ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Een geplaveide weg, met sphinxen aan beide zijden, leidde van den Griekschen Serapis-tempel naar de in rotsen uitgehouwene Apis-graven en de daarnaast en daarboven opgetrokken tempelgebouwen en kapellen, waarin de Osirische of gestorvene Apis-stier werd vereerd, die, zoolang hij leefde, te Memphis in den tempel van den god Ptah, aan wien hij geheiligd was, verpleegd en aangebeden werd1. Na zijn dood werd dit heilig dier, hetwelk zich door bijzondere kenteekenen onderscheidde, op buitengewoon kostbare wijze begraven. Men noemde het dier de verrezene Ptah en beschouwde het als eene afbeelding der ziel van Osiris, door wiens scheppende kracht al wat gestorven en vergaan was,—de mensch die was heengegaan, de verdorde plant en ook de hemellichamen na hun ondergang,—werd herboren en een nieuw leven ontving. De veranderingen, waaraan het schijnbaar vergaande onderworpen was tot dat het in nieuwe vormen herschapen werd, stonden onder de bescherming van Osiris-Sokari, die naast Osiris-Apis werd vereerd, en in de tempels, reeds in overoude tijden in zuiver Egyptischen stijl boven de graven der heilige stieren opgericht, verrichtten Egyptische priesters de godsdienstige plechtigheden.

Maar ook de Grieksche dienaars van Serapis—eene godheid die door de Ptolemaeën uit Azië naar het Nijldal was overgebracht, om aan hunne Helleensche en Egyptische onderdanen een wezen ter vereering te geven, aan welks altaren zij zich tot een gemeenschappelijk gebed konden vereenigen—offerden, het voorbeeld van hunne vorsten volgende, gaarne aan Osiris-Apis, die niet alleen door zijn naam, maar ook door zijn innerlijk karakter zeer na aan Serapis verwant was. In kapellen, in Griekschen stijl opgetrokken buiten het Egyptische heiligdom, waarin steenen stierenbeelden stonden, dienden zij de tot Osiris geworden Apis, en lieten zich gaarne in de hoogere beteekenis van zijn wezen inwijden. Alle godsdienstige mysteriën in het Grieksche vaderland hadden toch ook betrekking op de onsterfelijkheid en het lot der zielen in eene andere wereld.

Evenals twee tegenover elkander liggende steden door eene brug, zoo waren de Grieksche tempel van Serapis, waartoe de kruikdraagsters behoorden, met de Egyptische van Osiris-Apis door de fraai geplaveide processie-straat verbonden, waarop Klea thans voortliep. Er was een nadere weg naar Memphis, maar zij koos deze, omdat de zandheuvels aan beide zijden der met sphinxen bezette straat, die dagelijks van het woestijnzand moest schoongeveegd worden, haar aan de blikken harer tempelgenooten onttrokken. Van een met borstbeelden van wijsgeeren versierd halfrond in de nabijheid van den hoofdingang der nieuwere Apis-graven, leidde ook de beste en veiligste weg naar de stad.

Zij keek noch naar de leeuwenlichamen met menschenhoofden ter zijde van den weg, noch naar de dierengestalten op den muur die hem begrensde; zij sloeg geen acht op de donkerkleurige tempelslaven van Osiris-Apis, die het plaveisel met groote bezems aanveegden, want zij dacht slechts aan Irene en hare zware taak, en liep haastig voort met nedergeslagen oogen.

Maar reeds nadat zij enkele schreden had afgelegd, werd zij vlak in hare nabijheid bij den naam geroepen, en toen zij verschrikt de oogen opsloeg, stond de kleine smid Krates voor haar, die op haar toetrad, haren sluier greep, die een weinig op zijde schoof eer zij het verhinderen kon, en vroeg: »Waar gaat gij heen, meisje?”

»Houd mij niet op,” smeekte Klea. »Gij weet dat Irene, waarvoor gij zoo goed zijt, geroofd is; misschien kan ik haar redden. Maar wanneer gij mij verraadt en zij mij volgen...”

»Ik zal u niet belemmeren,” sprak de oude man, haar in de rede vallende. »Ja als ik niet zulke gezwollen voeten had, dan ging ik met u, want ik kan dat arme lieve schepsel maar niet vergeten. Maar ik zal blij zijn, als ik weder in mijne werkplaats stil kan gaan zitten, want het is precies alsof er in elk mijner groote teenen zulk een fabrikant huist als ik ben, en hij daarin bezig is met vijlen, hamers, beitels en spijkers. Misschien zal het u toch wel gelukken uwe zuster te vinden, want eene listige vrouw is dikwijls geslaagd in hetgeen voor wijze mannen te moeilijk was. Ga nu heen, en al zoeken zij ook naar u, de oude Krates zal u niet verraden.”

Hij knikte Klea vriendelijk toe, en had haar reeds half den rug toegekeerd, toen hij zich nog eens omwendde en haar toeriep: »Wacht nog een oogenblik, meisje, gij kunt mij een kleinen dienst bewijzen. Ik heb zoo straks het nieuwe slot in de deur der Apis-groeve daar ginds ingezet. Het is mij zeer goed gelukt, maar aan den eenen sleutel, dien ik maakte, heb ik niet genoeg; wij moeten er vier hebben. Wees gij zoo goed ze uit mijn naam tegen overmorgen te bestellen bij den slotenmaker Heri, die voor de poort van den Sokari-tempel woont, links naast de brug over het kanaal. Gij kunt hem niet missen. Even gaarne als ik iets nieuws uitvind en maak, even afkeerig ben ik van namaken, en naar een voorbeeld werken kan Heri evengoed als ik. Weigerden mijne beenen mij hun dienst niet, dan deed ik zelf deze bestelling, want wie altijd door den mond van een ander spreekt, wordt dikwijls verkeerd of in het geheel niet begrepen.”

»Ik wil u gaarne dien weg uitwinnen,” antwoordde Klea, terwijl de smid zich op het voetstuk van een der sphinxen aan den weg nederzette, de lederen tasch, die aan zijne zijde hing, afnam en den inhoud in zijn schoot uitschudde. Er kwamen eenige vijlen, beitels en spijkers te voorschijn, vervolgens de sleutel en eindelijk ook een scherp puntig mes, waarmede Krates de holte voor het slot in het hout van de deur gesneden had.

Hij deed nog eenige vijlstreken aan het model voor den handwerksman in Memphis, terwijl hij in zichzelven bromde en het hoofd ontevreden heen en weer schudde, en zeide ten laatste: »Gij dient mij toch nog even naar de deur te volgen, want ik verlang van anderen nauwkeurig werk en moet daarom ook streng zijn voor mijzelven.”

»Maar ik moet in Memphis zijn, voor het donker wordt,” zeide Klea.

»Het zal maar een oogenblik duren, en als gij mij een arm aanbiedt, gaat het eens zoo snel. Daar zijn de vijlen en daar is het mes.”

»Geef mij dat mes,” vroeg Klea. »Dit wapen is spits en blank, en toen ik het zag, was het mij als werd mij ingefluisterd, dat ik het mede moest nemen. Misschien moet ik in den nacht alleen door de woestijn....”

»En,” ging de smid voort, »ook de zwakke gevoelt zich sterker, als hij een wapen bezit. Steek dat mes maar bij u, mijn kind, doch wees voorzichtig, dat gij uzelve er niet mede kwetst. Kom, laat ik u nu een arm geven en dan altijd voorwaarts, maar toch niet al te snel.”

Klea bracht den smid voor de door hem aangewezene deur, zag met bewondering hoe juist de grendel voorsprong, wanneer men den eenen deurvleugel tegen den anderen wierp, en hoe gemakkelijk de sleutel dien weder terugschoof. Daarna bracht zij Krates naar de sphinx terug, waarbij zij hem ontmoet had, en zette vervolgens met rassche schreden haar weg voort, want de zon stond reeds zeer laag, en het scheen bijna niet mogelijk Memphis te bereiken vóor zij zou zijn ondergegaan.

In de nabijheid van een herberg, die gewoonlijk door soldaten en slecht volk werd bezocht, kwam haar een dronken slaaf tegen. Zonder schroom naderde zij hem en ging hem voorbij, want het mes in haar gordel, waarvan zij het heft in de hand hield, sterkte haar moed, en het kwam haar voor, als had zij daarmede eene derde hand gewonnen, die krachtiger en minder vreesachtig was dan hare eigene.

Voor de herberg was eene afdeeling soldaten gelegerd, die zich den wijn van Kakem, die hier wies aan de oostelijke helling des heuvels van het Lybische gebergte, voortreffelijk lieten smaken. Deze lieden waren zeer vroolijk, want nadat zij maanden lang als wachters voor de Apis-graven en voor de tempels in de Necropolis gelegen hadden, was er heden middag plotseling een aanvoerder der Diadochen uit Memphis gekomen, met het bevel om terstond op te breken, ten einde vóor den nacht de residentie binnen te trekken. Eerst den volgenden morgen zouden zij door andere soldaten afgelost worden.

Dit alles vernam Klea van een bode van den Egyptischen tempel in de doodenstad, die haar herkende en naar Memphis ging, om, ingevolge een opdracht der priesters van Osiris-Apis en Osiris-Sokari een schrijven aan den koning over te brengen, waarin verzocht werd de opgeroepen soldaten spoedig door andere troepen te vervangen. Een tijdlang ging zij met den bode mede, maar weldra kon zij den hardlooper niet meer bijhouden, en was zij genoodzaakt achter te blijven.

Voor een tweede herberg zaten de bevelhebbers der soldaten, wier getier zij zooeven bij de eerste had gehoord. Al drinkende keken zij naar den dans van twee Egyptische deernen, die bij hun dolle sprongen giggelden als kakelende hoenders, en zoo zeer de aandacht wisten te boeien van hare toeschouwers, die met in de handen te klappen de maat voor haar sloegen, dat Klea, die zich voortspoedde, deze wilde gezellen ongemerkt voorbijkwam.

Dat soldatenleven, en alles wat haar op den landweg ontmoette, maakte de jonkvrouw, die aan de stilte en het rustige leven in den tempel van Serapis gewend was, beangst. Daarom sloeg zij een zijpad in, dat ook moest leiden naar de stad, die zij reeds met hare pylonen, haar burcht en hare huizen, met een avondnevel omsluierd, vóor zich zag liggen. In een kwartier zou zij de woestijn wel achter zich en het akkerland bereikt hebben, welks blauwgroene oppervlakte al donkerder en donkerder werd gekleurd. Achter haar ging de zon achter de Lybische bergen onder en weldra—want de schemering duurt kort in Egypte—omgaf haar de duisternis van den nacht.

De westenwind, die reeds des morgens was opgestoken, begon feller te waaien en vervolgde haar met zijn heeten gloed en het zand, dat hij uit de woestijn medevoerde. Thans moest ze in de nabijheid van water zijn, want zij hoorde de roerdompen fluiten en meende vochtige lucht in te ademen. Nog enkele schreden: daar zonk haar voet in slib en zij bemerkte nu, dat zij voor een breede gracht stond, waaruit papyrus-stengels hoog opschoten. Het zijpad dat zij had ingeslagen liep op dit plantsoen uit en haar bleef niet anders over dan om te keeren, en tegen den wind en het haar in het aangezicht waaiende stof in, hare wandeling voort te zetten.

Het licht van de herberg wees haar de richting, die zij moest volgen, want de maan stond wel aan den hemel, maar er dreven donkere wolken, die telkens haar licht onderschepten en de kleinere hemellichten voor eenige seconden bedekten. Zij gevoelde nog geene vermoeidheid, maar het geschreeuw der mannen en het heesche gejuich der vrouwen, dat haar uit die kroeg tegenklonk, vervulde haar weder met angst en afschuw. Door zandduinen wadende, en haar kleed ophalende aan distels en doornen, die in de woestijn welig wortel hadden geschoten en daarin even welig waren opgegroeid als kinderen in het huis van den bedelaar, maakte zij een grooten omweg om de herberg heen.

Toen zij vervolgens op den grooten weg voortijlde, meende zij nog altijd dit afschuwelijk gelach en de schrille vreugdekreten der danseressen te vernemen. Haar bloed stroomde sneller door de aderen, haar hoofd gloeide; zij zag Irene voor zich, zoo duidelijk alsof zij haar tasten kon, met loshangende haren en fladderende kleederen, als eene Maenade bij de Dionysosfeesten in dollen rondedans uit de armen van den een in die van den ander vliegen, en hoorde haar waanzinnig gillen en schreeuwen als die ongelukkige meisjes, waarvoor zij uit den weg was gegaan. Zij gevoelde zich door zulk een onbeschrijfelijken angst voor hare zuster aangegrepen, als zij nog nooit te voren had ondervonden, en daar zij den wind nu weder in den rug had, liet zij zich maar voortstuwen, zette het op een loopen, ja vloog, zonder om te zien en te denken aan hetgeen de smid Krates haar had opgedragen, als door Erinnyen gedreven de stad in en den met boomen beplanten weg langs, die, gelijk zij wist, op de poort van den koningsburcht uitliep.


1 Vgl. Ebers’ Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.