We waren op weg naar het dal van den Nam Dam, de Zwarte Rivier. Aris was er al, Holloeki en ik, werktuig en levensmiddelen op een buffelkar meevoerend, volgden hem. Niettegenstaande den regen.
De rijweg door het brokkelige bamboewoud was week geworden. Het slik reikte den loggen buffels tot aan den buik. Alles was grijs van modder en slijk, wij, de dieren en heel de troostelooze streek.
Als verdrinkend gras keken de groene puntjes van de jonge rijst uit het water der weinige akkers langs den weg op, en hier en daar dreven vrouwen haar kudden door de rijstvelden, op deze eenvoudige wijze ploegend.
Soms regende het haastig en snel met groote droppels; dan weer poogde de zon, als in een reusachtig spinneweb hangend, door de wolken te dringen, bleek en vaal en toch met een kracht die verwonderlijk was.
Regen in de tropen is het meest verschrikkelijke voor den blanke en zoo erg als een sneeuwstorm in het hooge Noorden. Wel bezwijkt de mensch hieronder niet zoo plots en snel als onder zoo’n sneeuwstorm, doch meestal pas na weken, maar omdat hij hieronder onmerkbaar wegkwijnt en zijn einde bijna ongeweten nadert, is deze tropische regentijd des te verraderlijker.
In een kokkie, die eigenlijk in een geriefelijken bungalow zou kunnen leven, moet het ten zeerste geprezen worden, wanneer hij zijn toean in den soms onbegaanbaren, onontwarbaren jungle vergezelt. Duizenden zouden dat voor geen geld van de wereld doen. De jungle is voor hen het zinnebeeld van het allerergste.
Maar gelukkigerwijze bestaan overal waar menschen zijn op aarde, ook verhoudingen tusschen dezen, wier duur en hechtheid niet alleen aan geld en dergelijke stoffelijke waarden is verbonden; en ook in het Oosten vindt men voorbeelden van ongelooflijk trouwe, verwonderlijk-geduldige en merkwaardig-vlijtige bedienden, zoo goed als onbegrijpelijk strenge en nijdige meesters, die toch gedurende langen tijd dezelfde dienaren bezitten.
Holloeki, voelde ik, zou door dik en dun met mij meegaan, omdat hij een zeker vertrouwen in mij had gekregen. Ik was zijn toean. Deze toean was zoo en zoo goed. Nu had deze heer het besluit genomen in het woud iets te gaan zoeken. Dat was weliswaar krankzinnigenwerk in dien regen, maar ik ben zijn boy, zei Holloeki tot zichzelf, en ik ga met hem mee, al zijn er ook nog zooveel hinderpalen. Als mijn meester werkelijk de heer is, dien ik tot nu toe in hem gezien heb, dan zal het wel goed zijn.
Niet omdat ik elk oogenblik hard en streng was en hoogmoedig als een koning, hielden mijn “slaven” het in het oerwoud bij mij uit, maar omdat er een soort wet schijnt te zijn: dat het lagere het hoogere diene en het kleine zich in den dienst van het groote stelle———daarom dienden Holloeki en Aris mij zoo trouw, dacht ik. Zuiver en alleen uit het gezonde gevoel: Zoo moet het zijn en zal het hem en ons en allen tot heil worden.
Met binnensmondsche kreten stuurde onze voerman de kar, die voortdurend in watergaten zakte, het bosch in, en zijn Oeh, Oeh, Oeiii!———! waarmee hij de buffels tot de uiterste krachtsinspanning aanspoorde, wrong zich moeizaam door zijn diepe keel heen———moeizaam, uit haat tegen den afschuwelijken weg en de ongemakken van den grauwen, smerigen dag; wanhopig gerekt Oehoehoehoehoeiiii-ee! wat ben ik een stommerd geweest, dit werk aan te nemen en de goederen voor dien toean zoo diep in de wouden te brengen———voor dertig tikals.
Tot de zwaarste uren voor den jungle-reiziger behooren die, waarin hij, met heel zijn hebben en houden al midden in de wildernis, dezen strijd zijner gidsen, voermannen en dragers om hun psychisch evenwicht moet meemaken en in twijfel blijft of ze zullen volhouden of hem met zijn boeltje in het moeras zullen laten steken. Dan kan een krachtig woord alles evenzeer ten goede als ten kwade keeren.
Het liep tegen den avond en de weg was nog ver. “De weg!” Ik wist dat het breed-uitgehouwen, voor buffelwagens berijdbare gedeelte weldra voorbij was. Tot daar zou de voerman meegaan. Ik zelf snelde nu alleen vooruit, twee uren ver naar Aris’ legerplaats, om de koelies te roepen, die de bagage dienzelfden avond nog naar het bivak aan den voet der bergen moesten sleepen.
Het is nooit donkerder en somberder in het oerwoud dan bij regen; nooit koeler, nooit heeter. Van alle takken en twijgen druppelt het, je kleeren zijn tot den laatsten draad nat, en je voelt je koud en zwoel op hetzelfde oogenblik, bijna als in koorts.
Dampend van inspanning, over en over met modder bedekt en zoo moe dat ik dreigde neer te vallen, bereikte ik het kamp. Zwaar lagen de wolken in de boomkronen, zeurig luidden de eerste ontwaakte krekels den nacht in en het regende weer zachtjes, toen Aris mij begroette:
“Veel wilde olifanten! Toean, veel bloedzuigers.... maar ook veel erts!”
Toen herinnerde ik me weer de zalige vreugde, die me had vervuld, toen ik na twintig vergeefsche pogingen om goed mijnland in het oerwoud zelf te vinden, hier eindelijk het groote succes meende te mogen aanschouwen. Hoe het mij gelukt was een slimmen Chinees te verschalken, vlug naar de hoofdstad te vertrekken en het land met een concessie te beleggen.
Nu zou het waardevolle niettegenstaande regen, muskieten en koorts en in weerwil van alle gevaren, onderzocht en ontgonnen worden.
Alleen taai-volhardend werken brengt resultaten, zei een stem in mij. En het leek me juist wel goed dat ik hier een harde noot te kraken zou hebben. En juist daarom, omdat het hierblijven bij regenweer iets buitengewoons, ja krankzinnigs was, zou ik nu voor niets ter wereld wijken. Den jungle kon men (gelukkig) nog niet in zijden bedjes leeren kennen.
Aris, die van tin en mijnland meer verstand had dan menige blanke, begreep mijn ondernemingslust. Over afstanden van vele kilometers beken doorwadend, hadden we telkens weer in ieder waschbekken meer dan genoeg van de blauw-zwarte ertskorrels gevonden. Het was nu alleen nog een vraag van nader onderzoek, of tusschen de waterloopen ook grond lag die ertshoudend was, of de tinsteen met de diepte toenam enz., om de plek waardevol te maken voor de toekomst.
Nooit ben ik met mijzelf en met mijn leven meer tevreden, dan wanneer ik iets gedaan heb of op het punt ben te gaan doen, dat iets eigens heeft en dat de groote hoop niet doet. Maar ook nooit ben ik ongelukkiger dan op die momenten.
Het dappere, moedige in mij zegt: Het heeft absoluut geen zin, dat je van allerlei doet wat anderen ook kunnen. Je moet iets groots, iets nieuws scheppen. Met hen die meer geregelde werkkracht bezitten en in staat zijn langere werkdagen te maken, kun jij je toch niet meten. Jij moet daar beginnen, waar de anderen ophouden.
En daarop antwoordt dan meestal zacht en schuchter de lafaard en gezelligheid-zoeker in mij: Zeker, dat is waar, maar hoe goed je trotsche kennis ook is en hoe prachtig ook, al is het tegelijk moeilijk en gevaarlijk, het denkbeeld——het kost je je kracht en gezondheid, ja misschien je leven en is daarom slecht.
Er zijn menschen, die den verstandigen arbeid vervloeken en in het onverstandige des te grooter dingen presteeren, die er de voorkeur aan geven ter wille van een groote gedachte te sterven, in plaats van in een alledaagsch geluk te leven.
In hen leveren het goede en het kwade, vreugde en leed en leven en dood onophoudelijk woeste worstelingen; ze zijn vol tweespalt, soms onbevredigd, soms blij, nooit vast en rimpelloos van stemming; en al wat er in hen gebeurt, is de koppige uiting van het tegendeel.
Uit de worsteling hunner twee halve werelden ontstaan hun werken, die dikwijls vreemdsoortig zijn; uit hun afschuw voor het slechte——misdaden, uit hun minachting voor regelmatig-dor, banaal werk——daden, die nochtans uit een groote hoeveelheid inspanning en offers zijn opgebouwd. Niemand worstelt zoo hardnekkig om het stralende hooge licht te bereiken als zij, die steeds het oogenblik vlak voor zich zien waarop het halsoverkop en onafwendbaar den verkeerden kant met hen uitgaat.
Voor zulke menschen is het eenvoudigste leven een foltering, al het mooi-geregelde verdacht, al het goede te goed; en wanneer zoo iemand, die licht en donker tegelijk is, zoo iemand met brandend-heete verlangens en vol gistenden twijfel in de ophitsende eng-omslotenheid van den jungle geraakt en in de gewelddadigheid van het tropische klimaat, dan zal in den kortst mogelijken tijd zijn leven bedorven zijn, wanneer niet ergens een goede beschermengel de zware plicht op zich laadt, met zijn klare licht over hem te waken.
Van mijn bivak aan de Zwarte Rivier stond ik op slag midden in den maagdelijken jungle. Het dal, waar de rivier zich doorheen slingerde, was smal, en overal in het rond schaarden zich onafzienbaar en met knoestig doornig hout bedekt, de eene berg naast den anderen.
Mijn kamp stond in de nabijheid van een geweldigen yangboom, die ons het noodige hars voor de fakkels leverde. Als brievenbussen waren smalle nisjes, net spleetjes, in zijn stam gehouwen, waarin de brandbare vloeistof zich verzamelde, en vanaf den voet van dezen boom leidden naar alle richtingen wildpaden het woud in. In het leven der bruinen speelt zoo’n boom net zoo’n belangrijke rol als een heel kerkdorp in een Europeesche streek.
Een eenvoudig dakje op palen dat als hut dienst deed, wachtte daar op mij. Als een vliegende marktkraam in de stad. Muren waren er niet aan. Alleen een brits met een dak. Het laatste was gevormd door twee lagen in de lengte gespleten bamboestaven, de onderste laag als dakpijpen met den hollen kant naar boven gelegd en de bovenste laag van bamboestaven daar zoo overheen, dat ze om en om de voegen der onderste stangen bedekte. Eikenbladeren, die wel een halven meter lang waren en net gelakt leken, hielpen mij een plekje verzekeren, waar mijn matrasje en het “gele” en het “roode” eenigszins droog bleven, als het niet te erg regende.
Vlak er tegenaan was ook voor Holloeki een klein loofhutje gebouwd, waar onder moeizaam keukengeploeter de houterige bus-erwtjes uit Hongkong werden overmand. Als ik vermoeid en hongerig van mijn werk kwam, keek ik graag vanaf mijn bamboeschraag daarheen en de blauwe rookwolkjes na, die van Holloeki’s werkzaamheid getuigden en wachtte begeerig op het luid schallende: “Toean, makan!”
Niet ver beneden het kamp stroomde de Zwarte Rivier voorbij, meestal als een klaar, doorzichtig stroompje over de met donker mos begroeide steenen kabbelend; doch nu na den gutsenden regen zwol ze vaak ontzettend onverwacht tot een bruisenden geel-groenen stroom aan. Dan klonk donderend en razend haar gebrul op en vermengde zich met het duizendvoudige stemmengeruisch van den jungle.
Bamboe hing in dichte boschjes overal over den grond en tusschen dunnere plekken door zag men op de woeste, onbegaanbare woudbergen.
Niet ver van mijn slaap-hut verwijderd hadden ook mijn koelies en werklieden een schuilplaats gezocht. Die was nog eenvoudiger dan de mijne, en ze lagen daar ’s nachts, de een naast den ander zoo goed als op den naakten grond en bijna in het water. Ik leefde wekenlang met hen samen, heelemaal op hen aangewezen.
Aan de in het Oosten dagelijksch gebruikte uitdrukking “koelie” (een Maleisch woord, dat ongeoefende arbeider beteekent) moet zich zeker iedere pas-aangekomen Europeaan eerst wennen. Maar ook iedereen zal weldra met aangename verbazing merken, dat aan dit woordje niet dat kleineerende en geringschattende kleeft, dat het Westen eraan verbindt. Wie diep genoeg in de oerwouden is geweest, voor dien zal van “koelie” weldra al het onaangename afgevallen zijn, en telkens wanneer hij het woordje hoort, zal in hem de duidelijke voorstelling van een “dienstbaren geest” opdoemen.
Voor de menschen van den jungle en de woud-Siameezen, met wie ik het meest in aanraking kwam, vond ik de benaming van “koelie” absoluut niet geschikt, zoo min als het heelemaal in den haak zou zijn onze onafhankelijke bergbewoners en Alpenherders “arbeiders” te noemen. Het onvrije van den “fabrieksarbeider” bijvoorbeeld ligt daar te dicht bij.
Ik heb nooit duidelijker het gevoel gehad, iemand te zijn, bij mijn medemenschen gewaardeerd te worden, en nooit ben ik met meer liefde en deelnemende zorgzaamheid behandeld, dan wanneer ik met mijn koelies in het oerwoud was.
Dikwijls heb ik mij heelemaal alleen aan een wild-vreemden gids toevertrouwd, die mij diep in het bosch bracht en er mij weer gezond en wel uithielp. Die urenlang voor mij uitloopend en den weg effenend zorgvuldig op elk takje lette en op elken doorn die den heer misschien zou kunnen verwonden,—en toch bestond onze wederzijdsche verhouding schijnbaar alleen uit de belachelijke nietige omstandigheid, dat ik hem ’s avonds na het werk een tikal, een Siameesch geldstuk gaf.
De belangrijkste onder al mijn menschen, was Nai Dehng—meneer Rood, de slanke met zijn veertien baardharen en de getatoueerde zwembroek, waarvan het sierlijke kantpatroon bij elken stap, dien hij deed, onder zijn lendendoek te voorschijn kwam. Hij behoorde tot een stam der meer noordelijke Lau-volken, doch was tegenwoordig P’hoe Yai in het dichtbij liggende wouddorpje Tong Qoeang en kende als zoodanig zijn omgeving beter dan iemand anders. Doch hij ging alleen bij hooge uitzondering, bijvoorbeeld bij bizonder lastige grens-kwesties met mij mee.
Ook eenige der andere menschen stamden uit Tong Qoeang. Ik bewonderde de sterke kerels, die na afloop der zware dagtaak nog kracht genoeg hadden (of was het zwakheid—!), om naar huis te gaan om bij hun familie te overnachten. Ze moesten een stevigen marsch van twee uur doen, maar waren ’s ochtends vroeg altijd weer op tijd terug.
Zij zorgden gelijktijdig voor den aanvoer der levensmiddelen, verrichtten bodediensten en waren, als de gelegenheid zich voordeed, woud-brievenbestellers. Zoodra mijn aanwezigheid bekend was geworden, doken zoo nu en dan menschen op, vaak tochten afleggend van dagen, om werk te zoeken. De regelmatige tikal per dag bleek hen gelokt te hebben. Doch meestal was het enthousiasme slechts van korten duur.
“Woud-Siameezen willen liever bijna verhongeren en daarbij vrij zijn, in plaats veel geld te verdienen, maar regelmatig te moeten werken,” zei Aris.
“Net als de dichters!” dacht ik.
Zoodra zoo’n man een paar tikals op zak heeft, pakt hij zijn lichte bundeltje en neemt afscheid: “Heer, ik ga heen!”
Het is merkwaardig met die koelies. Hoe ver en tegengesteld al hun denkbeelden van de onze ook zijn, er zijn toch zulke onder hen, die bij de eerste ontmoeting al dadelijk sympathiek zijn, naast anderen die het nooit worden.
Tsjoey leek van uit de verte een pracht van een man, maar had, toen ik hem van dichtbij bekeek, de ontstoken oogen van een armzalig, bijna uitsluitend van kruiden en insecten levend woudmensch.
Siang’s vader was waarschijnlijk een Chinees. Telkens wanneer ik hem zag, dacht ik: Mooie, zachte kerel, heb je soms ook een zuster? Breng me dan naar haar toe, laat me haar zien!
Doch de meesten van hen waren, om kort te gaan, onbelangrijk. Onder koelies komen heel zelden persoonlijkheden voor.
Krot viel door zijn natuur-wezen op. Hij was misschien de eenvoudigste en meest echte wilde, dien ik ooit zag: sterk als Hercules en goedmoedig als een kind. Zijn lange haar hield hij met een rotangsnoer boven zijn voorhoofd bijeen, zijn oogen straalden van een vreemd innerlijk vuur en wanneer hij zijn mond opende, was het, alsof het oerwoud zelf sprak. “Krap!” was zijn woord. Het is voor ons blanken bijna onmogelijk “krap” diep en donker genoeg uit te spreken. “Krap” beteekent: “Ja, heer!”, “tot uw dienst.”
Krot was zoo eenvoudig en oorspronkelijk, dat zelfs de overige koelies hem niet goed begrepen en voor dom hielden. Maar dat was hij niet.
Zijn huid was donker, maar verzorgd. Hij verzuimde het ook op den koudsten ochtend niet zijn bad te nemen, masseerde al zijn spieren en wreef zijn pikzwarte haar in met het vet van den yken, het kleine Siameesche hert. De regen liep van zijn gladde huid af als het water van een zeehond. Zorgvuldig maakte hij na elken maaltijd zijn tanden schoon.
Hij was als een dier in de beste beteekenis van het woord. Niets ging bij hem boven het oerwoud. Ik herinner mij, dat hij op een droevigen regenavond, terwijl iedereen blij was met een droog plekje bij het vuur, op mij toetrad: “Heer, ik ga het woud in!” en voor een paar dagen verdween!
Geheel onverwachts en alsof hij nauwelijks even weggeweest was, dook hij dan eensklaps weer op. Hij had een vrouw in het dorp———dat wil zeggen, toen niemand anders deze vrouw meer begeerde, hing ze zich aan zijn hals. Misschien was het woud hem daarom zoo lief.
Ik mocht Krot graag lijden. Niemand verstond zoo de kunst met het mes om te gaan en de sporen van het wild te herkennen en op te zoeken, als hij. Vaak maakten wij met ons tweeën tochten die dagen duurden in de bergen, en nooit heeft iemand met meer recht en trotscher en smakelijker om mijn onervaren vragen naar de geheimen van den jungle gelachen dan hij. Een gevoel van afgrijzen bekroop me pas voor Krot, toen ik zag, dat uit het vleeschballetje dat hij bij zijn rijst at, de wormen verschrikt wegliepen.
Het eerste werk in het oerwoud bestond altijd daaruit, dat rooilijnen werden uitgezet. De grenzen van het stuk land, dat ontgonnen zou worden, moesten pas voor pas worden uitgesneden en junglewegjes gebaand worden, omdat het woud anders volkomen ondoordringbaar was.
Dagelijks ben ik zoo aan den Nam Dam, het kromme mes tusschen mijn gordel, gelijk de inboorlingen op avontuur uitgegaan.
Tot de diepste vreugden, welke het leven heeft te bieden, behooren ontdekkingen in Nieuwland. En al is het door nog niemand betreden vlekje grond ook nog zoo klein, het zal altijd een bizonder tuintje van geluk zijn, en rijker aan schoonheid en wonderen dan de prachtigste gekweekte jardin public van een geraffineerd menschdom.
Het feit, dat voor mij wel al Chineezen en Siameezen aan de Zwarte Rivier naar tin hadden gezocht, doch nooit een blanke, was al reden genoeg, om deze streek voor mij tot een paradijs te maken, al was het er dan ook een met doornen.
Om een grenslijn van vijfenzeventig sen lengte (1 sen = 40 meter) en twee meter breedte door het oerwoud aan te geven, hadden drie tot vier koelies meerdere dagen werk. Hier had ik vijfhonderd sen te snijden dwars over heuvels en bergen, door duistere kloven, en dikwijls was er van te voren een loop van twee uren noodig om de plaats waar gewerkt werd te bereiken.
Pas nadat zoo’n mijnland toegankelijk gemaakt was en overal in het rond lijnen waren ingesneden, kon met het boren van schachten, teneinde den bodem te onderzoeken, begonnen worden.
In de vroege ochtenduren was de hemel vaak klaar. In alle kleuren glinsterden waterdroppels op de bladeren. Een sluier van neveldampen lag over het wouddal, waar de stroom doorheen kronkelde, naar de wijde vlakte en de zee toe, en de lucht was frisch.
Apen turnden, klauterden en gilden op hooge doerian-boomen rond; groote en kleine, bijna wit, met zijig haar en donkere met lichte menschengezichten. En wanneer wij dan het woud introkken, vol vertrouwen en sterk en een mooien dag verwachtend, dan kakelden en kraaiden de wilde kippen en hanen, alsof wij ons niet midden in de wildernis, doch in de nabijheid van een welvarend boerendorpje bevonden.
Zonnestralen flitsten licht en lachend over het gebladerte van weelderige, saprijke jungle-planten, en je voelde in de koele lucht hoe heerlijk het vrije boschleven bij mooi weer was.
Maar eer het middag was, betrok de hemel meer en meer; dikke, door den wind voortgestuwde wolken joegen van over de bergen aan, wierpen hier en daar een eerste stortbui neer en het duurde dan meestal niet lang meer of door het heele dal bruiste het neerplassen der gesloten, tot den volgenden ochtend niet meer ophoudende regenstralen.
Dan verborg ik me afwachtend in een hollen boom of onder groot-bladerig struikgewas, maar sedert ik eens na een onbeduidende afkoeling door een koortshuivering bevangen was, aarzelde ik nooit lang meer en rende naar het kamp terug, als er toch geen kans was dat het opklaarde.
Het was niets buitengewoons, dat ’s avonds de een of ander van mijn koelies koorts had; koorts die soms tot waanzin steeg, die zijn oogen glazig-star maakte en zijn adem hoestend en fluitend, bijna rochelend deed zijn——maar den volgenden dag was alles meestal weer goed.
In koortsverwekkende streken staan de menschen zoo in de macht der malaria, dat ze zich zelfs niet trachten te verweren. Als de koorts opkomt, aanvaarden ze haar even stoïcynsch als elk ander ongeluk, dat niet is tegen te houden, rollen zich in elkaar, lijden stom en zwijgend en wachten tot het weer over is. Dan lachen ze bijna en kunnen niet begrijpen, dat het ze zoo stevig te pakken heeft gehad.
Ik deelde regelmatig kinine uit. De menschen kenden het en namen het dankbaar in.
Ochtend aan ochtend trokken we naar ons werk, baanden ons een weg door het woud, waadden urenlang door de rivier (een voetbad tot aan en soms over den buik behoort in Siam tot het dagelijksch brood van den geoloog), hier een beetje rond-gravend en krabbend, daar een paar mannen bij een pas begonnen schacht achterlatend, zoekend naar tin, erts en goud. Ieder van ons had een kokosnootschaal bij zich, en dikwijls zat ik zelf urenlang aan het water en draaide het waschbekken met het zand en de aarde erin net zoolang in het rond, tot het bezonken erts alleen overbleef.
“Hier is het beter, daar is niet veel te verwachten, als we dieper konden graven, zouden we meer vinden!” dat waren zoo de gesprekken, die Aris en ik met elkaar hadden. De wil, om ons werk grondig te verrichten, misschien ook wel verlangens die veel overeenkomst hadden met die van den naar goud zoekenden avonturier, hielden ons geheel gevangen.
Ik zat vaak in het water en vergat onder het ruischen der beek den tijd en het eten, om van mijn vaderland maar heelemaal te zwijgen, en als ik dan plotseling opkeek, stond het oerwoud zoo om mij heen, de ondoordringbare, onontwarbare jungle met zijn duizenden takken en twijgen en stammen, met zijn luchtwortels, lianen en klimplanten-geslinger, dat het vermoeiend was en absoluut onmogelijk leek, iets nader te willen bekijken. Of de wind schudde de boomen met geheimzinnig gesuizel heen en weer, exotische vogels zaten aan den oever, roode visschen zwommen geruischloos door het water, zoodat het mij leek alsof ik een betooverde prins uit een sprookje was.
Soms hadden we goede vondsten, wanneer het erts in zwarte korrels in het zand lag, tot groote schatten bijeengevloeid; of teleurstellingen vielen ons ten deel———als wij na dagenlang zoeken eindelijk resultaten verwachtten en er was niets te vinden.
Dikwijls liet ik Aris met de koelies vooruitgaan en volgde ik zelf zoowat een uur later. Eens had ik verschillende manschappen op één lijn aan het werk gezet; drie schachten op een afstand van telkens honderdzestig meter werden er geboord.
Toen ik op een ochtend op de middelste arbeidsplek kwam, stonden de arbeiders van de verst verwijderde schacht opgewonden met de andere mannen bijeen, heftig iets besprekend.
“Aris!”—
“Toean!”
“Waarom zijn de koelies niet op hun plaats?”
“Ze kunnen het vandaag niet wagen ginds te gaan werken———tijger!”
Volgens hetgeen Aris mij vertelde, moet het er dwaas uitgezien hebben. Toen de eerste man, klaar om met het werk te beginnen, in het gat naar beneden wilde kruipen, snelde met luchtige sprongen een tijger over het terrein weg. De koelie in de schacht klauterde bevend van angst van beneden naar boven en van boven naar beneden en wist niet, of hij nog verder in zijn schuilplaats zou wegkruipen of dat hij weg zou hollen.
Natuurlijk werd aan deze schacht toen toch voortgewerkt. Want Siam is in betrekking tot den tijger een onschuldig sprookjesland. Ik heb nooit gehoord, dat er een mensch is aangevallen of zelfs opgevreten. Hoewel, uit de sporen op te maken die je overal tegenkomt, het land vol van dit roofdier is. Het schijnt, dat het ontbreken van uitgestrekte gecultiveerde landstreken en plantages en aan den anderen kant het voorhanden zijn van veel wild en groote kudden buffels, den tijger nog niet tot driestheden, zooals in andere Indische landen, heeft gedwongen.
Een zwarte panter kwam in een mijnstreek iederen avond tot op honderd meter afstand van de hutten, lei zich daar als een kat op den uitkijk, alsof we voor hem dat plekje, waar wij een nieuw huis dachten neer te zetten, hadden kaal gekapt; en vandaar uit oriënteerde hij zich over den hoenderhof, doch liep verkeerd, was weldra in de val en werd met genoegen door de koelies met den koevoet doodgeslagen.
Zelf ben ik er maar één keer een tegengekomen en misschien was het toen zelfs nog maar een luipaard. Hij lag vijftig meter van den rijweg vandaan in het gras. Vlak er naast graasde een troep koeien en een vrouw plantte rijst. Holloeki zei eensklaps: “kijk eens, toean, daarginds———een kat!” en wij vonden het nauwelijks noodig ons dichter bij den buffelwagen, waar wij achteraan liepen, aan te sluiten, hoewel ik, zooals altijd in Siam, volkomen ongewapend was.
Toen het grenzen snijden voor een groot gedeelte gereed was gekomen, nam ik een aantal Chineezen aan, en deze mijnkundigen begonnen volgens de regelen der kunst gaten en gangen te graven. Voor hen werd een hut gebouwd.
Chineezen zijn wel iets volhardender en geschikter voor regelmatigen arbeid, maar ook veeleischender en minder opgewassen tegen de ontberingen die het leven in de oerwouden meebrengt, dan de Siameezen.
Aris had mij van te voren als waarschuwing gezegd, dat de Chineezen niet graag voor dezen zwaren arbeid te vinden zouden zijn, zoo ver van alle wereld (ik moest hun behalve hun loon nog gratis te eten geven en een Chineeschen kok voor hen huren), maar wat het overige betrof, zou hij, Aris, de zaak wel inpikken——
Ik was niet erg verbaasd, toen ik op een dag midden tusschen het troepje knorrige koelies een vrouwtje ontdekte.
Eerst dacht ik, dat ze bij den Chineeschen kok hoorde; maar niet heel lang dacht ik dat——
Was dat geen dappere vrouw? Zooals zij met deze mannen in het woeste oerwoud leefde, hun harde, ruwe leven deelde, met hen woonde, voor hen waschte, naaide, kookte en—er voor hen was. Was dat tenslotte iets anders, dan wanneer men een troep muildieren een——
Iederen avond trad zij met veerkrachtige schreden uit het huisje, ging in de duisternis van het woud baden; op een keer hoorde ik haar bij een Chineesche viool zingen en onze oerwoudnederzetting weerklonk van haar gelach.
Maar de idylle duurde niet lang——
Plotseling verklaarde Aris zeer streng: “Die vrouw moet weg!”——“Ja, goed, wat mij betreft!” zei ik zonder nadenken, omdat ik van zulke dingen werkelijk weinig verstand heb, “het lijkt mij ook alsof ze zoo maar met iederen koelie het bosch intrekt!”
“Itoe tiada apa———dat is niet het ergste,” verdedigde zich Aris nu, “maar——ze neemt niet eens een mat mee om op te liggen———!”
Mèt de vrouw gingen ook de Chineezen heen en ik moest me weer met Siameezen behelpen.
Aan den Nam Dam was ik werkelijk volkomen in het rijk der olifanten. Soms kwam ’s ochtends vroeg, eer ik nog goed en wel wakker was, een koelie met een stapel groente uit het bosch terug, of een andere bezigheid had hem een paar passen achter het kamp gebracht, bijvoorbeeld het dagelijksche werk van “boeang nasi—rijst wegwerpen,” zooals in het Maleisch een onaesthetische handeling fijngevoelig wordt aangeduid, en terugkomend meldde deze dan regelmatig: Vannacht zijn de olifanten daar en daar langs gegaan, bij dien vruchtboom hebben ze al etend een heel bamboeboschje omvergetrapt; of, hun frissche spoor kruist de beek op de plek, waar wij gisteren een nieuwe schacht zijn begonnen te graven. Ik was er net zoo aan gewend, iederen ochtend het nieuwste over de olifanten te hooren, als je in de stad met een vluchtigen blik even gauw de laatste berichten in de ochtendeditie van je krant nagaat.
Op een stormachtigen ochtend, toen de wind door het oerwoud huilde, zei Aris: “Vandaag kunnen we niet werken. De olifanten zijn ook bang geworden en zijn met hun allen naar het dal gegaan, allemaal achter elkaar, zoodat er een hard-gestampt wegje is ontstaan, en zijn naar de plek getrokken, waar alleen maar spaarzaam bamboe staat.” Het was werkelijk gevaarlijk. Woudreuzen vielen dreunend neer, het heele dal met hun doodsgebrul vervullend en overal in het rond stortten krakend doode takken—zelf al statige boomen—door het lianen- en slingerplantengewar neer, soms heele kleine kreupelboschjes uit den grond rukkend.
Wij lagen den ganschen dag bang en verschrikt in het kamp onder den grooten Yangboom, die, zelf nog kern-gezond, ons als beschermer moest dienen.
Telkens weer ontmoette ik onderweg naar het werk de versche sporen van wilde olifanten. Onwaarschijnlijk groot, bijna niet te gelooven, gaapten mij soms de ovale gaten uit den modderigen bodem langs de oevers aan, voegden zich tot lange kettingen, vormden hard-gestampte paden langs de hellingen en werden af en toe zoo opmerkelijk en als het ware behoorend bij het beeld der streek, dat ik ieder oogenblik het verschijnen van den aanstichter van al deze merkwaardigheden verwachtte.
Maar ik ben den wilden olifant nooit persoonlijk tegengekomen. Het is mij eigenlijk nooit volkomen duidelijk geworden, wat er wel zou gebeuren, wanneer we in de engheid van het woud plots tegenover hem stonden.
Soms, als we geruischloos door het dichte geboomte liepen, de een achter den ander, voorgegaan door Dehng, kraakte er ergens naast ons weleens een tak of een bamboestengel onder den tred van een groot dier; dan kwam er leven op de duistere gelaten mijner Siameezen, en meer dan eens holden ze met hun allen zoo snel mogelijk naar de plek toe, zoodat ik heelemaal alleen bleef.
Toen ik Krot vroeg: “Wat gebeurt er, als we den olifant tegenkomen———? Rent hij ons dan allemaal te pletter———?” kreeg ik geen duidelijk antwoord. Krot lachte half en zette een half-ernstig gezicht, en de beteekenis zijner keel-geluiden was:
Iemand, die den olifant in het bosch alleen tegenkomt moet oppassen en doet het beste met zich te verontschuldigen, te bidden en weg te hollen.
Twee of meer mannen bij elkaar kunnen het wagen te blijven kijken, en naar gelang hij goed gehumd is of kwaad, zal de olifant het misschien, zeer waarschijnlijk, tamelijk zeker, mogelijkerwijs, op een loopen zetten of niet.—
Eens werd ik midden in den nacht wakker.
Een dof geluid, dat buiten alle voorstelling en ervaring lag, was hoorbaar. Een vreemde, onbestemde macht, die er anders niet was. Ik schoof nieuwsgierig over de slapende lichamen der mannen naar voren.
Mijn hutje en de schuin naar de beek afdalende open plek lag in het duister en de hoogste toppen der bergen waren door het trillende, zwakke schijnsel der achter wolken opgekomen maan belicht.
Het kampvuur was geheel uitgebrand. Enkele krekels sjirpten, de Zwarte Rivier ruischte als altijd, verder was de nacht rustig.
Daar kraakte opeens, nog ver, maar toch duidelijk te vernemen, splinterend hout,———het werd weer voor een paar minuten stil en toen, heel dichtbij, opnieuw het kraken en knappen van brekend bamboe.
Gelijk de voorboden van een naderend onheil, naakte er iets onweerstaanbaars.——
Een koelie draaide zich steunend om.
Aris zat op. Nog half in slaap, maar toch volkomen wakker, fluisterde hij:
“Toean, de olifanten!”
We luisterden samen in den donkeren nacht, weer was er een luid gekraak en dof gestamp als van reuzen te hooren———.
“Olifanten zijn bang voor vliegen die om de woonplaatsen der menschen zijn!” hoorde ik Aris nog stamelen en onder het zachte zingen van het oerwoud sliep ik spoedig weer in.
Toen ik ’s ochtends aan de dichtst bijzijnde plek kwam, waar gewerkt werd, waren overal in het rond bamboestangen zoo dik als een arm als lucifertjes doorgebroken en vertrapt en als touwen in elkaar verward. Het regenscherm over het arbeidsterrein hadden de dieren afgerukt en er een grooten hoop rijst, die geen rijst was, in reuzenballen over uitgestrooid.
“Tjang hak mot!” vloekte Aris woedend in het Siameesch. “De olifant moet nu ook alles bederven!”——
In Aris’ geestelijk leven nam zijn toean, weliswaar zeer aarzelend en in langzame ontwikkeling, al duidelijker vorm aan. Aris bestudeerde zijn meester. Dat merkte ik, wanneer hij, meenend dat ik niet op hem lette, voor mij zat en mij aanstaarde; ik hoorde het uit zijn woorden, als hij met derden over den toean sprak, en voelde het vooral heel duidelijk, als ikzelf met hem praatte. Dan nam ik ook waar, dat het al een heel zonderling beeld was, dat hij zich van zijn toean had gevormd.
Op een dag stuurde Dehng, het dorpshoofd van Tong Qoeang mij een bode, om mij mede te deelen, dat hij zoo even bezoek had ontvangen van Mr. Smith, een blanke. Deze heer was voor twee dagen zijn gast.
Aris bracht mij met een plechtig gezicht deze “blijde” boodschap over.
Ik zei alleen: “Heel goed dat ik het weet, ik was juist van plan naar het dorp te gaan.”
Toen lag er weer in Aris’ gezicht dat hulpelooze, bijna schaamachtige niet-begrijpen; hij dacht elk oogenblik, dat zijn toean naar het dorp zou vliegen, uit blijdschap, een Europeaan te ontmoeten, en was na al zijn lange studies er toch van overtuigd, dat zijn toean dat nooit zou doen.
“Zijn heer zoop haast nooit, hield niet van het gezelschap zijner blanke broeders en zag er toch, ook wanneer hij heelemaal voor zijn eigen genot kon leven, altijd uit of hij zich verveelde en ergerde.”
“Jij bent een nog onopgelost raadsel voor me, toean, in ieder geval het zonderlinge product van een merkwaardige beschaving———!”
Ongaarne gaf Aris’ trotsche voorhoofd dit met een paar zware rimpels toe. Zijn heer binnenkort volledig te kennen, dat was zijn grootste streven.
Het bizonder goed (hahahaha! goed!) gelukte eindproduct van een lange reeks geraffineerde opvoedingsmethoden———dacht ik stil bij mijzelf.
Een heele maand lang rende ik zoo dagelijks met de vreugde van een naïeven jongeling, die nog denkt, dat het leven alleen maar mooi is, het oerwoud in.
Daar had ik weer eens een brok leven van waarlijk groote merkwaardigheid, ver van het gezwets der stad, ongewoon, dat wil zeggen waardevol——volkomen in overeenstemming met dat, wat mijn philosophie mij altijd had voorgeschreven. Iederen ochtend was het mogelijk, dat ik een of ander wild dier kon tegenkomen, iedere dag kon de ontdekking van een bizonder rijk mijnland brengen, iedere avond werd niet dan na hardnekkige lichamelijke inspanningen bereikt....
Vaak, wanneer ik tot aan mijn hals in een moddergat zat en als een wild zwijn daarin wroette, dacht ik lachend:
Vreemd,—hoe ben ik aan dezen dierlijken lust gekomen? Ben ik niet in propere schoolvertrekken opgegroeid? Waarom bevalt het mij hier? Komt dit niet als het ware een veroordeeling van mijn heele verleden nabij—?
Maar zoo volkomen tevreden en blij met mijn leven werd ik aan de duistere Zwarte Rivier toch niet.
Ik voelde mij al te zeer onder den dwang van een vreemd bestaan, dat toch niet geheel en al bij mij scheen te passen. Mijn gezonde jeugd kwam mij voor den geest, en nu was ik zoo aan de vergankelijkheid overgeleverd, in een weliswaar rustige, mij bekorende wereld en als eenige meester in een omtrek van honderden mijlen——maar toch aan de vernietiging prijsgegeven, als een plant in een donkere kamer.
En meer en meer begon ik te lijden.
Wel beloofde het werk nog resultaten en “zonder hardnekkig onderzoeken komt er tenslotte van het beste ding niets terecht”, maar het leven daar in de eenzaamheid en in het slijk werd toch langzamerhand zelfs voor mij, die nooit veel verstand van parket en salon had gehad, te hard.
Vreeselijk is het tropische oerwoud in den regentijd. Van alle takken strekken bloedzuigers hun slanke lichamen in de lucht, begeerig naar slachtoffers. Gedurende den arbeid in beken en vochtige spleten vloekte elk oogenblik een der mannen zachtjes en nam dan zoo’n zuiger van zijn bloote voeten.
Wanneer wij op de hellingen, waar staand water zeldzaam was, onze erts-monsters in de gele plassen van groote olifantensporen wiesschen, moest voortdurend een koelie de bloedzuigers van de handen en armen van dengeen die aan het werk was, afhalen. Vaak had ik zelf dozijnen etterende bijt-wonden in mijn beenen en veel bloed ging er verloren, bloed, dat nergens kostbaarder is dan in de tropen.
Vooral als nieuweling in den jungle had ik veel te lijden van de bloedzuigers; toen ik nog in woede geraakte om elk beest, dat mij beet en ik ze eenvoudig afrukte. Later, toen ik ze met een brandende sigaar plaagde tot ze vrijwillig loslieten, zoodat de afgerukte koppen niet meer in de wonden bleven zitten, ging het beter.... Door de gaatjes van mijn rijgschoenen kropen ze naar binnen of van boven in mijn boordje langs mijn rug, wat vooral heel akelig was.
Later droeg ik mijn linnen schoenen aan mijn bloote voeten——je kunt toch geen tien keer op een dag je kousen aan- en uittrekken——smeerde mijn beenen in, net als de inboorlingen, en als er dan eens één poogde te bijten, achterhaalde zijn noodlot hem al heel gauw.
In tijden van slecht weer was het zoo donker aan den Nam Dam, dat de gevaarlijke koortsmuggen zich midden op den dag in de lucht waagden. Ja, het was zoo erg——ik heb daar nooit andere muggen gezien dan anopheles, terwijl ik me niet kan herinneren, ergens in het land deze soort te hebben waargenomen gedurende de twee jaren die ik er heb doorgebracht.
Bij wijze van voorzorg gebruikte ik zooveel kinine als ik kon verdragen. Maar dan werd ik hardhoorig; mijn maag, anders al opstandig door het eeuwige “chicken and rice” weigerde dan absoluut zijn medewerking. Het eene hielp het andere—achteruit; in den jungle gaat het met de gezondheid altijd naar omlaag; wie beneden normaal is gezonken met zijn lichaamskrachten, zal dit in het oerwoud nooit te boven komen.
En als wij ’s avonds na al het getob en gezwoeg van den dag in ons ongeriefelijk, rottend-vochtig kamp lagen, vielen legioenen luizen en wandluizen en vlooien van alle soorten op ons aan; de gistende, kiemen dragende koortslucht zelf knaagde aan ons, ondermijnde onze slecht gevoede lichamen, en al maar woelde ik slapeloos op mijn matrasje heen en weer——een slachtoffer van de “binatang haloes.”
Dat is een diersoort, die geen enkele zoöloog kent. Het zijn verscheurende roofdieren volgens de Maleische taal. Binatang beteekent wild dier, bijvoorbeeld een tijger en haloes is de fijnste uitdrukking voor nietig en klein. Aris sleurde met dit heerlijke woord al die voor het bloote oog niet zichtbare en anders alleen maar microscopisch waar te nemen levende wezens in het daglicht, welke in deze streken op de huid der menschen wonen en zoovele mijner nachten hebben bedorven.
Door dit alles voelde ik mij zelden meer prettig. Het was met mij zooals wanneer tegen het voorjaar een lange winter den menschen in het gebeente zit met influenza. Vermoeidheid in de ledematen, triestheid in het hart voelend, was ik niet gezond en niet ziek, slap en gedrukt.
Ik wist, dat ons aller leven op het spel stond. Ik voelde bijna iets als medelijden met de koelies, die den ganschen dag in het water werkten. Iederen nacht hoestten ze, enkelen gaven bloed op. Allen waren mager.
Bij het beklimmen van een berg hijgde ik zelf als een koe. In de koele nachten lag ik in zweet te baden en midden op den dag beving mij soms een vreemde huivering. Vaak stapte ik nog forsch, alsof er niets gaande was, ’s ochtends naar mijn werk——maar na een of twee uur al van door het water waden en loopen en wasschen en tusschen kreupelhout en doornen voortkruipen, werd het donker voor mijn oogen, en een onbedwingbare lusteloosheid dreef mij terug naar het kamp.
Op een middag, toen ik zoo mismoedig terugkwam, was Dehng er met een brief.
“Uit je vaderland, toean,” zei Holloeki.
Het is verwonderlijk, hoe sluw brieven mij in het binnenland nareisden. Als ik over een uitgestrektheid van een heele streek, zoo groot als heel Zwitserland, de eenige blanke was, dan vond een brief mij juist daarom. Van het laatste spoorwegstation was deze brief met een reizenden, Chineeschen varkenskoopman tot halverwege Tong Qoeang gevorderd, daar wist een koelie dat Dehng mij kende en eindelijk lei deze de kostbaarheid in een droge bananenbladscheede en liep expres twee uren om mij te vinden.
De meest onschuldige schriftuur heeft voor woudmenschen, vooral voor hen, die eenig vermoeden van overheid hebben, iets opwindends, zoo als bij ons bijvoorbeeld een dwangbevel van het belastingkantoor.
Frater ursus, Victor montium.
Poeta et Scienciator—Artista et Exploratore———! zoo luidde de aanhef, toen ik den brief opende—, van een onbekende dame—————————!
Poeta, Exploratore————Orang-oetan——dacht ik.
Kunnen ze me hier zelfs niet met rust laten, in het verre, verre oerwoud, waar ik ben en waar ik thuishoor. Wat voor rechten meent Europa op mij te hebben———?!
De woorden hielden mij wakker tot diep in den nacht. Ik dacht over het leven na. Over alles wat het leven mooi maakt: rijkdom is aardig, liefde is goed, roem, o ja, ook daarom heb ik vroeger veel gegeven—. Alles, tenminste in een of anderen spookachtigen vorm, al overbekend.
Pas toen de halve nacht om was, gelukte het me, den brief zoo te zien, als hij gezien moest worden:
Een prachtig, fijnzinnig bewijs van sympathie, een moederlijk-bezorgde stem uit Europa, een wekkende vermaning: Hé, jij daar in het moeras, hou dapper het hoofd omhoog! Maar vergeet ons daardoor niet, ook al is het water daar nog zoo lekker warm—.
En sta ons toe, je met een groetje, al is het ook half zonder elkaar te kennen, in je stellig dikwijls ruwe en harde leven te helpen——.
Den volgenden ochtend al vroeg, toen het nog donker was, wekte de koude mij—Victor montium—Orang-oetan—en toen ik opsprong van mijn harde matras, waren alle wolken van den hemel weggeveegd en beloofde het een mooie dag te zullen worden. Aan den blijden brief denkend, riep ik:
“Aris, ik wil den berg op!”
Daarboven ging de wereld als ten tweeden male voor mij open. Ik juichte en de mooiste dagen uit mijn jeugd stonden mij voor den geest. En ik dacht aan mijn verblijf van twee weken op dien anderen Siameeschen berg, den Ronpiboen Hill in het Zuiden, waar ik avond aan avond naar het wegdonkeren der reusachtige vlakte keek en in den weerschijn zat van de achter de bergen in zee wegzinkende zon.
Toen keerde ik naar het bivak terug, stak een zwarte Birmeesche sigaar op, liet twee harsfakkels in orde maken, dronk thee met whisky vermengd, ging met mijn rug tegen de deurpost zitten en schreef, het “gele” als schrijfbureau gebruikend:
12 Januari......
Beste Bernard!
Vandaag is het Zondag, winter bij jullie en ik vermoed dat jij ergens hoog boven de wolken vertoeft. Jij zult nu, zooals wij dat zoo vaak tezamen mochten doen, op prettige ski’s door de besneeuwde pracht der wintersche berglanden glijden, jij zult——gelukkig zijn.
Of je daarbij ook zoo aan mij denkt, als ik vandaag aan jou!?! Aan mij, die ver verwijderd moet zijn van de bergen, de sneeuw en het ijs; aan hem, die nu onder steiler zon in ziek-heete lucht den gezondheid en kracht brengenden winter ontbeert.
O, ik wilde dat je dit hier ook kon aanschouwen! Er bestaat zonder sneeuw toch ook nog andere schoonheid!
Vandaag ben ik met Aris, mijn Maleischen dienaar, ver in de oerwoudbergen doorgedrongen. We hebben ons door steekpalmenwoud en lianen heen moeten houwen en langs een steil-omhoog gaande witte kwarts-rots die zoo smal als een muur was een top bereikt———eindelijk eens boven het woud!
Hoe prachtig! Ik hing in de hoogste takken van een knoestigen boom, terwijl Aris van kroon tot kroon ging om het uitzicht vrij te maken.
Dit zachte woudgegolf! Hoe week, hoe onschuldig en toch, welk een zware arbeid achter ons.
Scherp en onverwacht rees de berg uit de wijde palmenvlakte op, en wijl er een klare dag over dit alles lag, glansde heel in de verte aan de witte kust de Golf van Siam op; en tegelijkertijd kon ik over de bergen heen een blauwen zoom van de Indische Oceaan vermoeden.
Daarboven is in mij iets tot klaarheid gekomen, iets, dat ik tot nu toe niet dan heel dof in mij had gevoeld: Niet alleen de vreugde om de overwinning van den eigen, grooter en grooter wordenden innerlijken last is het, wat je telkens en telkens weer den berg doet beklimmen, neen, alleen al het geschenk “blik in de diepte” weegt tegen al de moeite op———weer eens op deze bultige wereld neer te mogen zien!
In het wilde land is dit van nog grooter waarde. Van duizend meter kijk je daar dieper naar omlaag dan in het Berner Oberland van vierduizend meter hoogte. Hier ben je de eenige, die zoo hoog klautert; jij alleen denkt hier wat te moeten zoeken, en niemand van al die andere menschen in heel het land zou op je berg iets kunnen vinden—.
Dit prachtige, groene, golvende tapijt, in zijn onmetelijkheid uit louter zoet-vermoede kokos- en betelpalmwaaiers geweven! Met zon-verbrande, stroo-gele rijstvelden als tusschenzetsels.
Hoe week en frisch ligt het neer, als Mata hari in den vroegen ochtend ver, ver, heel in de verte als een roode schijf uit de zee opstijgt!
Of welk een wonderbaarlijkheid, als de zwart-gele wolken van een boschbrand door den stormwind er schuin over heen gezwiept worden, als het tropen-onweer er zich steil boven opstapelt, of ’s avonds de eenzame kalk-kegel heel in de verte in de vlakte bij het avondlicht bleek over de palmenzee heenstaart, en berg na berg naar het Zuiden vervaagt, regenblauw en klaar en zwaar als onder Italiaansche luchten——
Zoo geheel onder den dwang van het oerwoud en den harden arbeid werd ik dikwijls niet al te best gehumeurd wakker; de malaria deed mijn lever zwellen, zoodat ik hem als een hard kussen onder mijn ribben voelde zitten.
Het is eigenlijk diep-treurig in zulk een toestand te geraken, en wie eenmaal zoo ver is, zal vroeg of laat iets verschrikkelijks doen; een groote lust bekruipt hem soms, juist diegenen te plagen en te beleedigen, die het ’t best met hem meenen. De boy, de kokkie vooral, moet dan voorbereid zijn op bijna ongelooflijk leelijke dingen, die zijn heer hem aandoet met een wreedheid die des te grooter is, omdat de toean het immers in vergelijking met den kokkie toch in alle geval nog eenigszins goed heeft in het oerwoud.
“Maoe makan!—ik wil eten!” roep je dan bijvoorbeeld en zoodra Holloeki de borden en lepels en vorken keurig heeft neergelegd, en het smakelijkste eten zoo vriendelijk mogelijk voor den toean klaar staat, toont deze opeens een verschrikkelijk kleine belangstelling voor al die heerlijkheden, keert zich minachtend af (al duidelijker blikken van minachting naar den boy slingerend, die heel deemoedig en een beetje angstig het opkomende onweer in den toean waarneemt) en dan, als hij het lang genoeg onaangeroerd heeft gelaten, pakt de toean plots den schotel op en smijt met de een of andere beleedigende opmerking de kip of de ham of wat het ook is in de modder: “Dat kan zelfs een hond niet vreten——maak eieren klaar!”
En tegen dat de eieren komen, ben je òf over je roes heen en grien je inwendig bijna uit stil medelijden met den kokkie en uit wanhoop over je zelf, en glimlach je vriendelijk en bemoedigend tegen Holloeki, het levendig betreurend, dat die prachtige kip nu naar de maan is, òf—en dan is het een moeilijker geval—de eieren vliegen onverbiddelijk de kip na.
Hier is het niet de kwestie van meer of minder beschaving, die je hebt of niet hebt; van ontwikkeling, van ruziezoekerij of hoe ze al die trekken in het karakter der menschen noemen. Dat is geleuter uit de stad. De tropenkolder is de negatieve uitkomst in het evenwichtssysteem kracht-zwakheid, en vergeven en begrepen op het moment, dat de wederwaardigheden en tobberijen de uiterste grens van hetgeen de betreffende instaat is te verdragen, overschrijden, zoodat de oerwoud-waanzin zichtbaar en open uitbreekt net als elke andere ziekte.
Op zoo’n kribbigen ochtend—ik had om de “binatong haloes” den halven nacht slapeloos en rookend bij het kampvuur gezeten—stelde Holloeki hopeloos vast:
“Nu is ook onze toean krankzinnig!”
Aris stemde wijsgeerig toe: “Wat wil je, alle blanken zijn zoo!” En toen ging hij, als om den kokkie te troosten, voort: “Maar onze meester is tenminste nog goedaardig-gek en niet bezopen-gek!”
Holloeki zuchtte: “Ja, gelukkig!”
Dikwijls kwam ik vele lange dagen niet tot rust. Onder den druk der in mijn moede lichaam smeulende koorts flakkerden mijn gedachten ziek en verward door mijn brein; ik wilde een voetreis gaan maken, ergens naar toe loopen, of wel neerliggen en heel rustig zijn en mij behaaglijk voelen—maar sprong het volgende oogenblik al weer van mijn bamboeschraag op en liep om de enge omgehakte plek mijner woudnederzetting heen als een pas gevangen tijger langs de tralies van zijn hok.
“Sufferd,” schold ik mijzelf uit, “waarom ben je zoo, en waarom heb jij zoo’n oerstom vak uitgekozen en moet je, inplaats zooals de andere blanken in de stad een vroolijk leventje te leiden, in dezen beestachtigen modderpoel verkwijnen!” En dan drong ik bij het eerste beste wildpad in het dichte struikgewas, alleen en grimmig, het mes in mijn hand en begon half uit noodweer en als laatste hulpmiddel tegen de wanhoop, en half uit waardeering voor mijn ellendig leven en in bitteren galgenhumor het Maleische orang-oetanliedje te zingen:
Hidoep matjam orang oetan, tengah di batang pokok
Lama t’ada nampa’ perempoean———(bis)
———perempoean, Yang bai’
Sa-pandjang hari di-hoetan
Tidoer keras, t’ada tilam——
Aris, lekas pigi tjahari perempoean
———Anak darak baik!
of vrij vertaald:
Leven als een orang oetan midden tusschen boomstammen,
Sinds lang al niets goeds en niets teeders meer gezien
———geen mooie vrouw.
Heel den dag in het woud
Een hard bed zonder matras——
Aris, maak voort, haal gauw
———een vroolijk meisje!
Dan voelde ik niets dan walging voor mijn koelies, al de humor van mijn lieve bedienden hielp niets, de wereld lag dof en benauwend om mij heen, het oerwoud woekerde met duizenden knoestige takken en wortels dicht over mijn leven heen, en uit alle boomen ruischten zwaarmoedige melodieën aan, zoodat ik mij voelde alsof ik levend was begraven en voor eeuwig van al wat schoon, lieflijk en goed was, vervreemd.
Om wanhopig te worden zijn vooral deze traagzaam om-kruipende avonden, wanneer je als beschaafd, welopgevoed mensch in de verliederlijkte bamboekongsi met je koelies samenwoont Wanneer het eeuwige “woud en anders niets dan woud” zich om je ziel begint te winden als een verstikkende massa; wanneer de korte, eerst zoo vroolijke vragen der Siameezen “waarheen?”, “van waar?”, “hoe gaat het?” tot leege, zinnelooze echo’s worden; wanneer de eene dag na den anderen komt en vergaat in geestloos-eentonige gelijkvormigheid en uit je ziel dat verlangen wegslijt, dat verterende heimwee naar menschen die je in den geest gelijk zijn.
Wanneer je tegen je noodlot in verzet begint te komen en het overwicht dier tevreden Aziaten-gezichten, die geen zenuwen schijnen te hebben, je bloed aan het koken brengt; wanneer je zoudt willen zijn als zij en met één dier bescheiden lieden je vervelende leven zoudt willen ruilen; bijvoorbeeld met Ah Tsaoe, dien mooien Chinees met zijn levensopvatting als van een vroolijk varken, dat zich in zelfverdediging zoo goed mogelijk door het leven heenvreet, vandaag hier een hap verdienend, morgen daar een stelend; zooals er maar één onder millioenen is, een die geen verplichtingen heeft, volkomen vrij is, en naar wiens daden geen haan kraait. Die in de eerste beste hut geluk en nieuwe levenskracht vindt, iemand die tot lijfspreuk heeft: “Geniet en neem wat je krijgen kunt aan heerlijkheden, opium, goed eten en vrouwen en als je verrekt, dan was dat van te voren zoo bepaald.”
Of zoo’n Siamees, die den dag in de schaduw zittend verdroomt en den nacht bij de vrouwen.
Dat je een koelie zoudt willen zijn, die zich zonder schâ kan onderdompelen in de geheimzinnig-lokkende pracht van een kronkelig Chineesch dorp. Dat het als een wanhoop op je neerkomt, dat je luid en krijschend in het oerwoud zoudt willen roepen: “O God, sta mij bij en geef me iemand, die met me leeft, die zich met me verheugt en met mij lacht———
Als het zoover met mij was gekomen, als ik op het punt was in het moeras van het oerwoud weg te zinken, onder te gaan als een loodklomp in zee, als de zon niet meer wilde schijnen en eeuwige regen de vlucht op den berg met het kracht gevende uitzicht niet toeliet of als zelfs dit laatste sterkende middel niet meer hielp, dan trok ik een schoon khaki-pak aan en verliet mijn bivak.
“Maoe pigi kampong—Aris, ik wil naar het dorp!”
Aris trok altijd eerst een gezicht, eer hij bereid was mij onder zulke omstandigheden te vergezellen. Half verbaasd, half lachend en toch bang grijnsde hij, omdat hij wist, dat ik in het dorp mijn eer en waardigheid en in het algemeen heel mijn blanke persoonlijkheid als een te nauw, hinderlijk kleedingstuk zou afgooien en onbegrijpelijk domme streken zou doen, absoluut niet zooals een andere toean, die zich, om hun “gedrukte stemmingen” te boven te komen en tot herstel van hun levensevenwicht—verstandig amuzeeren.
Een zoo’n ochtend van vlucht herinner ik mij als een bizonder prettigen.
Na langen tijd was voor den eersten keer de zon weer door de wolken gebroken, en de helverlichte grond tusschen de bamboeboschjes was vervuld van het vroolijk gekakel der woudkippen. Wilde duiven kirden eenzaam in de hoogste boomen, roek, roek, roek, terwijl ik met lange stappen van het licht-dalende pad genietend, den jungle ontvluchtend op Toeng Qoeang toeschreed.
In het dorpje ging ik naar een vrouw, die ik nog van vroeger kende—om het met haar eens te worden omtrent den koop van een paar steenen, zoo groot als een vuist, met goudkorrels; voorwerpen, die ik voor mijn verzameling wilde zien te krijgen.
Het vrouwtje was eer mooi dan iets anders; wel al oud, tegen de dertig, en ging bij de menschen door voor ondeugend. Ik kon met haar beter praten dan met honderd anderen—zij was de vrouw van Krot, den oerwoudmensch.
Ik wist al, dat ze bij haar dorpsgenooten niet goed stond aangeschreven en het leelijk had verkorven. Dehng, het dorpshoofd van Toeng Qoeang, had niet genoeg vingers aan zijn handen om al haar vroegere mannen op te tellen en al wie over haar sprak, liet glimlachend de tanden zien.
Aris fluisterde mij toe:
“Toean, neem haar maar,———Krot is in het bosch!”
———Ze was om zoo te zeggen een geestige vrouw in bruin, levendiger dan de meeste Siameesche vrouwen waren, wel voorzien van zenuwen, vol dubbelzinnigheid in haar wezen, maar zonder een zweem van gemeenheid, al leek het mij ook, alsof ze uit ervaring in verwachting lachte, toen ik voor den eersten keer kwam.
Het grappig-onschuldige gebabbel met het vrouwtjesdier——ik hielp haar goudproeven op de Chineesche weegschaal wegen——haar moeder lag knipoogend in hetzelfde vertrek op haar buik——stemde mij vroolijk (iederen keer wanneer ik er heen ging) en toen we tegen den avond den terugtocht naar het oerwoud aanvaardden, was ik uitmuntend gehumeurd en maakte gekheid met Aris.
Maar voordat wij het kamp bereikten, moesten we zes maal tot aan onzen buik door de Zwarte Rivier, doordat in de bergen een onweer was losgebroken, zoodat de goede stemming van ’s middags bij ons allebei helaas heel gauw vervloog.
Ik zat wachtend op mijn avondeten, op een boomstronk, toen Aris met opgewonden woorden plots begon:
“Nu zullen we voortaan niet meer zooveel reizen! Toean, je leven is te hard, kijk eens naar de andere blanken hier in het land; die hebben een huis en een vrouw en wonen ergens heel goed en gaan alleen maar van tijd tot tijd de oerwouden in.
Maar jij, jij reist zonder je rust te gunnen, je loopt meer dan goed voor je is, en je gezondheid wordt vernield door dit onbestendige leven in het oerwoud.
Zelfs wij, bruine menschen houden dat op den duur niet uit. Zie je niet hoe de koorts aan Holloeki vreet, hoe mager hij is geworden———silaka!”
Dat was waarschijnlijk de langste rede die Aris ooit tot mij gericht heeft. Ik zag duidelijk, dat ze rechtstreeks uit zijn hart kwam, en op mijn krachten was ik inderdaad al lang niet meer trotsch. Het klonk daardoor dan ook werkelijk kleinmoedig, toen ik antwoordde: “Ja, het is waar. Ik zal dan maar bij den “Grooten Berg” een huisje laten neerzetten en er een paar maanden een rustig leven leiden.”
“Dat heb je al zoovaak gezegd, toean.... maar nooit gedaan!”
“Zijn wij geen zwervers, Aris! Is dit vrije leven ook niet heerlijk? Wil je zooals de anderen, de stadsmenschen, neerzitten en zwak worden?” riep ik geprikkeld en lei mij neer om te gaan slapen.
“Pas op, de toean is kwaad!” hoorde ik Holloeki in het Siameesch (opdat ik het niet zou verstaan) Aris toefluisteren.
Het regende triestig. Geruischloos en troosteloos viel druppel na druppel der vreeselijke natheid in het woud neer, van blad tot blad over het dak van de hut rollend, ritselend in het gebladerte op den grond.
Ik trok mijn deken dichter om mijn schouders. Al dat vochtige stemde kil en huiverig. Uit de diepte van den woudgrond ruischte de Zwarte Rivier suizelend aan——
Aris’ vlammende redevoering had mijn hart—om de waarheid te zeggen—met een blijden schijn vervuld, en elk zijner woorden drong nu, terwijl ik langzaam insliep, dieper in mijn innerlijk door, als de laatste vurig opstralende vonken van een vuurpijl in den donkeren nachthemel——
Maar pas vele dagen met nieuwe ellende en nieuw getob later was ik zoover, dat ik mij weer binnen het bereik dier lieflijke vragen en verklaringen omtrent een eigen huis dorst te wagen.
Vrijwillig, onvrijwillig, als door een zeldzame macht gedwongen, kwam ik er op terug.
“Aris, wat zei je laatst op dien avond toch, toen we uit Toeng Qoeang terugkwamen?”
“Ja, toean, je hebt een huis en een vrouw noodig!”
“Foei, Aris!”
“Heelemaal geen foei, toean, ik weet het!”
“Onzin, zwijg!” En wijl er gedachten in mij begonnen te leven, die ergens heen moesten, begon ik te prediken:
“Aris, luister eens, wij zwervers, die geen vaste woonplaats hebben zooals boeren en winkeliers, wier leven vandaag net zoo is als gisteren en morgen net zal zijn zooals vandaag, wij, die bij het lied van den dagwachtvogel de bergen intrekken en bidden in de pracht van een zonsopgang over uitgestrekte velden——wij zouden nooit in de stilte van een eigen bungalow rustig kunnen blijven zitten, wij zouden voort moeten trekken en zouden—jegens haar zouden wij vroeg of laat slecht worden———”
Buiten adem door de overtuiging, die er in mijn wijze woorden lag, lang-opgespaarde overtuiging, die nu gewelddadig (al was het dan ook tamelijk te onpas) naar buiten brak, keek ik Aris aan.
Hij had er niets van begrepen! En ik merkte al gauw, dat niet in de eerste plaats het welzijn van zijn toean deze bezorgdheid gold, doch vooral zijn eigen onbevredigd wezen.
Het schijnt, dat ook over hen die geboren zwervers zijn en over hen die als echte zigeuners alles in de wereld willen beleven, vroeg of laat het noodlot komt, met een bijna onweerstaanbaar heimwee het verlangen naar een regelmatig leven, naar een eigen vrouw en een eigen huis.
“Maar ik wil een vrouw!” barstte Aris heftig uit.
“Ze weet het al. Ik heb al een contract in mijn zak. Toean, je weet dat ik tweehonderd tikals van je te goed heb, en als je mij er nog honderd bij wilt voorschieten, dan kan ik S’pia koopen. S’pia is goed!”
Aris stond daar voor mij in zijn nog tot ver boven zijn knieën natte en met aarde bevlekte werkbroek, met slijkspatten in zijn gezicht, en zijn oogen zagen er bedroefd en meelijwekkend uit.
“O, jij pracht van een laki-laki (echtgenoot)!” zei ik tegen hem.
Maar hij toonde op dit moment weinig lust in grappen. Alles heeft zijn grenzen. Aris’ humor bleek ergens anders, toen hij verder aandrong.
“Toean, S’pia is goed. Ze bezit een eigen huisje, twintig rai rijstvelden en haar vader is een achtenswaardig man. Als je mij helpt om S’pia te krijgen, toean, zal ik je dienen zoolang je in Siam blijft en zal ik verder met je blijven reizen en trekken, overal, waar je mij ook beveelt heen te gaan.”
Toen blafte ik hem tamelijk grof toe:
“Wreedaard, woudzwijn, dat je bent, hoe kan je van S’pia verlangen dit onbestendige leven met je te deelen; jij, die op een goeien dag plots dood zou kunnen zijn, door een olifant doodgetrapt, in zee verdronken of door de koorts opgevreten. Aris, slechte kerel die je bent, heb je geen medelijden met haar? En kom er me niet meer mee aan, ik geef je het geld niet. Zoodra je haar hebt, zal ze van je verlangen, dat je bij haar thuis blijft hokken, haar een handje helpt bij het rijst planten en met haar in de schaduw gaat liggen.
Wil je in de plaats daarvan niet liever met mij meegaan? De verre bergen in het Noorden leeren kennen, waar de lucht koel en gezond is en mooie vrouwen leven, in vergelijking waarmee S’pia maar een kale bamboerat is.
Kan je je niet veel beter een goeien ouden dag verzekeren, door je bereisdheid, je kennis van het land, door je vak? En is dat niet beter?
En je toean wil je zoo maar, of het niets is in den steek laten?”
En mij van hem afwendend, sprak ik binnensmonds, als tegen mijzelf, voort (dat is een uitstekend middel in den omgang met ondergeschikten):
“Silaka! Al deze menschen zijn toch even slecht! Geen enkele die beter is dan de eerste beste domme koelie!”
Doch ook deze beleediging bracht Aris niet van de wijs.
“Toean, ik verlang maar voor een klein oogenblikje je aandacht,” bedelde hij opnieuw.
“Ik heb het huwelijkscontract kant en klaar in mijn zak. Als je me driehonderd tikals geeft, kan ik voor S’pia’s vader de drie gewenschte geiten en zes mooie doeken koopen, en de huwelijksceremoniën zijn dan in een ommezien voorbij. S’pia zal thuis blijven; ze heeft me toegestaan dadelijk met je mee te mogen gaan, wanneer en waarheen je mij beveelt je te volgen”——
Nu zat ik toch deerlijk in de klem. Toch schoot me nog een laatste uitvlucht te binnen.
“Aris,” zei ik heel langzaam en ik lei op ieder woord sterk den nadruk: “Jij op reis, en je vrouw ver weg, midden in het dorp—onder—allemaal jonge——menschen———!”
Doch Aris stelde mij onmiddellijk gerust: “Ik kan gerust weggaan, toean, S’pia is niet gevaarlijk mooi——” en om niet als een stommerik voor me te staan, voegde hij er haastig aan toe: “niet erg mooi——maar toch wel week!”——
Toen zag ik in, dat ik het verloren had en dacht alleen nog maar: “voordeelig, werkelijk practisch!” en gaf hem het geld.
Het werd al moeilijker in het oerwoud. Het werd twijfelachtig of de plek wel dat wat ze op het eerste gezicht beloofd had, zou bevatten. Slechte, onbegrijpelijk geringe resultaten hadden we, vlak naast goede. Met het koortsklimaat moest ook rekening gehouden worden. De half-vergroeide grenzen van een oude, misschien nog geldige concessie, toebehoorend aan een Siamees, grepen tot diep in de plek waar wij werkten en sneden er het rijkste brok van het heele dal uit.
Het was de vraag of er ooit menschen zouden zijn, die het bij geregelden arbeid hier konden uithouden. Zelfs de sterkste Siameezen werden ziek. Of ik wilde of niet, ik moest er al meer over nadenken, hoe onzinnig het was, bij de al geringer wordende uitzichten bij deze moeizame poging te volharden.——
Op een ochtend toen ik wakker werd, stond Aris besluiteloos bij den kokkie.
Ik keek op de klok.
“Waarom ga je niet met de mannen aan den gang?”
“Ze zijn er niet toean.”—
“Wat, nog niet uit het dorp terug? Dan zullen we weer nieuwe koelies moeten zoeken, als de anderen het werk beu zijn.”—
Twee minuten later kwam Aris terug met de boodschap: “Toean, Krot is daarnet aangekomen. De andere drie hebben vannacht buikpijn gehad, en twee van hen zijn al gestorven—.”
Nu wist ik, dat de cholera, die in de groote steden al sedert weken sluipend haar slachtoffers besprong, zich ook over het land had uitgebreid.