Telkens weer opende zich voor mij de poort naar de lichte wereld van den jungle, waar ik, van de bedomptheid van het kantoor bevrijd, diep kon uitademen; telkens weer vond ik een uitweg daarheen, waar van de woelige haast van het bedrijf niets meer te bespeuren was en de waardebepaling van zakelijke spitsvondigheid hoegenaamd niet meer bestond.
Ook in Siam speelt de tegenstelling tusschen stad en land een groote rol. Voor alle oppervlakkige menschen is de stad de zetel van het schoone, rijke en aangename, terwijl de provincie met haar eenvormigheid van levenswijze en de ruwheid van het dagelijksch werk laag in ieders gunst staat, ook in die der Siameezen.
Misschien wordt daarbij nog meer dan bij ons uiterlijke pronk en sier voor goede munt aangenomen.
Aris stond wat zijn psychisch crediet aanging hoog bij mij aangeschreven, omdat hij begreep dat de stad niet heelemaal waar was. “Ik hou niet erg van Bangkok!” zei hij vaak tegen me, maar precies ben ik de reden voor zijn afkeer tegen Bangkok nooit te weten gekomen. Ik weet niet, wat voor een verschrikkelijke gebeurtenis, die hij daar beleefd had, niet meer uit zijn herinnering weg wilde.
Maar hij was daarom heelemaal geen man om een kluizenaarsleven te leiden, integendeel. De kleine dorpen koesterden zich in zijn liefde.
Met Holloeki was het in dit opzicht net omgekeerd. Als die maar altijd in het gekrioel zijner Chineesche broeders kon wegdompelen! Dikwijls zag ik hem peinzend, den hoed achter in zijn nek, in zijn gele zijden broek langs de winkels zijner landgenooten slenteren, alsof de eeuwige Zondag aangebroken en alle werk voor goed voorbij was.
En als hij mij dan wel eens toevallig ontdekte, als ik in een auto of in een riksha voorbijreed, dan groette hij beleefd en fijntjes, ik lachte zachtjes tegen hem, hij glimlachte terug, en dan wisten we allebei, dat we voor het oogenblik de wildernis en ons harde leven volkomen hadden vergeten.
Al de keeren dat ik in Bangkok geweest ben bij elkaar gerekend, heb ik verscheiden weken in de hoofdstad van Siam doorgebracht.... heelemaal achterin de Chineesche wijk, waar de huizen en hutten, de opslagplaatsen, booten en vlotten in hoekige paalbouw-straatjes bij duizenden opeendringen.
Op alle tijden van den dag en van den nacht ben ik per auto, in de door den koelie voortgetrokken riksha, te voet of op alle mogelijke soorten van scheepjes door de smalle wegjes en doorgangen gekomen, waar het als in een mierennest van leven krioelde, dikwijls laat in den nacht van het Europeesche hotel naar huis gaand, heel alleen in de duistere, door laatste, geheimzinnig wegsluipende gestalten bezochte straatjes en steegjes.
Maar belangrijker waren mijn tochten overdag. Telkens weer brachten deze mij door het oud-roestslopje, dat ik om redenen van doelmatigheid zoo doopte.... omdat daar heele rijen kramen met ouden rommel stonden.
Als ik daar doorheen reed, leunde ik altijd heel ver achterover in een hoek van de riksha en gluurde in alle hutten naar binnen, waar uit hoopen oud roest Chineesche madonnagezichten verstandig de straat opkeken, waar zelfs in de gebuktheid van den ouderdom nog veel vrijheid te bespeuren was, en waar spiernaakte gele Chineesjes tusschen scherven en afval gewillig en in argelooze onschuldigheid hun eerste verplichtingen jegens het leven volbrachten.
Mooie Chineesche jongelingen in blauwe of zwarte broeken—anders niets aan—op den middag van hun leven staand, rug en buik vol kracht, werklieden met lichte oogen werkten er bij troepen; lastdragers, roeispaanschavers, zeilmakers, tobbenmakers, timmermannen met hun propere ambachten, of, luidruchtiger en minder edel bezig diegenen, die zich met het gladmaken van deuken in oud golfijzer een bestaantje hadden weten te verschaffen dat hun genoeg opbracht om te leven. Honderdduizenden van nijvere armen en beenen werkten, sjouwden, klapten, liepen, hamerden, smeedden daar dag-in dag-uit in wedstrijd met elkaar voor hun eigen welzijn en dat der heele menschheid.
Lange reeksen winkels en werkplaatsen groeiden van het eene bezoek dat ik in de stad bracht tot het andere als uit den grond op, getuigend van welstand en geluk. Hoeveel menschen er ook waren, ieder had geluk.
Zeer weldadig werkte het op mij, te zien, hoe de vrouwen meededen. Stralend, helder en gezond gaat juffrouw Dawkay als een zon door het huis, werkt mee, slaat vlug een lachenden blik hier op dit karwei, geeft gauw even een goeden raad daar; en de Chineesche huisvrouw in de kloeke schoonheid harer eenvoudige kleeding leek mij vaak als een garantie om goed te slagen.
De Chineesche vrouw is voor mij de “vrouw”! Nooit zag ik zoo het “gezin”, nooit zoo “moeder en kind.” Ja Seng, ja Tjong Sie, dacht ik soms, ik voel wel waarom je zoo vroolijk bent.
En ik kan mij geen gelukkiger, harmonischer beeld van menschelijke gemeenschap voorstellen, dat beter een opgang en een toekomst van het menschdom weergeeft, dan zoo’n werkdag in het roestige paradijs, zooals ik al heel gauw de heele stoffige buurt rondom het oud-roestslopje noemde.
Hier, in deze opeengeperstheid, waar de menschenlevens zoo dicht als nergens anders zijn gezaaid, had ik dikwijls het gevoel:
O, hoeveel menschen zijn er toch! Hoeveel duizenden, die zonder grootere zending door het leven moeten gaan! De goede god, die over dit menschenleger waakt, moet er een zuivere boekhouding op na houden; of wel, er kan hem onmogelijk veel aan gelegen zijn, of er een meer of minder is, leeft of te gronde gaat!
Zulke gedachten maakten mij dikwijls heel vrij. Omgekeerd had ik nooit stelliger de overtuiging, iemand te zijn en boven het gemiddelde mijner omgeving te staan, dan hier. Zonder dat ik mij daarop te veel liet voorstaan. Onbehaaglijk boven alles uitstekend voelde ik mij, alsof ik aanstoot gaf, weerzin en afgunst verwekte, of den mallen indruk maakte van een gans in een kippenhok.
Arbeid is noodig om te leven! dacht ik ook. Maar geen aftobbende, geestdoodende, want zinnelooze en doellooze arbeid. Want net zoo veelzeggend waren voor mij de beelden, welke ik ’s avonds zag, als de poorten der werkplaatsen zich sloten, als de Chineesche papa’s met hun jongste op den arm, naakt tegen naakt, rondliepen, duidelijk de uitdrukking van volmaakte tevredenheid in het gezicht.
Wanneer de koelies zich rond den rijstketel neerzetten om gemeenschappelijk te eten, hun bronzen lijven frisch gebaad, en Chineesche muziek in haar vage zonnigheid zoo afgekeerd van en verheven boven elke kwaal en alle leed, van de Menam, de heilige moeder der golven, aanvloeide.....
Ik kan nu nog wijsjes fluiten die ik daar op de dubbelsnarige viool gehoord heb, en ik doe dat iederen keer, wanneer mijn gedachten teruggaan naar Bangkok (dat is altijd een veeg teeken), wanneer de herinnering weer in mij wakker wordt aan de avonden, waarop ik een stad zag, die geen stad is, waar, niettegenstaande schijnbaar wanhopige overbevolking toch het sociale vraagstuk is opgelost, waar de nadeelen van onze steden ontbreken, ja zelfs voordeelen worden en in prachtige harmonie tot een bijna volmaakte gelukkigheid der gansche stad leiden.
Van al deze mooie avonturen en ervaringen weet ik pas sedert kort iets af, sinds ik weer in het arme bange Europa terug ben. Eigenlijk begin ik nu pas Bangkok van het juiste standpunt te bezien. Zooals in alle groote steden raakte ik daar eerst de kluts kwijt, nam toevalligheden voor ernst op, kon het contact met de werkelijkheid niet vinden; terwijl buiten in de dorpen het leven mij veel sneller opnam en naar al wat waar was en belangrijk toedroeg, omdat daar de omgang en het verkeer met jan en alleman, van het dorpshoofd af tot den eenvoudigsten daglooner, onvermijdelijk was of zelfs noodig.
Op avonden, die ik gedurende de reis in dorpen of eenzame gehuchten doorbracht, kwam met onderdanige regelmatigheid na het eten Aris, vol verwachting, vragend op mij toe:
“Toean wil je nog een wandelingetje maken?”
Hij had dadelijk opgemerkt, dat ik graag in zijn gezelschap pratend van de eene hut naar de andere gaand, wat rondkeek.
Wij vonden altijd heel snel het bezienswaardige, de stille, vaak heelemaal tusschen de boomen weggescholen tempels met hun krullerige versierselen en de gele figuren der priesters met hun harde gezichten eronder; de markt; verstandige menschen, die ons over ertslagen in de omgeving wisten in te lichten of wier vriendschappelijke gezindheid ons op een andere wijze van nut kon zijn. Geduldig wachtte Aris halve uren lang, wanneer zijn heer, voor hem weliswaar onbegrijpelijk, maar toch zeker over een of andere belangrijke aangelegenheid zwijgende samenspraken hield met een der rood-goudige boeddhabeelden in een tempel. Hij, als Mohammedaan, wien een Boeddha niets aangaat, wist wel, dat ook onze Europeesche God niet deze hier was, dien de toean vaak zoo verliefd naliep, maar hij had zich er allang aan gewend, in mij den “toean poetih”—“den blanken heer” te zien, dien men rustigjes in zijn eigen vet moest laten gaar koken.
Maar toch flitste er telkens iets als een verlossing brengend weerlicht over zijn donker gezicht, als de tempel en de zakelijke onderhandelingen afgeloopen waren en hij het eindelijk dorst te wagen, ook van zijn kant met een voorstel voor den dag te komen (altijd met hetzelfde): “Toean ik weet een heele mooie vrouw; wil je haar zien....!?” En dan was zijn voorraad vriendelijke zoete benamingen voor zijn schoone vrouw onuitputtelijk:
“Ze heeft een huid die zoo zacht is als die van een ree; ze heeft borsten als melkkoekjes....”
Of omgekeerd, waarschuwend en ontdaan:
“Tida bai—Die is niet goed, dor en hard....” Alle menschen maakten het zich tot een aangename plicht, mij in die huizen te brengen, waar jonge mooie meisjes woonden. Dat is om zoo te zeggen Aziatisch eerbetoon jegens den vreemden heer.
Dikwijls ontving ik bij mij thuis bezoek. Menige, misschien voor het welzijn van haar kind al te bezorgde, donkerhuidige (of ook wel gele!) moeder kwam om mij haar dochtertje te laten zien, trad met een sierlijke buiging bij mij binnen, de handen als in gebed met de palmen tegen elkaar aangelegd en gracieus ter hoogte van haar gezicht geheven:
“Nai hang sa bai—Heer, hoe maakt gij het?”
Ze deed dat meestal met zulk een natuurlijke overgegevenheid, dat de gedachte aan onderworpenheid hierbij heelemaal niet in mij opkwam. Bruinen betuigen hun heer hun eerbied, niet omdat ze bevreesd voor hem zijn, maar wel omdat zij bij zichzelf denken: als wij hem nederig tegemoet treden, zal hij goed voor ons zijn.
Op alle uren zochten de menschen mij op, en alleen de etenstijd was heilig voor hen. Nooit zou iemand het gewaagd hebben, mij aan te spreken, als ik aan den maaltijd zat. Vooral de vrouwen namen het in dit geval erg precies. Als een bezoekster te vroeg kwam en er werd gezegd: mijnheer eet!—dan hurkte ze heel bescheiden en kleintjes ergens in een hoek neer. Eten.... o heerlijke levensopvatting! is bij deze menschen een soort offer, aan zijne heiligheid het lichaam gebracht “Kin kan leeeee-oe?—Heb je je rijst al gegeten?” is de Siameesche vraaggroet ’s ochtends, ’s middags, ’s avonds en altijd.
In afgelegen dorpen waren menschen, die opzettelijk telkens juist op etenstijd in mijn huis kwamen, het goedkoope schouwspel sprakeloos en met welbehagen, soms ook met iets als een stil afgrijzen genietend, omdat ze maar niet konden begrijpen, dat een mensch ook nog van iets anders kon leven dan alleen van rijst en Spaansche peper.
Zelden dorst een vrouw meer dan met haar oogen te spreken. Het brutaalst waren ook in Siam, zooals trouwens overal op de heele wereld, de grootmoeders. Ze mogen zich ook daar meer veroorloven dan jonge meisjes. Van welk recht zij dan ook heel vaak graag gebruik gemaakt zouden hebben.
Ik moest altijd van de hoofdstad vertellen. Zoo’n schitterende, blanke heer kon alleen in Bangkok thuis zijn, meenden deze menschen, en in zooiets als een paleis wonen, en natuurlijk zou hij er veel moois en heerlijks van weten te vertellen. Maar niet van mijn ontdekkingen en waarnemingen, waarover ik straks al schreef, maar van onschuldiger dingen moest ik den woud- en dorp-Siameezen vertellen: van de tempels, van de electrische tram, van de groote prachtige Europeesche winkels en van het koninklijk paleis met de witte olifanten. Iets anders, dat hun altijd veel stof tot nadenken gaf, was mijn burgerlijke stand. Hoeveel vrouwen ik had, vroegen ze met een gezicht vol verwachting, waarin het antwoord: Wel een stuk of tien! al duidelijk gegrift stond. En als ik mij dan veroorloofde tegen zoo’n bruine, rimpelige grootmoeder eens lekker een beetje op te scheppen en haar van mijn twee dozijn vrouwen vertelde en van mijn een-en-vijftig zoons en dochters, dan kwam dit ongeveer overeen met dat wat van een prins uit Bangkok viel te verwachten; en dit feit verhief mij dan hoog in aanzien in hun oogen.
Terwijl ik in het begin in Siam altijd dadelijk naar de binnenlanden snelde op mijn onderzoekingstochten, had ik later geleerd, hoe nuttig het was, eerst met de dorpsbewoners te praten en alles nauwkeurig te overleggen, voordat ik de oerwouden introk.
Aan dergelijk voorbereidend werk werden daarom zoo nu en dan een paar dagen gewijd. En Aris verstond uitmuntend de kunst, de geschikte gastheeren voor mij op te sporen; het waren meestal eenvoudige, maar goed op de hoogte van het land zijnde lieden. Bezoeken werden ontvangen, informaties ingewonnen en zonder dat ik er mij zelf eigenlijk veel mee inliet, vernam ik door middel van Aris meer van het waardevolle land in den omtrek dan wanneer ik, zooals de andere blanken, heel officieel bij den gouverneur was afgestapt. En bovendien bevond ik mij dan op zoo’n plek zonder opzien te baren, als het ware zonder veel gewicht te hechten aan mijn verblijf daar, wat in mijnstreken, waar alle menschen langere ooren hebben dan ergens anders, ook van buitengewoon veel voordeel was.
Deze uren behoorden tot de heiligste die ik in Siam heb doorgebracht: op bezoek te zijn in een eenvoudig huis bij wakkere landlieden.
Te zien hoe goed, hoe vriendelijk en gelukkig het in zulke hutten toeging, waar ongeschreven wetten gehandhaafd werden en bij vroolijke gesprekken veel natuurlijke geestigheid en gezond verstand tot uiting kwam. Waar zoozeer in tegenspraak met mijn verwachtingen alles veel ordelijker, nobeler en gezonder toeging, dan ik ooit gewaagd zou hebben te veronderstellen.
Ik moet dat telkens weer vaststellen, al zou ik ook in de oogen mijner medemenschen met een geweldige spade den laatsten vasten grond onder mijn voeten weggraven.
Het is niet het dierlijke gebod: Mensch, ga onder wilden wonen! maar wel het overtuigd zijn van de goedheid, want echtheid van al wat ik in de Siameesche dorpen gezien heb. Ik weet daar, dat de dingen zijn, zooals ik ze zie.
Ik zou natuurlijk nooit willen bestrijden, dat er niet iets edelers bestaat dan deze kinder-onschuld van het Oosten en geef onmiddellijk toe, dat een dier geestelijk-fijnzinnige vriendschappen, zooals ze hier wel voorkomen, hooger te schatten zijn. Maar wijl helaas al het geestelijke en psychische in ons leven in verhouding tot de eeuwigheid zoo kort is, als de Zondagen in den langen loop van het jaar,—en wijl er bovendien, naar het mij schijnt, bijna altijd iets van onwaarschijnlijkheid aankleeft, bekruipt mij bij al het schoone, dat ik in de onnatuurlijke wereld “Europa” tegenkom, steeds het meer of minder zekere gevoel: Pas op, te mooi om waarachtig en levend te zijn!”
Misschien spruit het hieruit voort, omdat dikwijls juist bij de teederste vriendschappen en fijnst gesponnen verhoudingen tot evenmenschen het levenspitje zacht, maar plotseling uitgaat, zooals bijvoorbeeld bij een tuberkuleuze vrouw, van wie een dom-wreed noodlot vergt, dat ze kinderen baart.
Er zijn ook in Siam zulke achtenswaardige families, waar een klankrijke naam vele generaties lang van invloed blijft, een soort waardigheid, die niet aan uiterlijke titels of rijkdom beantwoordt, doch in den aard der menschen zelf haar oorsprong vindt. De dagen, die ik in Siameesche dorpen doorbracht, waren voor mij vol feestelijk tot-inzicht-komen en kennis vergaren, dagen waarin ik stemmingen en verhandelingen wilde neerschrijven, als: “Wij menschen en het geluk”, “Het Paradijs” en zoo voort.
Altijd moet ik weer terugdenken aan de zalige tijden, die ik (om maar een te noemen) in het huis van den P’hoe yai1 Ming heb doorgebracht.
Ming was dorpsdokter, Siameesch wonderdokter van beroep en zuiver menschelijk beschouwd was hij Moeans vader. Moean zong, als ze praten wilde.
Eens op een nacht bereikten wij per motorboot K., een hoofdplaats in de provincie, waar ik eenige dagen wilde blijven, om inlichtingen te verkrijgen en een expeditie in de streek voor te bereiden.
Men bracht mij (ik weet niet wie) in het huis van een Chinees (ik heb nooit begrepen, hoe hij tot deze eer kwam), ik klauterde een kort kippenladdertje op, stapte over een stuk golfijzer dat de deur moest voorstellen, een gezin schoof bij den droeven schijn eener lamp zijn lichte stroomattenbedden op zij, Aris zei: hier is het goed, en ik was er.
Het dorp K. was beroemd om zijn met de hand geweven zijden doeken, en op zoek naar zulke doeken kwam ik op een dag toevallig in het bereik van Ming en Moean.
Toen ik in gezelschap van Aris mijn eerste visite bij Moean maakte, lag snurkend een robuuste kerel op het erf voor het huis, van wien ik zoo op het eerste gezicht de grootste krachttoeren verwachtte. Maar het bleek al heel gauw, dat hij aanzienlijk onschadelijker was, dan hij er uitzag.
Toen vroeg Aris naar doeken, doch Moean lachte; ze had maar één mooien p’ha nong en dien kon mijnheer niet goed meenemen, omdat zij hem net aanhad. Alle andere doeken waren afgedragen. Die mocht ik meenemen als ik dat wilde. Maar dat wilde ik niet en ik zei lichtelijk benauwd, omdat Moean zoo mooi was, tegen Aris: Laten we maar gaan! en toen hij over dit haastige vertrek ontstemd werd, verklaarde ik doodeenvoudig: Als ik een doek wil koopen, wil ik alleen een mooien doek koopen!
’s Avonds kwam ik terug. Nu was Moean niet alleen, doch haar vader Ming en Meh Pioe, haar moeder, allebei bejaarde menschen, zaten ernstig en eerbiedwaardig bij haar, en ik voelde me als iemand, die komt, hoewel hij weet, dat hij niet komen moet.
Kom boven! zei de vader, en ik beklom de ladder. Het komt dikwijls voor, dat men vreemden beleefd verzoekt binnen te treden hoewel men ze eigenlijk de deur zou willen wijzen.
Ik voelde me niet op mijn gemak. Niemand sprak, en toch leek het me alsof iedereen wist waarom ik kwam. Eindelijk zei Aris: Om den doek!.... Omdat Moean zoo mooi is, moest ik aldoor denken.
Ming en zijn vrouw zeiden niets. Moean zweeg en rolde dikke sigaren uit bladeren, waarin ze binnenlandsche tabak stopte. Ze had nu een paar kettingen om, die waren als zilverdroppels; lange, lange kettingen, die ze tweemaal om haar bruinen hals kon winden en die toch nog ver over haar borst afhingen.
Toen ik zelf schuchter om mijn doekje smeekte, glimlachten Papa en Mama en vooral Moeans twee kleine broertjes moesten lachen; die konden dat gedoe om zoo’n doek heelemaal niet begrijpen.
Pas toen er in den loop van het gesprek een paar grappen, die geen gekheid, maar bittere ernst waren, werden gelanceerd, kreeg ik mijn evenwicht terug.
Mama zei: Het mooie kleedingstukje wilden ze onder bepaalde omstandigheden wel verkoopen, als mijnheer geen gedragen doek wilde meenemen, maar.... Het verheugde haar dat mijnheer haar deze eer aandeed en zoo voort maar.... Zooals goede moeders dat weten te doen, deed zij mij allerlei beloften, welke mij het recht gaven alles wat heerlijk was te hopen, doch die zij met wreeden wellust telkens door een “maar” weer bijtijds uit den weg ruimde.
Terwijl Moean mij uitlegde hoe het spinnewieltje werkte en proeven van haar bekwaamheid ten beste gaf, heel lief en heel aardig—Meh Pioe zei trots: mijn dochtertje vreest den blanken heer niet (wat klonk als een uitnoodiging)—vroeg ik naar den prijs.
“Veertig tikal!” zei de oude vrouw, en meteen daarop glimlachte ze preciseerend, “maar ik geef den doek alleen met het meisje erin.... dat wordt dan tachtig tikal.”
Terwijl ik weinig welwillendheid zou voelen jegens een Europeesche “moeder met prijslijst”, begreep ik in dit geval toch heel goed, dat Moean deze tachtig min veertig = veertig tikal waard was.
Op het paalwerk der veranda zat de schoone, werkte met bronzen handen en voeten, spon en lachte daarbij; tusschen de spitse schuine daken onder den open hemel en over de verre af-geoogste, met gele stroostoppels neerliggende velden glansde bleek de maan. De lucht was mild en vol gevonkel en gekruid door de geuren van den heeten dag die pas voorbij was—en mijn hoofd duizelde van louter Siameesche getallen en cijfers. Toen lachte Ming met een veelbeteekenend ondoorgrondelijk gezicht, half uitnoodigend, misschien niet zeer verheugd of misschien zelfs wel dreigend:
“Als gij, heer, hier werkelijk komt werken, dan kun je Moean krijgen!”
Maar toen ik onder duizend zoo ernstig mogelijk bedoelde eeden bezwoer, dat ik spoedig terug zou komen en dan in de buurt een huis zou neerzetten, of hij me Moean maar vast wilde geven, ze kon nu juist met me mee, en het kostbare doekje zou ik hem terugsturen, zoodra ik een ander, nog veel mooier voor haar had gekocht———toen ik zoo welbespraakt als nog nooit te voren mijn stelligste verzekeringen gaf, deed mama opeens als een doodgewone beleedigde mama en zei kort en streng: “Plau—daar komt niks van in!”
Later trok ik in Ming’s huis om daar te wonen (omdat Moean zoo mooi was), zoodra “meneer de dokter” zich ervan overtuigd had, dat ik niet heerschzuchtig was en ook niet iets onpassends poogde gedaan te krijgen. Siameezen zijn dikwijls bang voor menschen die hooger staan dan zij, omdat in hun absoluut despotische land iedere hoogere bijna onbegrensde macht heeft over degenen die lager staan dan hij.
Toen Aris hem van allerlei had wijsgemaakt: “Ming, mijn toean vraagt je om raad in betrekking tot de mijnen; jij kent het land en bent wijs, hij zal je beloonen, als je hem helpt”... kwam er tenslotte toch nog een heel aardige vriendschap tusschen ons tweeën tot stand.
Alle Siameesche bamboehuizen lijken op elkaar. Op hooge palen een ruim hoofdvertrek, daarnaast een paar door zwakke, doorzichtige schotten afgedeelde kamertjes, van stoelen en tafels meestal geen spoor, hoogstens een paar kisten en koffers en in een hoek van het hoofd- en ontvang- en bijna openbaar vertrek, twee of drie bestofte Boeddha’s.
Zoo was ook het huis van Ming.
Ming zelf was een kostelijke man. Tegen zijn verzorgde, donkerbruine lichaam teekende zich het witte borst- en hoofdhaar glanzend af. Hij droeg alleen een doek, altijd van dezelfde kleur, van hetzelfde schreeuwende hemelsblauw, als wij het in Zwitserland van de buikgordels der Italiaansche grondwerkers kennen. Losjes omgebonden, plooien werpend en meestal met artistieke nonchalance den navel vrijlatend———scheen Ming begrepen te hebben, hoe uitmuntend dit blauw bij zijn grijzen, waardigen schedel op het gespierde lichaam paste.
En Moean was een echte dochter van haar vader. Ik heb haar als kunstwerk gewaardeerd en bewonderd als zelden een vrouw.
Eenvoudigweg, als iets dat volkomen was. Als voor de menschen op de wereld neergezet door God, den kunstenaar in den hemel. Aanschouw en aanbid. Voel, begrijp, dat er iets heerlijks is, dat rechtstreeks van mij komt.
Je hoeft er alleen maar te zijn, dacht ik, je huiselijke bezigheden te verrichten, te koken, bamboematten te vlechten, rijst te stampen.... als je mij maar laat toekijken.
Sta me toe, bij je te zitten en door jouw aanblik allerhande dingen te vergeten. Laat mij je in gedachten in den nek kussen, laat mij met gespreide vingers door je korte haar glijden, antwoord met je klinkenden lach op mijn gezegden.... maar, blijf hier.
Wees er alleen voor mij, zooals Mata hari er is voor den jungle!
Telkens wanneer Moean uit den tuin kwam of van den arbeid op het land, ging ze naar den hoek van het huis, die de keuken voorstelde en wiesch met een vluggen straal water haar voeten. Ze deed dat als een echte dame in Europa, die bij het binnenkomen in haar villa van schoenen wisselt. Dan zocht ze naar versche betelnoot en zag mij aan:
“Nai hang sa bai?” Heer, hoe gaat het met je?
Het is me, alsof de eerste de beste ruwe stalknecht de prachtige aaa-muziek in dit zinnetje moet hooren.
“Moean is zacht!” zei Aris eens en verdraaide daarbij zijn oogen. “Moean is goed.”....
Terwijl in de donkere helft der maand de menschen na het avondeten met de kippen op stok gaan, wandelt in maanlichte nachten het heele dorp vaak tot laat na middernacht rond. Schimmenvoorstellingen, door eenvoudige muziek begeleid, worden op de dorpspleinen gegeven; de jonge mannen trekken naar de hutten der schoenen toe en de ouderen verzamelen zich tot betelkauw-kransjes en vertellen elkaar telkens en telkens weer opnieuw de avonturen, die ze in de wouden, op zee, in de hoofdstad in den loop der jaren hebben doorgemaakt.
Aris wijdde mij dikwijls volkomen in alle familiegeheimen in. Niet alleen vernam ik de namen van alle menschen, dat was nog het minste, hoe moeilijk ik deze soms ook kon onthouden, hoe zeldzaam ze ook waren.
Het is niets buitengewoons, dat in Siam een doodgewone kerel “Maan” heet, of “Zon”!
Om moeilijk uit te spreken namen toegankelijker te maken, voerde ik bij mij, in mijn eigen wereld, wel eens benamingen uit mijn dagboek als omschrijvende hulpnamen in, zooals je bij algebra onoverkomelijkheden door allerlei ezelsbruggetjes memoreert.
Op een dag teekende ik op: Vandaag ontmoette ik voor den tweeden keer “Heerlijk-natuurlijke vrouwen zijn er onder deze bruine menschen”; of wanneer Aris over juffrouw X of Y sprak, dacht ik onveranderlijk aan “maar omdat er mos en andere vlekkerige dingen op haar borst groeiden.”....
Een in den glans harer valsche diamanten en gouden kettingen, zilver en feestsieraden schitterende dame droeg een naam, die alleen in het Fransch uitgesproken decent genoeg is om herhaald te worden—Madame Constipée.
Doch daarnaast komen ook net zulke namen voor als bij ons mijnheer Zwart, mijnheer Rood, mijnheer Vogel, mijnheer Wagenmaker, mijnheer Meester.... en zooals koelies meer heeten.
Niet zeer passend leek mij de naam van een klein, tweejarig, kaal-geknipt meisje: “Juffrouw Haar.”
Een ander meisje, dat er weliswaar Siameesch-donker uitzag, doch in wier oogen men de medewerking van een Chinees bij haar ontstaan kon lezen, werd door haar moeder kortweg “Chineesje!” genoemd. (Zij moest immers wel weten waarom.)
Meh beteekent in het Siameesch vrouw (moeder). Meh2 sao is een kuische vrouw—een meisje. Aardig is de uitdrukking meh mai, dat is een “nieuwe vrouw,” een weduwe of gescheiden vrouw, kortom, een vrouw met “nieuwe” mogelijkheden (om te trouwen).
Maar niet alleen dit alles vernam ik in de dorpen, ook veel intiemere dingen. Van slechte moeders, van wie ik dat nooit gedacht zou hebben; van gierige Chineesche vrouwen en omgekeerd van onooglijke, onopvallende maar zeer achtenswaardige mannen.
In Ming’s dorp woonden ook veel Chineezen.
Het is een geluk voor Siam, dat het de Chineezen in zijn land toelaat. In ieder dorp, dat ik op reis ontmoette, overal waar gewerkt werd, lag het werk in handen van Chineezen. Zij zijn de handelaren, zij zijn de visschers, zij zijn het die de ontwikkeling vlijtig bevorderen en zij trekken en sleepen de trage oerwoudmenschen en boeren, de Siameezen, mee.
In ieder dorp zijn de hutten der Chineezen te vinden, op elke rivier drijven hun woonschuiten, overal zijn zij doelbewust aan het werk.
Chineezen en Siameezen kunnen goed met elkander overweg, vooral de mannetjes met de vrouwtjes.
Doordat ik jarenlang diepgaande studie heb gemaakt van de erfelijkheidskwestie en rassenbiologie—het is eigenlijk om te lachen, wat een mensch niet allemaal in den loop van zijn leven doet—zag ik misschien iets beter en duidelijker deze buitengemeen interessante voorbeelden van kruisingen dier twee menschsoorten en de resultaten daarvan.
De Siamees is het donkere, trage, grove, breede boeren- en woudelement. De lichtere Chinees brengt bij de kruising een zekere fijnheid mee, geestelijke perfectionneering en rasverfijning en geeft zijn nakomelingen temperament en beschaving.
In de gemengde generatie ontstaan daardoor menschen, die ongeveer het gemiddelde van Siamees en Chinees zijn.
Pas in de verdere generaties doen zich dan gesplitstheden voor, mozaïek-menschen, wier eene kenteeken Siameesch is, terwijl andere Chineeschen invloed verraden.
Zoo kan het gebeuren, dat er ¼ China-¾ Siam-menschen, vooral vrouwen, ontstaan, die beeldschoon zijn en in wie werkelijk ras zit.
Men moet deze in de intiemste kamertjes van Chineesche groote heeren en kenners zoeken, waar ze enkel en alleen als siervogeltjes worden gehouden en gekoesterd en verwend en dat ik haar rustig liet begaan. Tenslotte was ze toch ook Moeans moeder.
De grootmoeder was het, die ’s avonds den laatsten tocht om het huis deed en een stang als afsluiting onder de deuropening stak, zooals bij ons een muizenval wordt opgezet.
Pas nadat ze al haar plichten van iederen avond had volbracht, lei ze zich op één oor, keek nog een heele poos met groote, open oogen naar het dak op en wachtte geduldig tot de slaap ook aan haar dag een einde maakte.
Op zulke avonden gebeurde het wel, dat de oude Ming, zijn bruinen buik streelend, tegen den muur lag en telkens over zijn heele gezicht grijnsde, als hij zag hoezeer zijn dochtertje bij den blanken heer in den smaak viel. En wis en zeker strekte hij zich vaak op zijn mat uit met de stellige overtuiging en met de blijde gedachte: Iets goeds heb ik toch zeker in mijn leven tot stand gebracht.
Doch bij al dezen paradijs-achtigen eenvoud van leven, niettegenstaande alle deurloosheid en onbetrouwbaarheid der bamboeschotten,—en hoe schilderachtig-onzedelijk volgens Westersche begrippen de heilige familie—en ik er midden in—zich op den kamervloer ook uitstrekte—een prachtige als het ware innerlijke wet, een onzichtbaar in de menschen zelf liggend iets hield juist daar bijna elk onbetamelijk woord en elke dubbelzinnige daad terug, waar men volgens de onhoudbare meening van Europeesche begrippen chaotisch rondtastende, blind-woelende dierlijkheid zou mogen verwachten. Zedelijkheid en welvoegelijkheid, dacht ik, is het handhaven van in een bepaalde menschelijke gemeenschap als practisch en noodzakelijk of wenschelijk geoordeelde levensopvattingen en wetten.
Beschaving schijnt het niet-handhaven van deze dingen te zijn.
Het is een paskwil van het Westen, den sensitieveren, nerveuzeren mensch van het avondland nog wetten voor te schrijven, die veel veeleischender (ja, ronduit hopeloos) zijn, terwijl hij minder in staat is, ze na te komen.
Mijn fantasie en al mijn vooroordeelen speelden me soms dwaze parten.
Op een nacht lag ik op mijn matrasje, terwijl Moean en haar zuster lachten en gichelden in het kamertje ernaast. De deur stond enkel aan. Ming was er niet; hij sliep bij familie, hadden ze me gezegd; en dat was zoo vreemd,—dat ik opeens dacht: “Waar ben ik....?.... ben ik niet in Siam?”
Ook Aris was weg en Holloeki wist eigenlijk niet goed wat hij me zou raden:
“Ja, toean, misschien is het goed als je naar binnen gaat. Maar misschien ook niet. Misschien zouden ze je graag je hoofd willen afsnijden!”
Op zulke avonden voelde ik me vaak diep-gelukkig en dood-ongelukkig tegelijk over mijn besluitelooze, geheel onder den dwang van mijn opvoeding staande, doch van nature oneindig vrije en avontuurlijke wezen....
>Dat zijn de gevaarlijke dagen en nachten voor den blanke, die zich aldoor dieper in deze nieuwe sfeer inleeft, wanneer hij dreigend en onvermijdelijk het uur voelt naderen, waarop er plotseling iets in tweeën zal zijn tusschen hem en al de heerlijkheden van Europa welke hij tot dusverre als zijn hoogste bezit in zijn hart heeft bewaard. Wanneer zijn oude philosophie en wereldbeschouwing plotseling aan scherven voor zijn voeten liggen, een nieuwe godheid voor hem wil opstaan, waartoe hij zich aangetrokken voelt, maar die toch nog zoo nieuw, zoo vreemd en zoo wonderlijk is, dat hij pas heel langzaam vertrouwen in haar begint te krijgen en een horde van elkaar tegensprekende gedachten zijn arme ziel in oneenigheid verscheuren.
Wanneer de kartelige silhouetten van wanordelijke palmwouden met romantisch lokkende hutten en menschengestalten erin, zich dieper in zijn verbeelding beginnen te griffen en het hem is, alsof de kale nuchtere straten met de strakke huizen en al die rechtlijnige dingen in Europa zijn tot in het onmetelijke gegroeide honger naar al wat echt en schoon en natuurlijk is, nooit meer zullen kunnen stillen. Wanneer hij zònder deze kleurige beelden niet meer leven wil!
O, in de tropen grijpt het leven den blanken man onbarmhartig aan en het jaagt hem naar een in hemdsmouwen staande of zelfs nog naaktere levensopvatting toe. Ik zou willen zeggen: Dat is meer dan bestendig aan levensgevaar blootgesteld te zijn. Je wilt dat beetje moeizaam verworven beschaving toch niet aan het Oosten prijsgeven——
Een eindeloos geschermutsel tusschen het bekrompen: “Europa en al wat ik heb aangeleerd niet op te geven—” en het heftig dringende “deze heele, nieuwe wereld grondig te leeren kennen—” was er aanhoudend in mij gaande.
Tot ik bevreesd begon te worden, mij als betooverd voelde, het mij was of ik ondanks mijzelf de rol vervulde van den held in een avontuurlijk sprookje, tot ik niet meer ik was, maar een bijna willoos, door buiten mijzelf omgaande machten gehanteerd werktuig. Tot ik begon te zeggen: “Tida apa!—Vooruit dan maar!” en dacht: “Leven, je bent wonderlijk, doch neem mij dan maar, als het niet anders gaat!”
Tot ik mij gewillig in mijn lot schikte, dat mij gebiedend naar het hevigst avontuur drong, met de verontschuldigende gedachte: Want ik ben als het potlood in de hand van een verdwaasden god, die, al wat zijn strenge gebieder hem zal voorhouden, voelbaar, tastbaar zal maken.
Sinds ik uit het Oosten ben teruggekeerd, word ik verscheurd door chaotisch door elkander woelende, elkaar wederkeerig opvretende levensopvattingen.
Nooit heb ik zoo fel tegenover mijn eigen geestesleven gestaan als ginds in Siam, in het Oosten, waar het leven zoo open en blij en als een juichend lied aan den dag treedt. Waar de levenswetten eenvoudiger zijn, maar worden nagekomen, waar niet zoo’n leger van gecompliceerde voorschriften en beschouwingen over goed en kwaad ontdoken behoeven te worden. Waar het op het “hoe” van het leven minder aankomt.
Nooit heb ik de school, die diep in mij woont en mèt haar de onderwijzers, vuriger gehaat en vervloekt en heel mijn opvoeding met al haar voorschriften zwaarder op mij voelen drukken, dan destijds in het Oosten onder menschen die er geen vooroordeelen op nahouden, die onbewust en onbelemmerd leven, zooals het goed is en gelukkig maakt.
Vreeselijk is deze Europeesche school van voorgeschreven en overgenomen opvattingen, vreeselijk zijn deze plichten en doelen, die iemand worden ingepompt gedurende een langen ontwikkelingstijd en den ontvankelijken Europeaan zoo wreed in bezit nemen en beheerschen, dat zij hem misschien wel tot een achtbare positie, misschien zelfs tot geld en roem, doch nooit, nooit tot zelfvoldaanheid, achting voor zichzelf en tot geluk kunnen brengen, omdat een week mensch, iemand die voor deze leeringen werkelijk toegankelijk is, er niets anders door bereikt, dan zijn eigen onvolmaaktheid al brandender te voelen.
Europa vergt te veel van zijn menschen en gunt ze te weinig. Het recht op en de mogelijkheid tot de billijkste levensvreugden onthoudt het hun.
In Azië, ver, is dat anders. In de eerste plaats geeft het leven iedereen het noodigste om te leven: een stuk lendendoek, rijst in den buik, een vrouw en de betelnoot-pruim. Iedereen ontvangt dit stilzwijgend als eerste voorschot op de afrekening van het noodlot. In het Oosten kent men geen zorgen voor woning, verwarming of kleeren en zelden kent men er honger. En voor deze gelukkigen slaat zelfs geen klok; het halve dagloon is meer dan genoeg voor alles wat ze behoeven. Geen verterende, niet te stillen verlangens kwellen deze menschen.—
Vandaar die onuitputtelijke bron van stoïcijnsche levensrust en kracht. Een koelie werkt, omdat hij de resultaten er van ziet, het tot iets brengt, waarop hij naderhand uitrustend teren kan.
De eenvoudigste bruine kan door werken tot welstand geraken, en zijn opkomst is zoo zeker, als deze het voor den gemiddelden Europeaan niet is. Ook geestelijk gesproken! Want welk ontwikkeld mensch in Europa zou tot zichzelf kunnen zeggen: ziezoo, nu ga ik werken en zal ik boven de anderen uitstijgen en gelukkig worden....
Vroolijk doet de Aziaat zijn werk. Hij weet waarom. Een koelie denkt: Als ik morgen acht uur vlijtig werk, dan kan ik dat en dat....
De Europeesche arbeider vloekt: Al ploeter ik ook jaar-in, jaar-uit, dan kan ik nog niet eens....
Azië is een wereld vol harmonie; zijn menschen zijn van top tot teen in evenwicht.
Europa!?....
In het avondland, lijkt het mij, geschiedt al het werken met de grimmige, verbeten wanhoop, geen andere mogelijkheid meer te hebben dan als een razende te “werken”.
Europa is ongeneeslijk-overbevolkt. Voor zijn menschen is het een kwelling er te wonen.
Azië daarentegen is vreugde.
En “koelies,” “bruinen” of “inboorlingen” beteekent niet zoo maar kortweg “minder goed”, “armzalig” of iets dergelijks.
Het is niet zoo eenvoudig “bruin” met “wit” te vergelijken. In de eerste plaats moet hij, die over “bruinen” spreekt, zich nooit deze vreeselijke, troostelooze beelden van het Europeesche proletariaat met het hopelooze martelaarschap van nood en ontbering vormen.
Menigmaal had ik dolgraag zoo’n troepje half-bevroren fabrieksarbeiders in mijn nieuwe wereld neer willen zetten en tot hen willen zeggen: Kijk, zoo leven ze daar. Het zijn weliswaar maar bruinen, maar.... zoo gelukkig leven ze daar aan den equator!....
En als dan soms van uit het Westen de ontzettendste geruchten in mijn vredige wereld doordrongen, wanneer ik te midden dier harmonie der Oostersche samenleving van de nieuwste successen en vorderingen van Europa hoorde.... noodkreten, klachten, smartelijk gejammer.... dan was dit telkens opnieuw een wenk voor mij om te twijfelen, met de oude voorstellingen mijner opvoeders te breken en het door Europeesche leeraren zoo stevig opgetrokken gebouw van opvattingen, doelmatigheden en verstandigheid omver te werpen, zooals men een oud, niet meer bewoonbaar huis afbreekt, eer men er voor eeuwig dood en begraven onder komt te liggen.
In de stille werelden van het Oosten heb ik leeren twijfelen; als een openbaring is de gedachte in mij opgedoemd, dat het niets dan een gril is, Europa als kernpunt te beschouwen, al de opvattingen van zijn jonge cultuur als het eenige, het beste en als voorbeeld te willen doen gelden; en mij zelve en mijn blanke pracht leerde ik onder bruinen heel anders zien.
En telkens weer kiemt in mijn weliswaar nog niet gevestigde levensbeschouwing (een soort boeddhistische hemel-hel-balans-religie, die ik nog altijd hoop een beetje in evenwicht te brengen), de ontzaglijk deemoedigende vraag op: “Is Europa werkelijk waar?”
Dat je daar zoo opeens de held van alle vrouwen moet zijn, was voor mij het bizondere onder bruinen, nadat je vroeger onder millioenen “allemaal evenveel kans hebbenden” absoluut onopgemerkt bleef.
De sympathie, die elke vrouw daar opeens voor onze oude witte huid zoo opvallend verraadt, werkt eerst verrassend, daarna aangenaam en ten slotte naargelang.
Je bent daar allen bruinen echtgenooten, bruigoms, pretendenten met of zonder bewijs van domicilie zoo verbluffend vlug een heel geweerschot voor, zoodat, wie aanleg mocht hebben voor romantiek, er beter aan doet thuis te blijven en wie het niet heeft—heelemaal.
Op Aris maakte het zichtbaar een diepen indruk, dat zijn toean niet blindelings uitgebreid gebruik maakte van dit voorrecht, doch dat hij, zooals de Maleier dat bij zichzelf uitlegde—zelf een blanke—blijkbaar de voorkeur gaf aan een blanke vrouw....
Wat echter natuurlijk niet heelemaal juist was. Ik heb mij menigmaal met een Siameesch rijst-deerntje geamuseerd—en miss Yonarin, die in het dorp woonde waar ik mijn hoofdkwartier had, iederen keer en opzettelijk-graag genegeerd, als ik haar toevallig op straat tegenkwam.
Aris bezat zooveel aan klassengeest, kastegevoel en zuiver inzicht, dat hij het in tegenstelling met menigen anderen toean in den zijne wel fijn vond, dat deze er niet zoo maar op los leefde, doch blijkbaar meer voor zijnsgelijken voelde, evenals een dame van zuiver onvermengd ras uit de goede Chineesche kringen, die alleen voor haar stam-broeders liefde over heeft, of hoogstens nog voor de voorvaderen van dezen, wanneer voorvaderen tenminste niet boven zulke nietige dingen als aardsche liefde verheven zijn!—
Wanneer een vrouw of een meisje in een dorp meer ondernemingsgeest blijkt te hebben dan de goede zeden veroorloven, wordt er heel eenvoudig van haar gezegd: Ze houdt er zeven mannen op na! Doch niemand ziet haar daarom met den nek aan. Dat “zeven” wordt op een toon gezegd, waarop men bij ons bijvoorbeeld van iemand zou vertellen, “ze heeft voor den tweeden keer tweelingen gekregen”.... vol verbazing, men kan het niet zoo heelemaal vatten, maar denkt: wel, zij is nu eenmaal anders, we kunnen niet allemaal even gul met talenten bedeeld zijn.
Het wordt me bijna een beetje onbehaaglijk te moede, Europa te moeten vertellen, dat zelfs de deernen van de straat in Bangkok iets goddelijks en reins zijn; dat volgens mijn meening elke om zoo te zeggen eerbare Europeesche vrouw die negen en meer jaren school heeft gehad, een veel grootere deern is dan zoo’n jong, mooi Siameesch meisje, dat met haar bekoorlijkheidje speelt, omdat ze nergens anders van weet.
Ik schreef eens enthousiast in mijn dagboek: In Siam schijnen geen lichtekooien te zijn! Later zag ik mij genoodzaakt, een vraagteeken achter dezen zin te zetten, naderhand weer een uitroepteeken, enzoovoort, zoolang er plaats in het boek was.... maar ik ben er tot vandaag den dag over in twijfel gebleven, hoe ik dat eigenlijk zal zeggen; terwijl ik het toch precies weet, wanneer men mij over blanke vrouwen vraagt.
De enkele mensch speelt in Siam zulk een ondergeschikte rol en kan zoo makkelijk aan den kost komen en zijn weg vinden, dat het ontstaan van een nieuw mensch daar lang niet van zulk een belangrijkheid en beteekenis is als bij ons, waar het kind het verschrikkelijke van het huwelijk is—1o. het verschrikkelijke als op zichzelfstaand feit en 2o. het verschrikkelijk dure, en geweldige bedragen aan hulp en bescherming verslindende, en maar al te vaak levenslang niet te bevredigende geval.
Hier is weer het heele verschil tusschen Azië en Europa in twee woorden te zeggen. Zoo’n bruin wezentje leeft in het begin van lucht en melk (die hij werkelijk krijgt, wat veel waard schijnt te zijn) en later van rijst. Een zevenjarig kind in Siam kan zich beter nuttig maken en beter den weg door het leven vinden, dan een vijfentwintigjarige student bij ons.
Dat geeft een onschuldiger kleur aan heel de onzalige geschiedenis die “Leven” heet.
Als ik Aris goed heb begrepen, dan hechten de Siameezen echter toch ook veel waarde aan levensformaliteiten. Dat een man het bijvoorbeeld niet zijn leven lang bij een en dezelfde echtgenoote uithoudt, vinden ze weliswaar zeer begrijpelijk, maar bij het sluiten van een huwelijk hopen ze toch allemaal met elkaar, de vader, de moeder en de jonge vrouw, heel vurig: Als mijnheer het nu tenminste maar een paar weken uithoudt en niet morgen al weer wegloopt! Dat ze zoo denken, is minder om de lastige gevolgen voor de jonge moeder, dan wel omdat het niet goed zou staan en een slecht licht op de familie—der vrouw zou kunnen werpen.
Vaak en lang heb ik mij ingespannen om uit te visschen, wat zoo’n huwelijk onder eenvoudige woudmenschen eigenlijk tot stand brengt, wat er in werkelijkheid aan ten grondslag ligt en waaruit het bestaat.
Met het trouwen, dacht ik bij mezelf, is het stellig totaal anders gesteld dan bij ons blanken. Al komt het ook wel voor, dat de een haar bijvoorbeeld om een bijbehoorenden rijst-akker neemt (waarvoor hij overigens zijn schoonvader volgens oerwoudbegrippen een heel vermogen moet betalen) of dat een ander de zijne trouwt, omdat hij op een andere wereldsch-aardsche wijze er zij bij denkt te spinnen,—het was toch buitengewoon moeilijk teekenen van een hoogere, ware beweegreden te vinden. Want te vermoeden, dat zoo’n primitieve koelie iets verstond van bekoorlijkheid of innerlijke waarde—dat leek mij toch wel een beetje al te gezocht....
Dat Nai Khan en zijn Meh bij elkaar hoorden, merkte ik pas, toen ik ze samen het bosch zag ingaan. (Vaak spelen zich al te persoonlijke dingen immers daar af, omdat bamboemuren—niet behoorlijk sluiten).
Den ochtend na deze gewichtige ontdekking begon ik dadelijk mijn goddelooze strooptochten door de geheimzinnige wereld van dit woudhuwelijk.
“Als ik zoo’n bruin vrouwtje had als jij,” dacht ik, toen ik Nai Khan’s werkplaats in den Mijnberg onderzocht, waar hij half naakt en tot aan zijn knieën in het water stond te hameren, “als ik zoo’n vrouwtje had, zou ik niet dag-in dag-uit acht uren lang zoo hard ploeteren....”
Nai Khan had altijd iets vermoeids in zijn oogen, alsof hij onder het harde werk toch alleen maar aan haar dacht. En het was mij, alsof hij nooit, nooit lachte. Met zijn fijn gebouwde leden was hij een levend verwijt tegen het tot ruw werk veroordeelende noodlot. Want hoe bespottelijk slecht pasten deze zware breekijzers toch bij zijn donkere droom-oogen.
Pas na heel lang wachten en langs uiterst voorzichtige omwegen waagde ik het, ook haar een beetje in het licht van mijn eigen wijze van bespiegelen te bekijken. (Toen hij veilig aan het werk was.)
Of ze wel zou lachen, als ik lachte....?
Ja, ze lachte.
Toen probeerde ik haar te photografeeren. “Siameesche vrouw bij het rijststampen” schreef ik al in gedachten onder het kiekje—maar toen holde ze plotseling weg; en ik weet vandaag den dag nog niet, of ze beleedigd was of geschrokken; wat ik me alleen nog precies herinner, is, dat ik toen zijn zwarte oogen in langen tijd niet kwijt kon raken—.
Dikwijls hielden mij andere gewichtige plichten van verdere ontdekkingstochten af, doch ik nam mijn taak absoluut niet van den lichtsten kant op.—Zoo stelde ik mij gedurende twaalf dagen in de buurt van hun huisje op, als hij moe en hongerig van zijn werk kwam—maar—niets—niets bepaalds.
Pas kort geleden hadden mijn pogingen eindelijk meer succes. Laat in den middag, na afloop der dagtaak, was hij aan het voetballen. Een van bamboespaanders gevlochten bal wordt door een paar in een kring staande koelies met handen en voeten en soms zelfs met het hoofd rondgestooten, zonder dat hij daarbij den grond mag aanraken.
Nai Khan was een vurig en goed speler. Ik bewonderde de kracht en de lenigheid van het tengergebouwde slanke kereltje en zijn, mij na het harde dagwerk onbegrijpelijken lust voor dit vermoeiende spel.
Toen hij nu zoo echt midden in het spel was, zag ik opeens zijn vrouw op weg gaan naar het bad.... Ze liep met veerkrachtige, wiegelende schreden, haar knieën lichtelijk naar buiten gekeerd, de bovenbeenen echter volkomen recht, gelijk alle oerwoudvrouwen. Haar schoonen doek droeg ze als een tulband op het hoofd, de brandende zon scheen over haar bruine schouders en haar borstdoek teekende zich verblindend wit tegen haar rug af. Maar het mooiste was, zooals bij elke loopende Siameesche vrouw, het licht- en schaduwspel in haar naakte knieholten, en ik moest haar nakijken, zooals ik misschien nooit te voren een blanke vrouw heb nagekeken....
Ze ging een paar stappen voorbij de spelenden, toen hurkte ze neer aan den rand van den weg, geduldig wachtend,—wachtend op haar heer en gebieder.
En het duurde een heele poos tot ook deze zijn badgerei opnam en klaar was om met haar mee te gaan....
Is dat niet net als bij ons thuis! dacht ik toen, wanneer je bijvoorbeeld tegen je vrouw zegt: “Kom me om zes uur van de zaak halen, dan ga ik met je mee boodschappen doen in de stad.”
Dat zeg je tegen je vrouw. (Meestal.) Je hebt dan wel altijd nog even gauw iets dat dringender is te doen, maar daarna heb je toch wel een beetje tijd voor haar en tenslotte straalt een trotsch “ik-heb-schik-in-haar” uit elken stap dien je te zamen met haar doet.
Nai Khan en zijn Meh liepen niet gearmd, ze reikten elkaar niet eens de hand—(oerwoudwegen zijn geen strandboulevards!)....
Maar toen ik ze daar zoo samen werkelijk als één wezen door den woud-avond zag schrijden, toen kon ik toch niet anders dan deze twee gelukkige menschen toewenschen: Mogen jullie het beste plekje vinden om te baden en.... heel, heel helder worden....!