u deze zaak op duizend Spanjaarden meer zou komen te staan.«

—»Wat zouden zij zweren!« hernam Frederik, »de Spaansche soldaten zullen hun leeren, dat ze rebellen zijn, die het rad verdienen. En die Van Duivenvoorde zelf?....«

—»Het zal u moeilijk te gelooven vallen, wat hij heeft gesproken.«

—»Wat zeide hij?«

—»Dat hij u niet ontzien zal, al gaaft gij de edelvrouw voor zijne oogen in den dood. Maar« voegde hij er bij, »ik geloof, dat hij op stuk van zaken, andere taal spreken zal; want hoe groot een ketter hij wezen moge, is hij aan deze vrouw bijster zeer verkleefd.«

—»Des te beter,« hernam Frederik op meer verheugden toon, terwijl hij tevens Marco aanzag, op wiens valsch gelaat een trek van genoegen te voorschijn kwam, zonder het reeds noodzakelijk te achten om zijn inwendig gevoel te uiten. »Is u verder nog iets bekend? Hebt gij nog niet vernomen wat het lot van Van Schagen en Van Assendelft zijn zal?«

—»Dat valt niet moeilijk te gissen, senor,« was het antwoord van Van Groeneven, waarin zijn gezindheid duidelijk doorstraalde. »Wat zij, kennende den plicht van gehoorzaamheid aan hunnen wettigen heer, tot goeds van de stad hebben gedaan, zal hun als verraad worden aangetijgd, en het zal mij niet verwonderen zoo zij met de galg worden gestraft. De prins zal niet zacht wezen in deze zaak.«

—»Als die aanstoker van de Nederlandsche beroerten hun vonnis moet uitspreken,« zeide Frederik, »dan zal hij wel met de vinnigste strengheid te werk gaan, onder den schijn, dat hij gerechtigheid pleegt. Die twee mannen deden, wat hun betaamde, en hun dood zal voor den koning, mijnen meester, een prikkel te meer wezen om de straf van dien oproermaker, Oranje, te verzwaren.... Zijn u intusschen nog andere plannen bekend, door de rebellen van Haarlem genomen, om de macht van den hertog te weerstaan?«

—»Geene andere, senor; maar nog op den duur gaat Ripperda voort met versterken: in al de straten heeft hij groote, met water gevulde tonnen doen brengen, en vele manden met steen worden naar de wallen gebracht, daar er bijster weinig voorraad van ijzer is.«

—»Genoeg,« zeide Frederik, »maar zeg mij thans, door wat middel u dit alles bekend is, opdat ik met te meer grond er geloof aan kan slaan.« En bij deze woorden nam zijn gelaat eene donkerder uitdrukking aan, met het doel om Van Groeneven te doen beseffen, dat deze vraag op het ernstigst gemeend was.

—»Voed geene achterdocht bij hetgeen ik gesproken heb,« antwoordde deze, »ik ben gansch de goede zaak van mijn wettigen koning en heer toegedaan, en behoor niet tot de logenaars. Weet nochtans, dat er binnen de stad genoeg lieden zijn, ernstig schoorvoetend tegen het onwettig gezag van onzen zoo genoemden prinselijken heer.«

—»Dat is mij voorwaar geene nieuwe tijding,« hernam Frederik. »Het getal van hen, die den meineedigen verzaker van het algemeen geloof aanhangen is wel groot, maar niet allen zijn met die blindheid geslagen. Doch wat kan u weerhouden, mij iets mede te deelen, dat mij te grooter waarde moet doen hechten aan uwe trouw en dienst?«

—»Die waarde zal er niet door rijzen, senor; want het zal blijken, dat ik u niets dan zuivere waarheid heb gezegd. Men kan trouw en dienst toonen, zonder openbaring van de middelen, en wat kan mijn middel u baten, zoo het doel wordt vervuld?«

Frederiks blik werd donkerder bij dit weerstreven; hij scheen op het punt, tegen Van Groeneven dreigend uit te varen, toch bedwong hij zijn wrevel en zijne tong. Die man was immers in zijne macht, hoezeer schijnbaar vrij om te gaan waar hij wilde. Door ontijdig zijne gramschap lucht te geven, zou hij zich wellicht van verdere kondschap verstoken zien, die in allen gevalle meer den schijn van waarheid dan van logen had, en bovendien was hij toch niet van zins, de diensten van den overlooper ooit te beloonen, hoe vast deze er zijne hoop op mocht bouwen.—Hoe zwaar het hem dan ook viel, om het weerstreven van een nietigen worm te verkroppen, had nochtans belang de overhand, en terwijl zijne voorhoofdrimpels verdwenen, zeide hij:

—»Het is zoo, meester Van Groeneven. Ieder heeft zijne geheimen, en die uit te vorschen kan zoowel tot nadeel als nut zijn. Spreken wij er dus niet meer over, want ik ben over uwe diensten voldaan en reken er op, dat de hertog voor ieder bewijs van trouw eer en goud veil heeft.«—

Deze woorden, met geen schijn van huichelarij en met Spaansche deftigheid uitgesproken, waren in staat om zelfs den doorzichtigste te misleiden. Ook Van Groeneven scheen er over voldaan, althans hij stond van zijn stoel op, en na de verzekering, dat hij, zoodra hij iets vernomen had, het onverwijld zou komen mededeelen, nam hij afscheid van don Frederik, die het niet beneden zich achtte, hem tot aan de deur uit te geleiden: zoo laat soms de tijger streelend den oppasser het hok uit, om later te wisser te wezen van zijne prooi.

—»Kende hij mij beter,« zeide Frederik, nadat nu de verrader was vertrokken, »wist hij dat ik zelfs in mijne ervarenste capitanes geen zweem van aanmatiging of weerstreven duld, dan zou hij zich wachten, een toon te voeren, waartoe hij geen recht heeft.«

—»Ik moet zeggen, senor,« sprak Marco, »dat ik uwe zelfbeheersching bewonder. Zooals ik straks aanmerkte, die Hollander beeldt zich nog al iets in, omdat hij tot de hoogachtbare vroedschap behoort heeft, en gewis vleit hij zich, dat de graaf Van Bossu hem burgemeester zal maken, wanneer de stad in uwe macht zijn zal.«

—»Hoe meer hij zich inbeeldt, hoe meer hij bedrogen zal zijn,« hernam Frederik. »Aan u draag ik intusschen de zorg op, dat de soldaten hem in het oog houden; doch zóó, dat hij geen argwaan opvat. Gij begrijpt mij?«

—»Volkomen, senor, want al is hij geen geus, toch heeft hij lang met de geuzen verkeerd.«—

—»Mijn schimmel!« zeide Frederik, zonder verder te antwoorden, terwijl hij tevens de gouden baret voor zijn blinkenden helm verwisselde en vervolgens naar buiten snelde om, door Marco vergezeld, aan de aanvoerders nieuwe bevelen te geven.

In snellen draf reden beiden naar de voorste verschansingen, terwijl Frederik links en rechts eerbiedige krijgsmansgroeten ontving, zoowel wegens zijn rang van Maestro del Campo als omdat hij, gelijk Alva, door officieren en soldaten zeer ontzien werd, zonder evenals Alva tot nog toe den naam van »goede vader« bij hen verworven te hebben.

—»Senor,« zeide hij tegen don Francisco de Vergas, een ervaren overste en een dergenen, die het meest in zijne gunst stonden, »hoeveel dooden hebt gij reeds?«

—»Ten minste twaalf, senor,« was het antwoord, waarna hij met forscher stem het bevel gaf: »Vuur!« dat oogenblikkelijk opgevolgd werd en weder dezelfde losbarsting ontstaan deed, waarvan de omtrek sedert drie dagen gedaverd had.

—»Dat kan zoo niet blijven,« zeide Frederik »de rebellen moeten op eene andere wijs tot hun plicht gebracht worden.... Dat was op mij gemunt!« riep hij, toen een musketkogel dicht langs hem heenfloot, zonder dat hij een zweem van ontsteltenis aan den dag legde, »maar het had anders kunnen zijn. Zou dat een schot zijn van dien knaap met het geuzenvaandel?«

—»Zoudt gij niet afstijgen, senor?« vroeg de Vergas, »de knaap heeft zeker uw Andalusiër in het oog, en hij is gevaarlijk.«

—»Is er dan geen Spaansche kogel, die hem het licht kan uitblazen?« zeide Frederik, zonder op de waarschuwing uit den zadel te klimmen.

—»Het schijnt zoo, senor; maar geef het bevel tot den storm en—op mijne eer, de uitslag zal beter zijn!«

—»Binnen een halfuur zal er krijgsraad belegd worden,« zeide Frederik, »daarom kwam ik hier: draag inmiddels het bevel aan capitan Soynag op, het vuren ga voort.«

Nu begaf hij zich ook naar de punten waar Romero, Carjaval, Zinbro, Quixado en anderen tot den krijgsraad behoorende officieren het bevel hadden, om hun denzelfden last te geven; en nog was hij geen tien schreden van De Vergas verwijderd, toen hij plotseling zijn paard deed stilstaan, wijl twee der soldaten van het Siciliaansche regiment door één kogel van den wal getroffen, bijna vlak voor zijn schimmel neervielen en een krassenden gil lieten hooren.

—»De dood aan de rebellen, die mijne braafste soldaten ongewroken doen vallen!« riep hij, reed vervolgens langs de verschansingen en rende daarop, door Marco achtervolgd, weer spoorslags naar Het Huis Ter Kleef.—

—In dezelfde zaal, waarvan wij eene schets gaven, zag men een halfuur later den ganschen krijgsraad, waaronder ook Marco de Toledo behoorde, vergaderd. Meest aller gelaat had eene krachtige uitdrukking met het koloriet van het zuiden. Eenigen hadden de ridderorde van Calatrava en verraadden duidelijk, dat Haarlems beleg hun eerste krijgstocht niet was. Anderen droegen aan een zilveren lint den penning, dien Alva had laten slaan. Zittende op een triomfwagen, waar de Godin der overwinning hem met den lauwer siert, was hij daarop afgebeeld; in de rechterhand het zwaard van Jemmingen, in de linker het schild der voorzichtigheid houdende en door de uilen van Minerva voortgetrokken. Zij, welke dien hatelijken penning—het bewijs van Alva’s trotschheid en ijdelheid—droegen, mochten op zijne bijzondere gunst roemen, als die jonge edellieden, van welke hij steeds omringd was, en die hij met zooveel vermaak als ijver in de geheimen van den oorlog inwijdde. Men zag er den adellijk fieren, den bijgeloovigen, den heerschzuchtigen, den bloeddorstigen Castiljaan, zoowel als den man met ridder- en krijgsdeugden versierd. Men zag er de keurbloem van Spanje’s helden, die het zwaard hadden aangegord, om Haarlem te bemachtigen, doch van welke de meesten hun vaderland niet zouden weerzien.

—»Senores!« begon Frederik, op dien gemakkelijken toon van spreken, hem te meer eigen, hoe meer hij zich door aanzienlijke wapenbroeders omringd zag, »het zou noodelooze veinzerij zijn, te loochenen, dat ik mij teleurgesteld zie in het winnen van deze stad. Ik had gedacht, dat de muiters, zoo al niet den eersten, dan toch den tweeden dag het hoofd in den schoot zouden gelegd hebben; maar ik ben bedrogen: de ketters van Haarlem zijn verstokter dan die van Zutfen en Naarden, zij verachten het geweld, waarmede wij tot nu toe poort en wal omver beukten, en naar luid van hetgeen ik zoo even vernomen heb, schijnen zij besloten te hebben om achter hunnen nieuwen wal onze macht nog hardnekkiger te weerstaan. Schoon ik nu als veldheer weet wat mij te doen staat, wil ik daaraan de hand niet leggen, zonder met uw aller gevoelen bekend te zijn. Doe gij, heer ridder, mij dit eerst hooren.«

De man, tot wien hij zich aldus wendde, was don Bartholomeo Campocassio van Pisaure, een zeer vermaard wiskunstenaar en bouwmeester, wiens verdiensten de koning van Spanje met de ridderorde van Calatrava beloond had: hij was van kleine, ingedrongene gestalte en uit zijn dof, onbewegelijk oog zou men geenszins opgemaakt hebben, dat doorzicht en beleid hem uitsluitend toebehoorden.

—»Senor,« antwoordde hij op drogen, doch vasten toon, »zooals ik reeds meer dan eens gezegd heb, wanneer wij de rebellen niet uit hunne posten kunnen verdrijven,—zoolang zij van verschillende punten op de soldaten kunnen neerzien ... zoolang zal het kruit en ijzer verspild zijn: mij dunkt dat slechts door de veelheid van geschut de vesting te winnen zou zijn.«

—»Uitmuntend!«, liet nu don Cressonneros, de bevelhebber over het geschut en de ammunitie hooren, »maar van wat kant zal men het ons toezenden? Amsterdam zou beter doen, zoo het ons met minder ijssporen en meer draken te hulp kwam. De Haarlemmers winnen tijd om zich van al het noodige te voorzien en zoo hun die tijd gelaten wordt, mogen wij vreezen, dat het voor deze ellendige veste een beleg van Numantia worden zal. Mijn gevoelen is dus, dat de slangstukken geen oogenblik rusten en dat wij van meer geschut worden voorzien.«

—»En dat ik intusschen mijne beste soldaten blijf verliezen?« sprak nu de overste don Francisco de Vergas, een Spanjaard van onstuimige dapperheid, die voor twintig jaren, in de belegering van Metz, onder Alva, zich reeds door koenheid onderscheiden had, en wiens voortvarend karakter uit zijne woorden bleek; »storm, senor!« sprak hij, »storm zonder verwijl, dat is mijn gevoelen. Zoo mijne soldaten moeten vallen, dat zij dan ten minste met het staal in de vuist ook hunne vijanden verslaan, want bij een storm, dat zweer ik, zal mij de overwinning of de dood zijn.«

—»Ja, storm!« sprak Lorenzo Perea, een moedig maar wreede Portugees; »de soldaten branden van verlangen om zich op die vervloekte rebellen te wreken. De storm, senor! Bij Spanje’s patroon! dan kleurt hun bloed bij stroomen den wal.«

Ook Toribro, Sanchio de Lodoigna, Zimbro en D’Ayla vereenigden zich met het gevoelen van Francisco de Vergas, toen Marco de Toledo, naast don Frederik gezeten, aldus het woord opnam:

—»Ook mijn gevoelen, senor, zou de storm zijn, wanneer eene andere gedachte niet zwaarder woog. Waarom onze brave Spanjaards er aan gewaagd, om door die muiters vermoord te worden? Te eerlijk bloed heeft de Castiliaan, om het veil te hebben voor rebellen, die een roemvollen kamp onwaard zijn, daar ze slechts de galg verdienen en het rad. Er is een ander middel om hen tot hun plicht te brengen, zonder dat het een droppel bloed kost.«—

Allen zagen hem verwonderd aan, zelfs Frederiks oog rustte vragend op Marco’s valsche blikken; doch op het edel gelaat van don Pedro de Venavides kwam eene donkere wolk, want deze kende Marco en haatte en verachtte hem zoo diep, als Frederiks gunsteling waard was. Met moeite kon hij zich bedwingen, min of meer bitter te vragen, welk edel middel dit zijn mocht, maar Frederik kwam hem voor, en terwijl zich een nog valscher trek om Marco’s lippen plooide, hernam deze:

—»Gij begrijpt mij niet, senor? en toch staat het middel in uwe macht. Wat zou u kunnen nopen, verschoonend te handelen met hen, die het staal van ’t oproer tegen hun heer en koning aangrepen en hem wetten voorschreven, waar zij de zijne vertrapten? Die met schotschriften de heilige inquisitie lasterden en als ellendige ketters met duizenden goddeloosheden den hals opstaken? Het geluk heeft u de edelvrouwe Van Duivenvoorde—en bij dit woord lachte hij smadelijk—in handen doen vallen: haar man is overste van de burgers, hij bemint haar; men voere haar naar de batterij, stelle haar aan het vuur der muiters bloot, eische voorts de stad op, onder bedreiging, dat, bij verderen tegenstand, haar een harde dood wacht, en—bij San-Jago! moge dadelijke gehoorzaamheid het gevolg al niet zijn, toch zal het misschien het middel wezen, dat binnen twee dagen de stad in uwe macht is.«

De meesten hielden de oogen op Frederik gericht, ten einde naar dezen thermometer hunne woorden in te kleeden, en het duivelsplan al dan niet toe te juichen. Bij drie anderen was dit echter het geval niet, en wie het meest van verontwaardiging gloeide, was Venavides, een man van ongeveer vijf en dertig jaren, even groot door gemoedsadel, als adellijk van geslacht. Terwijl Marco sprak, hield hij op dezen streng en onbewegelijk het oog. Hij scheen er hem mee te willen doorboren, en zijne bruischende drift kon zich ternauwernood beteugelen, om hem niet in de rede te vallen. Maar nog had Marco het laatste woord niet gesproken, toen hij opstond, en zich in zijn ranke, fiere gestalte verhief. Zoo verbeidde hij het oogenblik, dat Marco zweeg, en toen noch aan don Frederik, noch aan een der anderen den tijd tot het woord latende, zeide hij op geestdriftvollen, maar van verontwaardiging gloeienden toon:

—»Als slechts de kiem van zulk een gevoelen in mijne ziel lag, ik zou haar uitroeien; want zulk een feit zou den krijgsman niet enkel onteeren—het zou hem aan satan gelijk doen zijn. Ik heb het zwaard van mijn koning aangegord om er als man van eer mee te strijden, niet om het door daden van oneer te bezoedelen. Wat zou ons recht geven, den Nederlander niet als krijgsman aan te merken? Ik zwijg van hetgeen zij tegen het wettig gezag misdaan hebben: ik mag, ik kan hen slechts als vijanden beschouwen, niet als rechter, veel minder als beul tegen hen handelen. Dat zij hen straffen, aan wie de taak der straf opgedragen is! aan mij is de taak, kamp tegen hen te voeren—andere last ken ik niet. Ik veracht de zege, die ik door eene schanddaad, niet door dapperheid koopen kan; want alsdan houdt zij op, zege te zijn. Wie dan niet bloost bij het plan, dat wij hoorden, ik gloei van verontwaardiging, en bij God en den Koning, zoo het leger van den hertog zich door zulk eene daad bezoedelen kon, dan verbrak ik de kling, die voor altijd zou besmet zijn.«

Venavides zweeg. Met dezelfde fierheid in blik en houding zette hij zich weer neder, en ieder zweeg met hem. Het was een oogenblik van verbazing, van verwachting. Het was, als hadde zich een trotsch maar ontzettend natuurverschijnsel laten zien, dat allen met verwondering en sprakeloosheid aangreep en dat men andermaal wilde aanschouwen, zonder vrij te wezen van een onbegrijpelijken angst voor de losbarsting en botsing, die er het gevolg van kon zijn. Marco had dien aanval niet voorzien. Listig en onbeschaamd als hij was, had hij thans dit gevoelen geuit—en het met een bepaald doel gedaan. Hij wist toch, dat don Frederik hem niet openlijk zou ten toon stellen, dat de meesten zich neigden naar hetgeen deze goedkeurde, en dat zij dus in geen geval later konden terugtreden of de handelwijze laken, wanneer zij er eens hun zegel aan gehecht hadden; dit gedaan zijnde, kon Frederik aan de uitvoering de hand leggen, zonder eenig tegenstreven te duchten te hebben, en—wat meer was—zonder bij iemand den man te schijnen, die een zoodanig plan zelf gevormd had: en Marco schroomde niet, die man te zijn, zoo hij den veldheer er slechts eene dienst door bewijzen kon; zoo hij bij Alva en don Frederik er slechts in gunst door winnen zou. Maar, daar had zich op eens eene stem, eene krachtige stem laten hooren, eer nog Frederik een enkel woord geuit had, en nu was het alsof allen zich aan die stem zouden aansluiten. Venavides had noch den rang van Romero, noch van De Vergas; hij was slechts capitan, met Marco gelijk. Doch Venavides stond in de gunst van Alva, niet omdat deze hem achtte als den man, die zonder schroom voor zijne edele gevoelens uitkwam, maar omdat Karel V hem reeds als knaap onderscheiden had, toen hij op de artillerieschool te Burgos zijne loopbaan begon, omdat Karel V den jongeling aan Filips had aanbevolen en omdat Filips tot den allergetrouwsten dienaar gezegd had: »ik beveel u Venavides aan: zijn geslacht heeft aan Spanje uitmuntende diensten betoond.«

Verschrikkelijk was de blik, dien Marco op Venavides wierp; die blik zeide duidelijk: »voor dien hoon zult gij mij voldoening geven,« en Venavides beantwoordde hem met trotsche minachting, zonder dat beiden een woord spraken. In Frederiks ziel bruiste het; want hij zag dat ’s capitans woorden bij de overigen indruk hadden gemaakt, en hij miste de gelegenheid om zijne gramschap op Venavides lucht te geven. Hij zelf was toch niet aangerand, hij zelf was niet openlijk gedwarsboomd; men had dit Marco slechts gedaan, ofschoon deze in zijn geest had gesproken. Wat ware het geweest, zoo Frederik Marco’s gevoelen geuit, en Venavides zich dan die taal had veroorloofd? En dat zou Venavides gedaan hebben, en Frederik had dat weerstreven niet geduld. Het oogenblikkelijke zwijgen duurde echter niet lang. Frederik beseffende, dat hij thans spreken moest, nam aldus het woord op:

—»Senor capitan, het is thans de tijd niet om te beoordeelen, of het gevoelen van eenen Toledo hem, tegenover den Nederlander, als krijgsman onteert en hem aan den booze doet gelijk zijn. Wat mij betreft, ik vereenig mij met senor Marco’s gevoelen niet, zooals wij thans tegenover Haarlem staan; maar wanneer de rebellen door eenige daad van trouweloosheid het blijk geven, dat de naam van krijgslieden niet op hen toegepast mag worden, dan geloof ik zonder aarzelen, aan senor Marco’s voorstel de uitvoerende hand te leggen en ik twijfel niet of in zoodanig geval zoudt gij allen met mij instemmen.«

—»Dan ja, dan zou dit middel zonder blaam zijn,« liet don Quixado hooren, en eenige anderen stemden hiermede insgelijks luide in; doch Venavides en nog een paar leden van den krijgsraad gaven door woord noch teeken hunne goedkeuring te kennen.

—»Maar,« ging Frederik voort, »daar wij slechts te overwegen hebben, hetgeen ons thans te doen staat, zoo verzoek ik, dat de krijgsraad verder spreke. Het woord is thans aan u, senor De Valdez! bedenken wij, dat onze tijd kostbaar is.«

Den aldus aangesproken Spanjaard te schetsen, ware noodelooze moeite. Wie kent hem niet, die korten tijd later als Maestro del Campo voor Leiden het beleg sloeg en door Magdalena Moons weerhouden werd de zwakke stad te bestormen? Niet slechts haar, ook zijn afbeeldsel heeft de hand van Vischer voor ons bewaard. Wie kent hem niet, trouw aan Spanje als hij was, doch den Nederlander niet miskennende en nu en dan spijt gevoelende, dat hij tegen dezen het staal voeren moest;—want ofschoon zijn verkeer met de aanzienlijkste familiën in ’s-Gravenhage nog niet dagteekende van Haarlems beleg, wist Valdez reeds toen, dat de Hollander niet uit zucht tot oproer, maar om het dwangjuk af te schudden, het zwaard aangegrepen had. Geen wonder dus, dat hij het gevoelen van Venavides aankleefde, en, schoon zwijgend, over Marco’s voorstel van verontwaardiging gloeide.

—»Senor,« sprak hij, »ik vereenig mij met senor Cressonneros.—Door de veelheid van slangstukken zal Haarlem tot overgaaf worden gedwongen: bij den storm wacht ons de schande en den dood; zoo gij dien nochtans beveelt, ben ik tot den eersten aanval bereid.«

—»Wat.... schande en dood!« liet nu Romero hooren; »vandaag storm, en iederen dag storm. Storm, senor, en zoo waar als ik Romero ben, de overwinning is ons!«

—»Ik ben van oordeel, dat het stormen ons nog geen voordeel zal aanbrengen,« zeide don Diego de Carjaval, een adellijk onverschrokken Spanjaard van zulk eene uitnemende schoonheid, dat hij met Lancelot van Brederode naar den prijs kon dingen, »de bres in het blokhuis is nog niet groot genoeg; slechts dan, wanneer wij overal de wallen kunnen beuken, zal er bij een storm kans op goeden uitslag zijn; onder een hevig vuur op alle punten zullen de soldaten zich door meer dan eene bres den weg banen, want de vijand aan alle kanten aangevallen wordende, zal zich niet op één punt kunnen vereenigen, iets, dat nu ongetwijfeld te duchten is en voor de manschappen noodlottig zal zijn.«

Thans was het woord nog aan Rodrigo de Sapata, den hernemer van Delfshaven, een man van Herculesgestalte, en dezelfde wien bij den aanval op de Spaarndamsche schans de arm was verbrijzeld geworden. Schoon buiten gevecht en het verminkte lid in een windsel dragende, was hij nochtans in den krijgsraad verschenen, wijl aan zijn krachtig en scherpziend oordeel geene geringe waarde werd gehecht, omdat men er meer dan eens den besten uitslag van gezien had.

—»Bedenk, senor,« sprak hij, »dat de macht van den vijand tot nog toe gering is. Elken dag kan de bezetting aangroeien en ieder zwak punt nog versterkt worden. Dit toch was de grondregel op de krijgsschool te Burgos: »tast den vijand aan, terwijl hij zwak is.« Zoo dus de ruiterij en het voetvolk de de poorten omsingelen en de musketiers en haakschutters zich op schansen vereenigen om de ketters in den tegenstand op de wallen te belemmeren, dan zal een welbestuurde storm niet zonder vrucht zijn, en zoo gij mij het vergunt, senor, zal Rodrigo de Sapata een der aanvoerders zijn.«

—»Zoo is het niet twijfelachtig, senores, wat het overwegend gevoelen is,« zeide Frederik. »De bezwaren tegen den storm, schoon op goede gronden rustende, kunnen niet opwegen tegen het onraadzame om hem uit te stellen: ook ik wil den storm en nog heden. Dat dus alles in gereedheid worde gebracht: gij, senor De Vergas, zult de aanvoerder zijn. Dat de vijand een uur later ondervinde, dat gij soldaten van den hertog van Alva zijt. Wie wil, schare zich onder het bevel van De Vergas; doch u, senor De Sapata, beveel ik, aan het gevecht geen deel te nemen: uwe eervolle wonde gedoogt niet, dat gij uwen moed reeds vandaag toont. En nu, senores, haast u, mijn bevel te gehoorzamen: leve de koning; de overwinning zij ons!«

—»Leve de koning!« klonk het nu onder de officieren, terwijl allen zich haastig verwijderden en Rodrigo de Sapata hen met smart naoogde, zonder dat hij Frederik durfde verzoeken, hem bij den storm tegenwoordig te doen zijn.

—»Gij begrijpt, senor,« zeide Marco tot Venavides, »dat gij mij voldoening schuldig zijt voor den hoon, dien geen Spanjaard ongewroken duldt?«

—»Zoo mijn gezegde, dat gij den naam van krijgsman onwaard zijt, hoon is, dan is Venavides tot voldoening bereid. Na den storm dus, senor, zien wij elkander weer!«—En zonder hem met een groet te verwaardigen, begaf ook hij zich tot de overwinning of den dood. Met een vloek op de lippen, zag Marco hem na; doch zoo iemand eene verdere half gesmoorde uitdrukking gehoord hadde, ware de vraag overbodig geweest, of Marco’s lafhartigheid grooter was dan zijn moed.