De laatste woorden van de koningin werden afgebroken door een schaterend gelach, dat door de marmeren wanden van het feestvertrek werd teruggekaatst. Eerst verschrikte zij, maar zij begon vriendelijk te glimlachen, toen zij haren broeder Euergetes herkende, die, den kamerheer op zijde dringende, op de gasten toetrad vergezeld van een Griek, die ouder was dan hij.
»Bij alle bewoners van den Olympus en al dat gespuis van goden en vee, dat de tempels aan den Nijl bevolkt,” riep de pas aangekomene, terwijl hij nog altijd zoo luid lachte, dat zijne vleezige wangen en zijn buitengewoon sterk jeugdig lichaam beefde en schudde. »Bij uwe schoone kleine voeten, Kleopatra, die zich zoo gemakkelijk laten verbergen, en die men toch altijd moet zien; bij al uwe zachtaardige deugden, Philometor, ik geloof dat gij beproeven wilt den grooten Philadelphus of onzen Syrischen oom Antiochus te overtreffen, en een optocht zonder weerga zult doen houden, en wel te mijner eer! Braaf zoo! Ik zal zelf deelnemen aan die wonderlijke vertooning, en met mijn dikke lichaam een Eros voorstellen, met boog en pijlkoker. Eene Ethiopische vrouw moet dan voor mijne moeder Aphrodite spelen. Zij zal er prachtig uitzien, als zij met hare zwartachtige huid uit het witte zeeschuim opstijgt. En wat zoudt ge denken van een Pallas met kort kroeshaar, van Gratiën met breede Ethiopische platvoeten, en van een Egyptenaar met een kaal geschoren kop, die terwijl de zon zich in zijn gladden schedel spiegelt, Phoebus Apollo kan voorstellen?”
Onder deze woorden wierp de twintigjarige reus zich op het ledige rustbed neder tusschen zijne zuster en zijn broeder. Nadat de laatste hem den naam van den Romein had genoemd, en hij dezen niet zonder waardigheid begroet had, riep Euergetes een der jonge Macedonische edelen, die de gasten als schenker bediende, tot zich, liet zijn beker een- en andermaal, ja ten derde maal vullen, dronk dien telkens snel en zonder ophouden ledig, en zeide dan hardop, terwijl hij beide handen door zijne verwarde blonde haren haalde, zoodat ze hoog boven zijn grooten schedel en breed voorhoofd uitstaken: »Ik moet inhalen, wat gij mij vóor zijt. Nog een beker, Diokleides!”
»Wildeman!” zeide Kleopatra vermanend, terwijl zij hem half in scherts, half in ernst met den vinger dreigde. »Wat ziet ge er uit!”
»Als Silenus, doch zonder bokspooten,” antwoordde Euergetes. »Geef me een spiegel, Diokleides! Gij hebt de blikken der koningin maar te volgen, om er een te vinden.—Juist, daar is het ding.—Waarachtig, het beeld, dat het mij toont, bevalt mij niet slecht. Ik zie daar een schedel, waarop behalve de twee kronen van Egypte, nog wel een derde plaats zou kunnen vinden, een die zooveel hersens bevat, dat men daarmede de koppen van vier koningen tot aan den rand zou kunnen vullen. Ik zie twee haviksoogen, die altijd scherp zien, zelfs al is hun gebieder dronken, en die voor niets te vreezen hebben, behalve dat het vleesch op deze vroolijke wangen, als het zoo blijft voortgroeien, eindelijk hun licht betimmeren zal, evenals eene drachme, die men in de spleet van een boom heeft gestoken, door het aanwassend hout wordt ingesloten, of als een luik, dat wordt toegeschoven, het venster bedekt. Die kerel daar in den spiegel verwurgt met deze handen en armen, als ’t moet, een volwassen nijlpaard. De keten, die dezen hals versieren zal, moet dubbel zoo lang zijn als die, welke een wel doorvoed Egyptisch opperpriester gewoon is te dragen. Ik zie in dezen spiegel een man, die uit een kolossaal stuk deeg en uit een vettere vastere stof is gebakken, dan andere lieden. En als dat fijne beeld daar op die blanke oppervlakte een doorzichtig kleed draagt, wat kunt gij, Kleopatra, daar tegen hebben? De Ptolemaeën in Alexandrië moeten voor den invoerhandel zorgen; dat heeft de groote zoon van Lagos reeds ingezien, en wat zou er worden van den handel met Kos, wanneer ik den fijnsten bombyx niet kocht, daar gij, koningin, hen die daarin handelen niets te verdienen geeft, en gij u, als eene Vestaalsche maagd, in een gewaad van tapijtengoed hult.—Komaan, eene krans op mijn hoofd, en nog eene tweede, en nieuwe wijn in den beker! Op het welzijn van Rome, en op het uwe, Publius Cornelius Scipio, en, mijn Aristarchus, op onze laatste kritische onderstelling, op het fijn denken en het flink drinken!”
»Op flink denken en fijn drinken,” antwoordde hij, die alzoo werd toegesproken, haastig, terwijl hij den beker ophief en dien langzaam naar zijn langen, schoon gevormden en zacht gewelfden neus en aan zijne dunne lippen bracht.
»Oho, Aristarchus!” riep Euergetes, terwijl hij zijn breed voorhoofd fronste. »Gij bevalt mij beter, als gij de woorden uwer dichters en schrijvers zift, dan als gij de toosten van een drinkenden koning kritiseert. ‘Fijn drinken’ is ‘slurpen’, en dat slurpen bij kleine teugen laat ik voor de roerdompen en ander gevogelte over, dat t’huis hoort in het riet. Gij verstaat mij, hoop ik? In het riet, hetzij dit al of niet tot schrijfstift is versneden.”
»Onder fijn drinken,” gaf de groote criticus doodbedaard, terwijl hij met zijne smalle hand het zachte grijze haar van zijn hoog voorhoofd wegstreek, den jongen koning ten antwoord; »onder fijn drinken versta ik het drinken van uitgelezen wijn. En hebt gij ooit iets fijners geproefd, dan dit druivensap van Anthylla, dat uw verheven broeder ons doet schenken? Uw dronk, zooals die door mij is omgekeerd, prijst u als een flink denker en tegelijk den milden gever van dezen kostelijken drank.”
»Goed gevonden,” riep Kleopatra, in de handen klappende. »Ziet gij, Publius, hier hebt gij eene proeve van de rapheid eener Alexandrijnsche tong.”
»Ja,” viel Euergetes in, »als men met syllaben te velde kon trekken even als met speren, dan zouden die heeren van het Museum in de Alexander-stad, met hun Aristarchus aan het hoofd, de verbondene legers van Rome en Karthago in een paar uren tot rede brengen.”
»Wij zijn echter niet in den krijg, maar aan een vreedzaam drinkgelag,” zeide de koning vriendelijk, om vrede te bewaren. »Gij hebt intusschen ons geheim afgeluisterd, Euergetes, en den draak gestoken met mijne trouwe Egyptenaars, in wier plaats ik gaarne blanke Grieken zou stellen, wanneer Alexandrië mij nog toebehoorde en niet u. Toch zal het op uw feest niet ontbreken aan een waardigen optocht.”
»Schept gij dan waarlijk nog vermaak in zulk een vervelenden ganzenmarsch?” vroeg Euergetes, en rekte zich op zijn rustbed uit, terwijl hij de handen gevouwen tegen zijn achterhoofd hield. »Liever gewen ik mij aan dat fijne drinken van Aristarchus, dan dat ik uren lang toeschouwer moet zijn van deze ijdele praalvertooning. Alleen onder twee voorwaarden verklaar ik mij bereid, mij stil te zullen houden, en bovendien mij minstens een halven dag geduldig te willen vervelen, gelijk een aap in de kooi; vooreerst wanneer het onzen Romeinschen gastvriend Publius Cornelius Scipio genoegen doet zulk een schouwspel te zien, dat echter, sedert onze oom Antiochus ons uitplunderde en wij, broeders, Egypte onder ons verdeeld hebben, in de verste verte niet vergeleken kan worden met de triumftochten der Romeinsche overwinnaars; of, ten anderen, als ge mij toestaat in persoon aan den optocht deel te nemen.”
»Wat mij aangaat, o koning,” zeide Publius, »behoeven er geene feestelijke optochten gehouden te worden, althans niet zulke, waarbij ik gedwongen ben toeschouwer te zijn.”
»Ik schep nog altijd vermaak in zulke optochten,” zeide Kleopatra’s gemaal, Philometor. »Ik wordt het niet moede, zulke goed geordende groepen en het gewoel der vroolijke menigte te zien.”
»En ik,” zeide Kleopatra, gloei en huiver daarbij van aandoening, en menigmaal komen mij tranen in de oogen, wanneer het volk luid jubelt. Eene groote verscheidenheid, die tot éen geheel samenwerkt, maakt altijd een even machtigen indruk. Eén druppel, éen zandkorrel, éen bouwsteen zijn op zichzelf onbeduidende dingen, maar hoe hartverheffend is het, wanneer millioenen van deze zich vereenigen tot een zee, een zandwoestijn, eene pyramide! Iemand die alleen jubelt heeft veel van een gek, die uit het dolhuis is weggeloopen, maar wanneer duizenden menschen samen jubelen, wordt ook een koud gemoed geweldig aangegrepen. Hoe kan u, Publius Scipio, wiens wil krachtig ontwikkeld schijnt te zijn, een schouwspel koud laten, waarbij zulk een groote menschenmassa door één wil schijnt bezield te zijn?”
»Kan er dan,” vroeg de Romein, »bij dit volksgejuich inderdaad sprake zijn van een zelfstandigen wil? Juist bij zulk eene voorstelling wordt ieder een werktuigelijk naäper en naprater van anderen. Ik voor mij verkies mijn weg zelf te vinden, en mij van niets afhankelijk te maken dan van de wetten en plichten, die de staat, waartoe ik behoor, mij oplegt.”
»Maar ik,” zeide Euergetes, »heb die optochten van kindsbeen steeds van de beste plaats gezien, en daarvoor straft mij nu het noodlot met onverschilligheid voor deze en dergelijke vertooningen, terwijl de arme stumpers, die alleen de neuzen, de haren of de ruggen te zien krijgen van hen die medewerken, zich steeds opnieuw aan dat spektakel vergapen. Op Publius Scipio behoef ik, zooals gij gehoord hebt, geen acht te slaan, hoe gaarne ik het anders ook deed. Wat zoudt gij er wel van zeggen, Kleopatra, als ik eens in persoon aan mijn optocht—, ik zeg mijnen, want hij wordt te mijner eer gehouden,—deelnam? Dat was dan eerst eens iets nieuws, en bovendien iets vermakelijks.”
»Meer nieuw en vermakelijk dan passend, zou ik denken,” antwoordde Kleopatra norsch.
»Maar dat moest u juist genoegen doen,” hernam Euergetes lachend, »want behalve uw broeder ben ik ook nog uw mededinger, en zoo iemand ziet men liever dalen dan stijgen.”
»Daar is niets wat u recht geeft tot zulke woorden,” viel de koning in, en de toon van zijn zachte stem gaf duidelijk te verstaan, dat hij het gesprokene betreurde, en zulke dingen niet hooren wilde. »Wij hebben u lief,” ging hij voort, »wij gunnen u uwe bezitting naast de onze, en verzoeken u dringend zelfs in scherts zulk eene taal niet te voeren, opdat al het verledene vergeten blijve.”
»En bovendien,” voegde Kleopatra er bij, »dat gij uw waardigheid als koning en uw naam als geleerde niet zult bezoedelen door kluchten te vertoonen.”
»Schoolmeesteres! Weet gij dan wat ik van zins was? Ik wilde als Alcibiades verschijnen, met een gevolg van fluitspeelsters, in gezelschap van Aristarchus, die voor Socrates zou moeten spelen. Men vertelt mij immers altijd, dat Alcibiades en ik—in vele opzichten, zeggen zij die het oprecht meenen: in alle opzichten, beweren hoffelijker vrienden—op elkaar gelijken.”
Publius nam bij deze woorden het vormlooze in het doorzichtig kleed gehulde lichaam van den jongen koninklijken woesteling met scherpe blikken op, en daar hem hierbij voor den geest stond, een heerlijk standbeeld van den lieveling der Atheners, dat hij aan den Ilissus had gezien, zweefde er een spottend lachje om zijne lippen.
Dit laatste bleef voor Euergetes niet verborgen, en het krenkte hem, daar hij niets liever zag, dan dat men hem met den neef van Pericles vergeleek. Doch hij onderdrukte zijn toorn, want Publius Cornelius Scipio was de naaste bloedverwant der meest invloedrijke mannen aan den Tiber, en al bezat hij zelf koninklijke macht, zoo stond toch Rome boven hem gelijk de wil der godheid.
Kleopatra bespeurde wat er in haar broeder omging, en om hem de gelegenheid tot antwoorden te ontnemen en zijn gedachten af te leiden, zeide zij vroolijk: »Zoo willen wij dan den optocht laten varen en aan iets anders denken, om uw geboortedag te vieren. Gij, Lysias, moet in zulke dingen ervaren zijn, want Publius vertelde mij, dat gij alle vertooningen in Korinthe regelt. Wat zullen wij dan doen, om Euergetes en ons een vroolijk feest te bereiden?”
De Korinthiër staarde een oogenblik in zijn beker, schoof dien langzaam heen en weer op het marmeren blad van het tafeltje aan zijne zijde, tusschen oesterpasteien en frissche asperges, en zeide eindelijk met een blik, die hoop op aller bijval uitdrukte:
»Bij den grooten optocht, die onder Ptolemaeus Philadelphus plaats had, en waarvan Agatharchides mij gisteren de beschrijving van Kallixenus, een ooggetuige, te lezen gaf, werden allerlei voorstellingen uit het leven der goden aan het volk te aanschouwen gegeven. Laten wij in dit heerlijk paleis blijven, en zelven de schoone groepen weergeven, die de groote kunstenaars der oudheid geschilderd of afgebeeld hebben. Wij moeten daartoe echter minder bekende kiezen.”
»Uitnemend!” riep Kleopatra, in levendige verrukking. »Op wien gelijkt mijn kolossale broeder meer dan op Heracles, en wel op den zoon van Alcmene, zooals Lysippus dien opgevat en gebeeldhouwd heeft. Laten wij dus het leven van Heracles voorstellen, naar de beroemde modellen, en aan Euergetes de rol van den heros overlaten.”
»Dien neem ik op mij,” zeide de jonge koning terstond, terwijl hij de enorme spieren op zijn borst en zijne armen betastte. En gij moogt mij er wel zeer dankbaar voor zijn, dat ik dit doe, want die slangenwurger miste het beste, en Lysippus heeft hem niet zonder voordacht afgebeeld met een kleinen kop op het kolossale lichaam. Doch ik zal er niets tegen inbrengen.”
»Wanneer ik Omphale voorstel, wilt gij dan aan mijne voeten zitten?” vroeg Kleopatra.
»Wie zou zich niet gaarne aan zulke voetjes nederzetten?” hernam Euergetes. »Kiezen wij nu terstond nog iets anders uit den grooten voorraad, die voorhanden is. Maar met Lysias waarschuw ik voor hetgeen algemeen bekend is.”
»Er zijn alledaagschheden, zoowel voor het oog als voor het oor,” zeide Kleopatra, »maar wat algemeen als goed wordt erkend, pleegt ook het schoonste te zijn.”
»Veroorloof mij,” hervatte Lysias, »u op een marmeren beeldhouwwerk opmerkzaam te maken, dat zeer verheven is uitgevoerd. Het is oud en schoon, en toch geloof ik, aan weinigen uwer bekend. Het bevindt zich bij de bron van mijn ouderlijk huis te Korinthe, en werd reeds eeuwen geleden door een groot Peloponnesisch kunstenaar gewrocht. Publius was verrukt, toen hij dit werk zag, en het is ook onbeschrijfelijk heerlijk. Het geeft op voortreffelijke wijze de echtverbintenis te aanschouwen van Herakles met Hebe, van den onder de goden opgenomen Heros met de eeuwige jeugd.—Zoudt gij u, o koning, door Pallas Athene en door uwe moeder Alcmene ter bruiloft met Hebe willen doen geleiden?”
»Waarom niet?” vroeg Euergetes; »maar die Hebe moet schoon zijn. Daar is echter éen bezwaar. Hoe krijgen wij de bron uit uws vaders huis tegen morgen of overmorgen hier? Men kan zulk een groep niet schikken uit het hoofd, zonder het origineel. En al vertelt men ook, dat het standbeeld van Serapis van Sinope naar Alexandrië is gevlogen, en al zijn er ook toovenaars te Memphis....”
»Die hebben wij niet noodig,” zeide Publius, den koning in de rede vallende. »Terwijl ik als gast vertoefde in het ouderlijk huis van mijn vriend, dat, vergun mij dit op te merken, prachtiger is dan de oude koningsburcht van Gyges te Sardes, liet ik naar het kostelijk beeldwerk steenen snijden, bestemd tot huwelijksgeschenken voor mijne zuster. Deze zijn bijzonder goed gelukt en liggen in mijne tent.”
»Hebt gij eene zuster?” vroeg de koningin, terwijl zij zich boog naar den Romein. »Gij zult mij van haar een en ander moeten vertellen.”
»Zij is een meisje als alle andere,” antwoordde Publius vóor zich ziende, want het stuitte hem tegen de borst, in gezelschap van een Euergetes over zijne zuster te spreken.
»Gij zijt onbillijk, gelijk alle broeders,” zeide Kleopatra met een glimlach, »en ik moet meer van haar hooren, want”—en bij deze woorden fluisterde zij zacht, terwijl zij Publius veelbeteekenend aanzag—»alles wat u aangaat, heeft waarde voor mij.”
Gedurende het gesprek hadden Ptolemaeus en zijn broeder zich tot den Korinthiër gericht met vragen over het huwelijk van Herakles met Hebe, en alle dischgenooten hoorden met opmerkzaamheid naar Lysias, toen hij zeide: »Dit schoone kunstwerk stelt eigenlijk geen bruiloft voor, maar het oogenblik waarop de bruidegom zijne bruid in de armen wordt gevoerd.
»De heros, getooid met de leeuwenhuid en met de knots op zijn schouder, gaat, geleid door Pallas Athene, die bij dit werk des vredes de lans ter aarde gebogen houdt en den helm in de hand draagt, en vergezeld door zijne moeder Alcmene, den optocht der bruid te gemoet. Deze wordt geopend door niemand minder dan Apollo zelf, die het huwelijkslied zingt onder het bespelen van zijne luit. Naast hem treedt zijne zuster Artemis gevolgd door de moeder der bruid, begeleid door Hermes, den bode der goden, als gezant van Zeus.
»Dan komt de hoofdgroep, die tot de schoonste werken der Grieksche kunst behoort, welke ik ken. Hebe gaat den bruidegom te gemoet, zachtkens voortgetrokken door Aphrodite, de godin der liefde. Maar Peitho, de godin der overreding, legt de hand op den arm der bruid, dringt haar ongemerkt naar voren, en keert haar aangezicht af, want wat gezegd moest worden heeft zij gezegd, en zij lacht in stilte. Hebe toch heeft haar oor niet gesloten voor hare stem, en wie eens naar Peitho geluisterd heeft, moet doen wat zij wil.”
»En Hebe?” vroeg Kleopatra.
»Zij slaat de oogen neder en houdt den arm, waarop de hand van Peitho rust, met eene afwerende beweging van de vingers, op welker toppen een pas geplukt roosje zweeft, in de hoogte, als wilde zij zeggen: ‘Ach laat mij toch met vrede; ik ben bang voor dien man’; als wilde zij vragen: ‘Zou het niet beter zijn als ik bleef wat ik ben, en uwe lokstem niet volgde noch Aphrodite’s drang?’ Deze Hebe is verrukkelijk, en gij, koningin, moet haar voorstellen!”
»Ik?” vroeg Kleopatra. »Maar gij zeidet, dat zij de oogen nederslaat.”
»Dat doet zij uit maagdelijke schuchterheid, haar gang moet zijn als die van eene schroomvallige maagd. Haar lang gewaad valt in rechte plooien op hare voeten neder, terwijl Peitho het hare schalks, en zich in ’t geheim verheugende over hare nieuwe overwinning, met duim en wijsvinger in de hoogte houdt. Ook de figuur van Peitho zou u bijzonder goed passen.”
»Ik denk dat ik Peitho zal voorstellen,” viel de koningin den Korinthiër in de rede. »Hebe is eene knop, eene nog niet geheel ontloken bloem, maar ik ben moeder, en vlei mij bovendien ook een weinig wijsgeer te zijn....”
»En,” viel Aristarchus in, »gij kunt met recht zeggen, dat gij, bij alle aanlokkelijkheid der jeugd, eigenschappen bezit, die bij Peitho passen, de godin, die niet alleen de harten maar ook de geesten weet te betooveren. Evenals rozen, zoo zijn ook jonge meisjes verrukkelijk om te zien, doch wie niet alleen de fraaie kleur liefheeft, maar ook den geur en daarmede bedoel ik verkwikking, opwekking en verrijking des geestes—die wende zich tot den reeds ontsloten bloemknop, evenals de rozenkweekers aan het meer Moeris alleen de knoppen van hunne pleegkinderen tot spoedig verwelkende ruikers en kransen samenwinden, maar deze niet gebruiken kunnen om fijne geurige olie daaruit te bereiden. Voor dit doel hebben zij de bloem noodig in vollen bloei. Stel gij Peitho voor, koningin; de godin zelve mag trotsch zijn op zulk eene plaatsvervangster!”
»Moge zij,” sprak Kleopatra, »even trotsch zijn als ik gelukkig ben, nu ik zulke woorden mag hooren uit den mond van Aristarchus! Het blijft dus afgesproken, ik zal Peitho zijn. Mijne speelgenoote Zoë mag Artemis voorstellen, en hare ernstige zuster Pallas Athene. Voor de moeder kunnen wij over vele oude matronen beschikken. De oudste dochter van den intendant schijnt mij voor de rol van Aphrodite het meest geschikt te zijn; zij is wonderschoon.”
»Is zij ook dom?” vroeg Euergetes. »Dat behoort bij die eeuwig lachende Cyprische godin.”
»Dom genoeg, denk ik, voor dit doel,” hernam Kleopatra met een lach. »Doch hoe komen wij aan eene Hebe, gelijk gij, Lysias, haar beschreven hebt? Het dochtertje van den Arabarch1 Ahmes is een lieftallig kind.”
»Maar zij is bruin, zoo donkerkleurig als deze voortreffelijke wijn, en bovendien te zeer eene echte Egyptische,” zeide de opperschenker, die het toezicht had over de jonge Macedonische bedienden, terwijl hij zich diep boog en met alle bescheidenheid de aandacht vestigde op zijne eigene zestienjarige dochter. Maar tegen dit meisje had de koningin aan te voeren, dat zij veel grooter was dan zijzelve, die toch naast Hebe moest staan en de hand op haren arm leggen.
Andere meisjes werden weder op andere gronden afgewezen, en reeds sloeg Euergetes voor eene postduif naar Alexandrië te zenden, ten einde van daar een schoon Helleensch kind met een sneldravend vierspan te laten komen naar Memphis, waar de donkere Egyptische goden en menschen beter gedijen dan de Grieksche, toen Lysias uitriep:
»Ik heb heden het meisje gezien, dat wij noodig hebben; eene Hebe, als had zij de marmeren groep in mijns vaders huis verlaten, en als had een god haar beweging, kleur en levenswarmte geschonken. Zij is schuchter, blank en blozend, en van uwe grootte, koningin. Als gij het mij toestaat, zal ik u nader zeggen wie zij is, maar eerst ga ik naar onze tent, om de gesneden steenen met de afbeelding van onzen marmergroep te halen.”
»Gij zult ze vinden in het elpenbeenen kistje op den bodem van mijn kleederkist,” zeide Publius. »Hier hebt gij den sleutel.”
»Haast u,” riep de koningin, »want wij allen zijn benieuwd, waar gij hier in Memphis uwe blanke, blozende en schuchtere Hebe ontdekt hebt.”
1 Het hoofd van den nomos Arabia, toen een deel van Egypte.