Het groote jaarwiel draaide langzaam rond, met zijn licht en zijn donker.
En als de spie waarop in blauwe letters „Sinte Margaretha” geschilderd stond, zich liet gewaar worden, als de jongens ’s avonds hun gloeiende lollepotten zwaaiden; als de meiskes op straat in ronde dansten en met helle stemmeken zongen:
Is Mijnheer Pastoor niet ’t huis?...
’k zou hem eens geren spreken
t’avend in zijn huis...;
als de knapen beeten gingen uittrekken en er duivelsmoelen in kierven om ze ’s avonds, met een brandende keersken er in, rood-gloeiend langs eenzame straten te zetten dat het den meiskens den schrik op het lijf joeg; dan ontwaakten Kathelijne en Geertruide, de twee begijntjes uit het „Suverlik herteken van Jezus”, schudden het alledaagsche gedoe van hunnen rug en kregen een wondere welgezindheid in hun hert.
Het jaarlijksche feest der zoete patrones van ’t Begijnhof naakte en er kwam een lange vent het huizeken genoemd „Suverlik herteken van Jezus”, witten, het hofken vóór ’t huizeken oprijven en er bonte bloemekens planten, en ’t houten hek, de luiken, de vensterramen en het deurken met een lichtgroen kleurken beschilderen. Een peeke van ’t Godshuis kwam de gerskens tusschen de bollende straatkeien uittrekken want dat groeide er welig, en zoutwater gieten of andere dergelijke remedies en kortte niets.
En zoo stond het huizeken daar nu, rein en frisch in den blanken zonneschijn, met gouden vlammekens in de ruiten, als een blij gebed.
En ’t begijntje Kathelijne was welgezind als ze ’s avonds door de stad ging om specerijen en brood te koopen en de kinders rond zag gaan met hun lichtjes, die waren als vurige, wiegende bloemen boven de lachende gezichtjes...
„Neen”, peinsde ze dan, „’t en duurt niet lange meer... nog vijf dagen en ’t is Margrietje en dan gaat de processie uit en dan!...”
Ze verkreukelde zich aan ’t genot dat ze smaken zou, preutsch in een wit, wit kleed met veel kant en witte bloemen er rond, en mede dragend de zilveren relikwiekas van de heilige Begga. Nog vijf keeren slapen! O! Ze peinsde aan de vijf nachten en aan de vijf dagen en hoe die zijn zouden. Wat zou er zooal kunnen gebeuren?
Toen werd ze droef, Kathelijne. Er kon nog zooveel gebeuren!
En als ze in heur frisch bed lag dien avond en ongestoord begon te denken aan de vele gebeurtenissen, die ’t schoone feest konden verhinderen, aan ’t een of ’t ander onheil dat heur beletten zou in ’t witte kleed de Sinte-Begga-kas te dragen, werd het heur zoo vreemd te moede. Ze wou bidden en vele vaderonzen lezen om die naarheid te verdrijven; maar ze vond de woorden niet om te beginnen! en dan gingen heur gepeinzen onwillekeurig weer naar de processie en hoe heur plaats ingenomen werd door een ander! Op ’t einde viel ze dan toch in slaap van ’t danig tobben, en heur slaap was ledig en hol.
Maar opeens piepte heur deur open en zie! ’t Lievevrouwken van Geertruide stond op ’t bed aan ’t voeteneind in een wolkje van gouden licht. Haar wit brokaten kleedje, geboord met gulden papegaaien, hing stijf als een kegel om heur heen en ’t bolle gezichtje bewoog onder het hooge zilveren kroontje. In heur oogen zaten zilveren vlammekens.
Kathelijne bezag het beeldje met gulzige oogen en ze had er een zoet genoegen aan. ’t Was zoo schoon in het donzige licht en levend ook! Ze bleef het aldoor bezien en ademde zacht, om het licht niet te storen. Ineens verroerde het beeldje en ’t begijntje dacht dat het zou heengaan, terug op den schouw in Geertruide heur keuken; en ze vroeg smeekend: „Lievevrouwken?... blijf nog wat?...”
’t Lievevrouwken duwde heur houten pollekens uit den nauwen mantel, neep nijdig de lippen op elkaar, en bitste toe:
„Ik kom u zeggen dat ge niet in de processie moogt gaan”.
Dat ging scherp als een rijgnaald door Kathelijne heur hert. Ze voelde een krop in de keel, en snakkend naar asem vroeg ze: „Lievevrouwke toch!... waarom nu niet!... ’k doe het sedert zoo vele jaren!”
En ’t beeldeke, koeltjes, lachte:
„Ge gaat er niet in!... Ik zegge ’t aan Menheer Pastoor!”
Kathelijne dierf niets meer zeggen, maar snikte, snikte dat heur lijf er van schokte. Ze borg heur hoofd in de lakens om ’t beeld niet meer te zien en ze weende ’t uit, heur wrange smart, ze huilde en kreste luidop. Heur verdriet schoot lijk een waterval uit heur hert, en door heur hoofd spookten plots ongewone dingen in zotten wirreldans: tafels en stoelen met duivelskoppen, lanteerns en inktpotten met beenen en armen, spinnekoppen die uit pisbloemen smoorden, alles dooreen lijk een spokendans.
In den morgen, als de schoone zon uit den grond rees en een weelde van gouden licht door de witgewassschen gordijntjes heen op de roerlooze kamermeubeltjes tooverde, ontwaakte Kathelijne.
De schoone klaarte boorde door heur doezeligen gedachtengang en wekte in heur vlokken van beelden, onsamenhangend eerst, maar die stijgend, ’t een na ’t ander, zich schikten en hervormden den akeligen droom. Ze draaide zich om en wou er om lachen! Wat was ’t een weerken, en blauw de lucht! Maar de lach verging op heur lippen, en ze zag het Lievevrouwken weerom en ze hoorde vlijmend het bitsig gezegde: „En ge gaat er niet in, Kathelijne!” Deze woorden sprongen door de kamer, schril en nijdig, op maat van den knersenden tik-tak der hanghorloge, dat ze het er van op de zenuwen kreeg!
Zou het dan toch gebeuren? Zou ze dan toch niet mogen? En ze lag te dubben en te peinzen in heur wit bed met pimpelende oogen en de onderste lip tusschen de tanden.
En waarom zou het nu niet zijn? Ze had toch geen zonde begaan? Ze liet heur gepeinzen dalen in heur wit zielken, zoekend of er hier en daar in een hoeksken geen zondeke stak. Maar ze vond niets. ’t Was alles wit, sneeuw-wit, zoo wit als heur lochte processiekleed, dat ze gisteren met voorzichtige vingeren uit de kas had gehaald en dat daar nu, op een stoel, in ’t volle morgenlicht lag te schitteren, als ’t ware een kleed van licht, als had het ’t zonnelicht opgezogen dat in den jongen morgen door heur vensters zeefde.
Kathelijne keek er naar, bedroefd. Ze bekeek de fijngelegde pijpkens en strikskes langs de boorden en op de borst; ze zag naar de stralende gulden perels die ’t halskraagsken berankten met zilver... Zoo ging ze in de processie, blank en rein in het hagelwitte kleed, onder het waaiende purper der vanen, die klapten boven heur hoofd, dragend eerbiedig, met drie andere, kranige begijnen van ’t Hof, de zilveren relikwiekas.
Daar hoorde ze ’t sleffen van trage voeten op de trap en treden die kraakten. Kathelijne luisterde, veegde het nat uit heur oogen en ze had zich nauwelijks bijgelegd, of Geertruide stak heuren kop in de deur:
„Zuster Kathelijne! ge blijft zoo lang te bed. toch niet ziek he? ’t Zou spijtig zijn voor Zondag! Menheer Pastoor zit beneden naar u te wachten!...”
De deur klonk toe. Geertruide was weg en weer sleften op de trap heur trage voeten, de gang door en de keuken in.
Wat kwam Menheer Pastoor nu doen? ’t Was zeker voor de processie. ’t Kon niet anders. och Heere! als die maar geen slecht nieuws bracht! Ze zou hem bidden, hem paaien met zoete woordekens: ’t was toch zoo’n goede vent!
Ze trapte het bed uit en kleedde zich gejaagd.
Heur witte kleed straalde aldoor in het helle licht en de zon schoof tusschen de bebloemde gordijntjes een gouden tapijt, met krullen en blaadjes op ’t effen witgeschuurde plankier. Zoo lag de heele straat ook schoon, vol bloemen en lisch en riekend kruid als de processie uitging.
En ’t Lievevrouwken had gezegd: „Ik zegge het den Pastoor” en nu zat de Pastoor beneden te wachten... Hoe groote angst steeg heur weer naar de keel, en heur herte zwol, alsof het bersten ging.
Kathelijne was nu gekleed. De zon schoof achter een wolk. Ze haastte zich de trappen af.
Menheer Pastoor stond aan het venster en keek naar den hemel, waar een donkere, goud-omrande wolkenromp verder zeilde. Hij draaide zich om en knikte gemoedelijk: „Goen morgen, Zuster Kathelijne”.
’t Begijntje boog het hoofd, schuchter.
„Dag, Menheer Pastoor”.
„Kathelijne”, zei de man, „Margrietje piskous komt weer met heur gewater af. ’k Dacht van morgen vast, ’t wordt schoon weer vandaag; maar zie, daar hangt een zwarte-zuster met breede rokken vlak voor de zon heur gezicht. ’k Geloof dat het zal regenen!”
’t Menschke ademde diep... het was niet over de processie! De Pastoor zag er blij uit! Voor wat kwam hij nu? Misschien om een aalmoes voor de zielkens in ’t vagevuur.
„’t Zou zonde zijn”, ging hij voort, „want dat nattig weer werkt fel op mijn rhumatism!... Wij beginnen al oud te worden, Zuster Kathelijne!”
Ze knikte toestemmend.
„Gij wordt ook oud! en als een mensch dan niet wel en is, slaapt hij wat langer!... Gij zijt zeker ook een beetje ziek, Zuster?...”
’t Begijntje zei ja, om heur laat opstaan te verbloemen. Maar nauwelijks waren de woorden vervloten, of ze kreeg een groote spijt over het gezegde!
Menheer Pastoor keek heur goedig aan met zijn diepe oogen, en zijn mond plooide compassielijk. Hij knipte „ja... ja...” en kneep eventjes de oogen toe.
Het was donker geworden. Blinkende regendruppels stoven op de ruiten en kletsten er uiteen in kleine lekjes. De lucht was grijs. De daken der huizen, blauw en rood, blonken van het nat.
„Daar hebde ’t al!” zei hij en hij wees naar buiten. „’t Zou spijtig zijn voor de processie!”
Wat kwam Menheer Pastoor nu toch doen? Hij stond daar met zijn hoed te draaien en vertelde zoo’n nietige dingen.
„Ja Zuster, ik kwam om over de processie te spreken”.
Daar had ze het! Het Begijntje ging aan ’t knikkebeenen, zette zich op een stoel en slikte den krop door die in heur keel wrong.
„Ja Zuster Kathelijne! ge zijt tusschen dit en een jaar fel verouderd, peins eens, twee en zestig! en dan die slijmziekte die nog in uw lijf zit, ge weet het wel!”
Ze rilde op heur stoel.
„En nu Zondag moest ge de relikwiekas dragen, he? Zuster! ’k Zou u aanraden ’t niet meer te doen!... ’t Is zoolang, twee uren met dat gewicht op uw schouders loopen, is ’t niet?”
Ze kon niet antwoorden, heur keel was toegenepen!....
„Ja, ja! ik heb er met Moeder-Overste over geklapt en ze zei het ook. Nu zult ge de processie zelf eens zien, Zuster, want die hebt ge in tien jaar niet meer gezien, omdat ge er zelf ingaat, ja! ja! Juffrouw Geertruide zal dit karweitje eens doen”.
Hij lachte gemoedelijk. Hij sprak nog over ditjes en datjes, maar als hij zag hoe suf Kathelijne daar zitten bleef, peinsde hij, dat ze ziek was en ging met een „tot later, Zuster!” de keuken uit.
Nu was ’t begijntje alleen. Ze zat roerloos als een steenen beeld. Plots sloeg ze de handen vóór heur gezicht, viel met den kop op tafel en weende. De tranen liepen tusschen heur beenderige vingers lijk glazen perels.
Het was waarheid geworden. Ze had willen sterven! Ze mocht de heilige beenderen der lieve Sinte-Begga nooit meer dragen! nooit meer! En dat in heuren goeden, ouden dag. Het wee wrong diep in heur hert, vaster en vaster, en zou er nooit meer kunnen uitgerukt worden! Daar was toch niets meer aan te veranderen! Weer knepten de hakkende woorden door het kamerruim: „En ge en gaat er niet in!... en ge en gaat er niet in...” Toen werd het heur duidelijk dat het de schuld was van ’t Lievevrouwken, dat bij Geertruide prijkte op het schouwblad. En in heur groeide de haat, zoodat ze er heur verdriet bij vergat. Ze weende niet meer, kneep de tanden vast op elkaar en siste:
„’t Is uwe schuld!... uwe schuld he?... maar ge zult hier weg! ge zult hier weg!... ge moet hier weg!”
En ze herdacht zich den droom en sterker groeide in heur de haat!
Nu was ’t Zondag en de blijde zomerzon hing als een felle monstrans hoog in het smetteloos blauwe van den warmen hemel te gloeien en op de witte gevels van ’t Begijnhof leekten heur gouden en zilveren water.
Geertruide kwam uit het lage deurken van ’t huizeken genoemd „’t Suverlik herteken van Jezus” schoon in het witte kleed. Ze bleef eventjes staan in het hofken vol blauwe en oranje bloemen, en ze keek rond. Op den lochten sluier, die in lijnige plooien van heur hoofd om heur schouders ruischte, stond een zedig kroontje van blauwe bloemekens, lijk zoete starrekens. De gouden borstspeld en ’t kruis schitterden in ’t felle zonnegespeel.
Ze straalde rijk aan zinderende licht en heur gezicht bloosde onder de sneeuwen blankheid van heur sluier.
Ze dierf niet opzien, want ze wist dat de menschen heur bekeken.
Kathelijne zag heur achterna, door de gordijntjes, trappelend van jaloerschheid.
Dat was nu de werkelijkheid. Alles wat het heksige Lievevrouwken heur had toegesnauwd tijdens die vreeselijke nachtmerrie. Ze had de vreugde van Geertruide gezien als Menheer Pastoor heur zeggen kwam: „Zuster Geertruide, ge moogt Kathelijne in de processie vervangen” en ’t haastig ja-knikken van heur gebuurvrouw. En nu zag ze Geertruide weggaan. Nu kon ze alleen blijven en ongestoord heur verdriet laten knagen lijk een doornekroon om heur bloedende hert.
Zij peinsde aan het groote onheil dat nu voorviel en heur rustig oudmenschenleven ’t onderst boven had geschud, en aan de onrust die heur telken jare beklemmen zou, als ’t jaarwiel boven den einder „St. Margrietje” zou laten zichtbaar worden! Tien jaar lang reeds droeg ze, om de liefde Gods, in de processie de heilige beenderen der Sinte-Begga! ’t Was heur immer een zoet genoegen geweest, te denken aan de zaligheid van de komende processie, het werk van ’t vasten en ’t bidden twee maanden op voorhand om heur arm lijf weerdig te maken de schoone kas te dragen in den stoet van heuren verloofde Jezus-Christus!
En nu! Ze had het wel gevoeld dat er iets noodlottigs gebeuren moest in heur kalm leventje. Er was iets uit den haak in heuren gedachtengang, er haperde ergens wat. Het ding zwol en werd benauwelijker tot al met eens die droom en de woorden van Menheer Pastoor heur den eindelijken slag kwamen brengen. Nu was alles voltrokken.
Ze zette zich bij Geertruide voor het venster.
Op de schouwplaat, één glinstering; in den vollen zonneschijn die door het ééne raam een trapezium van goud op de witgekalkte schouw lei, stond het Lievevrouwken en roerloos... Kathelijne verschoot toen ze het zag in dat helle licht en ’t wierd heur of het weer bewegen ging en spreken zou de wreede woorden, die heur heele leven hadden verbitterd. Ze keek het nijdig aan, en de haat sloeg omhoog in heur. Ze zou het wel weg krijgen! heb geen nood! heur leven was een hel in de aanwezigheid van het zegepralende beeldje! En ze fezelde heur besluit tusschen de tanden, als was ze bang het hardop te zeggen!
Buiten op straat was ’t een gaan van allerlei menschen in feestelijke kleedij, die naar de processie kwamen zien.
Markeken Ronk en Flor van ’t Els waren in de weer voor hun deur, wiegend van links naar rechts, met zwierende hand spierwitte zavel en kleurige papierkens en bloemenblaadjes aan ’t uitvingeren. Kleine meisjes in witte kleeren stapten gracielijk en locht als vlinders met hun witte schoentjes trippelend over straat. De menschen lachten en knepen hun oogen toe voor ’t hevig zonne getintel, dat overal lag te glanzen in de helle lucht. De oude peekens en meekens gingen voorbij met onzekere stapkens; ze liepen in de deugdelijke zon en vertelden genoeglijk allerhande zottigheid over Margrietje, die heuren pis voor één dagsken had ingehouden.
Kathelijne zag dat leven en ze geraakte stilaan in de warme stemming van dezen feestdag. Ze dacht aan geen processie meer en heur oogen dronken het levendige beweeg van al die menschen in de trillende zonnelucht, tot plots weer door de kamer sisten de scherpe woorden: „En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!...”
Ze schrok. Heur oogen schoten vol tranen en ze zag het Lievevrouwken, beverig door heur vele tranen heen, pronkend in den gouden zonneschijn. De woorden sprongen en drongen vlijmend als priemen in het merg harer beenderen, ze wierd wanhopig.
Doch ineens klopten jubelende klokkeklanken op de trillende ruiten. Ze buitelden door de zonnige luchtgolven als blauwe rookkrullen, die verijlden in de lichtsiddering. Nu en dan hoorde Kathelijne een geruisch van verwijderde muziek, dat bij poozekens voller toezwol, maar naderhand ook even lijze, door ’t gewone lawaai van de drukke straat overklonken werd.
’t Was de processie, die traag aanschoof.
Kathelijne verschoot en nam vlug de twee koperen kandelaars, waar een roze keers in zat. Ze ging er mede buiten, zette ze op de vensterrichel en stak de wieken aan. Een geel, arm vlammeken bibberde er nu boven en wiegelde in het zoete windeken. Andere jaren prijkte ’t Lievevrouwken tusschen de keersen in, maar Kathelijne wou dat nu niet. Ze had er een vreugde aan, het wreede beeldeken te pijnigen, het te sarren, het te laten alleen, ver van den stoet op de zwarte schouwplaat.
De lucht hing vol klare klanken. De muziek speelde een hellen deun, naar de trage maat der stil-stappende menschen. Het volk in de straat rijde zich op de gaanpaden langs de huizen, en daar kwam de processie.
Kathelijne zag toe van achter de gordijntjes. Ze kreeg een felle vrees en er klemde zich een ring om heur hert, dat ze de kloppen haast niet meer gewaar werd.
Ze zag de soldaten komen op twee roten, met wuivende veder op den hoed en zware stappen die klonken uit boven de muziek en ’t egale prevelen der biddende menschen; de roode vlag der congregatie, met allerlei gouden bloemen en zilveren vruchten bestikt, gedragen door een vent lijk een reus, daarachter nederige wijfkens met een blauw lint rond den hals, murmelend eentonige vaderonzen. Dan kwamen de maagdekens in de stijve, witte kleedekens, die in rechte plooien om hun lijfje lagen, een gouden kroontje op ’t krullekopken van golvend haar, dat lijk een gulden zonne om hals en smalle schoudertjes straalde. Ze droegen vaantjes blauw en wit versierd, of schilden, helder getint, met Latijnsche spreuken en opschriften in gotische letters. Ze stapten met hippende paskens op maat van de zoete muziek en hun kleedekens en hun haar ging gracielijk op en neer. Kleine jongskens in purperen paterskleeren, een lanteernken in de hand, en een roodzijden kalotteken, bolrond over hun blonde haren, volgden. Ze stapten traagjes, en hun lange rokskens sleepten over het zand en de riekende kruiden die er gestrooid lagen.
Zoo schoof de processie verder: peekens uit het Godshuis met een hoogen hoed dragend een dikke kaars, waarop een smookende vlam krulde; deftige heeren in zwarten rok, blootshoofds, rond de beelden der heiligen; mannen met banieren die waaiden boven het bont gewemel van biddende vrouwen. De menschen langs het gaanpad zagen toe met groote oogen en waren tevreden. ’t Was een gouden pracht, blinkend in de flitsende zonnestralen, sneeuwwit, groen en blauw en viool-purper wemelend dooreen lijk een zonvergulde kerkraam. Alles ging matig op de tonen der zachte muziek en ’t blonk zoo schoon en grootsch, met daarover de bonte waaiïng van rijke kleuren, vlottend met zoeten zwier in de davering der vurige zon.
Daar kwamen de mannen in priesterrokken en witte roketten, fijngeplooid; ze torsten groote koperen draaglantarens, rijkelijk geornamenteerd.
Kathelijne zag het, ze hield heuren asem in, nu moest de relikwiekas komen. God! Heur hart stond stil. Ze wierd wit als een lijk.
En daar kwam de relikwiekas, gedreven in zuiver zilver; tafereelen uit het leven der heilige Begga stonden er op geciseleerd, en nu de zon er zoo al met eens een vollen brand op neergoot, scheen de kas te vlammen en te gloeien, dat het zeer aan de oogen deed.
Kathelijne zocht met angstige oogen naar de witte begijntjes, die de kas droegen. Ze merkte Geertruide, die blij-lachend voortstapte, biddend aan heur beenen paternoster.
Toen sloeg heur hert met een wilden bons, terug aan den gang en de scherpe woorden van ’t Lievevrouwken kletsten weer door de kamer: „En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!” Het bloed sloeg naar heuren kop. Heur beenen knikten, en met radelooze oogen zag ze den bonten stoet voorbij schuiven en verdwijnen achter de cypressen van den Kalvarieberg.
Nu kwam de heilige, grootwondere God in vorm van brood, gedragen onder een blauwen baldakijn, door een goud-omhangen priester, omgeven door ijle wierookwolken en zware zangen, die eerbiediglijk samenwentelden tot wondere akkoorden, als gezongen door diepgeloovige, middeneeuwsche lieden, braaf en zedig.
Kathelijne en kon niet meer aanzien! Ze wendde zich om, en met het hoofd op de tafel begon ze hare ontgoocheling, wanhoop en verdriet stillekes uit te weenen.
En ’t Lievevrouwken stond schoon te blinken en heur gezichtje bloosde lijk een kriek, boven het witte brokaatkleedeken.
Toen Geertruide binnenkwam, vond ze Kathelijne roerloos op een stoel gezeten in heur keuken.
„Zuster! waarom zijt ge niet buiten geweest?”
Ze keek naar de rood beschreide oogen van Kathelijne:
„En ge hebt geweend?”
’t Begijntje schudde pijnlijk heur hoofd en zei: „’k Had zoo’n pijn in den kop!...” Zij wilde heur woorden intrekken, want ze voelde dat het een leugen was. En er viel een zwart druppelken op heur wit zielken, dat er openspetterde en de blanke reinheid bekladde.
„En Zuster toch, waarom hebde ’t Lievevrouwken niet in ’t venster gezet? Wat gaan de menschen nu denken? ’t heeft er altijd gestaan! en dat nu voor de eerste maal!”
Kathelijne trok verwonderde oogen. „Dat heb ik fijn vergeten, Zuster Geertruide!” Er viel nog een zwart droppelken op heur wit zielken.
Geertruide dan, met radde tong, heur aankijkend, hernam:
„Maar zuster! ge moet slapen gaan! gij zijt zoo ziek als een hond! ’t Is al goed dat ge in de processie niet geweest zijt! Menheer Pastoor had groot gelijk! Wel! wel! Toe, Zuster! naar boven, ’k zal lindenthee gereed maken, dan zal ’t beteren!”
Kathelijne roerde niet. Geertruide lei heur kroontje af, plooide voorzichtig heur sluier en haakte heur sieraden los. Dan ging ze naar boven heur bruids-kleed uitdoen.
Nu zat Kathelijne weer alleen. Geertruide heur gezeever verbitterde haar nog meer. ’t Groote was nu toch gebeurd en ze siste het Lievevrouwken toe, nijdig, met een fluitende stem, lachend om de schoone wraak die ze bepeinsd had: „Gij moet hier weg! weg!”
Het hoogtij was voorbij. De begijntjes en kwezels zaten weer in hun hofken of gingen ter vespers.
Alles werd weer stil en ingetogen. De schoone zon zette heur volle namiddaglicht op de witte gevels. In de volle boomen hingen vogelenzangen.
Kathelijne was terug in heur keuken en ze zat stil in een hoek. Ze peinsde steeds met groot verdriet aan heur geslagen leven, en door heur hoofd schoten vele gedachten van wraak. En ze zag de processie en de relikwiekas als een wit vuur in de zon, gedragen door vier witte begijntjes en van voor links, op héur plaats, Geertruide!
Vóór heur oogen groeide het Lievevrouwken, met een spottend gezicht. O! dat scheurde heur heelen kop aan stukken!
Razend kneep ze de oogen dicht om niet te zien! Maar heller groeide en groeide het beeldje, in een wolk van goudlicht, en lijk een donder kraakten de woorden: „En ge gaat er niet in!... en ge gaat er niet in!” Ze zou heuren kop op de steenen kapot slaan om dien zotten zang te doen ophouden! Ze zou met scherpe nagels heur borst openscheuren, om er de pijn uit te sleuren. Het Lievevrouwken moest weg! Het beeldeken stelen? en dan?
Ze hoorde in de gang het geslef; de klink der deur tjokte omhoog en Geertruide, in alledaagsche kleeding, stond voor heur.
„Zuster, ’t is goed weer, he?”
Kathelijne zuchtte, zei ’n ja, kwaadweg, omdat ze gestoord werd bij ’t bepeinzen van heur wraakplan.
„Wie had zoo’n weertje kunnen bedenken! En gisteren nog zoo’n killen regen, om met de lollepot onder de voeten te zitten! Zuster Kathelijne, ’k heb van menheer pastoor een schoon, blauw boekje gekregen. De Navolging Christi van Thomas a Kempis heet het en daaruit haalt hij vele spreuken voor zijn sermoon. Hij lachte, als hij ’t me gaf: „Dat ’s de prijs, zuster Geertruide, omdat ge zoo schoon waart in de processie”.
Kathelijne hijgde en tuurde gespannen naar de zonrondekens, die op de roode plaveien van den vloer dooreendansten.
„’t Is ’t schoonste boek dat bestaat”, zei hij, „waarin geschreven staat hoe men zalig kan worden!... En hier ga ’k nu alle dagen in lezen!”
’t Werd stil, ongewoon stil rond het geknip van den horlogeslinger in de eiken kas.
Kathelijne zocht naar een woordje om toch ook iets te zeggen. „En waar is ’t boekske?...” Maar ’t gezegde was nog niet koud op heur tong, of ze had er reeds spijt over. Nu zou ze mee moeten naar Geertruide heur keuken...
„O! ’t ligt binnen!... Kom eens zien...”
Ze kon niet meer „neen” zeggen, stond trage recht en volgde. Nauwelijks kwam ze ’t plaatske binnen, of heur blikken gingen naar ’t Lievevrouwken op de schouwplaat. Zie! daar brandden de ronde oogskens! Kathelijne draaide fluks heur kapken om naar de zuster die ’t blauwe boeksken uit een lade nam, en er met voorzichtige vingers in bladerde.
„Schoon he, zuster?...”
Ze piepte tersluiks naar ’t beeldeken. Ze zou het wel weg krijgen! Weg moest het! Want er was geen leven meer te houden in de gedurige aanwezigheid van dat heksige Lievevrouwken!
Geertruide had het boekje weer ter plaatse gelegd en babbelde over den pastoor, die zoo’n schoone beeldekens snijen kon in palmenhout. Hij was nu weer aan ’t werk aan een Heilige Maagd... zoo schoon, zuster!...
Ineens kwam er een korte klokkenklank aarzelend door de lucht tuimelen en pas was hij verzinderd, of heller klepten er andere hem na, zuiver gedragen op den naklank van den wegtrillenden voorlooper.
„Ga-de mee naar de kerk, zuster Kathelijne?”
„Och! ’k heb zoo’n pijn in mijn kop, zuster Geertruide!... Ik ga liever eens wandelen langs de vesten”.
Geertruide sloeg heuren katonetten voorschoot af, nam twee oude kerkboeken onder den arm en ging met Kathelijne de straat op. Ze zeiden geen woord meer en aan de kerk scheidden ze. Kathelijne ging langs ’t Hemdsmouwke den Grachtkant op, ’t waschhuis door, en wandelde nu op den dijk in den helderen zonneschijn, naar de vest af. Ze voelde zich een poosje jonger en vrijer, ze dacht over de boomen, die vol vogels zaten, en aan heur wekelijksche schoenen, die ze gisteren naar Kaluiken, den schoenmaker, gedragen had voor poleviëen.
Op de vesten in de breede, blauwe lommerte der dubbele olmen-rij, speelden kinders en ze lieten zich kressend in den beemd rollen en plukten boterbloemen. Op den dijkweg, die blond langs de zilveren Nethe loopt, wandelden twee witgekapte begijntjes.
Kathelijne voelde stilaan de rust om heur. Heur hart sloeg gemakkelijk en ze genoot van den zomerschen namiddag. De Nethe schoof zachtjes weg tusschen ranke rieten. Er sprong een zilveren vischken in de zon, en een groote kring rondde, wiegelend in grootere kringen, die in ’t oeverriet verdwenen. Kathelijne had het vischken niet gezien en ze vond het aardig dat nu opeens het blauwe vlak aan ’t deinen ging en de beeltenis der populierenrij aan den overkant aan ’t kronkelen geraakte. Een beetje verder zat een vent, geborgen onder een strooien hoed te visschen. Hij smoorde een pijp en van onder de randen stegen blauwe wolken. Ze bleef er op staan zien, gedachteloos. De man draaide zijn kop om en bezag heur zonder iets te zeggen. ’t Begijntje werd verlegen en zocht een woordeken: „Goe weer, he vent?”
„Ja Zuster, vandaag is Margrietje toch niet aan ’t schuren geweest...”
Hij keek weer naar zijn lijn en rookte wolken uit zijn pijp.
Maar kijk! daar kwam Cicielken, ’t portieresken dat in Jeruzalem geweest was, achter heur aangestapt. Ze zeiden elkaar goeden dag en begonnen samen te klappen, al slenterend naar ’t Sas. Kathelijne luisterde aandachtig naar ’t gepraat van ’t oude begijntje.
Er fladderden kleppenters over de bebloemde wei, hommelen schoten van de eene bloem naar de andere, en hoog in de vuurge lucht hing een leeuwerik te tierelieren.
Aan ’t Sas draaiden de zusters om en kwamen op hun stappen terug. Kathelijne kreeg het zoo benauwelijk! Ze keerde terug naar ’t Begijnhof! Ze moest weer naar huis bij ’t Lievevrouwken! En de angst en haat drong omhoog om er hun zotten dans te hernemen. Kathelijne hoorde Zuster Cicielken niet meer. Ze kwamen voorbij den visscher. Ze keek naar de roode daken van ’t Begijnhof. Ze hoorde het klokje kleppen.
’t Portieresken werd gewaar dat Kathelijne niet meer luisterde. Ze haalde een paternoster uit den zak, zei: „Dag Zuster, ’k ga gauw naar ’t lof” en ze sloeg een weg in.
Kathelijne, verbauwereerd, vroeg: „Wat is er?...”
Cicielken, die hardhoorig was, en gaf geen bescheid; ze slenterde langzaam naar huis.
De stilte woog loodzwaar in de keuken. De horlogeslinger kapte den tijd in kleine stukskens. De avond steeg uit de eerde en vulde ’t geluchte met zijn warme donkerte. De hemel was donkerblauw, als een fluweelen zee, waar schipkens drijven met ontstoken lanteernkens in den mast. ’t Begijnhof was zonder geluid. Kathelijne zat nog op heuren stoel en snorkte regelmatig met den tik-tak van het uurwerk...
Plots dommelden er acht klokke-tonen op de ruiten.
Ze schoot wakker, angstig, wreef zich de oogen, zocht naar heur gedachten, die holderdebolder in ’t dikke kluwen van dezen slaap verward lagen. ’t Was al zoo donker! Ze luisterde naar de stilte die suisde. Ze zag het venster, met het groote kruis van ’t raam achter de ijle gordijntjes. Ze luisterde weer naar de stilte, totdat opeens het knersend tikken van de horloge vooruitsprong en heur bij de werkelijkheid trok.
Maar ei! ze kreeg er een steek van in den kop! daar djokte het akelig vooisken weer op, spottend en schril, op maat van den knersenden tiktak: „En ge gaat er niet in, en ge gaat er niet in!...” En ineens begon heur spijt en heur haat te prikken en te wroeten in heuren boezem, als doornenranken. „’t Moet hier weg!...” Ze was alleen, Geertruide was bij Markeken Ronk met het ganzenspel gaan spelen, en nu kon ze middelkens bepeinzen om het van kant te maken...
Zou ze ’t stelen?... maar dan? Wegwerpen in de Nethe, en geen haantje zou er nog over kraaien? Doch ’t beeldeken zou nog bestaan alsdan en heur nog meer komen tempteeren! of ’t zou ergens stranden, en alzoo ’t voorwerp worden eener groote devotie!
Het in stukken kappen en ’t verbranden in heur stove? Ze moesten het eens te weten komen! Heur gepeinzen dwaalden in een duister hol, waar geen uitweg aan te vinden was. Ze zou eens door ’t sleutelgat gaan kijken bij Geertruide, om het beeldeken te zien; wellicht kwam er dan een lichtje in heur hersens. Ze stond op, ging op de teenen de gang door en bracht heur oog aan ’t sleutelgat.
’t Was donker in de keuken. Vóór ’t Lievevrouwken lag in een donker rood glazen potteken een vlammeken te wiegelen en gaf een schoonen, stillen schijn aan het beeldeken, dat lachend stond in zijn witbrokaten kleedje. Op de zoldering, recht boven ’t glas, wiegde een groote roode ronde. Al ’t ander stak in het duister. Kathelijne zag maar toe en duwde heur hoofd tegen de deur. De deur stond op een kier en draaide piepend open.
Ze verschoot. Het was hier stil als in een graf. Ze zette zich van schrik op een stoel.
De haat kwam weer boven. ’t Was dàt nietig stuksken hout, dat heur schoone leven vernield had, dat heur laatsten oude-menschen-dag kwam vullen met gal en edik.
Plots een klonengeklop op de trap! Er was toch niemand thuis!.... En eer Kathelijne den tijd had te peinzen, zag ze door het deurgat, op de trap in het gangsken twee geel-berookte holleblokken, waarin twee dunne, felbehaarde spillebeenen staken. De klonen daalden, de een na den ander, en klopten op de treden. Kathelijne vergriezelde och Heere! en als ze weer bijkwam, zag ze binnenkomen een grooten vent in witte monnikspij, het hoofd verscholen in de punt-kap en lezend in een oud, groot boek. Er hing een verroeste koffiemolen met een touw aan zijn linkerschouder. Terwijl kwam er een dunne, grijze klaarte de keuken ingedreven en ’t begijntje zag onder de kap een rooden dop-neus die op en neer ging. De vent zette zich onder de tafel, sloeg met een flap zijn boek toe en begon aan zijn koffiemolen te draaien, dat het piepte en knerste alsof men er een biggetje keelde.
Kathelijne en roerde niet en zat als gebeeldhouwd op den stoel. Ze keek met gespannen oogen naar den pater die zijn molen liet vallen en weer zijn boek opnam. Telkens hij een blad omdraaide, joeg er een fluitende wind door de keuken.
Bots! en uit het breede schouwgat tuimelden drie rosse geraamten. Ze knetterden met hun tanden alsof er honderd ratels klepten.
Uit het kasken kropen er twee oude peekens, kletsnaakt, met oogen op hun achterste, gaven elkaar de hand, wandelden door de keuken en vertelden wat met fluisterstem. Ze lachten genoeglijk. Drie zwarte kraaien kwamen krassend uit de gang gevlogen en zetten zich op de gladde koppen der geraamten. Ze bleven met hun vleugels slaan, totdat de drie pietjes de-dood hun lawaai staakten. De pater sloeg zijn boek toe en de ventjes zetten zich nevens de stove, op hun oogen. Nu was er een diepe stilte. En ’t Lievevrouwken stond onnoozel te blinken in het roode lichtje.
Er kwam een bleeke vrouw de keuken in. Ze was gehuld in een zwarten mantel en droeg om den hals een levende adder. Uit heur mondhoeken leekte bloed in dunne streepkens langs heur kin. Het licht in de keuken zwol bij heur binnenkomen. Kathelijne bezag de vrouw... en wonder! heur schrik smolt weg en ’t wierd heur wel aan het herte. Ze loech de vrouw tegen, zeer vriendelijk, alsof ze heur goed kende. De zwarte vrouw kwam nevens ’t begijntje zitten en nam heur bij de hand. Ze lachte genegen en toonde Kathelijne veel vieze gedrochten, ’n voet hoog, die stillekens binnenschoven: groote eierschelpen, waaruit twee kikvorschenpooten klauwden en een groote kop bovenaan, opgeblazen en scheel; een verneukeld wijveken, dat geld aan het tellen was en de stukken een voor een in een kikvorsch zijnen muil wierp, die nevens heur kroop; saters met bokspooten, die op een zevenpijp zotte liedekens speelden; kaboutermannekens en wiemkens met dikke koppen, loopend op hun handen, de puntschoenen wiebelend in de lucht. ’n Hoop zwarte duivelkens, met een Hollandsche pijp in den kop en tegelijk zwierend een grooten vuurpot, waaruit allenthenen smeulende sprankels vlogen, besloten dezen wonderbaren stoet.
’t Helsche volk staakte zijn spel en hurkte neer op de roode plaveien. Met gespannen oogen tuurden ze naar de gang waar het pikdonker was. ’t Roode lampken brandde stil.
Er zwol een zoet muziekgedruisch nader en plots achter de deur ging de processie voorbij. ’t Waren alle kleine ventjes, een duim groot en ’t was dezelfde orde en doening als dezen morgen, met het purper en rood der vanen in ’t wit der maagdekens in een gouden schijn die er om wolkte.
Kathelijne heur schrik was vergaan en ze moest lachen om dees wonder vertoon. De gedrochten in de keuken keken hun groene oogen uit hun lijf! Zie! daar kwam de zilveren relikwiekas van Sinte-Begga, gedragen door vier witte begijntjes en Geertruide van voren links! Al de spoken knarsten nijdig op hun tanden en vuur sprankelde uit hun mond. En de zwarte vrouw zei in ’t oor van Kathelijne, wijzend naar Geertruide: „Dat is uwe plaats, en men heeft ze u ontnomen!”
De kristelijke stoet ging verder: de muziek verklonk en alles verdween, opgezogen door de duisternis.
’t Lievevrouwken was rood in het licht van het lampken.
Ineens stampte de pater met zijn klonen op de plaveien, draaide met geweld aan zijn koffiemolen en begon luid te zingen. ’t Was een teeken, want met een sprongen de geraamten recht en beenden zot door de keuken, en tusschen hun vlugge, kletterende beenen door draaide en danste heel het smalle gespuis, schreeuwend en schuifelend. De zwarte duivelkens zwaaiden er tusschen door met hun vierpot, dat een regen van gensters over ’t huppelend volkje starde. Plots schreeuwde de kikvorsch met wijdopen bakkes. De spoken rolden holderdebolder over malkander, sprongen vlug recht en zochten een plaats in den haard.
De dunne klaarte vloot de kamer uit en ’t werd donker. Kathelijne zag de geesten bijna niet meer. Rood danste het lampken op de schouwplaat.
De zwarte vrouw stond recht en bracht ’t begijntje vóór het beeldeken. Ze sprak toen: „Wie is er de schuld van, dat ge niet in de processie gegaan zijt?...”
Kathelijne voelde den haat weer wringen in heur boezem. Ze vergat het heele spel van spoken en duivels en heur stem beefde van woede: „Dié... dié daar!...”
En de vrouw sprak: „Die moet hier weg!”...
De duivels met hun lollepot kropen in ’t midden der keuken en staken hun pijp aan. Ze speekten ’nen keer in de gloeiende kolen en daar kronkelden omhoog schoone vlammen, die het kamerken verlichtten en de smoelen van ’t spookvolk nog afschuwelijker maakten. De drie geraamten dansten rond de potten met de krassende kraaien op hun schedel en al de helsche broeders floten en zongen:
’t Lievevrouwken weg van hier,
’t Lievevrouwken weg van hier,
in de vlam van ’t helsche vier!
De duivelkens speekten aldoor in hun potten om de vlammen wakker te houden. En het liedeken schokte door ’t heele huis:
’t Lievevrouwken weg van hier,
’t Lievevrouwken weg van hier,
in de vlam van ’t helsche vier!
Het deed Kathelijne deugd aan het hert en ze knikte goedgunstig. De zwarte vrouw fluisterde: „Steek het in brand, dan zijt ge er af, toe Kathelijne!”
En ’t begijntje triomfeerend, zocht een stoksken in den houtbak onder de stoof, stak het stoksken in een vuurpot en wachtte tot er een vlammeken aan tongde. Ze hield het brandend houtje vóór heur, lachend van blijdschap om de gevonden wraak. Ze duwde het stoksken onder ’t kleedje van ’t Lievevrouwken; in een wip flapte een helle vlam omhoog en wentelde er rond.
De spoken schoten in een lach en stormden de keuken uit. De pater zijn klonen klopten zwaar op de trap. De zwarte vrouw liet een kres en vluchtte ook.
En er kwam een angstige stilte.
Kathelijne zag het Lievevrouwen-kopken lachend in den vlammenkegel en meteen rees in heur geest het schrikkelijke van deze werkelijkheid. ’n Heiligschenderij.... de hel! de hel!! Ze sloeg heur kromme nagels aan haar kap en zag met open mond en wijde oogen het vurige beeldeken aan. O! de verdoemenis!...
Ze viel op heur knieën: „o Lievevrouwken! in Godsnaam en brand toch astenblieft niet af. Ik zie u zoo geren! gotogot! Lievevrouwken!...”
Maar de vlammen likten voort en krulden smerigen rook weg. Het blozend gezichtje werd zwart en verrimpelde onder een vlam.
Nu zou ze zeker naar de hel!... „Astenblieft Lievevrouwken:... gotogot!”
Ze sprong recht, greep het vlammende beeldeken en prangde ’t aan heur borst: „Ge moogt niet afbranden! ik zie u zoo geerne!”
De vlammen plakten op heur borstdoek, kronkelden langs heur boezem omhoog en sloegen heur in ’t gezicht. Ze stuikte op den vloer, joeg de vlammen weg met radde handen, maar het vuur spiraalde om heur lijf. Ze spartelde en wrong als een paling; ze sloeg heur hoofd op den grond: „’k En zal ’t niet meer doen!... nooit meer doen!” Ze rochelde. O! die brand om heur lijf! die brand in heuren buik! die brand in heure borst!...
Een groote vlam in heur gezicht woelde, sloeg heur blind, neep den neus af, wrat de wangen weg en liet de tanden grijnzend bloot. De vlam slingerde rond heur schedel. Er schoot een schicht door heur hersens en ze was dood, pier-dood!
Kathelijne smeulde uit en een heete, verkoolde romp bleef er over.
In het donkere St. Agathastraatje, heelemaal ’t ende van ’t Begijnhof, stonden voortijds twee eendere huizen nevens elkander. Het waren zeer oude huizen, zoo oud dat de moekruipende tijd de eenmaal witte steenen gezwart had, en dat in de brokkelige voegen klein gras en schurftig mos weelderig groeiden.
De huizen hadden elk een laag scheefgezonken deurgat waarboven uit een donker nisken een heiligenbeeld opdook, zoo verkleurd en afgeschilferd, dat het haast niet kennelijk meer was welken heilige het verbeelden moest. Doch uit hun houding kon men opmaken dat het een koplooze Sint-Justus was, want hij droeg het hoofd in de handen en het andere van boven Lijzebetheken heur deur, Sint-Hieronymus die met een grooten steen op zijn bloote borst klopte.
De puntgeveltjes zaten vol houtwerk en uitspringende steenen waarop onhandig gesneden loofwerk oppenkrulde.
’t Waren echt antieken huizekes voorwaar, met gewelfde gangen en veel balkwerk en de lage zolderingen. Door de groene in loodgevatte ruitjes, kwam het getemperde daglicht zeer schuchter, met wijfelende kleerte, de witgekalkte muren streelen.
Op de vensterrichels langs binnen, vóór spierwitte effengeplooide gordijntjes stonden eenige bloempottekes met teere bellekens, of donkere geraniums.
In het een woonde Menheer Pastoor en in het andere ’t begijntje Lijzebeth, en hun devote doening fokkeledeerde wonderwel met het mysterieuze vertoon der twee woonsten.
Achter deze woonsten lagen er twee hofkes, rijk aan kleurige bloemen en teer-groene gewassen, zoo frisch en maagdelijk alsof ze gaan loopen waren van een Memlinc. Een dikke palmenhaag van sombergroene verwe, zeer ernstig en zwaar bij ’t naïeve kleurenspel der andere groeisels, scheidde ze van elkander. En ’t hofke van Menheer Pastoor droeg, vlak in ’t midden van een effen graspleintje, een blauw vijvertje waaruit een pluimken schuimend water opspoot. De hofkens waren diep en heelemaal op ’t ende stond een brokkelige muur zeer onregelmatig gebouwd in verre, verre tijden door een oude metseldiender juist zonder werk in die dagen.
Achter dien muur lag er een andere wereld. Daar stonden de vesteboomen en daar bochtte de blauwblinkende Nethe door onafzienbare, blakke beemden. De hooge boomen der veste, met hun grillig takkengewei staken hun zotgebolde kruin over het muurken. Ze waren schoon en goed daar ze de zware weelderigheid der blozende zomeren in hun armen droegen en ’s winters sterke weermannen waren tegen de noorderjacht die vlak voor hun voeten vrij spel had. Ze konden dat looze gedoe goed verduren en de hovekens sussen in een stil leven zonder veel vertoon van huilende winden. Ja, ’s winters was er ruwe strijd op de veste en ’t wierd gezeid dat de joepende wind met zijn almachtigheid menig tam boomken in de wortels kittelde, beentje zette en ’t met een lompe manier hals over kop in het rosgroene gras neersmeet.
De boomen maakten dan een eendig lawij en kreunden onder de felle windslagen. Als de bende wildelingen op hunne stampende luchtpeerden gezeten snuivend tegen de boomen aansprongen, wiepten ze omhoog en ritsten de hofkens over zonder één takje te verroeren. Ongedeerd bleven ze zelfs van de kwaadste windbrakken die met langgerokken lijf, wit van vel, en flappende ooren, huilend kwamen aangedjorreld. Als het op de velden stoof van sneeuw en regen en er alles kreveerde in het booze getij, bleven de hofkens, stilslapend, lijk wieg-kindekens bij rijke menschen. O! die goede boomen toch!
De lente kwam. De begijntjes en de brave menschen bleven nu binnen mediteerend het lijden van ons Lief-Heerken-Jezu. Terwijl ze zich zoo voorbereidden om het nakende hoogtij van Paschen te vieren brak er in de hofkens stilaan het nieuwe leven los. De magere takskens der gewassen verloren hun koude somberheid en sponnen zich heel zachtkes een doorzichtig kleedeken van groene zijde, dat met den dag warmer van tint en rijker aan bloeiende bladerkes wierd en op den duur in weelderige bloemenknoppen openberstte.
’t Was daar een feest van de zoetste koleuren, nooit gedroomd. De kerselaren en de pruimelaren stonden zoo vol van witte en roze bloemen dat het was of elk takske zat proptigvol bedekt met fladderende vlindertjes. De glycine aan de scheefgezonken muur hing zwaar van trossen purpere edelsteenen en een jonge goudregen beierde zijn schitterweelde in de klare lucht. En er piepten en parelden nog vele bloemekens half verscholen in hun licht-groene zwachtels.
Al die schitterende kleurenweelde was gedragen in het teederste groen dat zwelde met den dag. En het geurde alles violier en glycine, om een merelaar dronken te krijgen!
Daarmidden in stond nu het fonteintje blinkend in de jonge zon en spoot met lallende blijheid zijn klare water in de lucht. Het zong daartusschen zijn mystiek liedeken, waar geen einde aan kwam, en met den rijpenden Lente altijd inniger wierd.
Het vestegeboomte, met zijn overdanen rijkdom van sap-rijk groen, was als een groote orgel in de kerk, zoo klonk en daverde het er van den zang der weergekeerde vogelen. ’t Waren als duizende pijpkens elk met eigen klank en eigen toontje, waarboven zeer melodieus, als bewust van zijn hooge waarde, een jonge nachtegaal zijn koninklijke liederen sloeg.
En Paschen kwam en ons Lief-Heerken-Jezu stond op uit den dood, zegenend het nieuwe leven dat van hem uitging. En de hofkens waren zoo schoon geworden alsof daar de hemelvaart gebeuren moest!...
Toen Lijzebetheke na al dat vasten en bidden in heur hoveken kwam ging er een wonderbaarlijk slagsken in heur hert zoodat ze met blije dripselende woordekens sprak: „Kijk! Kijk mijn lief Heerken Jezus! hoe schoone alles is! Zie de tulpen en de violetten en de groene Lente in mijn hoveken! Hoor! die merelaar! hoe zoet hij fluit vandaag; hoe rollen zijn blije reutelingskens! Hij pijpt zijn beste fluitje vandaag, zijn fluitje gesneden uit gouden wilgenstronken! Nu wordt de zoete tijd!”
En ze kon heur oogen niet gelooven van heel het nieuwe kleurvertoon. En ze luisterde, luisterde naar den merel en de frissche geruchten in de ontwakende vesteboomen. Ze rook de bedwelmende geuren der lachende bloemen en ze voelde de deugddoende weldadigheid van den Mei met zijn heerlijke zon en zijn blauwe lucht.
O! ze was zoo gelukkig, zoo vrij en rijk, dat ze had willen uitzingen: „Magnificat anima mea Dominum”, ze bewonderde de werking van de Lente alsof ze ’t nog nooit gezien had! Zie! dat kastanjeboomken met bladerkes van ’t kostelijkste groen, ’t leken vingertjes te zijn, die heel voorzichtig kwamen tasten of het deugdelijk begon te worden in de lucht, of er zon was. En er was veel zon en daarom had het zonder vrees zijn sneeuwwitte keerskens opgestoken, als een kerstboom in de Lente die brandde voor Heer-Jezus! Ze zag hoe de japansche kwee zoo waarachtig de vele bloeddruppels herinnerde van haar goddelijken bruidegom. En ze vond het al zoo schoon dat het was om te kussen!... Maar ei!... daar bij Menheer Pastoor! het fonteintje!... Lijzebeth verschoot ervan dat ze het nu eerst opmerkte. Het droeg zoovele wondere tinten! ’t was zilver, goud, opaal en wat weet ik al, dat opschoot naar den hemel en in een pluim van diamant en klare paerlen open vouwde, die nederklaterde op het vijvertje van ’t blijste blauw met gulden schijn op de kringetjes en golfjes. Het vijvertje was het blinkend slot dat gesloten hield het bonte mantelkleed dat over de hofjes lag.
Naar het fonteintje kon ze staren als naar een nieuwe wereld, als naar de komst van een Heilige. Er lag zoo’n mystisch leven in dat water, iets dat ze niet bepalen kon, maar innig voelde in ’t diepst van heur wezen. En Lijzebetheke dacht: ons leven is water dat Gods adem opspuit naar den hemel en in wiens witte pluim Jezus zitten moet! En ze dacht nog: de fontein is het levende symbool van Jezus zelf, God en mensch, die de fontein is onzer zaligheid, de fontein die alles, alles onderhoudt, de zon, de maan, de sterren, de aarde en alles wat er in is!...
Zoo was het begijntje tevreden, want nu zou ze weer het hoogblije zomerleven van alle jaren genieten. Bij dag de witte handen ijverig in de witte kant en het witte linnen, bij deemstering, rustend tegen de dikke palmenhagen, turend naar het pluimende fonteintje en droomen, droomen.
God! hoe menigen avond heeft zij alzoo niet gesleten met droomen en herdroomen over de beteekenis van het nooit rustende fonteintje, zoo wonderlijk! Daags had ze er weinig tijd voor over, maar als de zonne purperde en bloedde een vuur van rood en geel en een roerlooze zee van helle kleuren schilderde alover de wolkenbanken aan de westerpoort, als alle geluiden verwasemden in de kalmte van den komenden nacht, dan kwam ze met heur witte kapken omzichtig het lage deurken uit en schoof traagjes door de wegeltjes, genietend van de bloemen die toe gingen en van de vesteboomen die groot en somber tegen den gulden, trillenden hemel gedonkerd stonden. En als ze van heur hofke genoten had als van een zeer zoeten wijn, bleef ze naar het fonteintje turen, dat blonk in de deemsterende lucht. Heur gedachten verdroomden zich dan in het lichtende gespeel der reutelende droppelkes, die beprikten het vijvervlak, alsof een vlugge meisje dat een fijne luchtkant aan ’t speldewerken was. Zoo bleef ze tot de koele winden opzoefden en de heilige nacht steeg. En dan, zoo zalig alsof ze God in heur hert besloten had, ging ze in heur zuiver bed heur klare droomen genieten.
Zoo ging het elken zomerdag, als de avenden innig zijn lijk middeneeuwsche gebeden. Het fonteintje was een stuk van heur leven geworden, iets dat ze noodig had als brood. O! ’t was heur zoo weldadig, half-bedwelmd door de zware avondgeuren in de geruischlooze, wakke nachtstilte te genieten van het subtiele leven in God, den goeden vader, levend in het pluimende fonteintje.
Nu was het weer een nieuwe dag, die in den avond versmoorde. Hoog was de hemelkoepel, grijs en donker, en de laaiende kolk van lillend bloed en purper aan de westerpoort, waar de zon warm-rood als een lichtende robijn in versmachten ging, zette de aarde in fellen gloed. Zoo stond de zomerschoonheid een poosje stil als om zich zelf te aanbidden. En de zonne zonk weg in den grijzen zomerwasem aan den horizont en het gloeiend rood en purper vervaagde tot er ten laatste een gele trilling hangen bleef, onzichtbaar vervlietend in den donkeren. ’t Was avond. De hofkens lagen in diepe rust en men hoorde geene geluiden. Alleen het koozende gedroppel van het dripselende fonteintje leefde in de stilte. De avond waasde zijn nevels om de lage dingen.
Lang reeds hing het witte kapken van Lijzebeth roerloos over de sombere palmenhaag. Ze was een witte bloem in den avond. Heur ziel droomde in het fonteintje.
Ze had gezien hoe het daarstraks rood straalde in het tanend daglicht, als een bloedstraal uit het hert van Jezus, en ze zag hoe het nu wit zoefde in den donkeren als een witte, wiegende pluim. In heur leefde een wonder gevoel dat ze nog nooit had waargenomen. Zij voelde zich groeien, groeien en ’t was of heur ziel zich uitstrekte, wijd, over heel de wereld. Een ongekende zaligheid steeg naar heur hoofd, bedwelmend. ’t Was alsof de zegen des Heeren als een vatbare lelie in heur binnenste groeide en geurde, en heur bloed witten wijn wierd. Bij poozen look ze de oogen om van de goddelijke deugd nog meer te genieten. Dan weer blikte ze naar de sterren die zilverperelden in het ijle blauw der luchten... ze glimlachte: daarachter gloorde de hemel!...
Ze hoorde het fonteintje, ze zag hoe het steeg, en met langzaam gebaar naar de aarde boog. En ze wenschte ook een fonteintje te wezen, dat opstralen zou naar den hemel, door de blauw kristalijnen lucht, voorbij maan en sterren en altijd hooger, hooger, om roze droppelend te vallen in de schoone handen van God, dien ze daarboven tronen wist op een ivoren met goud-belegen zetel, omringd van zoet-lachende engelen en roerlooze heiligen in witte gewaden; alles als een groote smettelooze sneeuwroos waar de heilige Drievuldigheid, de drie gouden stampers van zijn.
En als vanzelf, een spontane uitdrukking van heur hoogste geluk, zong ze met trillende stem en geloken oogen, het blanke gelaat ten hemel geheven, het droeve middeneeuwsche liedeke:
Ze staken Heer Jezus een kroon op ’t hoofd
Van twee en zeventig pinnen hoog...
en ’t was of heur zang werd gedragen door de aangehoude begeleiding van ver-pijpende orgels en zuchtende instrumenten. In klagende mineurtoon zuchtte haar stem
Ave Maria
stil verademend om daarna weer te zwellen en bevend van heilige geestdrift ten tweede maal: Ave Maria... haast onhoorbaar vervlietend in de zilveren stilte...
Ze zong verder dan het gewijde lied met diepe liefde en vast geloof:
Ze staken Heer Jezus in zijn groot hert,
Met een mesken, het deed hem, och arme! zoo’n smert!
Ave Maria...
En hooger steeg dan de zoete zang; voller en vatbaarder wierd de sensatie in de volgende strofen en ze meende Hem te zien, heur lief Heerken-Jezu, met groote blauwe oogen en bebloed voorhoofd, de dunne lippen purper in het witte glaat en sprekens rede. Zoo zag ze het schoone hoofd eindelijk groot voor haar in fellen gulden stralenkrans. En tranen kwamen in Lijzebetheke heur oogen en de kitteling die met het zilte vocht over heur bleeke wangen gleed, deed heur ontwaken als uit een diepen slaap. Heur stemme brak en de heerlijke droomerijen vielen uiteen. Ze verschoot, en ze stond nog in heur hofken, leunend op de palmenhaag van somber groene verwe. Ze zag hoe donker de avond was en meteens kwam er een naar gevoel over haar, ze wist zich alleen in den nacht.
Plots hoorde ze gerammel aan het poortje in den brokkeligen achter-muur van ’t pastoorken zijn hofken. Heur hert begon te botsen van ’t verschiet. Ze wist dat het poortje nooit openging, dat het gegrendeld en gesleuteld was sedert jaren, dat er klimop overgroeide en veel griezelige spinnewebben in de hoeken gesponnen waren.
En ’t pastoorken sliep! Droomde ze dan? Ze hield de blikken strak naar het donkere poortje voor het jasmijnen bosselken. God! zouden soms dieven? En toen, toen schrok ze nog meer want een stille, gulden kleerte stroomde over het hofken en van achter de jasmijnenstruiken kwam dan een ezel, dragend een schoone vrouw in wijden witten mantel drukkend aan haar borst een kindeken in witte doeken, en een man in blauwen mantel stapte er moeizaam naast... Och Heere!... nu voer er een blijde klop in Lijzebetheke heur kristelijk hert. Ze herkende den schamelen stoet. Zoo stonden ze gebeeld, wit en blauw, in heur gebedenboek, zoo prijkten ze op de schilderij in de kerk, zoo stonden ze beschreven in heur „Gulden legenden”. Het waren Maria en Sint-Jozef en ’t lief, lief kindeken Jezus!
Zie! hoe al de bloemen in de gulden kleerte opengaan, hoe elke bloem vlamt heur eigen zoete kleur! Het waren als stralende lantarenkens in den hof. Alles lichtte en de boomen en de struiken droegen plekken klaarte, krakend vermiljoen, vlammend smaragd, gloeiend rood en geel en blauw o! zooveel schoons nog! een wondere verlichting in dien geruischloozen Meienacht!
Alles doemde op in de hovekens, gewekt uit zijn diepen donkeren slaap.
De twee huizen droegen veel helle lichtplekken, op de breedvingerige bladen van den muur-wijngaard, en vele vlammekens in de groene ruitjes! De spitse achtergeveltjes verschaduwde in de donkerte.
Lijzebeth zag het ezelken komen grauw van vel, en hoe zijn dunne pootjes trapten zeer preculeus met rythmischen gang, met oppe-en-neere het kopken, moe van zijn goddelijken last; Sint-Jozef blootshoofds, den blauwen mantel lenig plooiend om zijn gebogen rug. Hij was barrevoets met bloed tusschen de teenen, kwetsuren van de lange reis over ruwe steenen en distelen. Hij droeg veel lijden in de diepe oogen en hield den mond gesloten. Zijn neusvleugels trilden van heilige aandoening. En de schoone vrouw in ’t witte kleed, suste het goddelijk kindeken. Maria met droomende oogen en de fijne lijning van kin en wangen, met den slanken witten hals en de lange vloeiende haren die rijkelijk golfden over den witten mantel en over den rug van het ezelken.
Ze stapten naar het fonteintje. Maria daalde dan terneer en sloot zacht het kindeken onder den mantel en neurde lijze: Soeza, soeza mijne, houd uw oogjes toe.
En Sinte-Jozef hield een bruin eerden kroesken onder het waterpluimpken, vulde het met paerelende droppelkes en reikte het zijne Vrouw.
Maria dronk voorzichtig, twee kleine teugskens maar, en zij maakte met heuren vinger Jezus’ kleine lippekens nat, en hij Sint-Jozef zijn vader, dronk het laatste. Toen hij het kroesken geborgen had in den knapzak, vastgesnoerd op het ezelken zijn rug, merkte hij het wit van Lijzebetheke heur kap in de palmenhaag. Hij schrok, Sint-Jozef, stak zijn witte handen smeekend vooruit, zoodat zijn blauwe mantel nog schooner plooide, en sprak smeekend: „O, gij die heel devotielijk heet: Lijzebeth, spreek nooit van Hem die uw bruidegom is, spreek nooit van haar die uw moeder is, noch van mij. Spreek nooit van ons aan anderen, gij die gelaten wachtend zijt den goeden Dood”.
En Lijzebeth met onvaste woorden sprak gedempt: „O... neen... ik zegge niets... nooit...” en verlegen dan sprak ze haastig heur grooten wensch „zeg... mag ik dan het kindeken Jezus eens zien?...”
Maria had het gehoord, knikte vriendelijk lachend en hield haar god-kindeken met beide handen geheven boven de haag... En toen zag Lijzebeth Hem, den Meester van het Leven en de Dood. Heerlijk was Hij, zegenend met zijn poezelige handjes het roerlooze begijntje. Hij glimlachte.
Heur keel kropte, heur oogen schoten vol tranen en ze knielde neer achter de palmenhaag... toen ze weer recht kwam was Maria gezeten op het ezelken. Sint-Jozef zegde: „Lijzebetheke... God! beware u!...” Dan stapten ze verder.
Lijzebeth hoorde het poortje opengaan en weer toe. Tegelijkertijd vervloot de gouden kleerte en de vlammende bloemkens doofden.
Het was weer stille Meie-nacht. Ver, heel ver zong een nachtegaal zijn koninklijke liederen.
Lijzebeth weende van geluk. Ze had hem gezien die aarde en hemel geschapen heeft, ze had haar gezien, heur goede moeder: Maria!...
Toen is ze binnen gegaan, waar ze van den ganscher nacht niet geslapen heeft, maar geschreid, geschreid om het hooge geluk.
De zomer overweldigde nu de boomen en de gewassen der aarde met overdadig groen en de bloemen waren tot hun warmste kleuren en tot vastheid van vorm gekomen. De zon was als een gat in de lucht waaruit het hemelsche vuur in laaiende vlammen, op de berstende aarde gulpte. ’t Was stikkensheet en ’t geleek of er in de natuur een stilstand gekomen was en alle leven vastgevezen stond in deze blakende hitte.
Maar och arme! ’t pastoorken lag plat te bed en bibberend van kou, met een zware ziekte die niemand begreep, die sterker aangroeide, en stillekens aan, maar zeker het laatste leven uit zijn hart peuterde. Tegelijkertijd was er een droeve lucht over het begijnhof gedaald. De begijntjes en kwezelkens waren door die felle mare uit hun lood geslagen en zwijgend geworden als toeë boeken. ’t Had hen uit de zalige tevredenheid hunner piëteit gerukt en nu leefden ze in een atmosfeer, asempakkend en zwanger aan zwerte noodlottige gebeurtenissen. Ze voelden dat er iets akeligs komen moest en dit had hen zoo bevangen dat heel hun sante gedoe er van omgetuimeld was, dat ze niet meer waren de brave zielen die zich heel en al aan den grooten wil van hun Heer onderwierpen en zijn werking, hoe hard dan ook, zonder morren aannamen. Het waren nu gewone menschen die kloegen en jeremiasten om hun grijs herderken, lijk kinderkes om hun zieken vader. Ze durfden tegen malkander niet zeggen dat God wreed was indien hij hun pastoorken bij zich nam, maar ze dachten het toch. En ze baden in hun witgekalkte kamers vóór het zwartlievenheerkruis dat de dood zou keeren. Ze aanriepen alle heiligen en Sint-Just, die boven de Pastoor zijn deur koploos troonde, in ’t bijzonder. In de kerk bleven ze bidden tot laat in den avend. Ze waren reeds te voet in processie naar Scherpenheuvel geweest om van het wonder-beeldeken te smeeken dat het de groote macht van de dood, die drukte op het Pastoorken, zou breken. Ze hadden van alles beproefd, wat volgens de veelzijdige middelen van hun geloof te beproeven was, koortsafbinden, water van kruiskesberg, en andere wonderlike remedies... maar ’t had niets gekort. De dood kwam dichter en dichter en er was bijna geen leven meer in ’t hart van den Pastoor.
Tusschen die harrewarrende begijntjes stond Lijzebeth kalm en gelaten, en hetgeen aan de gewone menschen zoo wreed schijnt, was heerlijk voor haar die hem betrachtte: de Dood. Sedert dien Mei-avond was er in haar een heele ommekeer gekomen. Ze was geworden een heilige—niet omdat ze meer bad en vastte, neen!—die voelde hoe innig het was te leven en heur ziel te weten als een wit-helle vonk, gebonden aan een gulden draad, die vloeide uit Gods hert. Ze leefde in zaligheid, vergetend de beteekenis van alle wereldsche dingen. Zij alleen kende de wondere doening der Heilige Familie, zij alleen voelde de zachte streeling der lichtende zegening van heur Heer. Ze zou die weelde immer voor zich houden, het aan niemand zeggen natuurlijk... want anders...! o!...
Maar somtijds als ze zich verkneukelde van innig plezier bij ’t bedenken van heur rijkdom, kwam in haar een zwart vlammeken van hoogmoed op: Wat zouden de menschen zeggen, zoo ze wisten... Foei Lijzebeth! en ze bad daarna drie paternosters als boete voor dit onzalig gedacht.
’t Gebeurde wel eens, als de begijntjes alle te zaam waren in de groote zaal en de Moeder-Overste voorlas uit heilige boeken van Sinte-Christophorus die Jezus droeg of van Sinte-Augustinus die Jezus ontmoette aan de zee, dat ze zoo graag had willen rechtspringen en het uitroepen, het uitschreeuwen: „Ik heb ook Jezus gezien, en Jezus niet alleen weet-ge, nee, neen, ik heb de heele Heilige Familie gezien, Maria en Sinte Jozef”.
En als ze daarna weer in heur kamer alleen zat was ze blij dat ze het niet gezegd had en bad ze zes Paternosters om van die temptatie verlost te blijven. Denk eens welke zonde ze doen zou met aan Sinte-Jozef ongehoorzaam te zijn. Ze ging recht naar de hel voorwaar!
Het fonteintje was nu heur leven geworden. De gebeden die ze anders ter kerke bad, las ze nu hier, in de roerelooze avonden. In de kerk smakte ze aan heur zaligheid en bad geen fits... ’t was wel tegen de regels der orde, maar het was heur zoo natuurlijk geworden dat ze het niet anders meer doen kon. En had Hij van dit water niet gedronken? en was daardoor alleen, dit fonteintje niet geworden het grootste heiligdom die er bestond in het heele land van Rijen? Had hij het fonteintje niet opgezocht God weet van hoe ver! en rustte er nu niet voor eeuwig het goede oog van zijn Vader op? Was dit water nu niet het best-gewijde dat blonk onder de zon?
Het was in heur opgekomen dat ze het Pastoorken genezen kon met hem van dit water te laten drinken. Maar langs den anderen kant vreesde ze den wil des Heeren tegen te werken want wie wist nu toch bepaald waarom God het Pastoorken, ondanks Scherpenheuvel en Kruiskesberg, zoo lijden deed? In de wereld is er voor ons toch niets te doen dan te luisteren naar hetgeen van boven komt.
Met die gedachte leefde ze rustig, biddend om de temptatie ver van zich te houden.
Op een Zondag-namiddag, als de zomerhitte op het land daverde, zat Lijzebeth in heur koele keuken en las devotielijk in heur liefste boek: „De Hoeksteen van het godvruchtig en Kristen leven”. Ze las het parabel „Den Barmhartigen Samaritaan of hoe men ten allen tijden de lijdenden verzorgen ende helpen moet”. Ze verschoot toen ze die zwarte woorden onder heur oogen kreeg, het bloed zonk in heur voeten, want nu voelde ze duidelijk dat ze kwaad deed met het oude pastooreken niet te helpen, en zelf door de dagen te varen, onbezorgd. Ze hielp heur evennaasten dus niet. Wat zou men heur al niet zeggen kunnen, als ze verschijnen moest voor Jezus’ stoel! Zij hielp heur evennaasten niet en was als de pharizeër en de leviet die voorbijgegaan waren en fel boeten zouden hun hardvochtigheid.
Toen werd ze gewaar dat een groot kwaad heur drukte, dat al het innige genot van vroeger een wazige onwaarheid was, een verdwenen begoocheling. Het withelle vlammeken dat brandde in heur hert doofde en de gouden draad die haar gebonden hield aan den Vader vervloot in de blauwende lucht. Het drukkend gevoel der eenzaamheid, van het verlaten zijn, kwam over haar, het boek ontglipte heur handen en in een snikkend geschrei barstte heur diep verdriet uit!
Ze weende, en sloeg berouwvol op heur borst: „Och Heerken-lief, vergiffenis, laat me niet alleene, ik wist niet, ik zal ’t Pastoorken helpen, laat me in Godsnaam toch niet alleene!” Lijzebeth weende, en ’s nachts heeft ze, het hoofd geborgen in heur peluw, de armen kruisgewijs gedrukt op heur magere borst, zoo luide gesnikt dat ze er heesch van was.
Toen de morgen zijn licht achter de aarde omhoog duwde kwam er stillekens aan wat klaarte in het arme begijntje heur ziel. Een stemmeke, nauw hoorbaar sprak heur het Pastoorken van het wondere water te laten drinken, het was immers nog tijd, hij leefde nog, zij behoefde niet te weenen, ze wist het niet, ze had gehandeld volgens heur geweten, en hoe kon een onwetende zondigen?
Ja, ja, ze zou ’t Pastoorken helpen.
Ze verlangde naar den avond om water te kunnen scheppen, verlangde den heelen dag en keek gedurig aan naar de traagkruipende wijzers der horloge, die den tijd kunnen meten.
Toen de zon achter de aarde verdwenen was en de langgerokken schaduwen der boomen alles verdonkerden in de tuintjes, stond Lijzebeth reeds ongeduldig in heur achterdeurken, een steenen kroesken in de hand, om zoo gauw mogelijk maar verlost te geraken van heur grove zonde. Want Heereje! had ze zoo eens moeten sterven! denk toch eens wat vreeselijke straf heur wit zielken treffen zou! Ze hield zich vast aan de kille deurklink om niet te vallen van dat gedacht alleen!
Als het heel donker was, dat ze de bloemen en de struiken niet meer zag, sloop ze omzichtig heur hofken in tot aan het brokkelige venstermuurken, wrong zich tusschen muur en haag door in het pastoorken zijn hof en stapte vlug naar het wondere fonteintje, dat was als een groote lichtend zwaard in de wegende donkerte.. Maar ei! wat deed ze nu weeral! Liep ze hier niet op heiligen grond waar de Heilige Familie in dien stillen Meie-nacht getreden had? Ze dierf niet voort, want onwaardig was ze heur voeten te zetten waar Hij eens ging. Ze wist niet wat te doen.
Plots kreeg ze het klare gedacht hier blootsvoets te loopen en ten minste zoo dezen gebenedijden grond te eerbiedigen. Ze deed heur muilen uit, stroopte de witte kousen af de beenen en trad nader. Vóór het fonteintje knielde ze devoot neder, boog het hoofd en bad: „Geloofd zij Jezus Christus”. Dan, met bevende hand stak ze het kroesken onder den neerdruppelenden straal. De druppelkens kletsten in het kroesken. Nauwelijks was het vol of ze sprong en ijlde vlug naar ’t einde van het hofken, blijde met het water.
Toen ze den anderen dag aanbelde bij Menheer Pastoor, het wonderwerkend water in heur schoonste roodbebloemde kopje kreeg ze ineens een akelig gedacht: Wat doen, als ze vragen zouden vanwaar dit watertje kwam. Ze wilde aan ’t peinzen gaan, terugloopen! maar daar hoorde ze den slef van de meid reeds en de deur ging open. Met stotterende stem, gansch verbauwereerd zei Lijzebeth: „Juffrouw, vergeef me, ja, hier is water, gweet, water dat geneest, voor Menheer Pastoor”. Ze werd rood, als een kollebloem. De meid zei merci en kletste de deur toe.
Nu zou ’t begijntje toch bekennen moeten. God toch! wat zou er dan gebeuren? Zou ze niet kiksneergebliksemd worden om aan Sinte-Jozef ongehoorzaam te zijn geweest en heur zieltje! zeg! heur zieltje dan? Het was nu eenmaal zoo en nu zou de martelie beginnen! God! och God toch! Neen! zeggen zou ze het niet, nooit zou ze het zeggen! Liever ongehoorzaam zijn aan al de pastoors van de wereld, dan aan Sinte-Jozef!
Zoo werd ze nu gekweld den heelen dag. Ze liep her en der van ongerustheid, brak drie tellooren ’s middags en verpletterde heur vinger aan de achterdeur. In den nanoen liep ze de veste op, om daar wat vrede te vinden. De zon kletste haar gloeiende hitte op het zomersche land en deed alles krimpen in haar geweldig vuur. Ze wenschte dat het water niet zou helpen, alzoo bleef alles in den doofpot.
Lijzebeth wandelde den Nethedijk op in de blanke zon. Nevens haar broeide het hooggetijde water in de vlammende kleerte. De weiden en de korenvelden gloeiden in den fellen brand. Alles was stil en roerloos. De boomen stonden daar verschroeid lijk afgeleefde dingen, zonder beteekenis. Lijzebeth zag die dingen. Maar in heur kop spookte het anders! Wat had ze nu berouw de parabel van dien dommen Samaritaan gelezen te hebben! Nu was ’t uit het zoete leventje in de gedurige aanwezentheid van Hem die heur zoo vaderlijk gezegend had! Ze poogde heure gedachten te verzetten met te lezen in Salomons lied en ze viel op den zin: „Mijn liefste is mij een bundelken mirre dat tusschen mijn borsten vernacht—zie gij zijt schoon mijn liefste, ja liefelijk van gedaante en het groen versiert onze bedstede...” maar ach! heur liefste ging heenvlieden misschien, want ze voelde dat hetgeen komen ging sterker was dan zij zelf. „Ach laat den Pastoor met dit water niet genezen!”
Toen het op Sint-Gommarustoren zes uur rammelde kwam ze langs het waschhuis het begijnhof in.
Maar zie wat was er nu gebeurd? wat liepen de begijnen zoo bedrijvig rond? Ze zagen Lijzebeth en riepen heur van ver: „Zeg! zuster Lijzebeth! ’t Pastoorken is genezen! Menheer Pastoor is opgestaan! Het water dat ge hem gebracht heb, genas hem, zuster Lijzebeth!
Waar hebt ge dat water toch gehaald? zeg! waar? Geef mij er ook wat, zuster Lijzebeth!”
En ze liepen naar heur toe en wrongen zich om heur heen, vertellend met grooten mond en vele gebaren van het wonder. En ze baden zuster Lijzebeth: „Geef mij er ook wat voor mijn rheumathisme” en anderen: „en mij voor mijn tandpijn” of „voor mijn eksteroogen, toe zuster Lijzebeth!”
Maar zij gaf geen bescheid, want nu zou ze den genadeslag krijgen. Zeggen of niet zeggen! en o! de hel! langs alle kanten de hel! ze lachte pijnlijk en stapte vlug huiswaarts nu, immer omringd door die snappende begijnen die kloegen, kloegen steenen uit den grond om de simpele pijnen die ze te verduren hadden.
En ei! aan den draai van ’t Sint-Agathastraatje zag ze Menheer Pastoor frisch en blij in zijn deur staan. Zij liep naar hem toe en bad met hokkende stem: „Och! Menheerken, vraag het niet, vraag het niet, er zit niets kwaads in! als ’t u blieft! vraag het niet”. Hij goedmoedig, lachte tevreden en antwoordde: „Och! ’t is niets, zuster, ge moet het niet zeggen nu, ’t is goed zoo, ik bedank u zeer!” Blijde vluchtte het begijntje in heur huis.
Lang nog bleven de andere zusters met koppeltjes in het straatje staan, geheimzinnig besprekend het mirakel van den dag.
Sedert dezen dag leefde Lijzebeth alleenig. De zusters schuwden heur en spraken heur nooit meer aan. Ze gaf daar niets om. De vreeselijke angst dien ze echter sindsdien uitstond van toch eens gedwongen te worden uitleg over heur wonderwater te geven, verzwakte heur merkelijk. Ze sliep er bij nacht niet van en vermagerde als een riet.
Zaterdag voor Ons-Heer-Hemelvaart riep Menheer Pastoor heur bij zich.
Nu zou het gebeuren, dacht Lijzebeth.
Wit, als het wit van heur effengestreken kapken, trad ze in zijn lage achterkamerken. De superieure en de priester zaten aan de ronde tafel. Zij ook moest zich zetten.
En hij zei dan: „Juffrouw Lijzebeth, de dingen zijn in den laatsten tijd wel anders gegaan dan ge hebt gepeinsd. Er wordt hier veel over u gesproken. Er worden geheimzinnige, vreeselijke dingen verteld over u, sedert ge me dat wondere water hebt te drinken gegeven. En ik vraag u nu, vlak te zeggen in de tegenwoordigheid der Eerweerde Moeder Superieure, waar ge dat water gehaald hebt”.
Lijzebeth weende.
„Kom, ween nu niet”, zei ’t Pastoorken, „er steekt immers toch geen kwaad achter”.
Toen beet ze hem toe in harde woorden:
„Neen! neen! ’k zegge niets, niets!”
„En de gehoorzaamheid aan uwe oversten?”
„Neen! neen! ’k zegge niets, niets!”
„Goed dan!” zei hij weer, „’t zal dan toch wel waar zijn!”
„Wat waar zijn? o! weet ge het dan? weet ge het dan? maar ge kunt niets weten, niets, niets, ik heb nog niets gezegd! ge kunt het niet”.
Ze verstonden het anders. De superieure en de Pastoor stonden recht en gingen bevend achteruit...
„Ga! wij zullen weten wat te doen!...”
„Wat doen toch, wat doen?”
„Ga nu!”
Toen trad Lijzebeth de gang in. De twee anderen volgden. De voordeur stond open. Ei! wat al begijnen die daar stonden voor het huis, dicht tegen elkander gedrumd, wit en zwart, en met nieuwsgierige gezichten naar Lijzebeth gekeerd toen ze in het deurgat kwam. Het arme begijntje was beschaamd en dorst niet opzien.
„Wat doen toch?... zeg! wat denkt ge van mij?...”
En hij, Menheer Pastoor, stak de borst vooruit en sprak met hoekige woorden: „Liever ware ik gestorven dan genezen te worden door de macht van den duivel, nu is het leven me een vloek! een vloek!”
Daar had ge het! daar hadt ge het! hoe vreeselijk!
En al de begijnen samen barstten uit met geweldige rapstemmen, als ’t kraaien van oude hanen: „Tooverheks! tooverheks! duivelskind!”
En zij toen, in edele verontwaardiging stak het witte gelaat fier vooruit en schreeuwde in hokkende klanken: „Gij slechte menschen die God lastert! neen ik! ik ben geen tooverkind! Het water heb ik geput aan ’t Pastoorken zijn fonteintje! ja! aan zijn eigen fonteintje! waar de Heilige Familie aan drinken kwam, ja! ja! Jozef en Maria en ’t Kindeken en ’t ezelken, dat heb ik gezien! ik gezien! en daarom is het water zoo goed!” Ze kon niet verder. Heur borst hijgde van ’t danig geweld.
Maar de anderen, niet geloovend, riepen woest: „Dat ’s niet waar! dat ’s niet waar! hoe zoudt gij! ge liegt, leelijke tooverkol! Jezus is in den hemel en de vlucht van Egypte is duizenden jaren geleden! En hoe zoudt gij? gij zijt niets meer dan wij! niets meer! tooverheks!” Toen is Lijzebeth van heur zelve gevallen, op de kille steenen van de straat.
De begijnen zijn naar huis gegaan. De superieure gebood het.
Zoo lag zij, die Hem gezien had, verlaten in de stille straat. Achter de gordijntjes der andere huizen loerden nieuwsgierige begijnen-koppen. Zij is terug bij heur zelve gekomen, is in heur huizeken gesukkeld en heeft zich daar tot bloed geslagen omdat ze Gods gebod nu toch overtreden had.
Den anderen dag verliet ze het begijnhof. Het fonteintje stierf na haar vertrek en ’t vijvertje werd gedempt. Ze woonde in steden en dorpen, in hoef en herberg, als meid. En als ze te weten kwamen dat ze getooverd had, moest ze weer de baan op, om den spot en de verachting te ontgaan. Op ’t laatste kwam ze in de Walen—waar men aan God niet gelooft—bij een slunsige boerin terecht, waar ze varkens hoeden moest. Toen men van heur wonder leven vertelde, lachte de dikke boerin medelijdend, en zei dat ze onnoozel was.