NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Terwijl Klea naar het gesprek van koning Euergetes met den eunuuch luisterde, zat Kleopatra in hare tent, en liet zich met niet minder zorgvuldigheid maar met andere gewaden dan den vorigen avond aankleeden. Heden was zeker niet alles geloopen zooals zij ’t wenschte, want twee harer kameniers hadden rood bekreten oogen. Hare speelgenoote Zoë las weder voor, maar ditmaal niet uit een Helleensch philosoof, maar uit de Grieksche vertaling der Joodsche psalmen, over welker dichterlijke waarde eenige dagen geleden aan tafel een twistgesprek was ontstaan. De Israëlietische generaal Onias had namelijk beweerd, dat deze gezangen met die van Alkman of Pindarus op éen lijn gesteld konden worden, en er eenige plaatsen uit voorgedragen, die de koningin zeer bevallen hadden.

Heden was zij niet geschikt om te denken: zij had iets vreemds, iets buitengewoons noodig om zich te verstrooien, en beval daarom Zoë het boek der Hebreërs op te slaan, waarvan de vertaling door de Helleensche Joden in Alexandrië voor een voortreffelijk, ja door God zelven ingegeven werk werd gehouden, waarmede zij door hare Israëlietische vrienden en dischgenooten sedert lang kennis had gemaakt.

Kleopatra kon zoo wat een kwartier naar Zoë’s voordracht hebben geluisterd, toen aan den voet van den trap, die tot haar tent leidde, een teeken met de trompet werd gegeven, hetwelk het bezoek van een man aankondigde.

De koningin keek onwillig op, gaf hare speelgenoote een wenk om even op te houden, en zeide: »Ik wil thans mijn echtgenoot niet zien. Ga, Thaïs, en zeg den eunuuch aan den trap, dat ik Philometor laat verzoeken mij thans niet te storen.—Lees verder Zoë!”

Reeds waren tien nieuwe psalmen voorgelezen en eenige strophen op verlangen van Kleopatra, twee- en driemaal herhaald, toen het vlugge Atheensche meisje met hoogroode wangen terugkwam en met eene stem, die hare opgewondenheid verried, zeide: »Niet uw echtgenoot, de koning, maar uw broeder Euergetes wenscht u te spreken.”

»Hij had wel een ander uur kunnen kiezen,” antwoordde Kleopatra en keek om naar hare kamenier.

Thaïs had de oogen nedergeslagen en met hare vingers wat aan haar kleed getrokken, terwijl zij sprak tot haar gebiedster. Doch de koningin, wie niets ontging wat zij wilde zien, en die zich heden niet in eene stemming bevond om te lachen of iets onbetamelijks ongestraft te laten, liet er onmiddellijk op verbitterden toon op volgen, terwijl hare stem zich verhief tot snijdende scherpheid: »Het bevalt mij niet, wanneer mijne boden zich laten ophouden, door wien het dan ook zij; dat moet ge weten! Verlaat mij oogenblikkelijk en ga in uw kamer, waar gij blijven zult, tot ik u heden nacht noodig heb om mij uit te kleeden. Andromeda mag—hoort gij, oude, gij moogt mijn broeder bij mij brengen, en u, denk ik, zal hij sneller laten terugkeeren dan Thaïs. Gij behoeft niet ter zijde te zien naar den spiegel, want aan uwe rimpels is toch niets te veranderen. Mijn kapsel was reeds gereed. Geef mij den linnen mantel om, Olympias, en dan mag hij komen!—Daar is hij waarlijk al!—Gij vraagt eerst om verlof, broeder, en toch verkiest gij niet te wachten, tot het u gegeven wordt.”

»Het verlangen en het wachten,” antwoordde Euergetes, »zijn een paar, dat zich slecht laat vereenigen. Ik heb den ganschen avond onder soldaten met schranzen doorgebracht, ben daarop, om weder eens eenige fatsoenlijke gezichten te zien, naar de gevangenis gegaan, heb toen een bad genomen daar de verf in de verblijven uwer gevangenen wat meer afgeeft en vuiler is, dan in dit kleine godenverblijf, waarin het er uitziet en geurt als in Aphrodite’s toiletkamer. Ik heb nu lust vóor den maaltijd nog eenige goede woorden te hooren.”

»Uit mijn mond?” vroeg Kleopatra.

»Er is er geen aan den Nijl en aan den Ilissus, die beter kan spreken.”

»Wat verlangt gij van mij te hebben?”

»Ik—van u?”

»Zeker, want zoo vleiend spreekt gij alleen, wanneer gij iets begeert.”

»Ik zeide het u reeds! Ik wensch van u iets verstandigs, iets geestigs, iets opwekkends te hooren.”

»Men kan de geestigheid maar zoo niet commandeeren als eene kamenier. Zij verschijnt ongevraagd, en hoe dringender men haar beveelt te komen, des te zekerder blijft zij uit.”

»Dat mag voor anderen gelden, maar niet voor u, die, ofschoon gij verzekert geen Attisch zout te hebben, er toch druk gebruik van maakt. Alles is der schoonheid gehoorzaamheid schuldig, ook de scherts en de scherptongige Momus, die zelfs de goden niet ontziet.”

»Gij vergist u, mijne kameniers komen niets eens op haar tijd terug, wanneer ik haar opdraag eene boodschap aan u over te brengen.”

»Is het dan niet geoorloofd, op den weg naar den tempel van Aphrodite ook aan de Gratiën te offeren?”

»Indien ik eene godin was, dan zou ik weinig ophebben met aanbidders, die mijne dienaressen voor mijns gelijken houden.”

»Uw verwijt is volkomen billijk, want gij moogt verlangen dat, evenals de Joden slechts éen God, allen die u kennen maar éene godin vereeren. Maar wat ik u bidden mag, vergelijk u niet andermaal met die geestelooze Cyprische deerne. Met het oog op uwe bevalligheid zou men er vrede mede kunnen hebben, maar wie zag ooit eene Aphrodite die philosopheert en diepzinnige werken leest? Ik heb u zeker in ernstige studiën gestoord. Welk boek rolt gij daar op, schoone Zoë?”

»Het heilige boek der Joden, mijn koning,” gaf de speelgenoote ten antwoord. »Ik weet, dat het u niet behaagt.”

»En bevalt het u, die Homerus leest, Pindarus, Sophocles en Plato?” vroeg Euergetes.

»Ik vind daarin plaatsen, die van diepe levenswijsheid getuigen, en andere, waaraan niemand dichterlijke verheffing zal kunnen ontzeggen,” antwoordde Kleopatra. »Veel heeft voorzeker een bijzonder barbaarschen bijsmaak, en ik mis juist bij de psalmen, die wij heden lazen, en die men het best tot de hymnen rekenen kan, dat getal en die maat der lettergrepen, dat volgen van een vasten regel, om kort te gaan, den strengen vorm. De koninklijke dichter David was, als hij bij zijne lier zong, niet minder vervuld van de godheid dan andere poëten, maar het genot van onze dichters, om zwarigheden te overwinnen, die zij zich zelven in den weg hebben gelegd, schijnt hij niet gekend te hebben. De dichter moet zich slaafsch onderwerpen aan de wet, waaraan hij zich vrijwillig heeft gebonden, en aan haar elk zijner woorden ondergeschikt maken, en toch moet zijne rede en zijn zang met vrijen vleugelslag schijnen te zweven. Ook de Hebreeuwsche grondtekst der psalmen kent geen metrische regels.”

»Die zou ik ze kunnen schenken,” antwoordde Euergetes. Plato wil ook de lettergrepen niet meten, en ik ken plaatsen in zijne werken, die in den hoogsten graad dichterlijk schoon zijn. Men heeft mij buitendien aangetoond, dat ook de Joodsche gedichten evenals de Egyptische zekere regels volgen, die ik inderdaad eer rhetorisch dan poëtisch zou willen noemen. Men stelt tegenover het eerste lid in eene gedachtenreeks een tweede, dat het andere òf door herhaling in een anderen vorm bevestigt, òf door eene tegenstelling, die het in zich sluit, in een helderder licht plaatst. Zij handelen dus als de redenaars, of ook als de schilders, die gaarne aan de lichte kleur eene donkere toevoegen, om het licht des te helderder te doen uitkomen. Deze manier is wel is waar niet kwaad, maar zij is het juist die mij een afkeer doet hebben van dit boek, waarin ook menig gezegde wordt gevonden, dat behagen kan aan koningen, die hunnen onderdanen gedweeheid, of vaders die hunnen zonen gehoorzaamheid aan hen en aan de wet wenschen in te prenten. Ook moeders, die niets meer verlangen dan dat hunne kinderen zooveel mogelijk ongedeerd, zonder te stooten of gestooten te worden door de wereld komen, langer dan raven of eikeboomen leven en met zooveel nakomelingen als mogelijk is gezegend worden, moeten deze psalmen voortreffelijk bevallen.

»Ja, die voorschriften zijn van hooge waarde, omdat zij hen, die ze opvolgen, de moeite besparen aan zichzelven te denken. De groote god der joden moet dan ook alles, wat in dit boek staat, aan de schrijvers hebben voorgezegd, zooals ik aan mijn gebochelden schrijver Philippus alles dicteer, wat ik wil opteekenen. Zij verklaren ieder, die iets van al het op deze rol geschrevene ongerijmd of menschelijk gelieft te noemen, voor een godslasteraar en heiligschender. De ideeënleer van Plato is ook niet kwaad, en toch heeft Aristoteles haar aan eene strenge kritiek onderworpen en getracht haar te weerleggen. Ik hel meer over tot de overtuiging van den Stagyriet, gij tot die van den edelen Athener, en hoeveel goede leerzame uren hebben wij aan den strijd over dit verschil van meening te danken! Hoe vermakelijk is het te hooren, wanneer onder die drukke windbuilen in het Museum te Alexandrië de Platonisten en Aristotelisten elkander zoo vinnig in het haar vliegen, dat zij het allerliefst elkander de koperen bekers naar het hoofd zouden smijten, indien zij het niet zonde achtten om den wijn, dien ik betaal.

»Wat nu die Joden aangaat, zij meenen de waarheid gevonden te hebben, waarnaar wij zoeken. Dat doen zelfs de zoodanigen onder hen, die zich ijverig bezighouden met de studie van onze wijsgeeren. Toch weten de schrijvers in dit boek alleen van de werkelijkheid der dingen, en hun god, die evenmin andere goden naast zich dulden kan als eene burgervrouw eene tweede in het huis van haar man, moet de wereld uit niets geschapen hebben, met geen ander doel dan om in haar vereerd en gevreesd te worden. Wat toch philosophisch ontwikkelde Joden, die hun Empedocles kennen—en ik geef toe dat er velen van dit soort te Alexandrië zijn, en daaronder fijne scherpzinnige denkers—zich toch wel voorstellen onder eene schepping uit niets? Worden zij niet tot nadenken gebracht, wanneer zij zich de onwederlegbare stelling herinneren, dat niets kan worden, wat niet vooraf is geweest, en dat niets, wat eens bestaan heeft, geheel kan vergaan? Zij zijn ten minste consequent, wanneer zij het leven van den mensch op niets laten uitloopen, uit welk niets al het bestaande te voorschijn kwam. Het is niet zeer verkwikkend naar dit boek te leven en te sterven. Als mensch, die het slapen zonder droomen weet te waardeeren, na den ganschen dag genoten te hebben, en die als hij toch Euergetes niet blijven kan, allerliefst in den donkeren afgrond van het niets zou springen—kan ik mij met die vernietiging na den dood wel vereenigen, maar als philosoof in eeuwigheid niet.”

»Gij zijt wel gedwongen,” hernam de koningin, »alles in zijn geheel en ieder ding afzonderlijk uitsluitend met de maat van het verstand te meten, want de Godheid die u boven duizenden rijk heeft begaafd, heeft in u, dit weet ik sedert lang, het orgaan hetwelk ons vatbaar maakt voor godsdienstige en zedelijke indrukken, met doofheid en blindheid geslagen; als het orgaan hooren en zien kon, dan zoudt gij evenals ik tot de overtuiging moeten komen, dat deze schriften vervuld zijn van hoogen ernst en het gemoed van den lezer geweldig aangrijpen. Zij binden hen, die ze geloovig aannemen, aan eene vaste wet, en ontnemen aan het leed zijne bitterheid, daar zij leeren, dat de smarten komen van een streng vader, welke smarten nu eens worden voorgesteld als opvoedingsmiddelen, dan weder als straf voor overtredingen van de scherpe en zeer bepaalde geboden. Hun God plaatst met de hem eigene onbedriegelijke maar strenge wijsheid hen, die hem aanhangen op moeielijke, hobbelige wegen, om hunne kracht te beproeven, en hen eindelijk te brengen tot het schoone doel, dat hem van den aanvang bekend was.

»Hoe vreemd klinken deze woorden in den mond eener Grieksche vrouw,” zeide Euergetes. »Gij spreekt ze zeker den zoon van den Joodschen hoogepriester na, die de zaak van zijn toornigen god warm en behendig verdedigen kan.”

»Ik dacht,” antwoordde Kleopatra, »dat die bij uitnemendheid krachtige godsgestalte bijzonder in den smaak moest vallen van u, in wien ik geen schijn van zwakheid bespeur. Toen onlangs de overste der Joodsche soldaten, Dositheos, een geleerd man, voor mijn gemaal dien grooten eenigen god trachtte te schilderen, waaraan zijn volk met zulk een onwankelbare trouw gehecht is, scheen het mij toe, alsof onze schoone levenslustige goden niet veel meer waren dan een prettig gezelschap van verliefde heertjes en vroolijke vrouwen, vergeleken met dien ernstigen ontzaglijken man, die, als hij wilde, ze allen zou kunnen verslinden, gelijk Kronos zijn eigene kinderen.”

»Dat is het juist,” zeide Euergetes, »wat mij in dit bijgeloof zoo bijzonder tegen de borst stuit. Het doodt den zorgeloozen levenslust, en zoo dikwijls ik in het boek der Hebreën gelezen heb, kwamen mij altijd dingen in de gedachte, waaraan ik liever in het geheel niet denk. Als een lastig schuldeischer herinnert het aan elke schuld, maar ik bemin het genot en haat alle lastige maners. Ook voor u, schoone zuster, bloeit het leven....”

»Goed,” zeide Kleopatra, hem in de rede vallende, »maar ik bewonder alles wat groot is. En vindt gij het ook niet stout en heerlijk, dat de overweldigende gedachte: er is een eenige, de wereld bewegende en vervullende kracht, die de Egyptenaars angstvallig omhullen en verbergen, die de priesters aan den Nijl alleen durven openbaren aan de bevoorrechten onder hen, die in de oude mysteriën zijn ingewijd, en waarvan Helleensche philosophen wel is waar zonder schroom hebben gesproken, maar die nog geen Helleen in den godsdienst zijns volks heeft ingevoerd: dat die gedachte in de heilige schrift der Joden vrij en open wordt uitgesproken? Indien gij niet zulk een afkeer hadt van het Hebreeuwsche volk, en gij u, evenals mijn gemaal en ik, hadt ingelaten met hunne aangelegenheden en kennis genomen van hun geloof, dan zoudt gij rechtvaardiger zijn jegens hen en hunne geschriften, en jegens den grooten scheppenden en onderhoudenden geest, hun God.”

»Gij verwart dezen ijverzuchtigen, hoogst onbeminnelijken en slechtgeluimden wereldtyran met den absoluten geest van Aristoteles!” zeide Euergetes. »Het meeste, wat gij en ik en alle verstandige Grieken voor hun levensgenot niet kunnen ontberen, wordt door hen voor zonde, altijd voor zonde uitgekreten. En toch, als mijn zachtzinnige broeder in Alexandrië den scepter zwaaide, zou het zijn slimme dienaars misschien gelukken hem tot een vereerder van dezen grooten schoolmeester te maken, die zijn ongehoorzaam gebroed met vuur en ellende straft.”

»Ik wil niet ontkennen,” antwoordde Kleopatra, »dat er ook voor mij in de leer der Joden iets is, dat mij beklemt, en dat hen na te volgen niet veel anders is, dan zich den lust in het leven te benemen. Maar genoeg over deze dingen, die ik evenmin als gij genieten wil als dagelijkschen kost. Verblijden wij ons dat wij Hellenen zijn en laten wij eindelijk naar den maaltijd gaan. Ik vrees dat gij hier boven lang niet alles gevonden hebt wat gij zocht.”

»O neen, ik gevoel mij heden bijzonder opgewekt en het werken met Aristarchus zou niets gegeven hebben. Het is jammer, dat wij over dien barbaarschen rommel zijn gaan spreken, er zijn veel schooner onderwerpen, die den geest meer verheffen. Weet gij nog hoe wij de treurspeldichters en Plato met elkander gelezen hebben?”

»En hoe gij onder de voordrachten over aardrijksbeschrijving onzen leeraar Agatharchides vaak in de rede zijt gevallen, om hem op dwalingen opmerkzaam te maken? Hebt gij deze studiën in Cyrene voortgezet?”

»Natuurlijk! Het is waarachtig jammer, Kleopatra, dat wij niet meer samenleven als toen. Met niemand, zelfs niet met Aristarchus, kan men aangenamer en nuttiger redetwisten dan met u. Als gij ten tijde van Pericles te Athene hadt geleefd, wie weet of gij niet, in plaats van de onsterfelijke Aspasia, zijne vriendin geworden waart. Dit Memphis is zeker niet de rechte plaats voor u; gij moest toch weder eenige dagen in het jaar te Alexandrië komen, dat thans verre boven Athene staat.”

»Ik herken u bijna niet meer,” zeide Kleopatra, terwijl zij haar broeder verbaasd aanzag. »Zoo teeder, zoo kalm, zoo broederlijk hoorde ik u niet spreken sedert den dood onzer moeder. Gij hebt zeker iets zeer gewichtigs aan ons te verzoeken.”

»Nu ziet gij hoe slecht ik beloond word, wanneer ik eens als andere menschen mijn hart laat spreken. Het gaat mij als den herdersknaap in den fabel, toen de wolf kwam. Ik heb zoo vaak onbroederlijk gehandeld, dat gij meent dat ik een masker draag, wanneer ik eens het ware gelaat van een broeder toon. Indien ik iets bijzonders aan u te vragen had, dan zou ik tot morgen wachten, want op een geboortedag slaat zelfs een blinde bedelaar zijn kreupelen metgezel niet licht iets af.”

»Wisten wij maar wat gij verlangt, Philometor en ik zouden het zeer gaarne geven, hoewel gij steeds buitengewone dingen begeert. Onze voorstelling zal bovendien—maar wees zoo goed, Zoë, de meisjes weg te zenden, ik heb nog eenige woorden met mijn broeder alleen te spreken.”

Nadat het vrouwelijk dienstpersoneel van de koningin zich verwijderd had, ging zij voort: »Het doet mij innig leed, maar het beste deel van uw geboortefeest zal niet gelukkig uitvallen, want de priesters van Serapis zijn boosaardig genoeg om ons Hebe niet te willen afstaan. Asklepiodorus schijnt de kleine verstopt te hebben, en drijft zijne driestheid zoover, dat hij ons mededeelt, dat men het meisje uit den tempel heeft weggevoerd, dat hij ons beticht haar geroofd te hebben, en in naam van de geheele priesterschap hare teruggave verlangt.”

»Gij doet den man onrecht, want ons duifje is het gekir van een doffer gevolgd, die haar aan mij niet gunt en thans in zijn nest met haar trekkebekt. Ik ben de bedrogene, en mag mij eigenlijk niet boos maken op den Romein, want zijne rechten waren ouder dan de mijne.”

»De Romein?” vroeg Kleopatra, terwijl zij verbleekte en van haren zetel opstond. »Maar dit is niet mogelijk. Gij maakt gemeene zaak met Eulaeus en wilt mij tegen Publius Scipio ophitsen. Aan het gastmaal hebt gij reeds doen blijken, dat gij hem kwalijk gezind zijt.”

»Uw hart schijnt nog al warm voor hem te kloppen. Maar alvorens ik u bewijs, dat ik niet lieg of scherts, zou ik u willen vragen: wat heeft deze man, met zijn langen naam, deze Publius Cornelius Scipio Nasica, behalve zijn Patricische trots, voor boven elken schoonen Macedoniër uit de lijfwacht, die recht van lijf en leden is, en voor mijn part flink van karakter? Hij is wrang als een zure appel, en niet te genieten, en juist al dit voortreffelijke dat gij, fijne denkster, gij schoone en welbespraakte wijsgeer, weet te zeggen, kan door deze schraal ontwikkelden geest evenmin gewaardeerd worden, als de oden van Sappho door een Nubischen matroos.”

»Juist daarom,” hernam de koningin, »schat ik hem hoog, omdat hij anders is dan wij allen, wij—hoe zal ik mij uitdrukken—die altijd uit de tweede hand denken en onzen voet altijd zetten op het pad, dat de meester, bij wien wij ons aansloten, betreden heeft; wij die onzen geest dwingen te denken in vormen, die anderen gekneed hebben, en als wij spreken niet gaarne buiten de omtrekken der rhetorische figuren gaan, die wij in de school hebben geleerd. Gij hebt deze banden verbroken, maar zelfs uw geweldige geest draagt nog de sporen daarvan; Publius Scipio daarentegen denkt en spreekt geheel onbevangen, en zijn vlugger verstand doet hem zonder moeite en zonder schoolsche geleerdheid het rechte vinden. Zijn omgang verkwikt mij als de frissche lucht die ik inadem, wanneer ik uit den met wierookwalm vervulden tempel naar buiten kom; als brood en melk, die ons onlangs op onze vaart over het overstroomde land gebracht werden door een boer, nadat wij een jaar lang niets dan lekkernijen hadden gegeten.”

»De Romein heeft dus de goede eigenschappen der kinderen,” zeide Euergetes, het woord nemende. »En wanneer dit het eenige is, dat u in hem zoo voortreffelijk schijnt, dan zal uw zoontje weldra de plaats van den Corneliër vervangen.”

»Niet zoo spoedig! neen, eerst als hij ouder is dan gij nu zijt, en een man, een man in den vollen zin van het woord, want dat is Publius! Ik geloof, neen, ik weet, dat hij niet in staat is tot eene laaghartige handeling, dat hij noch met den mond, noch met de oogen onoprecht kan zijn, noch gevoelens huichelen, die hij niet heeft.”

»Waarom zijt gij zoo hartstochtelijk, zuster? Zooveel ijver is heden overbodig. Gij weet toch, dat ik mijn kalmen dag heb, dat deze opwinding u niet goed staat, en dat de Romein niet verdiend heeft, dat gij om zijnentwil uzelve zoudt vergeten. Die knaap heeft het gewaagd u in mijne tegenwoordigheid aan te zien als Paris Helena aanzag, voor hij haar schaakte, hij heeft uit uw beker gedronken en heden morgen zeker niets weersproken van hetgeen hij u gisteren avond met de oogen en misschien ook met den mond durfde zeggen. En toch was hij pas een uur te voren in de doodenstad geweest, om zijn liefje uit den tempel van den somberen Serapis in dien van den levenslustigen Eros over te brengen.”

»Dat zult gij mij bewijzen!” riep de koningin met vuur. »Publius is mijn vriend....”

»En ik ben de uwe.”

»Het tegendeel hebt gij reeds al te dikwijls bewezen, en nu doet gij het opnieuw met leugen en bedrog.”

»Gij schijnt,” zeide Euergetes, zijne zuster in de rede vallende, »gij schijnt van uw onwijsgeerigen minnaar uit Rome geleerd te hebben, uw toorn buitengemeen natuurlijk te uiten. Maar ik ben heden, zoo als ik zeide, zacht als een katje....”

»Euergetes en zacht!” zeide Kleopatra met een gedwongen lach. »Neen, gij beweegt u zacht als eene kat, wanneer zij een vogel beloert, en achter uwe zachtheid verbergt gij een of ander slecht plan, dat wij tot ons nadeel vroeg genoeg zullen leeren kennen. Gij hebt heden met Eulaeus gesproken, die Publius vreest en kent, en het komt mij voor als hadt gij een aanslag tegen hem gesmeed. Doch als gij het waagt hem een enkelen steen in den weg te leggen, dan zal ik u toonen hoe vreeselijk eene zwakke vrouw zijn kan. Nemesis en de Erinnyen, Alektro zoowel als Megaera, de verschrikkelijkste onder de godheden, zijn vrouwen!”

Kleopatra had deze woorden, van woede tandenknarsende, meer sissend geuit dan gesproken, en daarbij haar kleine vuist dreigend tegen den broeder opgeheven. Doch Euergetes wist zijne kalmte volmaakt te bewaren, tot zij had uitgesproken. Toen deed hij een stap voorwaarts, kruiste de armen over zijne borst en vroeg haar met den diepsten bastoon van zijne zware stem: »Zijt gij smoorlijk verliefd op dezen Publius Cornelius Scipio Nasica, of is het uw voornemen hem en zijne geheele voorname kliek in Rome tegen mij te gebruiken?”

Verbolgen en zonder ook maar een oogenblik voor den doordringenden blik haars broeders de oogen neder te slaan, antwoordde zij hem terstond: »Tot op dit oogenblik misschien slechts het eerste; want wat heb ik aan mijn gemaal? Doch als gij voortgaat, zooals gij zijt begonnen, zal ik eens gaan overleggen, hoe ik van zijn invloed en zijne genegenheid aan den Tiber gebruik zal kunnen maken.”

»Genegenheid!” riep Euergetes, en lachte daarbij zoo luide en woest, dat Zoë, die aan de deur van de tent stond te luisteren, een zachten kreet slaakte en Kleopatra eene schrede voor hem achteruitging. »Hoe is het mogelijk dat gij, slimste onder de slimmen, die den dauw hoort vallen en het gras ziet groeien, die hier in Memphis den rook ruikt van elk vuur, dat men in Alexandrië of in Syrië of zelfs in Rome aansteekt; dat gij, de dochter mijner moeder, u juist zoo vergaapt aan een breedgeschouderden knaap, alsof ge eene dikke burgerdochter of een weversmeisje waart! Deze ongeleerde Adonis, die zijn vreemd en streng karakter en de macht die achter hem staat voortreffelijk gebruikt om harten in brand te steken, geeft zoo weinig om Kleopatra, als ik om de aarden kruik waaruit men water schenkt, als ik dorst heb. Gij wilt aan den Tiber partij van hem trekken, maar hij voorkomt u en verneemt door u wat er aan den Nijl gebeurt en wat men in den senaat juist wenscht te weten.—Gij gelooft mij niet, want niemand gelooft gaarne, wat zijn eigen persoon in waarde doet dalen, en waarom zoudt ge mij ook gelooven? Want ik stem dadelijk toe, dat ik mij zonder schroom van een leugen bedien, wanneer ik door onwaarheid verder hoop te komen, dan door de hooggeprezene goddelijke waarheid, die wel volgens uw Plato verwant moet zijn aan de aardsche schoonheid, maar toch zeer dikwijls blijkt even weinig van nut te zijn als deze laatste. Want het schoone en het nuttige sluiten elkander duizendmaal uit tegen dat zij tienmaal samenvallen.

»Daar klinkt het bekken reeds voor de derde maal.—Wilt gij het bewijs hebben, dat de Romein een uur voor hij u heden morgen bezocht, de kleine Hebe uit den tempel weggevoerd en bij den beeldhouwer Apollodorus in Memphis onder dak heeft gebracht, zoo hebt ge mij morgen vroeg na het eerste offer slechts een bezoek te brengen in mijne vertrekken. Gij zult mij buitendien toch willen gelukwenschen. Breng ook uwe kinderen mede, want ik ben voornemens hun geschenken te geven. Gij zoudt heden aan het gastmaal den Romein zelf kunnen ondervragen, maar hij zal niet licht verschijnen, want Eros deelt zijne kostelijkste gaven bij nacht uit, en daar de tempel van Serapis bij zonsondergang wordt gesloten, heeft Publius zijne Irene nog niet hij avond gezien.—Mag ik u en uwe kinderen na het eerste offer wachten?”

Eer Kleopatra tijd had deze vraag te beantwoorden, deed zich weder het blazen van de trompet hooren. »Dat is Philometor,” zeide Kleopatra daarop, »die ons voor het gastmaal komt halen. Ik zal den Romein later gelegenheid geven zich zelven te verdedigen, hoewel ik hem, ondanks uw aanklacht, vast vertrouw. Heden morgen heb ik hem ernstig gevraagd, of het waar was dat hij verliefd was op de schoone Hebe van zijn vriend, en hij heeft dit op vasten mannelijken toon ontkend. Wat hij mij antwoordde, toen ik het waagde zijne oprechtheid te betwijfelen, was uitmuntend en zulk een beschaafd jonkman waardig. Hij neemt het ernstiger met de waarheid dan gij. Oprecht te zijn, zeide hij, hield hij niet alleen voor schoon en goed maar ook voor verstandig, want met den leugen kan men kleine voordeelen behalen, die niet lang duren en gelijken op den nachtelijken nevel, die opgelost en vernietigd wordt, zoodra de zon zich vertoont, doch de waarheid is het zonlicht zelf, dat, hoe vaak het ook verdonkerd wordt, toch altijd weder te voorschijn komt. Dat, zeide hij verder, maakt den leugenaar in zijne oogen bijzonder verachtelijk, dat hij, om zijn doel te bereiken, altijd met nadruk moet doen uitkomen, welk een afschuw hij heeft van ieder, die handelt gelijk hij. Een staatsbestuurder kan niet altijd oprecht blijven, en ikzelve ben het dikwijls niet geweest, maar de omgang met Publius heeft veel goeds in mijn binnenste, dat was ingesluimerd, opnieuw gewekt. Wanneer ook deze man zal blijken te zijn, wat gij en alle overigen zijt, ja dan volg ik u op uwen weg, Euergetes, en lach met deugd en waarheid, en laat op de voetstukken, die de borstbeelden van Antisthenes en Zeno dragen, die van Aristippus en Strato zetten1.”

»Gij wilt de beeltenissen der philosophen weder van plaats doen verwisselen?” vroeg koning Philometor, die, de tent binnentredende, de laatste woorden van Kleopatra had gehoord, »en aan Aristippus zal de eereplaats gegeven worden? Ik heb er vrede mede, al leert hij ook, dat men de omstandigheden moet beheerschen in plaats van zich door deze te laten overheerschen. Dat kan men echter gemakkelijker voorschrijven dan in praktijk brengen, en voor niemand is dit moeielijker dan voor een koning die het, gelijk wij, Grieken, Egyptenaars en bovendien nog Rome naar den zin moet maken. En bovendien mag men zijn ijverzuchtigen broeder, met wien men het rijk deelt, niet kwetsen! Wanneer menigeen wist wat een koning al niet moet doorlezen en laten schrijven, dan zou hij waarlijk geen troon begeeren! Tot een halfuur geleden heb ik weder smeekschriften en ingekomen stukken onderzocht en goedgekeurd. Zijt gij met de uwe al gereed, Euergetes? Er was hier voor u nog meer ingekomen, dan voor ons.”

»In een uur was alles afgedaan,” antwoordde de ander losweg. »Mijne oogen zijn vlugger dan de mond van uw voorlezer, en mijn bescheid pleegt in drie woorden te bestaan, terwijl gij uwe schrijvers lange verhandelingen dicteert. Zoo ben ik klaar als gij ternauwernood begonnen zijt, en toch zou ik u op slag, als het niet te vervelend was, ieder geval afzonderlijk, dat mij in de laatste maand werd voorgelegd, kunnen noemen en in alle bijzonderheden verklaren.”

»Dat zou ik niet kunnen,” zeide Philometor bescheiden, »maar ik ken en bewonder uwe vlugheid van geest en uw scherp geheugen.”

»Gij ziet dat ik meer deug voor koning dan gij,” zeide Euergetes lachend. »Gij zijt te zachtmoedig en te vriendelijk voor den troon. Laat de regeering aan mij over! Jaarlijks vul ik uw schatkist met goud, verzoek u met Kleopatra voor altijd naar Alexandrië te trekken, en de koninklijke paleizen en tuinen in het Bruchium met mij te deelen. Bovendien zal ik uw kleinen Philopator tot opvolger benoemen, want ikzelf gevoel geen lust mij op den duur aan eene vrouw te verbinden, daar Kleopatra nu eenmaal aan u behoort. Deze voorslag is stout, maar bedenk toch, Philometor, hoeveel tijd gij, als gij toeslaat, overhoudt voor uwe muziek, uwe twistgesprekken met de Joden en al uwe overige liefhebberijen.”

»Gij weet toch nooit hoe ver gij met uwe aardigheden gaan moogt,” zeide Kleopatra, het woord nemende. »Bovendien verspilt gij nog wel zooveel tijd aan uwe grammatische en natuurhistorische studiën, als wij aan muziek en belangrijke gesprekken met geleerde vrienden.”

»Zoo is het,” zeide Philometor, zijne instemming betuigende met hetgeen zijne gemalin gezegd had, »men kan u veeleer dan mij onder de geleerden van het museum rekenen.”

»Maar het onderscheid tusschen ons beiden,” antwoordde Euergetes, »is dit, dat ik die philosophische napraters en prullenverzamelaars te Alexandrië diep veracht, maar voor de wetenschap gloei, als voor eene geliefde, terwijl gij daarentegen de geleerden vertroetelt, doch u om de wetenschap bitter weinig bekommert.”

»Breken wij dit gesprek af,” verzocht Kleopatra. »Ik geloof dat gij beiden nog nooit een half uur bij elkander zijt geweest, zonder dat Euergetes een twist begon en Philometor ten slotte zijn best deed om dien uit te maken. De gasten zullen reeds lang op ons wachten. Was Publius Scipio ook reeds gekomen?”

»Hij heeft zich laten verontschuldigen,” antwoordde de koning en krauwde dit zeggende Kleopatra’s papegaai den kop, terwijl hij met de vingertoppen de veeren van het dier scheidde. »De Korinthiër Lysias zit beneden en zegt niet te weten, waar zijn vriend heen is.”

»Wij weten het trouwens,” zeide Euergetes, en keek de koningin aan met een spottenden trek in het gelaat. »Bij Philometor en Kleopatra heeft men het goed, maar beter nog bij Eros en Hebe. Gij ziet zoo bleek, zuster; zal ik Zoë roepen?”

Kleopatra schudde zwijgend het hoofd, ging op een stoel zitten en boog het bovenlijf en haar fraai getooid hoofd ver voorover, alsof zij zeer vermoeid was. Euergetes keerde haar den rug toe en sprak met zijn broeder over onverschillige dingen, doch zij trok met den waaier in de wol van het mollig vloertapijt rechte en kromme lijnen en keek nadenkend naar hare voeten. Haar oog viel daarbij op hare rijk met edelgesteenten bezette sandalen en fijne teenen, die zij vaak met genoegen had beschouwd. Maar thans scheen dit gezicht haar te hinderen, want eene plotselinge opwelling volgende maakte zij eene der riemen los, en schoof met den linkervoet de sandaal van den rechter, schopte die weg en zeide, terwijl zij zich tot haar gemaal wendde: »Het is reeds laat, ik gevoel mij niet wel en gij moogt zonder mij maaltijd houden.”

»Bij de genezende Isis,” riep Philometor, zijne gemalin naderende. »Gij ziet er lijdend uit. Willen wij artsen laten roepen? Is het werkelijk niets anders dan uw gewone hoofdpijn? Den goden zij dank! Maar dat gij nu juist heden niet wel moest zijn; ik had zooveel te vertellen, en wat de hoofdzaak is, wij zijn met onze voorstelling nog in lang niet gereed, wanneer deze ongelukkige Hebe niet ware....”

»Zij is in goede handen,” zeide Euergetes, zijn broeder in de rede vallende. »De Romein Publius Scipio heeft haar in veiligheid gebracht; misschien om mij haar morgen in dank voor de Cyrenaëische paarden, die ik hem heden schonk, in de armen te voeren. Hoe glinsteren uwe schoone oogen, zuster, zeker van vreugde over deze schoone gedachte. Cornelius oefent de kleine wellicht in hare rol, opdat zij morgen een goed figuur zal maken. Hebben wij gedwaald, en is Publius ondankbaar en wil hij het duifje voor zich behouden, dan kan uwe kamenier, die bevallige Atheensche Thaïs, wel voor Hebe spelen. Wat zegt gij van dezen inval, Kleopatra?”

»Dat ik u verzoek met zulke scherts te eindigen,” riep de koningin op heftigen toon. »Niemand slaat acht op mij, niemand heeft medelijden met mijne smart, en ik lijd vreeselijk! Euergetes hoont mij en gij, Philometor, zoudt mij het liefst medeslepen naar beneden. Als het gastmaal maar niet gestoord wordt, als het genot er maar niet onder lijdt! Of ik daarbij onderga of niet, daarom bekommert zich niemand.”

Onder deze woorden barstte de koningin in tranen uit, en zij wees haar gemaal onvriendelijk af, toen hij zijn best deed om haar tot bedaren te brengen. Eindelijk droogde zij hare tranen af en zeide: »Gaat naar beneden, de gasten wachten.”

»Terstond, mijne lieve,” antwoordde Philometor »Iets moet ik u nog mededeelen, daar ik weet dat het uwe belangstelling zal wekken. De Romein heeft u het verzoekschrift voor den overste der Chrematisten, den koninklijken verwant Philotas voorgelezen, dat tevens zware aanklachten tegen Eulaeus behelst. Ik was van ganscher harte bereid uw wensch te vervullen, en den man genade te schenken, die de vader der ongelukkige kruikdraagsters is. Doch alvorens ik het decreet opstelde, liet ik de lijsten dergenen, die naar de goudmijnen gebannen zijn, nazien en daaruit bleek dat Philotas en zijne vrouw reeds een half jaar geleden gestorven zijn. De dood heeft dus deze zaak uitgemaakt, en ik kan Publius den eersten dienst, dien hij van ons, en wel met bijzondere warmte, verlangde, niet bewijzen. Dat doet mij leed om zijnentwil, en ook om den armen Philotas, dien onze moeder zeer hoogachtte.”

»Mogen de raven hen verslinden,” antwoordde Kleopatra, terwijl zij haar voorhoofd drukte tegen den elpenbeenen rand, die de met kussens versierde leuning van haren stoel omgaf, »Ik bid u nogmaals mij verder van uw onderhoud te verschoonen.”

De beide koningen voldeden ditmaal aan haar verlangen.

Toen Euergetes haar de hand bood, zeide zij met nedergeslagen oogen, en terwijl zij den waaier in de wol van het tapijt stootte: »Ik zal u morgen vroeg bedanken.”

»Na het eerste offer,” voegde Euergetes er bij. »Wanneer ik u goed ken, dan zal iets, dat gij bij mij hooren zult, u verheugen, in hooge mate verheugen, zoo ik meen! Breng de kinderen ook mede, dat verzoek ik van u als eene beleefdheid.”


1 Antisthenes was de stichter der Cynische, Zeno van de Stoïsche school. Strato behoorde tot de Peripaettische school en Aristippus, die leerde dat het genot het hoogste is, was de stichter der Cyrenaïsche.